Waarin prins Alphabet uit 't ravijn verlost wordt door Karibo en
in Lumkiping Oeliboe Bomdrum weer terugziet.
De twee Pirlapansche jongens die Plachki had uitgezonden om hulp,
liepen natuurlijk heel geen gevaar maar dat wisten ze niet. Daarom
deden ze zeer voorzichtig. En toen ze eindelijk iets hoorden,
dat anders klonk dan de gewone boschgeluiden, gleden ze vlug van
hun paarden, bonden die aan 'n boom en slopen door de struiken om
'n plekje te vinden waar ze 'n eind de boschweg konden overzien.
Dat konden de soldaten van Sutrebor wel zijn die daar naderden,
meende de een. Doch de ander zei dat 't dan een nieuwe troep moest
wezen, want 't geluid kwam niet van de kant van Pirlapan. Daar moest
de eerste troep toch vandaan komen.
"'t Begint er leelijk uit te zien voor de prins en Plachki, als er
nog meer komen," zei de eerste weer.
"Als ze voorbij zijn, zullen we maar als de wind doorrijden. In 't
ravijn vinden ze hem nog niet zoo gauw. Misschien komen wij dan met
hulp terug eer 't te laat is."
"Maar ze hebben geen eten."
"O daar zal Plachki wel wat op vinden. Die is slim genoeg en hij kent
't bosch op z'n duim."
"St, daar komen ze. Hou je weg."
"Ik moet toch kunnen zien, hoeveel 't er zoo wat zijn."
Daar kwam een heele troep ruiters aangedraafd. Doch nauwelijks had
de Pirlapansche jongen de voorsten in 't oog gekregen of hij sprong
uit de struiken te voorschijn en z'n kameraad hoorde hem schreeuwen:
"Pirlapan! Pirlapan!!" Die schrok er eerst van. Maar in 't volgende
oogenblik was hij ook op de weg. Als er "Pirlapan" geroepen werd
bleef er geen Pirlapanner achter. Tot z'n groote blijdschap zag hij
echter al dadelijk waarom z'n kameraad zoo gedaan had. Bij de troep
die daar nu vlakbij was herkende hij Pirlapansche ruiters en dan
konden de overigen vanzelf al geen soldaten van Sutrebor zijn.
Op 'n teeken van de man die voorop reed, hield de troep stil, en
nu wist Karibo al heel gauw hoe de zaken stonden. Hij vroolijkte er
heelemaal van op. Want Karibo was zoo bang geweest dat ie te laat zou
komen. Maar nu de Sutreborsoldaten hen nog niet te pakken hadden en
hij naar 't scheen veilig in 't ravijn zat, was er nog niets verloren.
"Waar is dat ravijn?" vroeg Karibo, "en is 't wel zoo'n veilige
schuilplaats."
"Of het," riepen verscheidene Pirlapanners. "Daar vinden ze onze
Plachki nog niet zoo gauw."
Die Pirlapanners dachten 't eerst aan de zoon van hun heer.
"En kunnen we er spoedig zijn?"
"Binnen 'n paar uur."
"Dan maar snel er heen mannen."
"Heer Karibo," zei een der Pirlapanners, "zou 't niet beter zijn,
dat we eerst die Sutreborkereltjes eens op d'r lui wammes gaven? Daar
heb ik toch zoo'n zin in."
"Eerst de prins hebben man," antwoordde Karibo. "Daarna kunnen we weer
zien, wat we doen. Of ben je bang dat ze Pirlapan zullen overrompelen?"
"Heelemaal niet. 't Huis is sterk genoeg en Brulfros laat ze d'r zoo
maar niet in. Maar wie weet hoeveel ze rondom vernielen. Ons koren
en onze haver... en..."
"Dat zal wel losloopen hoor. Vooruit. Eerst de prins en Plachki en
die dappere jongens die bij hen zijn."
"En mogen we dan die kerels van Sutrebor klop geven?"
