DERTIENDE HOOFDSTUK

Waarin de burgemeester van Lumkiping 't benauwd heeft, prins

Alphabet als keizer de hoofdstad van Huk binnengaat en Karibo

'n voornaam heer wordt.

Abé had wel graag gedaan wat ie met Plachki had afgesproken, doch

hij had alweer vergeten dat 'n keizer niet zoo vrij over z'n tijd te

beschikken heeft als 'n gewoon mensch. De baronnen van Huk, die in

Lumkiping aanwezig waren, wilden hun wettige keizer huldigen en dat

zou de volgende dag gebeuren.

"Vervelend hoor," zei Abé toen Karibo 't hem kwam vertellen.

"Wat, noem je dat vervelend? Jongen als je wist hoe blij ik ben,

dat ik zooiets nog mag beleven!"

"Dat geloof ik graag. Maar jij hoeft niet doodstil als 'n pop op

'n troon te zitten. Hebben ze wel eens 'n troon hier?"

"Nee... maar we hebben de burgemeester z'n stoel geleend. Die lijkt

er in ieder geval wat op."

Lumkiping bezat niet eens 'n gebouw groot genoeg om al die baronnen

met hun gevolg te kunnen bevatten en daarom zou de heele plechtigheid

in de open lucht plaats hebben op de markt voor 't raadhuis. Onder

de ingang zou prins Alphabet plaats nemen in de burgemeestersstoel en

de heeren zouden dan een voor een de trap opkomen en voor hun keizer

knielen, zooals dat reeds sedert drieduizend jaren 't gebruik was in

Huk. Iedereen op de markt en voor de vensters kon 't dan mee aanzien.

"Jij komt zeker naast me zitten, hè?" vroeg Abé aan Karibo toen deze

hem alles haarfijn had uitgelegd.

"Naast je zitten? Maar jongen, er zit geen mensch naast je. Pirlapan

staat naast de troon aan je rechterkant met 'n ontbloot zwaard in

de vuist. Hij is de machtigste baron in Huk, en dus komt hem die

eereplaats toe."

"Maar jij zal zoo moe worden als je zoo'n heele morgen staan moet!"

"Ik ben er heelemaal niet bij. Ik ben maar 'n gewoon mensch,

'n vroegere bediende van keizer Napo. Die hoort toch niet naast de

troon te staan."

"Zoo, denken ze dat? Wacht maar eens Karibo tot we in Pomfriet

zijn. Dan zal ik die Hukkers wel eens laten zien, wie er naast me

mag zitten. Niet staan, begrijp je?..."

"Plachki is er toch zeker wèl bij, hè?"

"Die is nog te jong. Die telt nog niet mee. Hij zal wel 'n goed plekje

op de markt uitzoeken om 't te zien."

"Plachki ook al niet? Maar wie is er dan nog meer vlak bij

me? Bommeltje toch niet hoop ik?"

"Ja, die staat links van je."

"Hoor eens Karibo, jullie speelt de baas maar over me of ik heelemaal

niets in te brengen heb. Ik wil die strakke Bommeldebierton niet

naast me hebben. Roep Pirlapan maar eens even."

"Och Abé, laat 't nu maar gebeuren, zooals ze 't voor je bedisseld

hebben."

"Nee. Jij er niet bij en Plachki niet en moeder Guldratsj niet... net

allemaal menschen die ik er graag bij had. Daar gebeurt niks van. Roep

maar gauw Pirlapan."

Karibo ging hoofdschuddend heen. Hij begreep op eens dat prins Alphabet

als 't er op aan kwam minstens net zoo koppig was als keizer Napo

vroeger ook geweest was en die had 't z'n troon gekost.

Toen Pirlapan kwam, wist ie er alles al van. Karibo had hem op de

hoogte gebracht. Hij legde Abé uit, dat 't allemaal zoo hoorde. Maar

't keizertje stond op z'n stuk. In ieder geval wilde hij Plachki naast

zich hebben. Daar kon toch niemand wat tegen inbrengen. Plachki was

toch ook 'n baron van Pirlapan. Z'n vriend kon tusschen hem en die

vervelende Bommeltje in gaan zitten.

De oude Pirlapan hield ook niet erg van Bommeltje. Hij vond hem

'n stijve Klaas, al was ie dan ook nog zoo'n voornaam heer, die je

niet voorbij kon gaan. Hij besloot dus maar aan de wensch van Abé

toe te geven. Plachki mocht aan de voeten van prins Alphabet zitten,

dan konden ze zoo nu en dan eens met elkaar praten. Hiermee was

Abé tevreden.

