Waarin de burgemeester van Lumkiping 't benauwd heeft, prins
Alphabet als keizer de hoofdstad van Huk binnengaat en Karibo
'n voornaam heer wordt.
Abé had wel graag gedaan wat ie met Plachki had afgesproken, doch
hij had alweer vergeten dat 'n keizer niet zoo vrij over z'n tijd te
beschikken heeft als 'n gewoon mensch. De baronnen van Huk, die in
Lumkiping aanwezig waren, wilden hun wettige keizer huldigen en dat
zou de volgende dag gebeuren.
"Vervelend hoor," zei Abé toen Karibo 't hem kwam vertellen.
"Wat, noem je dat vervelend? Jongen als je wist hoe blij ik ben,
dat ik zooiets nog mag beleven!"
"Dat geloof ik graag. Maar jij hoeft niet doodstil als 'n pop op
'n troon te zitten. Hebben ze wel eens 'n troon hier?"
"Nee... maar we hebben de burgemeester z'n stoel geleend. Die lijkt
er in ieder geval wat op."
Lumkiping bezat niet eens 'n gebouw groot genoeg om al die baronnen
met hun gevolg te kunnen bevatten en daarom zou de heele plechtigheid
in de open lucht plaats hebben op de markt voor 't raadhuis. Onder
de ingang zou prins Alphabet plaats nemen in de burgemeestersstoel en
de heeren zouden dan een voor een de trap opkomen en voor hun keizer
knielen, zooals dat reeds sedert drieduizend jaren 't gebruik was in
Huk. Iedereen op de markt en voor de vensters kon 't dan mee aanzien.
"Jij komt zeker naast me zitten, hè?" vroeg Abé aan Karibo toen deze
hem alles haarfijn had uitgelegd.
"Naast je zitten? Maar jongen, er zit geen mensch naast je. Pirlapan
staat naast de troon aan je rechterkant met 'n ontbloot zwaard in
de vuist. Hij is de machtigste baron in Huk, en dus komt hem die
eereplaats toe."
"Maar jij zal zoo moe worden als je zoo'n heele morgen staan moet!"
"Ik ben er heelemaal niet bij. Ik ben maar 'n gewoon mensch,
'n vroegere bediende van keizer Napo. Die hoort toch niet naast de
troon te staan."
"Zoo, denken ze dat? Wacht maar eens Karibo tot we in Pomfriet
zijn. Dan zal ik die Hukkers wel eens laten zien, wie er naast me
mag zitten. Niet staan, begrijp je?..."
"Plachki is er toch zeker wèl bij, hè?"
"Die is nog te jong. Die telt nog niet mee. Hij zal wel 'n goed plekje
op de markt uitzoeken om 't te zien."
"Plachki ook al niet? Maar wie is er dan nog meer vlak bij
me? Bommeltje toch niet hoop ik?"
"Ja, die staat links van je."
"Hoor eens Karibo, jullie speelt de baas maar over me of ik heelemaal
niets in te brengen heb. Ik wil die strakke Bommeldebierton niet
naast me hebben. Roep Pirlapan maar eens even."
"Och Abé, laat 't nu maar gebeuren, zooals ze 't voor je bedisseld
hebben."
"Nee. Jij er niet bij en Plachki niet en moeder Guldratsj niet... net
allemaal menschen die ik er graag bij had. Daar gebeurt niks van. Roep
maar gauw Pirlapan."
Karibo ging hoofdschuddend heen. Hij begreep op eens dat prins Alphabet
als 't er op aan kwam minstens net zoo koppig was als keizer Napo
vroeger ook geweest was en die had 't z'n troon gekost.
Toen Pirlapan kwam, wist ie er alles al van. Karibo had hem op de
hoogte gebracht. Hij legde Abé uit, dat 't allemaal zoo hoorde. Maar
't keizertje stond op z'n stuk. In ieder geval wilde hij Plachki naast
zich hebben. Daar kon toch niemand wat tegen inbrengen. Plachki was
toch ook 'n baron van Pirlapan. Z'n vriend kon tusschen hem en die
vervelende Bommeltje in gaan zitten.
De oude Pirlapan hield ook niet erg van Bommeltje. Hij vond hem
'n stijve Klaas, al was ie dan ook nog zoo'n voornaam heer, die je
niet voorbij kon gaan. Hij besloot dus maar aan de wensch van Abé
toe te geven. Plachki mocht aan de voeten van prins Alphabet zitten,
dan konden ze zoo nu en dan eens met elkaar praten. Hiermee was
Abé tevreden.