"Dat zullen we wel zien."
De Pirlapanners waren niet erg tevreden met dat antwoord. Doch ze
gehoorzaamden. Als ze Plachki gevonden hadden, zou 't er toch wel van
komen. Dat was 'n echte Pirlapan en die zou 't wel niet kunnen hebben,
dat daar zoo'n honderd man van Sutrebor vóór z'n vaders valbrug lagen.
't Ging nu weer in galop en 't was nog niet heelemaal donker toen ze
't ravijn inreden, waar ze natuurlijk met groote blijdschap ontvangen
werden. De jongens hadden er niet op gerekend, dat er al zoo gauw
ontzet zou komen opdagen.
Maar vooral Abé en Karibo waren blij dat ze elkaar eindelijk heelhuids
terug vonden.
"Jonge, jonge," zei Karibo, "da's 'n gelukje hoor, dat we die twee
ferme jongens ontmoetten. We hadden je hier nooit gevonden. We zouden
natuurlijk recht door gereden zijn naar Pirlapan en dan waren we
slaags geraakt met die Sutrebortroep."
"O," antwoordde Plachki, "die hadden op d'r kop gekregen."
"Daar twijfel ik geen oogenblik aan," zei Karibo lachend. "Doch ik
weet zeker, dat 't dan nog 'n heele tijd geduurd zou hebben eer ik Abé
terug gezien had. We zouden elkaar wéér voorbij zijn geloopen... hè?"
"Op dat punt waren we echte ongeluksvogels Karibo. Maar nu blijven we
bij elkaar hoor. Als je wist hoe raar ik al die tijd rondgescharreld
heb."
"'k Weet er alles van. Je ben al roover ook geweest he?"...
"En bedelaar."
"Je witte paard hebben we terug!"
"Wat zeg je?... En die kerel?"
"Achter slot hoor."
"Maar hoe wist je dat Sutrebor me z'n ruiters achterna gezonden
had? Daar wist ik zelf niet eens wat van."
"Dat heb je te danken aan moeder Guldratsj jongen. Die heeft 't
me verteld."
"Karibo is 't eerlijk waar, wordt ik keizer van Huk?"
"Natuurlijk, geen mensch heeft er recht op dan jij. Om je de waarheid
te zeggen ben je 't nu al. Pirlapan heeft nu al 'n heel leger bij
elkaar en daarmee trekken we naar Pomfriet. Sutrebor moet maar 'n
goed heenkomen zoeken."
"Dat is hem geraden ook," zei Plachki, "want als vader hem te pakken
krijgt zal 't er leelijk voor hem uitzien."
"En waar gaan we nu heen?" vroeg Abé aan Karibo.
"Nu gaan we eerst maar wat slapen Abé. Je zal ook wel moe zijn."
"'n Beetje wel. Doch we hebben geen aangename slaapplaatsen hier op
de steenen."
"Nou ja, voor 'n keer hindert dat niet. 'n Soldaat moet overal tegen
kunnen hè?"
"Wat dat betreft, 'k ben in de laatste tijd niet verwend. 'k Heb in
'n hutje geslapen bij moeder Guldratsj, langs de weg in 't gras, bij
de boer in 't hooi, bij de roovers in de stal, bij 'n andere boer
tusschen de geiten en toen wouen ze me in Lumkiping in 'n kil hok
laten logeeren terwijl ik niets anders aan had dan 'n hemd. Doch daar
maakte Plachki gelukkig 'n eind aan. Dat was niet om uit te houen."
"Je hebt heel wat meegemaakt Abé en voor 'n keizer heb je 't niet al
te best gehad. Maar dat zal nu wel voorbij zijn. Over 'n paar weken
slaap je in je paleis in Pomfriet."
'n Half uur later was 't heel stil in 't ravijn. De menschen sliepen
behalve de schildwachten, die aan de ingang van 't ravijn op post
stonden. Bovendien waakten er ook nog mannen bij de paarden.
