Waarin keizer Sutrebor weer in Pomfriet terugkomt, Pirlapan 'n
leger bijeenroept en prins Alphabet aan 'n groot gevaar ontsnapt.
De Pomfrietsche heeren, die zoo vroolijk waren uitgereden om prins
Alphabet als hun wettige keizer te gaan huldigen en hem in triomf
mee te brengen naar Pomfriet, kwamen in de hoofdstad van Huk terug,
vermoeid en uit hun humeur, omdat er van de mooie intocht waarvan ze
gedroomd hadden, nu niets terecht kwam. En ze begonnen dadelijk met
groot lawaai aan iedereen te vertellen dat ze bedrogen waren door
die avonturier, die Karibo, die hen maar wat had wijsgemaakt. Er was
heelemaal geen prins Alphabet te vinden geweest.
De burgemeester van Pomfriet keek op z'n neus. De perkamenten die
Karibo hem had laten lezen, had hij toch voor echte brieven van wijlen
keizer Napo aangezien en de zegels die er aan hingen waren toch ook
echt geweest.
"Nagemaakt!" riepen de verontwaardigde Pomfrietsche heeren, "alles
nagemaakt. 't Was 'n doorgestoken kaart met die baron van Pirlapan."
"Maar wat moeten we nou beginnen?" vroeg de burgemeester benauwd. "Kijk
eens, alle Pomfrieters staan weer op de markt voor 't raadhuis. Zoo
dadelijk gooien ze hier de ruiten weer in."
"Weet je wat burgemeester," zei er een, die altijd 'n aanhanger
van keizer Sutrebor geweest was, "laten we 'n boodschap naar keizer
Sutrebor sturen, dat ie weer terug moet komen. We moeten toch 'n keizer
hebben. En 't is toch altijd nog beter dat Sutrebor keizer is over
ons, dan dat die Pirlapan en die Karibo hier de baas spelen. Stuur
mij maar naar Sutrebor. Ik zal 't wel opknappen."
"Da's 'n idee," zei de burgemeester verheugd. Hij ging weer op 't
balkon staan en toen 't op 't marktplein 'n beetje stil geworden was
onder de woelige menschenhoop, sprak hij:
"Getrouwe Pomfrieters, we zijn ellendig bedrogen. Er is geen prins
Alphabet."
"Hij is er wel!" riep 'n Pomfrieter van beneden. "Ik ben in Lumkiping
geweest. Daar was ie!"
"Dat is 'n leugen!" riep de aanhanger van Sutrebor die achter de
burgemeester stond. "Er is geen prins Alphabet."
En toen kreeg de man beneden op de markt van de omstanders 'n pak
slaag en de politie pakte hem daarna op en zette hem in de kast. De
burgemeester kon nu weer voortgaan:
"Nu hebben we besloten iemand naar onze keizer Sutrebor te zenden om
hem te vragen of hij asjeblieft weer in Pomfriet wil komen wonen."
"Hoeraaa!" riepen de Pomfrieters op de markt en ze bleven maar
doorschreeuwen, zoodat de burgemeester er geen woord meer tusschen
kon krijgen en maar weer naar binnen ging.
"Ziezoo," zei hij, "da's alweer in orde." En dezelfde dag vertrok er
een gezantschap van Pomfrietsche heeren naar 't kasteel waar keizer
Sutrebor verblijf hield.
Keizer Sutrebor ontving de heeren vriendelijk, en hij beloofde dat
ie de volgende dag dadelijk komen zou om z'n getrouwe Pomfrieters met
z'n tegenwoordigheid gelukkig te maken. Als de heeren die nacht op z'n
kasteel wilden blijven, zou hij morgen met hen mee reizen. Dat vonden
de Pomfrietsche heeren heel best en 's avonds gaf keizer Sutrebor
'n groot feestmaal.
Dat was toch nog wat anders, zeiden ze tegen elkaar, dan met die
bedrieger Karibo dag in dag uit door Huk te trekken om eindelijk
in dat vervelende, nare kasteel van Pirlapan aan te komen, waar je
heelemaal geen prins aantrof, en waar geen feest gevierd werd. Nee
hoor: "Leve keizer Sutrebor!"
Vier-en-twintig uur later deed keizer Sutrebor weer z'n intocht in
Pomfriet. De heele stad was weer geïllumineerd, overal brandden de
lichtjes en de menschen schreeuwden, hoeraaa! dat de ruiten er van
rinkelden.
