TWAALFDE HOOFDSTUK.

Waarin prins Alphabet uit 't ravijn verlost wordt door Karibo en

in Lumkiping Oeliboe Bomdrum weer terugziet.

De twee Pirlapansche jongens die Plachki had uitgezonden om hulp,

liepen natuurlijk heel geen gevaar maar dat wisten ze niet. Daarom

deden ze zeer voorzichtig. En toen ze eindelijk iets hoorden,

dat anders klonk dan de gewone boschgeluiden, gleden ze vlug van

hun paarden, bonden die aan 'n boom en slopen door de struiken om

'n plekje te vinden waar ze 'n eind de boschweg konden overzien.

Dat konden de soldaten van Sutrebor wel zijn die daar naderden,

meende de een. Doch de ander zei dat 't dan een nieuwe troep moest

wezen, want 't geluid kwam niet van de kant van Pirlapan. Daar moest

de eerste troep toch vandaan komen.

"'t Begint er leelijk uit te zien voor de prins en Plachki, als er

nog meer komen," zei de eerste weer.

"Als ze voorbij zijn, zullen we maar als de wind doorrijden. In 't

ravijn vinden ze hem nog niet zoo gauw. Misschien komen wij dan met

hulp terug eer 't te laat is."

"Maar ze hebben geen eten."

"O daar zal Plachki wel wat op vinden. Die is slim genoeg en hij kent

't bosch op z'n duim."

"St, daar komen ze. Hou je weg."

"Ik moet toch kunnen zien, hoeveel 't er zoo wat zijn."

Daar kwam een heele troep ruiters aangedraafd. Doch nauwelijks had

de Pirlapansche jongen de voorsten in 't oog gekregen of hij sprong

uit de struiken te voorschijn en z'n kameraad hoorde hem schreeuwen:

"Pirlapan! Pirlapan!!" Die schrok er eerst van. Maar in 't volgende

oogenblik was hij ook op de weg. Als er "Pirlapan" geroepen werd

bleef er geen Pirlapanner achter. Tot z'n groote blijdschap zag hij

echter al dadelijk waarom z'n kameraad zoo gedaan had. Bij de troep

die daar nu vlakbij was herkende hij Pirlapansche ruiters en dan

konden de overigen vanzelf al geen soldaten van Sutrebor zijn.

Op 'n teeken van de man die voorop reed, hield de troep stil, en

nu wist Karibo al heel gauw hoe de zaken stonden. Hij vroolijkte er

heelemaal van op. Want Karibo was zoo bang geweest dat ie te laat zou

komen. Maar nu de Sutreborsoldaten hen nog niet te pakken hadden en

hij naar 't scheen veilig in 't ravijn zat, was er nog niets verloren.

"Waar is dat ravijn?" vroeg Karibo, "en is 't wel zoo'n veilige

schuilplaats."

"Of het," riepen verscheidene Pirlapanners. "Daar vinden ze onze

Plachki nog niet zoo gauw."

Die Pirlapanners dachten 't eerst aan de zoon van hun heer.

"En kunnen we er spoedig zijn?"

"Binnen 'n paar uur."

"Dan maar snel er heen mannen."

"Heer Karibo," zei een der Pirlapanners, "zou 't niet beter zijn,

dat we eerst die Sutreborkereltjes eens op d'r lui wammes gaven? Daar

heb ik toch zoo'n zin in."

"Eerst de prins hebben man," antwoordde Karibo. "Daarna kunnen we weer

zien, wat we doen. Of ben je bang dat ze Pirlapan zullen overrompelen?"

"Heelemaal niet. 't Huis is sterk genoeg en Brulfros laat ze d'r zoo

maar niet in. Maar wie weet hoeveel ze rondom vernielen. Ons koren

en onze haver... en..."

"Dat zal wel losloopen hoor. Vooruit. Eerst de prins en Plachki en

die dappere jongens die bij hen zijn."