Al heel vroeg was de markt stampvol en uit alle vensters puilden

proppen menschen. Vlak voor de trappen van 't raadhuis stonden

krijgslieden te voet en de weg naar en van 't raadhuis werd

vrijgehouden door ruiters. Dat zag er bont uit. Iedere baron had

'n paar van z'n mannen geleverd voor deze dienst en ze waren allen

gekleed in de kleeren hunner heeren. Boven de hoofden der menschen

flapperden vlaggen en wimpels, meest oranje en groen, de kleuren van

Huk, doch er waren ook veel andere kleuren tusschen, want iedere

baron had z'n eigen vlag. Die van Pirlapan was rood en geel. Ook

hadden de burgers sparreslingers langs hun gevels gehangen en over

de vensterbanken bonte tapijten gelegd.

Prins Alphabet keek vroolijk over de menschenhoofden heen naar al dat

kleurgeschitter in de zon. Hij zelf had z'n blauwe kleed aan, dat ie

iedere dag droeg, doch daarover heen hing 'n deftige koningsmantel met

hermelijn van binnen en met 'n glinsterend gouden gesp op de borst vast

gemaakt. De sprietenmuts met de gouden kroon er om had hij op. Met

die mantel om vulde hij bijna de ruime zetel van de burgemeester,

die anders veel te groot voor hem geweest zou zijn. Plachki zat aan

z'n voeten.

Nu kwamen al die machtige baronnen hun kleine keizer huldigen en dat

was schrikkelijk vervelend want er waren er zoo'n boel. Abé kende er

maar 'n paar van en hij wist heusch niet wat hij tegen die voorname

heeren zeggen moest. Daarom deed ie maar niets anders dan vriendelijk

knikken tegen iedereen die voor z'n troon de knie boog. En iedereen

die 't zag vond, dat ze maar wat 'n aardig keizertje in Huk hadden.

Een van de laatste die de trappen van 't raadhuis beklom was de

burgemeester van Lumkiping. Al z'n raadsheeren en de spichtige

secretaris liepen achter hem. De burgemeester deed zeer plechtig en

stapte deftig langzaam, met z'n neus in de wind de trappen op. Hij

hield zich goed voor de menschen. Niemand kon aan hem zien hoe z'n

hart van angst klopte en hij hoorde niemendal van 't hoerageroep

der Lumkipingsche burgers op de markt, die 't maar wàt fijn vonden,

dat hun burgemeester 't eerst van alle burgemeesters uit heel Huk de

nieuwe keizer mocht gaan huldigen. Dat was voor de eerste maal sedert

't keizerrijk Huk bestond.

"Daar heb je 'm" fluisterde Plachki, toen de burgemeester naderde.

Abé zette 'n ernstig gezicht. Doch toen de burgemeester neerknielde en

nog dieper boog dan een van de anderen gedaan had, dacht hij eraan dat

hij nog niet lang geleden als 'n roover vóór die burgemeester gestaan

had. Toen zat die burgemeester in de stoel en Abé stond er voor in z'n

hemd. De bordjes waren verhangen. Abé was er geen jongen naar om dat

aan die bibberende burgemeester te wreken, maar toch zei hij lachend:

"Vindt u me zoo niet veel knapper dan in m'n hemd?"

De arme man wou wat antwoorden, doch er kwam geen woord over z'n

lippen, ofschoon hij er moeite genoeg voor deed. Ook stond hij maar

heelemaal niet op, wat hij allang had behooren te doen. Plachki

kon zich bijna niet meer goedhouden. Die vond 't wel leuk dat zoo'n

stadsche m'nheer er zoo inzat. Doch Abé kreeg meelijden met de stakker

en daarom zei hij heel ernstig: "Ik hoop u later nog eens in Pomfriet

te zien, burgemeester, U moet maar eens bij me op visite komen."

Dat hielp. De burgemeester rees overeind en stapte weg met 'n heel

wat blijder gezicht. Dezelfde avond wisten alle Lumkipingers, dat de

keizer hun burgemeester had uitgenoodigd om in Pomfriet op visite te

komen aan 't hof en daarover waren ze zóó in de wolken, dat ze besloten

'n standbeeld voor de burgemeester op te richten. De secretaris was

er gloeiend nijdig om, maar hij kon 't toch niet tegenhouden.