Ze dachten heelemaal niet meer aan prins Alphabet.
't Waren rare lui die Pomfrieters.
Maar keizer Sutrebor dacht wèl aan prins Alphabet. Hij had zich door de
burgemeester nog eens alles laten vertellen en nu lag hij in z'n bed
na te denken wat hem te doen stond. Die Pirlapan vertrouwde hij geen
steek en bovendien wist hij heel goed, dat als 't er op aan kwam z'n
eigen aanhang in Huk niet zoo heel groot zou zijn. Bestond die prins
Alphabet werkelijk, dan moest ie trachten hem zoo gauw mogelijk te
pakken te krijgen. Dood of levend, dat kwam er niet op aan. Hij zou
er maar dadelijk 'n flinke troep soldaten op uit zenden om die prins
te vangen. Was ie er niet, dat was nog zooveel te beter. En met dat
plan in z'n hoofd viel hij in slaap, maar hij droomde de heele nacht
van keizer Napo en prins Alphabet en van Pirlapan. 't Waren geen
pleizierige droomen, vooral die brutale baron van Pirlapan maakte
't hem lastig. Die vervelende vent zong vlak in z'n keizerlijke ooren:
Maar komt ons prinsje ooit terug
In 't vaderlijk gebied,
Pas dan maar op voor Pirlapan,
Want Pirla, Pirla, Pirlapan
Die brengt hem naar Pomfriet.
Sutrebor stond vroeg op. Hij had nog dat Pirlapanliedje in de ooren,
dat iedereen in Huk kende. En hij haastte zich om 'n paar honderd
soldaten uit te zenden, die prins Alphabet moesten gaan opsporen. De
keizer beloofde aan iedere man 'n groote belooning als ze er in
slaagden die jongen naar Pomfriet te brengen.
Karibo en Pirlapan waren nog in Lumkiping, toen ze bericht kregen dat
keizer Sutrebor weer in Pomfriet was en dat ie 'n troep soldaten had
uitgezonden om prins Alphabet in z'n macht te krijgen. Onmiddellijk
begrepen die twee 't gevaar en ze zonden de bode met de boodschap
dat de prins binnen de veilige muren van 't sterke Pirlapan moest
blijven. Maar Pirlapan deed nog meer. Hij zond naar alle kanten
ruiters uit, die uit naam van prins Alphabet de baronnen van Huk
moesten oproepen, om met hun gewapende mannen naar Lumkiping te
komen. Pirlapan wist wel, dat die heeren bijna allen aanhangers waren
van keizer Napo en hij veronderstelde, dat ze wel zouden komen opdagen
om voor de zoon van hun rechtmatige keizer de strijd aan te binden
met Sutrebor en degenen, die 't met die valsche keizer hielden. Daar
rekende Pirlapan op dat oogenblik natuurlijk die malle wispelturige
Pomfrieters ook toe en hij verlangde er naar die menschen uit de groote
stad eens een lesje te geven, dat hun heugen zou. Maar voor alles
wenschte hij eindelijk eens af te rekenen met keizer Sutrebor zelf.
Pirlapan had goed gerekend. 'n Paar dagen later kwamen ze al opzetten,
de aanhangers van prins Alphabet. Sommigen kwamen met vijftig man,
anderen met honderd. Maar er waren er ook die er maar twintig hadden
of tien. Doch allen waren welkom en Lumkiping werd zoo langzamerhand
'n groot legerkamp.
Pirlapan werd tot algemeen aanvoerder gekozen. Maar hij deed toch
niet alles op z'n eigen houtje. Hij wist heel goed dat die machtige
baronnen, die net als hij, thuis op hun eigen bezittingen koninkje
speelden, ook wel wat te zeggen wilden hebben en daarom begon hij maar
vast met hen te overleggen wat ze 't eerst doen zouden. Hij zelf was er
voor maar dadelijk naar Pomfriet op te rukken en daar waren de overigen
't heelemaal mee eens. Doch Karibo had ook nog wat te zeggen. Die wilde
eerst prins Alphabet gaan halen. Hij vertrouwde de zaak daar ginds niet
erg. En wat moesten ze beginnen als die jongen nu weer zoek raakte.
"Och wat!" zei Pirlapan. "Je moet niet zoo bang zijn, Karibo. De
prins zit veilig op Pirlapan."
Maar op dat oogenblik kwam juist de bode die ze uitgezonden hadden,
terug met de tijding dat hij de prins ontmoet had op weg naar Pomfriet,
maar dat hij en Plachki en de tien jonge Pirlapanners op zijn raad
maar weer terug waren gegaan naar Pirlapan.