Al heel vroeg was de markt stampvol en uit alle vensters puilden
proppen menschen. Vlak voor de trappen van 't raadhuis stonden
krijgslieden te voet en de weg naar en van 't raadhuis werd
vrijgehouden door ruiters. Dat zag er bont uit. Iedere baron had
'n paar van z'n mannen geleverd voor deze dienst en ze waren allen
gekleed in de kleeren hunner heeren. Boven de hoofden der menschen
flapperden vlaggen en wimpels, meest oranje en groen, de kleuren van
Huk, doch er waren ook veel andere kleuren tusschen, want iedere
baron had z'n eigen vlag. Die van Pirlapan was rood en geel. Ook
hadden de burgers sparreslingers langs hun gevels gehangen en over
de vensterbanken bonte tapijten gelegd.
Prins Alphabet keek vroolijk over de menschenhoofden heen naar al dat
kleurgeschitter in de zon. Hij zelf had z'n blauwe kleed aan, dat ie
iedere dag droeg, doch daarover heen hing 'n deftige koningsmantel met
hermelijn van binnen en met 'n glinsterend gouden gesp op de borst vast
gemaakt. De sprietenmuts met de gouden kroon er om had hij op. Met
die mantel om vulde hij bijna de ruime zetel van de burgemeester,
die anders veel te groot voor hem geweest zou zijn. Plachki zat aan
z'n voeten.
Nu kwamen al die machtige baronnen hun kleine keizer huldigen en dat
was schrikkelijk vervelend want er waren er zoo'n boel. Abé kende er
maar 'n paar van en hij wist heusch niet wat hij tegen die voorname
heeren zeggen moest. Daarom deed ie maar niets anders dan vriendelijk
knikken tegen iedereen die voor z'n troon de knie boog. En iedereen
die 't zag vond, dat ze maar wat 'n aardig keizertje in Huk hadden.
Een van de laatste die de trappen van 't raadhuis beklom was de
burgemeester van Lumkiping. Al z'n raadsheeren en de spichtige
secretaris liepen achter hem. De burgemeester deed zeer plechtig en
stapte deftig langzaam, met z'n neus in de wind de trappen op. Hij
hield zich goed voor de menschen. Niemand kon aan hem zien hoe z'n
hart van angst klopte en hij hoorde niemendal van 't hoerageroep
der Lumkipingsche burgers op de markt, die 't maar wàt fijn vonden,
dat hun burgemeester 't eerst van alle burgemeesters uit heel Huk de
nieuwe keizer mocht gaan huldigen. Dat was voor de eerste maal sedert
't keizerrijk Huk bestond.
"Daar heb je 'm" fluisterde Plachki, toen de burgemeester naderde.
Abé zette 'n ernstig gezicht. Doch toen de burgemeester neerknielde en
nog dieper boog dan een van de anderen gedaan had, dacht hij eraan dat
hij nog niet lang geleden als 'n roover vóór die burgemeester gestaan
had. Toen zat die burgemeester in de stoel en Abé stond er voor in z'n
hemd. De bordjes waren verhangen. Abé was er geen jongen naar om dat
aan die bibberende burgemeester te wreken, maar toch zei hij lachend:
"Vindt u me zoo niet veel knapper dan in m'n hemd?"
De arme man wou wat antwoorden, doch er kwam geen woord over z'n
lippen, ofschoon hij er moeite genoeg voor deed. Ook stond hij maar
heelemaal niet op, wat hij allang had behooren te doen. Plachki
kon zich bijna niet meer goedhouden. Die vond 't wel leuk dat zoo'n
stadsche m'nheer er zoo inzat. Doch Abé kreeg meelijden met de stakker
en daarom zei hij heel ernstig: "Ik hoop u later nog eens in Pomfriet
te zien, burgemeester, U moet maar eens bij me op visite komen."
Dat hielp. De burgemeester rees overeind en stapte weg met 'n heel
wat blijder gezicht. Dezelfde avond wisten alle Lumkipingers, dat de
keizer hun burgemeester had uitgenoodigd om in Pomfriet op visite te
komen aan 't hof en daarover waren ze zóó in de wolken, dat ze besloten
'n standbeeld voor de burgemeester op te richten. De secretaris was
er gloeiend nijdig om, maar hij kon 't toch niet tegenhouden.