'n Uur daar vandaan in 't kamp van de Sutrebortroep ging 't er op dat
oogenblik heel anders toe. De aanvoerder die 's middags om 't kasteel
heen gezworven had om te zien of er geen zwak of onverdedigd plekje
te vinden was, waarvan hij gebruik kon maken om Pirlapan binnen te
dringen, was erg misnoegd bij z'n troep teruggekeerd. Er was geen
sprake van dat hij met 'n honderd ruiters iets tegen 't sterke huis
ondernemen kon. Hij zou onverrichter zaken terug moeten keeren naar
Pomfriet. En dat beteekende de ongenade van keizer Sutrebor en óók nog
't verlies van de uitgeloofde belooning. 't Een was al net zoo erg
als 't andere. Heel veel gaf die aanvoerder niet om z'n keizer. Of
hij in dienst was bij 'n keizer die Sutrebor heette of bij 'n ander,
dat was hem 't zelfde. Wie hem betaalde, was z'n heer, en zoo dachten
de onderaanvoerders en de soldaten er ook over. 't Waren allemaal
huurlingen.
Toen de aanvoerder in 't kamp aankwam sliep de heele boel. Hij hoorde
hen in de verte al snurken. Nu 'n beetje rust gunde hij z'n mannen
wel, want ze hadden 'n vermoeiende tocht achter de rug. Als ze wat
uitgerust waren zou hij hen maar weer te paard laten stijgen en dan
zat er niets anders op dan terugkeeren naar Pomfriet.
Tegen den avond riep hij z'n onderaanvoerders nog eens bij zich en
beraadslaagde met hen wat ze doen zouden. Die waren er ook voor om
maar zoo gauw mogelijk terug te keeren. De prins kregen ze toch
niet te pakken, 't Was wel jammer dat de belooning hen ontging,
doch daar was wel wat op te vinden. Ze zouden onderweg hier en daar
'n beetje plunderen. Daar hielden de ruiters ook wel van, en op die
manier kreeg je toch ook wat in je beurs.
"Best," zei de aanvoerder. "Tegen de tijd dat Sutrebor er achter komt
dat we z'n eigen onderdanen geplunderd hebben, heeft ie ons misschien
hard noodig, en vergeeft ie 't ons wel. Want als ik me niet vergis, zal
er 'n harde tijd voor keizer Sutrebor aanbreken. Ze zullen die prins
wel keizer willen maken en dan zal Sutrebor er om moeten vechten."
"Da's wel heel goed kapitein. Dan krijgen wij wat te doen."
"Laten we nu maar opbreken."
'n Oogenblik later klonk er trompetgeschal. De mannen stonden op,
gingen maar hun paarden en maakten zich gereed om op te stijgen. Ze
mopperden allemaal. Hadden ze daarvoor nu zoo'n verre tocht gemaakt
om met leege handen terug te gaan? Nu kregen ze natuurlijk geen cent
van de keizer.
De kapitein merkte 't wel en hij liet door z'n onderaanvoerders aan
de ruiters meedeelen, dat ze onderweg zich wel schadeloos zouden
stellen, door 'n beetje te plunderen. Met ontevreden soldaten kon
hij niets beginnen.
Daar werden ze allemaal weer vroolijk van en welgemoed reden ze
'n kwartier later 't bosch in.
De schildwachten aan de ingang van 't ravijn en de mannen bij de
paarden hadden 't trompetsignaal ook gehoord. 'n Schildwacht was
daarop van z'n paard gesprongen en had aan Karibo, die al sliep maar
dadelijk wakker werd toen de man aan kwam stappen, gemeld dat er de
kant op van Pirlapan 'n signaal gegeven was.
"Ze gaan zeker weer weg," zei Karibo.