Karibo schrok er van. 't Kon toch best gebeuren, dat die soldaten van
Sutrebor hen nog inhaalden... misschien hadden ze hen al te pakken. En
wat dan? Dan was alles verloren.
Pirlapan zag nu 't gevaar ook in. Hij wilde nu maar dadelijk weer
oprukken naar Pirlapan.
Dat vonden sommigen echter niet noodig. Om die honderd soldaten van
Sutrebor te bestrijden was 't genoeg, dat ze 'n paar honderd man de
kant van Pirlapan uitzonden. De rest moest maar vast naar Pomfriet
trekken.
Karibo keurde dat plan ook goed en vroeg of ze hem dan maar naar
Pirlapan wilden zenden aan 't hoofd van 'n sterke troep ter bescherming
van de prins. Dezelfde dag vertrok Karibo met tweehonderd ruiters.
Doch de soldaten van Sutrebor waren hem voor. Die hadden snel gereden
en waren op goed geluk de weg gevolgd naar Pirlapan. Onderweg
vernamen ze de wonderlijkste verhalen over de prins die ze
zochten. Natuurlijk keken ze scherp uit of ze soms hier of daar
iemand ontdekten die op 'n prins leek. Ze hadden allemaal graag de
uitgeloofde belooning verdiend. Maar niemand had hen kunnen vertellen
hoe die prins er nu eigenlijk uitzag en dat maakte de zaak voor hen
niet gemakkelijker. Doch toen ze eindelijk in de buurt van Moeder
Guldratsj' hutje kwamen, ontmoetten ze iemand, die hen wist mee te
deelen, dat ie diezelfde morgen aan de ingang van 't bosch van Pirlapan
'n troep ruiters ontmoet had, allemaal jongens van Pirlapan.
"Nu zijn we er achter," zei de keizerlijke aanvoerder. "Als we snel
rijden halen we hen nog wel in. Ze zijn het bepaald."
En toen ging het in galop voorwaarts.
Moeder Guldratsj zag de ruiters voorbij hollen over de groote weg
en ofschoon ze heelemaal niet wist dat 't keizerlijke soldaten van
Sutrebor waren, was ze er hevig door geschrokken. 't Was of ze 't
voelde, dat 't geen vrienden van Abé waren, die daar zoo snel de kant
van Pirlapan op gingen.
's Morgens was moeder Guldratsj op d'r ezeltje 'n eindje met prins
Alphabet meegereden. Ze was 't troepje op hun terugtocht tegen
gekomen. Abé en Plachki hadden haar verteld waarom ze weer terug
gingen naar Pirlapan en ook dat Karibo en de oude Pirlapan hen daar
zouden komen halen. De ruiters die ze voorbij zag hollen waren geen
Pirlapanners en Karibo was er ook niet bij. Wie konden 't wezen?
Moeder Guldratsj besloot plotseling met d'r ezeltje nog 'n eind door
te rijden. Misschien ontmoette ze dan wel Karibo, die toch wel haast
zou maken om Abé te gaan halen, meende ze.
Tegen de middag, toen ze al doodmoe van 't rijden was en 't ezeltje van
't draven, zag ze in de verte weer 'n troep ruiters. Moeder Guldratsj
stapte van d'r ezeltje af. Ze kon bijna niet meer. En de ruiters
zouden gauw genoeg bij haar zijn.
Voorop draafde Karibo. Moeder Guldratsj herkende hem al in de verte
en ze stak beide handen op.
Karibo herkende moeder Guldratsj ook dadelijk en toen ie 't oude
mensch met opgeheven handen daar zag staan gaf hij de troep 'n teeken
om halt te maken.
"Wel moeder Guldratsj is er wat bizonders?"
"Ja heer ... rij zoo hard als je kan. 'n Troep ruiters zit de prins
op de hielen!"
"Wat zeg je? Hoe zagen ze er uit?"
"'t Waren soldaten heer, wel honderd."
"Vooruit mannen!" schreeuwde Karibo. "Zoo snel als 't maar kan,
of we komen te laat. Op zij moeder Guldratsj."
En de troep van Karibo stoof langs moeder Guldratsj heen die in
'n stofwolk achter bleef.