"En mogen we dan die kerels van Sutrebor klop geven?"

"Dat zullen we wel zien."

De Pirlapanners waren niet erg tevreden met dat antwoord. Doch ze

gehoorzaamden. Als ze Plachki gevonden hadden, zou 't er toch wel van

komen. Dat was 'n echte Pirlapan en die zou 't wel niet kunnen hebben,

dat daar zoo'n honderd man van Sutrebor vóór z'n vaders valbrug lagen.

't Ging nu weer in galop en 't was nog niet heelemaal donker toen ze

't ravijn inreden, waar ze natuurlijk met groote blijdschap ontvangen

werden. De jongens hadden er niet op gerekend, dat er al zoo gauw

ontzet zou komen opdagen.

Maar vooral Abé en Karibo waren blij dat ze elkaar eindelijk heelhuids

terug vonden.

"Jonge, jonge," zei Karibo, "da's 'n gelukje hoor, dat we die twee

ferme jongens ontmoetten. We hadden je hier nooit gevonden. We zouden

natuurlijk recht door gereden zijn naar Pirlapan en dan waren we

slaags geraakt met die Sutrebortroep."

"O," antwoordde Plachki, "die hadden op d'r kop gekregen."

"Daar twijfel ik geen oogenblik aan," zei Karibo lachend. "Doch ik

weet zeker, dat 't dan nog 'n heele tijd geduurd zou hebben eer ik Abé

terug gezien had. We zouden elkaar wéér voorbij zijn geloopen... hè?"

"Op dat punt waren we echte ongeluksvogels Karibo. Maar nu blijven we

bij elkaar hoor. Als je wist hoe raar ik al die tijd rondgescharreld

heb."

"'k Weet er alles van. Je ben al roover ook geweest he?"...

"En bedelaar."

"Je witte paard hebben we terug!"

"Wat zeg je?... En die kerel?"

"Achter slot hoor."

"Maar hoe wist je dat Sutrebor me z'n ruiters achterna gezonden

had? Daar wist ik zelf niet eens wat van."

"Dat heb je te danken aan moeder Guldratsj jongen. Die heeft 't

me verteld."

"Karibo is 't eerlijk waar, wordt ik keizer van Huk?"

"Natuurlijk, geen mensch heeft er recht op dan jij. Om je de waarheid

te zeggen ben je 't nu al. Pirlapan heeft nu al 'n heel leger bij

elkaar en daarmee trekken we naar Pomfriet. Sutrebor moet maar 'n

goed heenkomen zoeken."

"Dat is hem geraden ook," zei Plachki, "want als vader hem te pakken

krijgt zal 't er leelijk voor hem uitzien."

"En waar gaan we nu heen?" vroeg Abé aan Karibo.

"Nu gaan we eerst maar wat slapen Abé. Je zal ook wel moe zijn."

"'n Beetje wel. Doch we hebben geen aangename slaapplaatsen hier op

de steenen."

"Nou ja, voor 'n keer hindert dat niet. 'n Soldaat moet overal tegen

kunnen hè?"

"Wat dat betreft, 'k ben in de laatste tijd niet verwend. 'k Heb in

'n hutje geslapen bij moeder Guldratsj, langs de weg in 't gras, bij

de boer in 't hooi, bij de roovers in de stal, bij 'n andere boer

tusschen de geiten en toen wouen ze me in Lumkiping in 'n kil hok

laten logeeren terwijl ik niets anders aan had dan 'n hemd. Doch daar

maakte Plachki gelukkig 'n eind aan. Dat was niet om uit te houen."

"Je hebt heel wat meegemaakt Abé en voor 'n keizer heb je 't niet al

te best gehad. Maar dat zal nu wel voorbij zijn. Over 'n paar weken

slaap je in je paleis in Pomfriet."

'n Half uur later was 't heel stil in 't ravijn. De menschen sliepen

behalve de schildwachten, die aan de ingang van 't ravijn op post

stonden. Bovendien waakten er ook nog mannen bij de paarden.