De schildwacht die zelf 'n Pirlapanner was, dacht dat ook en hij
vond 't erg jammer, want dan kwam er niemendal van 't plannetje om
die Sutreborkerels op d'rlui kop te geven. Plachki en Abé waren nu
ook wakker geworden, en toen ze hoorden wat er aan de hand was, zei
Plachki dat ze best die troep overvallen konden als Karibo 't hebben
wilde. Over 'n half uur waren ze vlak in de buurt.
Maar Karibo had er niet veel zin in. Dat wil niet zeggen dat Karibo
niet van vechten hield. Daar hielden in die tijd bijna alle menschen
van, doch hij vond 't niet voorzichtig. Als 't eens verkeerd ging,
dan kwam de prins weer in gevaar.
"Ben je mal," zei Plachki, "d'r is heelemaal geen kans voor die lui om
't te winnen van ons. We overvallen hen van drie kanten en..."
"En dan gaan ze d'r allemaal ân!" zei de Pirlapanner.
"We blijven stilletjes hier," zei Karibo. "'t Zou zeer onverstandig
zijn onze mannen te wagen alleen om die Sutrebortroep uit elkaar te
slaan. Laat dat maar aan anderen over. Ze komen tòch niet in Pomfriet
terug. Onderweg zullen ze wel zien wat er aan de hand is. Ga maar
gauw weer op je post."
De Pirlapanner ging, maar in zichzelf wenschte hij die voorzichtige,
bedachtzame Karibo naar de maan. Als heer Pirlapan er zelf bij was
geweest zou 't wel anders gaan. Die zou zich niet zoo flauw aanstellen.
Zoo kwam het dat de honderd man van Sutrebor ongehinderd 't bosch
door konden rijden, op geen kwartier afstand van 't ravijn, waar de
prins die ze zoo graag in hun bezit gehad hadden gerust lag te slapen,
want hij werd nu wel heel goed bewaakt.
Den volgenden morgen heel vroeg brak Karibo met z'n mannen op om de
terugtocht naar Lumkiping te aanvaarden en zonder ongevallen kwamen
ze daar dan ook 'n dag of wat later aan. Van de soldaten van Sutrebor
hadden ze niets meer gehoord of gezien.
Met groot gejubel werd Prins Alphabet in Lumkiping ontvangen. De
heele stad liep uit om hem te zien en de oude Pirlapan en de overige
baronnen, die in Lumkiping waren met al hun krijgsknechten behandelden
hem met de eerbied die ze aan hun keizer verschuldigd waren. Dat
was niet erg naar de zin van Abé, die zich 'n beetje verlegen voelde
worden, als zoo'n voorname heer in 'n ijzeren wapenrusting voor hem
boog, doch Karibo vertelde hen lachend dat ie daaraan wel wennen zou.
Hij reed nu weer op z'n witte paard en hij had z'n eigen kleeren
weer aan, met de roode schoenen en de vierpuntige muts met de
voelsprieten. Doch de oude Pirlapan had om de rand van de muts 'n
gouden kroon laten maken. Hij vond dat 't zoo hoorde en Abé vond
't ook erg mooi. Karibo was er ook zeer mee ingenomen, want nu kon
iedereen onmiddellijk zien, dat ze de keizer van Huk voor zich hadden.
Abé en Karibo hadden bij 'n deftig burger van Lumkiping hun intrek
genomen, die z'n heele prachtige huis ter hunner beschikking gesteld
had. Ze behoorden eigenlijk in 't huis van de burgemeester te wonen,
zei Pirlapan, maar de burgemeester was ziek en iedereen in Lumkiping
wist dat de burgemeester ziek was van angst, omdat hij de keizer van
Huk in z'n hemd had opgesloten in 't gevangenhok op 't raadhuis. De
goeie man meende dat de keizer wel erg kwaad op hem zou zijn daarom,
doch Abé dacht heelemaal niet aan hem. Die dacht veel meer aan
moeder Guldratsj en aan Plachki, die hij ook weinig meer te zien
kreeg. Plachki moest voor z'n vader dienst doen bij 't leger, dat
in Lumkiping lag en waarmee hij binnenkort dacht op te trekken naar
Pomfriet om keizer Sutrebor te gaan verjagen.