Toen keerde 't oude vrouwtje weer terug naar d'r hutje en onderweg
prevelde ze aanhoudend: "Als ze nog maar vroeg genoeg komen, als ze
maar niet te laat komen." Maar toen ze eenmaal thuis was had ze geen
rust en als 't ezeltje niet zoo moe geweest was, zou ze zeker weer
dadelijk zijn weggereden de kant uit van Pirlapan.
Abé en z'n kleine Pirlapansche lijfwacht reden zingend door 't
bosch. Ze dachten niet aan gevaar. Tegen de avond konden ze weer thuis
zijn. Maar al zing je nog zoo hard, dan krijg je toch honger op de
duur en toen 't middag was gaf Plachki bevel om rust te houden voor
't middagmaal. Geen mensch en geen dier had daar iets op tegen. Als
goede ruiters verzorgden de jongens eerst hun paarden. Abé, al was
ie 'n prins, deed 't zelf ook. Toen ze daarmee klaar waren gingen
ze er ook bij zitten of liggen. Heel veel bizonders hadden ze niet
te eten. Iedere jongen had brood en kaas. Als je honger hebt kan je
't daar best mee doen.
Na de maaltijd bleven ze nog wat liggen en de een voor de ander
strekte zich lui uit op 't zachte mos langs de weg. Abé en Plachki
lagen samen te praten, maar ze deden 't zoo zacht dat ieder geluid in
't bosch nog te hooren was.
Opeens hielden ze hun mond. Ze hoorden 't gestamp van paardehoeven.
"Daar komt 'n heele troep ruiters aan," zei Plachki.
Abé stond vlug op.
"Die gaan we tegemoet," antwoordde hij blij. "'t Is natuurlijk Karibo
en je vader."
"Misschien wel, maar we zullen toch maar 'n beetje voorzichtig zijn."
"Hoezoo?"
"Och je kan 't nooit weten."
Hij riep een van de jongens. Die hadden het naderende getrappel ook
gehoord en stonden nu allemaal al gereed bij hun paarden.
"Jij brengt de prins en de overigen naar 't ravijn. Da's hier geen
vijf minuten vandaan," zei hij tegen Abé. "Daar vinden ze je niet
zoo heel gauw of je moet 't bosch door en door kennen."
De jongens wilden al te paard stijgen.
"Nee," zei Plachki, "de paarden aan de toom houden en zoo stil
mogelijk. Neem mijn paard ook mee."
"En jij dan?" vroeg Abé.
"D'r moet er toch een hier blijven om te zien wie 't zijn? Als 't
vader is, fluit ik wel even. Dan komen jullie maar weer gauw hier."
"Maar als 't de heer van Pirlapan nu eens niet is?"...
"O, wees maar niet ongerust over me. Ze zullen mij zoo gauw niet
ontdekken. Kijk maar eens."
Plachki zat in 'n wip boven in 'n dikke eik heelemaal verborgen
tusschen de bladeren.
"Afgemarcheerd," riep hij naar beneden, "en geen mensch komt voor de
dag eer je 't teeken hoort of eer ik zelf bij jullie kom."
Ze gingen met hun paarden aan de hand 't bosch in en verdwenen weldra
over 'n hoogte tusschen de boomen. Plachki luisterde. Z'n kameraden
waren voorloopig veilig. Die hoorde hij niet meer. Ze waren met hun
paarden afgedaald in het diepe ravijn, waar 'n snelle bergstroom
tusschen de rotsen over de steenen bruischte en schuimde. Maar steeds
duidelijker werd 't geluid van de naderende ruiters. Plachki zat in
elkaar gehurkt op 'n dikke tak. Hij had net zoo lang gezocht tot
hij dat plekje vond, vanwaar hij ongezien naar beneden kon kijken
tusschen de takken en bladeren door. Ze zouden als 't slimme kerels
waren wel dadelijk opmerken, dat op die plaats nog niet lang geleden
gekampeerd was. Doch heel veel meer zouden ze wel niet ontdekken,
meende hij. De zandige boschweg was in de laatste dagen door heel wat
paarden betrapt. Uit al die sporen was niet veel te maken en de ruiters
zouden wel veronderstellen, dat degenen die ze waarschijnlijk zochten,
doorgereden waren naar Pirlapan. Hij wachtte dus nog al gerust af wat
er komen zou maar was toch erg nieuwsgierig en vond dat 't toch lang
duurde eer er wat kwam ...