'n Uur daar vandaan in 't kamp van de Sutrebortroep ging 't er op dat

oogenblik heel anders toe. De aanvoerder die 's middags om 't kasteel

heen gezworven had om te zien of er geen zwak of onverdedigd plekje

te vinden was, waarvan hij gebruik kon maken om Pirlapan binnen te

dringen, was erg misnoegd bij z'n troep teruggekeerd. Er was geen

sprake van dat hij met 'n honderd ruiters iets tegen 't sterke huis

ondernemen kon. Hij zou onverrichter zaken terug moeten keeren naar

Pomfriet. En dat beteekende de ongenade van keizer Sutrebor en óók nog

't verlies van de uitgeloofde belooning. 't Een was al net zoo erg

als 't andere. Heel veel gaf die aanvoerder niet om z'n keizer. Of

hij in dienst was bij 'n keizer die Sutrebor heette of bij 'n ander,

dat was hem 't zelfde. Wie hem betaalde, was z'n heer, en zoo dachten

de onderaanvoerders en de soldaten er ook over. 't Waren allemaal

huurlingen.

Toen de aanvoerder in 't kamp aankwam sliep de heele boel. Hij hoorde

hen in de verte al snurken. Nu 'n beetje rust gunde hij z'n mannen

wel, want ze hadden 'n vermoeiende tocht achter de rug. Als ze wat

uitgerust waren zou hij hen maar weer te paard laten stijgen en dan

zat er niets anders op dan terugkeeren naar Pomfriet.

Tegen den avond riep hij z'n onderaanvoerders nog eens bij zich en

beraadslaagde met hen wat ze doen zouden. Die waren er ook voor om

maar zoo gauw mogelijk terug te keeren. De prins kregen ze toch

niet te pakken, 't Was wel jammer dat de belooning hen ontging,

doch daar was wel wat op te vinden. Ze zouden onderweg hier en daar

'n beetje plunderen. Daar hielden de ruiters ook wel van, en op die

manier kreeg je toch ook wat in je beurs.

"Best," zei de aanvoerder. "Tegen de tijd dat Sutrebor er achter komt

dat we z'n eigen onderdanen geplunderd hebben, heeft ie ons misschien

hard noodig, en vergeeft ie 't ons wel. Want als ik me niet vergis, zal

er 'n harde tijd voor keizer Sutrebor aanbreken. Ze zullen die prins

wel keizer willen maken en dan zal Sutrebor er om moeten vechten."

"Da's wel heel goed kapitein. Dan krijgen wij wat te doen."

"Laten we nu maar opbreken."

'n Oogenblik later klonk er trompetgeschal. De mannen stonden op,

gingen maar hun paarden en maakten zich gereed om op te stijgen. Ze

mopperden allemaal. Hadden ze daarvoor nu zoo'n verre tocht gemaakt

om met leege handen terug te gaan? Nu kregen ze natuurlijk geen cent

van de keizer.

De kapitein merkte 't wel en hij liet door z'n onderaanvoerders aan

de ruiters meedeelen, dat ze onderweg zich wel schadeloos zouden

stellen, door 'n beetje te plunderen. Met ontevreden soldaten kon

hij niets beginnen.

Daar werden ze allemaal weer vroolijk van en welgemoed reden ze

'n kwartier later 't bosch in.

De schildwachten aan de ingang van 't ravijn en de mannen bij de

paarden hadden 't trompetsignaal ook gehoord. 'n Schildwacht was

daarop van z'n paard gesprongen en had aan Karibo, die al sliep maar

dadelijk wakker werd toen de man aan kwam stappen, gemeld dat er de

kant op van Pirlapan 'n signaal gegeven was.

"Ze gaan zeker weer weg," zei Karibo.