Toen de plechtigheid afgeloopen was en de nieuwe keizer met Plachki
naast zich door de volle straten naar huis reed, zei hij:
"Hè, hè, wat ben ik blij, dat 't afgeloopen is. 't Was taai hoor."
"Of het. Ik kom nooit weer bij je zitten als ze nog es zoo iets op
touw zetten."
"Da's gemeen van je Plachki, om mij voor de vervelende dingen alleen
te laten opdraaien. Ik dacht juist dat jij me 'n handje zou helpen
om er doorheen te komen."
"Och ik zei 't maar uit gekheid, dat begrijp je toch ook wel. 't Zou
nog al mooi zijn als je 'n vrind, die zoo'n vervelend baantje heeft
als jij, d'r heelemaal voor liet zitten."
"Ik begin ook te begrijpen, dat keizer zijn nog niet alles is,"
zei Abé zuchtend. "Maar misschien valt 't nog wel mee, als we over
't begin heen zijn."
"Ik hoop 't voor je. Ik had gedacht dat je als keizer doen mocht wat
je wou... Maar je moet juist doen wat je niet wil."
"'t Zal wel beter worden ... wacht maar."
Ze hoefden er evenwel niet heel lang op te wachten. 'n Paar dagen
later was alles gereed voor de tocht naar Pomfriet. Pirlapan had nu
'n heel leger onder z'n bevel en daarmee zou hij prins Alphabet naar
de hoofdstad van Huk brengen.
Prins Alphabet, Plachki, Karibo en Pirlapan reden vroolijk tusschen de
talrijke ruiters en voetknechten, die allemaal verlangend waren naar de
strijd met de soldaten van Sutrebor. Ze hoopten dat Sutrebor er niet
van door zou gaan en ook dat de Pomfrieters de poorten van hun stad
stijf dicht zouden houden. Dan kwam er tenminste nog iets van vechten.
Abé en Karibo echter waren daar niet zoo dol op. Karibo was bang dat
Abé in 't gevecht gedood zou kunnen worden. Dan kwam er van 't heele
keizerschap niemendal en daarvoor had hij z'n jonge meester toch
niet uit 't vreemde land teruggebracht naar Huk. Abé vond 't akelig
dat zoovele Hukkers tegen elkaar zouden gaan vechten om hem. Als 't
nu nog vijanden van 't land Huk geweest waren, maar die Pomfrieters
waren Hukkers, net zoo goed als Pirlapan en Bommeltje.
"Ben je mal," zei Plachki. "Noem je dat Hukkers? De eene dag zijn
ze aan 't hoera roepen voor jou en de volgende dag halen ze Sutrebor
weer terug. Dat zijn lui waar je niet op aan kan en dat noem ik geen
Hukkers. Wat jij Karibo?"
Karibo was 't met Plachki eens... die Pomfrieters hadden wel 'n
lesje verdiend.
"O zoo," zei Plachki. "We zullen ze er eens van langs geven. Laat
dat maar aan vader over."
Met iedere dag kwamen ze nu dichter bij de hoofdstad en overal werd
de nieuwe keizer met gejuich ingehaald. Abé hoopte nu maar dat 't in
Pomfriet ook zoo zou gaan. Al waren die Pomfrieters dan rare Hukkers,
'n beetje wispelturig en onbetrouwbaar, al hadden ze vroeger z'n
vader, keizer Napo, weggejaagd, hij wilde toch maar liever zonder
bloedvergieten de hoofdstad van z'n keizerrijk binnentrekken.
Toen 't leger van Pirlapan echter de stad bereikte waren de poorten
gesloten. Dat hadden nu echter de Pomfrieters zelf niet gedaan. Die
waren benauwd genoeg en zouden graag al hun poorten wijd open
gezet hebben om prins Alphabet binnen te laten. Ze wilden wel weer
hoeraaa!! roepen ook en illumineeren als die soldaten van Pirlapan en
de andere baronnen hen maar met vrêe lieten, hun huizen niet in brand
staken of hun goederen roofden. Doch keizer Sutrebor had de poorten
laten sluiten. Hij wist wel dat 't er op of er onder ging met hem,
en nu wou hij zich zoo lang verdedigen als 't kon.