Doch toen de ruiters eindelijk onder de boom aankwamen in volle galop,
was hij wàt blij, dat ie Abé en z'n kameraden naar 't veilige ravijn
gezonden had. De ruiters waren allen gekleed in kettinghemden, maar
de pluimen op de ijzeren helm van de aanvoerder waren geel en zwart,
de kleuren van keizer Sutrebor.
"Stommeling," dacht Plachki, toen de ruiters onder de boom doorholden,
"hij merkt niemendal. Nou zooveel te beter."
Hij bleef nog 'n heele poos stil in z'n boom zitten. Je kon nooit
weten of er soms nog achterblijvers waren. Maar er kwam niemand meer
en toen 't geluid van de galoppeerende paarden al zachter werd, liet
Plachki zich vlug naar beneden glijden en was in 'n ommezien ook over
de hoogte in het bosch.
"Wel?" vroeg Abé, toen Plachki met zekere sprongen over de steenen
naderde.
"We zijn mooi aan 't gevaar ontkomen. 't Waren mannen van Sutrebor."
"Wàt?"
"Sekuur hoor. En nu zitten we er leelijk in. Naar Pirlapan kunnen we
niet meer en terug ook niet."
"Waarom niet?"
"Hij kon wel eens verkenners uitzenden."
"Dus we moeten hier blijven?"
"Ja. Hadden we nu maar brood in voorraad. De paarden kunnen hier in
de buurt wel wat vinden. Maar wij zullen honger moeten lijden als
vader niet gauw komt opdagen. Wie durft het aan om vader te gaan
waarschuwen dat we hier in de knel zitten?"
"Dat durf ik wel!" riepen de jonge Pirlapanners allemaal.
"Jullie weet dat 't je de kop kosten kan."
"Hindert niet."
"Dan ga jij... en jij. Een voor 't verlies, zie je," voegde hij er
lachend bij, zich tot Abé wendend.
"Hoor es Plachki, dat heb ik liever niet," zei Abé, toen de jongens
zich klaar maakten om heen te gaan. "Ik ga net zoo lief zelf."
"Dat kan heelemaal niet. Jij ben de keizer van Huk. En 't zou 'n
groote schande zijn voor iedere Pirlapanner, als ie z'n leven niet
durfde wagen voor z'n keizer. Als je die twee niet wil laten gaan,
moet je 't zelf weten. Maar dan ga ik."
Daar was niets tegen te zeggen en Abé liet de twee dappere jonge
Pirlapanners gaan.
"Je hoeft je niet zoo heel bang over hen te maken," zei Plachki,
toen ze weg waren. "Ze zullen zich niet onnoodig bloot stellen aan
gevaar. 't Zijn 'n paar slimme rakkers die ik heb uitgezocht... en als
't er op aankomt gaan ze voor zoo'n paar van die soldaten niet op zij."
"Maar ze kunnen in handen vallen van de heele troep."
"Da's waar. Doch dat moeten ze maar voor je over hebben."
Nu begon Plachki als 'n echte veldheer verkenners uit te zenden om te
weten te komen wat die troep Sutreborsoldaten uitvoerde en toen dat
in orde was had ie weer zoo'n honger, dat ie maar aan z'n laatste
boterham begon. Dat was 'n goed voorbeeld voor de Pirlapanners en
Abé deed ook maar mee. 'n Kwartier later was er geen kruimel brood
meer in 't keizerlijke kamp. Als er nu niet gauw hulp kwam stond de
honger voor de deur.
Intusschen waren de soldaten van Sutrebor voor Pirlapan aangekomen. Tot
groote spijt van de aanvoerder was 't hem niet gelukt die zoogenaamde
prins Alphabet te achterhalen en dus zat ie al in Pirlapan. Doch
hoe moest ie hem daar nu uitkrijgen? De valbrug stond omhoog en
daarachter zag je niets dan de stevige poort en de dikke muren van
Pirlapan. Heel veel mannen zouden er wel niet in 't kasteel aanwezig
zijn, maar onverdedigd zou de baron z'n huis toch wel niet hebben
gelaten. De prins uitleveren zouden ze ook wel niet doen. Hij kon
't echter eens vragen. Je kon 't nooit weten.
Hij gaf 'n trompetter bevel meer naar de valbrug te rijden en daar
liet ie de man 'n deuntje blazen. 'n Oogenblik later verscheen hoog
boven de poort waar 'n ballustrade was, de oude Brulfros heelemaal in
't ijzer. Hij had de soldaten al lang gezien en omdat ie die kerels van
Sutrebor niet vertrouwde had ie zich maar er op aangekleed. Ze konden
't wel eens in hun hoofd krijgen op hem te schieten. Er zouden allicht
'n paar boogschutters bij zijn.