De schildwacht die zelf 'n Pirlapanner was, dacht dat ook en hij

vond 't erg jammer, want dan kwam er niemendal van 't plannetje om

die Sutreborkerels op d'rlui kop te geven. Plachki en Abé waren nu

ook wakker geworden, en toen ze hoorden wat er aan de hand was, zei

Plachki dat ze best die troep overvallen konden als Karibo 't hebben

wilde. Over 'n half uur waren ze vlak in de buurt.

Maar Karibo had er niet veel zin in. Dat wil niet zeggen dat Karibo

niet van vechten hield. Daar hielden in die tijd bijna alle menschen

van, doch hij vond 't niet voorzichtig. Als 't eens verkeerd ging,

dan kwam de prins weer in gevaar.

"Ben je mal," zei Plachki, "d'r is heelemaal geen kans voor die lui om

't te winnen van ons. We overvallen hen van drie kanten en..."

"En dan gaan ze d'r allemaal ân!" zei de Pirlapanner.

"We blijven stilletjes hier," zei Karibo. "'t Zou zeer onverstandig

zijn onze mannen te wagen alleen om die Sutrebortroep uit elkaar te

slaan. Laat dat maar aan anderen over. Ze komen tòch niet in Pomfriet

terug. Onderweg zullen ze wel zien wat er aan de hand is. Ga maar

gauw weer op je post."

De Pirlapanner ging, maar in zichzelf wenschte hij die voorzichtige,

bedachtzame Karibo naar de maan. Als heer Pirlapan er zelf bij was

geweest zou 't wel anders gaan. Die zou zich niet zoo flauw aanstellen.

Zoo kwam het dat de honderd man van Sutrebor ongehinderd 't bosch

door konden rijden, op geen kwartier afstand van 't ravijn, waar de

prins die ze zoo graag in hun bezit gehad hadden gerust lag te slapen,

want hij werd nu wel heel goed bewaakt.

Den volgenden morgen heel vroeg brak Karibo met z'n mannen op om de

terugtocht naar Lumkiping te aanvaarden en zonder ongevallen kwamen

ze daar dan ook 'n dag of wat later aan. Van de soldaten van Sutrebor

hadden ze niets meer gehoord of gezien.

Met groot gejubel werd Prins Alphabet in Lumkiping ontvangen. De

heele stad liep uit om hem te zien en de oude Pirlapan en de overige

baronnen, die in Lumkiping waren met al hun krijgsknechten behandelden

hem met de eerbied die ze aan hun keizer verschuldigd waren. Dat

was niet erg naar de zin van Abé, die zich 'n beetje verlegen voelde

worden, als zoo'n voorname heer in 'n ijzeren wapenrusting voor hem

boog, doch Karibo vertelde hen lachend dat ie daaraan wel wennen zou.

Hij reed nu weer op z'n witte paard en hij had z'n eigen kleeren

weer aan, met de roode schoenen en de vierpuntige muts met de

voelsprieten. Doch de oude Pirlapan had om de rand van de muts 'n

gouden kroon laten maken. Hij vond dat 't zoo hoorde en Abé vond

't ook erg mooi. Karibo was er ook zeer mee ingenomen, want nu kon

iedereen onmiddellijk zien, dat ze de keizer van Huk voor zich hadden.

Abé en Karibo hadden bij 'n deftig burger van Lumkiping hun intrek

genomen, die z'n heele prachtige huis ter hunner beschikking gesteld

had. Ze behoorden eigenlijk in 't huis van de burgemeester te wonen,

zei Pirlapan, maar de burgemeester was ziek en iedereen in Lumkiping

wist dat de burgemeester ziek was van angst, omdat hij de keizer van

Huk in z'n hemd had opgesloten in 't gevangenhok op 't raadhuis. De

goeie man meende dat de keizer wel erg kwaad op hem zou zijn daarom,

doch Abé dacht heelemaal niet aan hem. Die dacht veel meer aan

moeder Guldratsj en aan Plachki, die hij ook weinig meer te zien

kreeg. Plachki moest voor z'n vader dienst doen bij 't leger, dat

in Lumkiping lag en waarmee hij binnenkort dacht op te trekken naar

Pomfriet om keizer Sutrebor te gaan verjagen.