Overal op de muren waren zijn soldaten ijverig bezig om de stad zoo
goed mogelijk te kunnen verdedigen en de burgers van Pomfriet moesten
daaraan meehelpen of ze wilden of niet. Doch toen ze 't groote leger
van Pirlapan voor de wallen zagen ontzonk hun wel 'n beetje de moed en
keizer Sutrebor beleefde angstige uren. Geen mensch kon meer Pomfriet
uit of in en 't duurde niet lang of de levensmiddelen werden schaars en
duur en de Pomfrieters begonnen hoe langer hoe harder te morren. Maar
Sutrebor deed de poorten niet open. Tot op 'n nacht de Pomfrieters
weer te hoop liepen, 't paleis aanvielen, de wacht overrompelden en
keizer Sutrebor gevangen namen. Daarna holden ze naar de poorten,
overvielen de wachten die maar weinig tegenstand boden, en 's morgens
heel in de vroegte gingen ze met de gevangen Sutrebor naar buiten om
hem over te leveren aan prins Alphabet.
Abé en Plachki waren net op en zaten al te paard, want er zou 'n aanval
gedaan worden op de stad. Pirlapan wilde niet langer meer wachten.
Daar zagen ze in de verte uit de stadspoort 'n troep menschen naderen
met 'n witte vlag voorop.
"'t Helpt hun toch niet," zei Plachki, "al geven ze zich over. Op
hun kop krijgen ze toch."
Abé antwoordde niemendal; maar keek nieuwsgierig naar de Pomfrieters
die vlug doorliepen.
Pirlapan en de overige aanvoerders waren al gewaarschuwd en deze
voegden zich nu allen bij prins Alphabet. Karibo was er ook bij.
Eindelijk waren de Pomfrieters met hun witte vlag dicht genoeg bij
en nu zagen de belegeraars dat ze 'n gevangene in hun midden hadden.
"Dat kan geen mensch anders zijn dan Sutrebor, die ze komen
uitleveren," zei Pirlapan.
"Wat 'n gemeene kerels," zei Plachki. "Eerst halen ze hem terug en
nu 't er op aan komt leveren ze hem aan de vijand over om er zelf
heelhuids af te komen."
De man met de witte vlag trad naderbij. De overigen bleven op eenige
afstand.
"Wat kom je doen?" vroeg Pirlapan stug.
"Heer, wij hebben Sutrebor gevangen genomen en leveren hem nu aan
u over."
"Net iets voor 'n Pomfrieter. Jullie ben de trouwste onderdanen,
die ik ooit gezien heb."
"Wij onderwerpen ons aan de rechtmatige keizer van Huk. De poorten
staan open, heer."
"Daar zijn we erg blij mee," zei Pirlapan spottend. "Hoe lang denken
jullie trouw te blijven?"
De man gaf geen antwoord, en toen vervolgde Pirlapan:
"Dat weet je niet hè? Nu we zullen wel zorgen dat Pomfriet in
't vervolg trouw blijft. Jullie blijft allen als gijzelaars
hier. Intusschen zullen wij in de stad eens een kijkje gaan nemen."
Niemand nam eenige notitie van Sutrebor, die als 'n gewoon Pomfrieter
met de anderen naar 't legerkamp gevoerd werd. Daar zorgden ze er
echter wel voor, dat ie niet ontsnappen kon.
'n Gedeelte van 't leger en al de voorname heeren volgden prins
Alphabet naar Pomfriet. De nieuwe keizer reed tusschen Pirlapan en
Karibo in en vlak bij de stad zei hij:
"Heer van Pirlapan, dat gaat goed zoo zonder bloedvergieten hè?"
Pirlapan keek Abé eens aan en antwoordde: "Ja uwe majesteit. We
komen er gemakkelijk in. Geen van onze mannen behoeft er 't leven
bij te laten."
"En geen Pomfrieters ook."
"Geen Pomfrieters? ... Morgen hangen we alle belhamels op."
"Heer van Pirlapan wil je me 'n groot genoegen doen? Hang dan geen
belhamels op."
Pirlapan gaf 'n ruk aan de teugels dat z'n paard er van begon te
steigeren.
"Wat? Die ontrouwe Pomfrieters... daar zouden we er geen paar honderd
van opknoopen als 'n waarschuwend voorbeeld voor de rest?"
"Liever niet, heer van Pirlapan. Ik zou graag willen beginnen als
keizer van Huk zonder die paar honderd opgehangen Pomfrieters."