Abé had ook graag weer 'n beetje alleen op z'n paard rondgereden,
desnoods met Karibo bij zich, doch 't liefst met z'n vriend Plachki
doch dat ging niet. Hij was nu keizer en er was altijd 'n lijfwacht
om hem heen, aangevoerd door 'n ouwe stijve baron met 'n vreeselijk
ernstig gezicht. Als Abé maar even opkeek was de stijve baron al naast
hem om te vragen wat zijn majesteit verlangde. Hij hoefde niets meer
zelf te doen en dat vond ie schrikkelijk vervelend.
Soms lag Abé 's avonds in z'n bed daarover na te denken. Dan was
hij tenminste alleen. Hij had er al eens met Karibo over gesproken,
dat zóó'n keizerleventje hem niet beviel, doch die goeie Karibo had
alweer gezegd, dat 't wel wennen zou. Met keizers ging 't altijd
zoo. Je was baas over 't heele land maar over jezelf had je heel
weinig in te brengen.
Op 'n keer kwam hij Plachki te paard tegen. Die groette heel netjes,
zooals 't behoorde en reed door. Doch dit vond Abé toch wel 'n beetje
al te gek, dat z'n vriend Plachki en hij elkaar voorbij zouden rijden
zonder 'n woord tot elkaar te zeggen. Vlug wendde hij z'n witte paard
en was in 'n wip naast Plachki.
"'k Rijd 'n een eindje met je mee Plachki. Waar moet je naar toe?"
"Eventjes naar vader. Wat 'n vervelend schepsel heb je daar bij je?"
"Dat is de aanvoerder van de lijfwacht."
"Lollige kameraad geloof ik. Wat 'n snuit zet die vent."
"Pas maar op dat ie je niet hoort... 't Is de ouwe baron
Bommeldebierton van Rommeldebom."
"Nou jij raakt thuis in de Huksche namen. Je spreekt 'm tenminste
uit of je nooit anders gedaan hebt."
"Ik leer 't zoo langzamerhand. Ik zeg gewoonlijk maar Bommeltje tegen
hem, doch hij heeft 't liever niet. Hij is trotsch op z'n naam."
"Waarom stuur je 'm met z'n lijfwacht niet weg? Waarvoor ben je dan
keizer als je niet eens die lui weg kan sturen?"
"'k Zal 't maar doen ook Plachki. Ik moet eens 'n poosje met jou
alleen rijden."
Hij keerde zich half op z'n paard om, doch nauwelijks had hij die
beweging gemaakt of baron Bommeldebierton van Rommeldebom was al
naast hem om te vragen wat zijne majesteit wenschte.
"Baron ik wou 'n poosje met m'n vriend Plachki alleen zijn. Rijd maar
met de lijfwacht naar huis. Tot ziens."
Hij groette plechtig met de hand en draafde met Plachki
weg. Bommeldebierton werd rood van ergernis. Hij vond dat die jonge
keizer dingen deed die 'n keizer niet doen mocht.
"Zoo'n aap," bromde hij binnensmonds.
Abé en Plachki draafden samen 'n paar stille straten door, doch
toen ze in de drukkere buurten kwamen moesten ze hun paarden laten
stappen. De Lumkipingers keken met plezier naar het keizertje,
dat ze nu eens op hun gemak en van dichtbij konden bewonderen en
aangapen en ze groetten allemaal. Abé knikte lachend terug. Nu hij
alleen met Plachki reed door die volle straten had hij schik. Maar
de Lumkipingers werden hoe langer hoe lastiger. Ze begonnen mee te
loopen om prins Alphabet eens goed te bekijken en de meesten die van
de andere kant kwamen drongen voortdurend maar op. Abé en z'n vriend
konden bijna niet meer vooruit. Als er een wat al te dicht bij z'n
paard kwam gaf de jonge Pirlapan de man 'n duw met z'n ijzeren schoen
of 'n por met 't hout van z'n speer. Hij ging niet erg zachtzinnig
om met de onderdanen van z'n vriend.