Abé had ook graag weer 'n beetje alleen op z'n paard rondgereden,

desnoods met Karibo bij zich, doch 't liefst met z'n vriend Plachki

doch dat ging niet. Hij was nu keizer en er was altijd 'n lijfwacht

om hem heen, aangevoerd door 'n ouwe stijve baron met 'n vreeselijk

ernstig gezicht. Als Abé maar even opkeek was de stijve baron al naast

hem om te vragen wat zijn majesteit verlangde. Hij hoefde niets meer

zelf te doen en dat vond ie schrikkelijk vervelend.

Soms lag Abé 's avonds in z'n bed daarover na te denken. Dan was

hij tenminste alleen. Hij had er al eens met Karibo over gesproken,

dat zóó'n keizerleventje hem niet beviel, doch die goeie Karibo had

alweer gezegd, dat 't wel wennen zou. Met keizers ging 't altijd

zoo. Je was baas over 't heele land maar over jezelf had je heel

weinig in te brengen.

Op 'n keer kwam hij Plachki te paard tegen. Die groette heel netjes,

zooals 't behoorde en reed door. Doch dit vond Abé toch wel 'n beetje

al te gek, dat z'n vriend Plachki en hij elkaar voorbij zouden rijden

zonder 'n woord tot elkaar te zeggen. Vlug wendde hij z'n witte paard

en was in 'n wip naast Plachki.

"'k Rijd 'n een eindje met je mee Plachki. Waar moet je naar toe?"

"Eventjes naar vader. Wat 'n vervelend schepsel heb je daar bij je?"

"Dat is de aanvoerder van de lijfwacht."

"Lollige kameraad geloof ik. Wat 'n snuit zet die vent."

"Pas maar op dat ie je niet hoort... 't Is de ouwe baron

Bommeldebierton van Rommeldebom."

"Nou jij raakt thuis in de Huksche namen. Je spreekt 'm tenminste

uit of je nooit anders gedaan hebt."

"Ik leer 't zoo langzamerhand. Ik zeg gewoonlijk maar Bommeltje tegen

hem, doch hij heeft 't liever niet. Hij is trotsch op z'n naam."

"Waarom stuur je 'm met z'n lijfwacht niet weg? Waarvoor ben je dan

keizer als je niet eens die lui weg kan sturen?"

"'k Zal 't maar doen ook Plachki. Ik moet eens 'n poosje met jou

alleen rijden."

Hij keerde zich half op z'n paard om, doch nauwelijks had hij die

beweging gemaakt of baron Bommeldebierton van Rommeldebom was al

naast hem om te vragen wat zijne majesteit wenschte.

"Baron ik wou 'n poosje met m'n vriend Plachki alleen zijn. Rijd maar

met de lijfwacht naar huis. Tot ziens."

Hij groette plechtig met de hand en draafde met Plachki

weg. Bommeldebierton werd rood van ergernis. Hij vond dat die jonge

keizer dingen deed die 'n keizer niet doen mocht.

"Zoo'n aap," bromde hij binnensmonds.

Abé en Plachki draafden samen 'n paar stille straten door, doch

toen ze in de drukkere buurten kwamen moesten ze hun paarden laten

stappen. De Lumkipingers keken met plezier naar het keizertje,

dat ze nu eens op hun gemak en van dichtbij konden bewonderen en

aangapen en ze groetten allemaal. Abé knikte lachend terug. Nu hij

alleen met Plachki reed door die volle straten had hij schik. Maar

de Lumkipingers werden hoe langer hoe lastiger. Ze begonnen mee te

loopen om prins Alphabet eens goed te bekijken en de meesten die van

de andere kant kwamen drongen voortdurend maar op. Abé en z'n vriend

konden bijna niet meer vooruit. Als er een wat al te dicht bij z'n

paard kwam gaf de jonge Pirlapan de man 'n duw met z'n ijzeren schoen

of 'n por met 't hout van z'n speer. Hij ging niet erg zachtzinnig

om met de onderdanen van z'n vriend.