Toen de plechtigheid afgeloopen was en de nieuwe keizer met Plachki

naast zich door de volle straten naar huis reed, zei hij:

"Hè, hè, wat ben ik blij, dat 't afgeloopen is. 't Was taai hoor."

"Of het. Ik kom nooit weer bij je zitten als ze nog es zoo iets op

touw zetten."

"Da's gemeen van je Plachki, om mij voor de vervelende dingen alleen

te laten opdraaien. Ik dacht juist dat jij me 'n handje zou helpen

om er doorheen te komen."

"Och ik zei 't maar uit gekheid, dat begrijp je toch ook wel. 't Zou

nog al mooi zijn als je 'n vrind, die zoo'n vervelend baantje heeft

als jij, d'r heelemaal voor liet zitten."

"Ik begin ook te begrijpen, dat keizer zijn nog niet alles is,"

zei Abé zuchtend. "Maar misschien valt 't nog wel mee, als we over

't begin heen zijn."

"Ik hoop 't voor je. Ik had gedacht dat je als keizer doen mocht wat

je wou... Maar je moet juist doen wat je niet wil."

"'t Zal wel beter worden ... wacht maar."

Ze hoefden er evenwel niet heel lang op te wachten. 'n Paar dagen

later was alles gereed voor de tocht naar Pomfriet. Pirlapan had nu

'n heel leger onder z'n bevel en daarmee zou hij prins Alphabet naar

de hoofdstad van Huk brengen.

Prins Alphabet, Plachki, Karibo en Pirlapan reden vroolijk tusschen de

talrijke ruiters en voetknechten, die allemaal verlangend waren naar de

strijd met de soldaten van Sutrebor. Ze hoopten dat Sutrebor er niet

van door zou gaan en ook dat de Pomfrieters de poorten van hun stad

stijf dicht zouden houden. Dan kwam er tenminste nog iets van vechten.

Abé en Karibo echter waren daar niet zoo dol op. Karibo was bang dat

Abé in 't gevecht gedood zou kunnen worden. Dan kwam er van 't heele

keizerschap niemendal en daarvoor had hij z'n jonge meester toch

niet uit 't vreemde land teruggebracht naar Huk. Abé vond 't akelig

dat zoovele Hukkers tegen elkaar zouden gaan vechten om hem. Als 't

nu nog vijanden van 't land Huk geweest waren, maar die Pomfrieters

waren Hukkers, net zoo goed als Pirlapan en Bommeltje.

"Ben je mal," zei Plachki. "Noem je dat Hukkers? De eene dag zijn

ze aan 't hoera roepen voor jou en de volgende dag halen ze Sutrebor

weer terug. Dat zijn lui waar je niet op aan kan en dat noem ik geen

Hukkers. Wat jij Karibo?"

Karibo was 't met Plachki eens... die Pomfrieters hadden wel 'n

lesje verdiend.

"O zoo," zei Plachki. "We zullen ze er eens van langs geven. Laat

dat maar aan vader over."

Met iedere dag kwamen ze nu dichter bij de hoofdstad en overal werd

de nieuwe keizer met gejuich ingehaald. Abé hoopte nu maar dat 't in

Pomfriet ook zoo zou gaan. Al waren die Pomfrieters dan rare Hukkers,

'n beetje wispelturig en onbetrouwbaar, al hadden ze vroeger z'n

vader, keizer Napo, weggejaagd, hij wilde toch maar liever zonder

bloedvergieten de hoofdstad van z'n keizerrijk binnentrekken.

Toen 't leger van Pirlapan echter de stad bereikte waren de poorten

gesloten. Dat hadden nu echter de Pomfrieters zelf niet gedaan. Die

waren benauwd genoeg en zouden graag al hun poorten wijd open

gezet hebben om prins Alphabet binnen te laten. Ze wilden wel weer

hoeraaa!! roepen ook en illumineeren als die soldaten van Pirlapan en

de andere baronnen hen maar met vrêe lieten, hun huizen niet in brand

staken of hun goederen roofden. Doch keizer Sutrebor had de poorten

laten sluiten. Hij wist wel dat 't er op of er onder ging met hem,

en nu wou hij zich zoo lang verdedigen als 't kon.