Karibo hoorde met 'n vergenoegd gezicht toe. Karibo was nieuwsgierig
wie er zou toegeven, de koppige kleine keizer of de koppige groote
baron. Want koppig was Pirlapan ook.
Hij reed 'n poos zwijgend naast Abé voort tot ze bijna vlak onder de
openstaande poort van Pomfriet waren. Toen zei Pirlapan:
"Het zal gebeuren zooals Uw majesteit wenscht. We zullen dan alleen
Sutrebor opknoopen."
"Och laat die arme kerel ook maar leven..."
"Die ook al niet? Maar prins...."
"Wat heb je daaran? Ik wou liever heelemaal geen mensch op laten
hangen."
"Wat zeg je me daarvan?" zei Pirlapan 'n poosje later tegen Karibo
terwijl Abé en Plachki vooruit reden. "Wat zeg je me daarvan, er
wordt geen mensch opgehangen."
"Ja," antwoordde Karibo lachend. "Hij is onze keizer hè? Z'n vader
was net zoo."
"Die was ook veel te goed," bromde Pirlapan.
"Nee... ik bedoel net zoo koppig."
De jonge keizer reed met z'n gevolg regelrecht naar 't raadhuis. Karibo
wees de weg. Daar zaten de burgemeester en al de voorname Pomfrieters,
die mee naar Pirlapan geweest waren om prins Alphabet te gaan halen en
teruggekeerd waren omdat ze Karibo niet meer gelooven wilden. Ze zaten
nu angstig bij elkaar omdat ze vreesden, dat hun niet veel goeds boven
't hoofd hing. Door de vensters zagen ze dat 't groote marktplein vol
liep met soldaten, die zich heel ordelijk opstelden. Abé had bevel
gegeven, dat geen soldaat 'n hand mocht uitsteken naar 'n Pomfrieter
of z'n eigendom.
Karibo werd naar binnen gezonden en 'n poosje later kwamen allen die
daar binnen gezeten waren met benauwde gezichten uit 't raadhuis te
voorschijn. De burgemeester voorop met 'n paar groote sleutels in
z'n handen en de anderen achter hem daalden de trappen af en knielden
voor 't paard van keizer Abé neer. Uit alle vensters keken de menschen
nieuwsgierig toe. Ze riepen niet hoera zooals de Lumkipingsche burgers
gedaan hadden. 't Was doodstil en iedereen kon hooren, wat de keizer
van Huk tegen de knielende burgemeester zei:
"Geef de sleutels van Pomfriet aan Karibo. Die zal voortaan
burgemeester in de hoofdstad van Huk zijn. Sta op man en ga naar
huis. Ik wil je nooit meer zien en die anderen ook niet. Ingerukt
marsch."
Prins Alphabet wendde z'n paard om en keek niet meer naar de
voormalige burgemeester of de deftige heeren van Pomfriet, die nog
altijd geknield lagen.
De kleine keizer reed nu met z'n gevolg naar 't paleis waar hij
geboren was en waar Karibo hem de weg weer moest wijzen. De nieuwe
burgemeester van Pomfriet kende daar alle hoekjes en was wat blij
dat hij eindelijk na zooveel jaren weer in dat paleis de voet mocht
zetten, maar vooral omdat 't nu weer 't paleis van prins Alphabet
was. Er waren vele dingen door Sutrebor veranderd doch er was ook
nog veel gebleven van vroeger. Dat alles wees hij aan Abé.
Pirlapan en Karibo hadden 't die dag erg druk. Er was zooveel te
regelen in Pomfriet en daarbij hielp Pirlapan de nieuwe burgemeester
zooveel hij kon. Maar ze waren 's avonds toch aanwezig bij 't
groote feest dat in 't paleis ter eere van keizer Abecé gegeven werd
en waarbij alle baronnen aanwezig waren. In de stad was 't echter
doodstil en donker. De keizer had de Pomfrieters verboden de stad te
illumineeren. Hij wilde niet dat de Pomfrieters meededen. En dat speet
de menschen erg, want 't grootste gedeelte der Pomfrietsche inwoners
was toch blij, dat de zoon van keizer Napo weer op de troon van Huk
zat. Maar de goeden moeten 't wel eens meer met de kwaden ontgelden.
In 't paleis ging 't er echter vroolijk genoeg naar toe. Alleen speet
't prins Alphabet dat moeder Guldratsj er niet niet bij was. Die had
er ook bij moeten zijn, vond hij. Dan was 't volmaakt geweest.