"Pas op Plachki, je doet ze zeer."

"Moeten ze maar uit de weg blijven."

Doch plotseling op de hoek van 'n straat verscheen er zoo'n

Lumkipingsche politiereus. Hij had 'n knuppel in de hand en keek

met 'n streng gezicht naar de burgers onder wie hij de orde moest

handhaven. Nu zag hij daar de keizer aankomen en dadelijk was hij er

bij om ruim baan te maken.

"Op zij!" schreeuwde de reus. "Op zij!"

De menschen vlogen uit de weg.

"O," riep Plachki en hij begon luidkeels te lachen, waarvan de

Lumkipingsche burgers gek opkeken.

"Waarom lach jij zoo?" vroeg Abé. "Vind je 't niet aardig van hem

dat ie 'n beetje ruimte maakt voor ons?"

"Jawel Abé... maar 't is die vent, die 's nachts op jou passen

moest..."

Oeliboe Bomdrum had bij 't luide lachen van Plachki opgekeken en

dadelijk had ie die jongen ook herkend. De man stond plotseling zoo

stijf als 'n boom.

Maar Plachki zei tegen hem:

"Wel, hebben jullie nog lang naar ons gezocht die nacht?"

Toen kwam Oeliboe Bomdrum weer 'n beetje bij en hij antwoordde:

"Neen heer, we dachten dat je wel niet meer uit 't water zou komen."

"Zoo dachten jullie dat? En wat zei de burgemeester er wel van. Heb

je op je kop gehad?"

"Neen heer. De burgemeester weet niet hoe 't gegaan is. Wij hebben

onze mond gehouden en gezegd dat we niets gehoord of gezien hebben."

"Dat hebben jullie ook niet," zei Plachki lachend, "want je sliep

allemaal."

"O heer," smeekte Oeliboe Bomdrum "zeg 't asjeblieft niet tegen de

burgemeester, want dat is 'n streng heer. Die jaagt ons zeker allemaal

weg, als ie 't hoort."

"Wees maar niet bang," zei Abé nu. "Wij zullen je niet verraden

hoor. Loop maar 'n eindje voor ons uit, om wat ruimte te houden voor

onze paarden."

"Dat zal ik doen heer," zei Oeliboe Bomdrum verheugd en hij ging

tien passen voor de paarden uit in 't midden van de straat loopen

met z'n knuppel zwaaiend. Geen enkele Lumkipinger had 't hart meer

midden in de straat te blijven wandelen. Ze bleven netjes aan de

kant en Abé en Plachki konden rustig voortrijden. Oeliboe Bomdrum was

'n beste voorlooper.

"Wat doe je de heele dag?" vroeg Plachki.

"Nou niet veel bizonders. Je vader en Karibo en de overige heeren

maken geloof ik alles in orde voor me. Over twee dagen gaan we naar

Pomfriet."

"Maar waarom kom je dan niet bij ons in 't leger. Daar is 't prettig

genoeg. De heele dag oefenen we ons, want 't zal er daar in Pomfriet

warm naar toe gaan, als Sutrebor tenminste 'n beetje moed in z'n

lijf heeft.

"Morgen kom ik hoor," zei Abé. "Ik ben 't 'n beetje zat dat

lanterfanten."

"Best, je komt maar bij de Pirlapans. We zijn allemaal bij elkaar,

m'n broers en de mannen van Pirlapan. 'n Prachtige troep. We wonen

in tenten buiten de stad."

"Hè, hoe heerlijk. Ik kom morgen vast."

Prins Alphabet · 第 20 / 23 题