Overal op de muren waren zijn soldaten ijverig bezig om de stad zoo

goed mogelijk te kunnen verdedigen en de burgers van Pomfriet moesten

daaraan meehelpen of ze wilden of niet. Doch toen ze 't groote leger

van Pirlapan voor de wallen zagen ontzonk hun wel 'n beetje de moed en

keizer Sutrebor beleefde angstige uren. Geen mensch kon meer Pomfriet

uit of in en 't duurde niet lang of de levensmiddelen werden schaars en

duur en de Pomfrieters begonnen hoe langer hoe harder te morren. Maar

Sutrebor deed de poorten niet open. Tot op 'n nacht de Pomfrieters

weer te hoop liepen, 't paleis aanvielen, de wacht overrompelden en

keizer Sutrebor gevangen namen. Daarna holden ze naar de poorten,

overvielen de wachten die maar weinig tegenstand boden, en 's morgens

heel in de vroegte gingen ze met de gevangen Sutrebor naar buiten om

hem over te leveren aan prins Alphabet.

Abé en Plachki waren net op en zaten al te paard, want er zou 'n aanval

gedaan worden op de stad. Pirlapan wilde niet langer meer wachten.

Daar zagen ze in de verte uit de stadspoort 'n troep menschen naderen

met 'n witte vlag voorop.

"'t Helpt hun toch niet," zei Plachki, "al geven ze zich over. Op

hun kop krijgen ze toch."

Abé antwoordde niemendal; maar keek nieuwsgierig naar de Pomfrieters

die vlug doorliepen.

Pirlapan en de overige aanvoerders waren al gewaarschuwd en deze

voegden zich nu allen bij prins Alphabet. Karibo was er ook bij.

Eindelijk waren de Pomfrieters met hun witte vlag dicht genoeg bij

en nu zagen de belegeraars dat ze 'n gevangene in hun midden hadden.

"Dat kan geen mensch anders zijn dan Sutrebor, die ze komen

uitleveren," zei Pirlapan.

"Wat 'n gemeene kerels," zei Plachki. "Eerst halen ze hem terug en

nu 't er op aan komt leveren ze hem aan de vijand over om er zelf

heelhuids af te komen."

De man met de witte vlag trad naderbij. De overigen bleven op eenige

afstand.

"Wat kom je doen?" vroeg Pirlapan stug.

"Heer, wij hebben Sutrebor gevangen genomen en leveren hem nu aan

u over."

"Net iets voor 'n Pomfrieter. Jullie ben de trouwste onderdanen,

die ik ooit gezien heb."

"Wij onderwerpen ons aan de rechtmatige keizer van Huk. De poorten

staan open, heer."

"Daar zijn we erg blij mee," zei Pirlapan spottend. "Hoe lang denken

jullie trouw te blijven?"

De man gaf geen antwoord, en toen vervolgde Pirlapan:

"Dat weet je niet hè? Nu we zullen wel zorgen dat Pomfriet in

't vervolg trouw blijft. Jullie blijft allen als gijzelaars

hier. Intusschen zullen wij in de stad eens een kijkje gaan nemen."

Niemand nam eenige notitie van Sutrebor, die als 'n gewoon Pomfrieter

met de anderen naar 't legerkamp gevoerd werd. Daar zorgden ze er

echter wel voor, dat ie niet ontsnappen kon.

'n Gedeelte van 't leger en al de voorname heeren volgden prins

Alphabet naar Pomfriet. De nieuwe keizer reed tusschen Pirlapan en

Karibo in en vlak bij de stad zei hij:

"Heer van Pirlapan, dat gaat goed zoo zonder bloedvergieten hè?"

Pirlapan keek Abé eens aan en antwoordde: "Ja uwe majesteit. We

komen er gemakkelijk in. Geen van onze mannen behoeft er 't leven

bij te laten."

"En geen Pomfrieters ook."

"Geen Pomfrieters? ... Morgen hangen we alle belhamels op."

"Heer van Pirlapan wil je me 'n groot genoegen doen? Hang dan geen

belhamels op."

Pirlapan gaf 'n ruk aan de teugels dat z'n paard er van begon te

steigeren.

"Wat? Die ontrouwe Pomfrieters... daar zouden we er geen paar honderd

van opknoopen als 'n waarschuwend voorbeeld voor de rest?"

"Liever niet, heer van Pirlapan. Ik zou graag willen beginnen als

keizer van Huk zonder die paar honderd opgehangen Pomfrieters."

Karibo hoorde met 'n vergenoegd gezicht toe. Karibo was nieuwsgierig

wie er zou toegeven, de koppige kleine keizer of de koppige groote

baron. Want koppig was Pirlapan ook.