"Pas op Plachki, je doet ze zeer."
"Moeten ze maar uit de weg blijven."
Doch plotseling op de hoek van 'n straat verscheen er zoo'n
Lumkipingsche politiereus. Hij had 'n knuppel in de hand en keek
met 'n streng gezicht naar de burgers onder wie hij de orde moest
handhaven. Nu zag hij daar de keizer aankomen en dadelijk was hij er
bij om ruim baan te maken.
"Op zij!" schreeuwde de reus. "Op zij!"
De menschen vlogen uit de weg.
"O," riep Plachki en hij begon luidkeels te lachen, waarvan de
Lumkipingsche burgers gek opkeken.
"Waarom lach jij zoo?" vroeg Abé. "Vind je 't niet aardig van hem
dat ie 'n beetje ruimte maakt voor ons?"
"Jawel Abé... maar 't is die vent, die 's nachts op jou passen
moest..."
Oeliboe Bomdrum had bij 't luide lachen van Plachki opgekeken en
dadelijk had ie die jongen ook herkend. De man stond plotseling zoo
stijf als 'n boom.
Maar Plachki zei tegen hem:
"Wel, hebben jullie nog lang naar ons gezocht die nacht?"
Toen kwam Oeliboe Bomdrum weer 'n beetje bij en hij antwoordde:
"Neen heer, we dachten dat je wel niet meer uit 't water zou komen."
"Zoo dachten jullie dat? En wat zei de burgemeester er wel van. Heb
je op je kop gehad?"
"Neen heer. De burgemeester weet niet hoe 't gegaan is. Wij hebben
onze mond gehouden en gezegd dat we niets gehoord of gezien hebben."
"Dat hebben jullie ook niet," zei Plachki lachend, "want je sliep
allemaal."
"O heer," smeekte Oeliboe Bomdrum "zeg 't asjeblieft niet tegen de
burgemeester, want dat is 'n streng heer. Die jaagt ons zeker allemaal
weg, als ie 't hoort."
"Wees maar niet bang," zei Abé nu. "Wij zullen je niet verraden
hoor. Loop maar 'n eindje voor ons uit, om wat ruimte te houden voor
onze paarden."
"Dat zal ik doen heer," zei Oeliboe Bomdrum verheugd en hij ging
tien passen voor de paarden uit in 't midden van de straat loopen
met z'n knuppel zwaaiend. Geen enkele Lumkipinger had 't hart meer
midden in de straat te blijven wandelen. Ze bleven netjes aan de
kant en Abé en Plachki konden rustig voortrijden. Oeliboe Bomdrum was
'n beste voorlooper.
"Wat doe je de heele dag?" vroeg Plachki.
"Nou niet veel bizonders. Je vader en Karibo en de overige heeren
maken geloof ik alles in orde voor me. Over twee dagen gaan we naar
Pomfriet."
"Maar waarom kom je dan niet bij ons in 't leger. Daar is 't prettig
genoeg. De heele dag oefenen we ons, want 't zal er daar in Pomfriet
warm naar toe gaan, als Sutrebor tenminste 'n beetje moed in z'n
lijf heeft.
"Morgen kom ik hoor," zei Abé. "Ik ben 't 'n beetje zat dat
lanterfanten."
"Best, je komt maar bij de Pirlapans. We zijn allemaal bij elkaar,
m'n broers en de mannen van Pirlapan. 'n Prachtige troep. We wonen
in tenten buiten de stad."
"Hè, hoe heerlijk. Ik kom morgen vast."