Hij reed 'n poos zwijgend naast Abé voort tot ze bijna vlak onder de

openstaande poort van Pomfriet waren. Toen zei Pirlapan:

"Het zal gebeuren zooals Uw majesteit wenscht. We zullen dan alleen

Sutrebor opknoopen."

"Och laat die arme kerel ook maar leven..."

"Die ook al niet? Maar prins...."

"Wat heb je daaran? Ik wou liever heelemaal geen mensch op laten

hangen."

"Wat zeg je me daarvan?" zei Pirlapan 'n poosje later tegen Karibo

terwijl Abé en Plachki vooruit reden. "Wat zeg je me daarvan, er

wordt geen mensch opgehangen."

"Ja," antwoordde Karibo lachend. "Hij is onze keizer hè? Z'n vader

was net zoo."

"Die was ook veel te goed," bromde Pirlapan.

"Nee... ik bedoel net zoo koppig."

De jonge keizer reed met z'n gevolg regelrecht naar 't raadhuis. Karibo

wees de weg. Daar zaten de burgemeester en al de voorname Pomfrieters,

die mee naar Pirlapan geweest waren om prins Alphabet te gaan halen en

teruggekeerd waren omdat ze Karibo niet meer gelooven wilden. Ze zaten

nu angstig bij elkaar omdat ze vreesden, dat hun niet veel goeds boven

't hoofd hing. Door de vensters zagen ze dat 't groote marktplein vol

liep met soldaten, die zich heel ordelijk opstelden. Abé had bevel

gegeven, dat geen soldaat 'n hand mocht uitsteken naar 'n Pomfrieter

of z'n eigendom.

Karibo werd naar binnen gezonden en 'n poosje later kwamen allen die

daar binnen gezeten waren met benauwde gezichten uit 't raadhuis te

voorschijn. De burgemeester voorop met 'n paar groote sleutels in

z'n handen en de anderen achter hem daalden de trappen af en knielden

voor 't paard van keizer Abé neer. Uit alle vensters keken de menschen

nieuwsgierig toe. Ze riepen niet hoera zooals de Lumkipingsche burgers

gedaan hadden. 't Was doodstil en iedereen kon hooren, wat de keizer

van Huk tegen de knielende burgemeester zei:

"Geef de sleutels van Pomfriet aan Karibo. Die zal voortaan

burgemeester in de hoofdstad van Huk zijn. Sta op man en ga naar

huis. Ik wil je nooit meer zien en die anderen ook niet. Ingerukt

marsch."

Prins Alphabet wendde z'n paard om en keek niet meer naar de

voormalige burgemeester of de deftige heeren van Pomfriet, die nog

altijd geknield lagen.

De kleine keizer reed nu met z'n gevolg naar 't paleis waar hij

geboren was en waar Karibo hem de weg weer moest wijzen. De nieuwe

burgemeester van Pomfriet kende daar alle hoekjes en was wat blij

dat hij eindelijk na zooveel jaren weer in dat paleis de voet mocht

zetten, maar vooral omdat 't nu weer 't paleis van prins Alphabet

was. Er waren vele dingen door Sutrebor veranderd doch er was ook

nog veel gebleven van vroeger. Dat alles wees hij aan Abé.

Pirlapan en Karibo hadden 't die dag erg druk. Er was zooveel te

regelen in Pomfriet en daarbij hielp Pirlapan de nieuwe burgemeester

zooveel hij kon. Maar ze waren 's avonds toch aanwezig bij 't

groote feest dat in 't paleis ter eere van keizer Abecé gegeven werd

en waarbij alle baronnen aanwezig waren. In de stad was 't echter

doodstil en donker. De keizer had de Pomfrieters verboden de stad te

illumineeren. Hij wilde niet dat de Pomfrieters meededen. En dat speet

de menschen erg, want 't grootste gedeelte der Pomfrietsche inwoners

was toch blij, dat de zoon van keizer Napo weer op de troon van Huk

zat. Maar de goeden moeten 't wel eens meer met de kwaden ontgelden.

In 't paleis ging 't er echter vroolijk genoeg naar toe. Alleen speet

't prins Alphabet dat moeder Guldratsj er niet niet bij was. Die had

er ook bij moeten zijn, vond hij. Dan was 't volmaakt geweest.

Prins Alphabet · 第 21 / 23 题