De aanvoerder zou 't nu wel aardig gevonden hebben als ie had kunnen
zeggen: "In naam van Sutrebor doe open de poort!" Doch die baas daar
boven zag er niet naar uit om 't dan maar dadelijk te doen en dus
riep de aanvoerder naar boven:
"In naam van keizer Sutrebor vraag ik toegang tot 't kasteel van
Pirlapan. De keizer heeft mij uitgezonden om zijn keizerlijke
hoogheid prins Alphabet te begroeten, nu hij weer in 't land Huk
teruggekomen is."
"Dat heb ik er eens slim afgebracht," dacht de aanvoerder. "Als ik
met m'n mannen die belooning maar verdien kan 't me niet schelen op
welke manier 't gebeurt."
Doch Brulfros lachte de aanvoerder in z'n gezicht uit en zei:
"Compliment aan je keizer hoor, en hij kan naar de maan loopen met
jou en je heele bandietentroep er bij."
Die Brulfros kwam altijd 'n beetje raar uit de hoek, als ie 'n vijand
tegenover zich had.
De aanvoerder werd kwaad om zoo'n beleediging en hij riep woedend
terug:
"Kerel dat zal ik je betaald zetten, al zou ik heel Pirlapan onderste
boven moeten halen."
"Ga je gang," riep Brulfros naar beneden. "Begin maar dadelijk
hoor. Als je de poort door ben, ben ik je man. Maar eerder niet."
Brulfros ging weer 't kasteel binnen en liet de aanvoerder met z'n
trompetter maar staan. En die wist niet wat ie beginnen moest. Want je
kon heel gemakkelijk zeggen dat je Pirlapan onderste boven zou halen,
maar daarmee kreeg je geen steen uit de muur. Om zoo'n sterk huis te
nemen, moest je nog wat anders bij je hebben dan honderd ruiters,
die met hun lansen en zwaarden niemendal konden beginnen tegen die
dikke muren. De gracht zouden ze desnoods nog wel over komen. Er was
hout genoeg in de buurt dat je met je zwaard kon omhakken om er de
gracht mee te vullen. Doch dan had je nog niet veel gewonnen.
Hij zou er maar eens met z'n onderaanvoerders over gaan
praten. Misschien wisten die er wat op te vinden. Die zagen echter ook
geen kans om Pirlapan in te nemen en ze rieden hun aanvoerder aan daar
maar niet langer over te denken. Dat gaf toch niets. 't Was misschien
nog maar 't beste terug te keeren naar Pomfriet zonder de prins.
"Jullie vergeet," antwoordde de aanvoerder, "dat keizer Sutrebor daar
niet erg over te spreken zal zijn en dan krijgen we ook niemendal."
"Maar weet je wel zeker dat die jongen in 't kasteel is?" vroeg er een.
"Waar zou die anders zijn? Dan hadden we hem toch onderweg moeten
vinden?"
"Daar heb je gelijk aan... doch ik zeg maar... je kan 't nooit
weten. Laten we tot morgen vroeg hier blijven. Misschien gebeurt er
nog wel iets of 't kan ook zijn dat we nog 't een of andere plannetje
bedenken."
"'t Is groote gekheid," zei de aanvoerder. "Je schiet met dat talmen
niets op. Ik ben maar voor aanpakken. Ik gaf er de helft van de
keizerlijke belooning voor als ik 'n middeltje wist om daarbinnen
te komen. Nou laat dan de mannen maar afstappen... Ik ga eens rondom
't kasteel loeren."
"Daar zal ie mee opschieten," zei een van de onderaanvoerders, toen
hij weg was. "'k Heb nog nooit zoo'n sterk huis gezien als dit. Dat
is gewoon onneembaar."
"Kom," zei 'n tweede, "laten we onze mannen eerst maar wat rust
gunnen. Ze zijn zoo moe als honden. 'k Wou dat die Sutrebor met
dat karweitje 'n ander belast had. 't Haalt niemendal uit. Dat zal
je zien."
Ze gingen ieder naar hun eigen afdeeling, gaven bevel af te stijgen en
de paarden te verzorgen. Daarna mochten de soldaten gaan slapen of doen
wat ze wilden, als ze maar zorgden dat ze niet te ver weg gingen. Maar
er werden 'n paar man op schildwacht gezet bij de brug van Pirlapan. Ze
moesten toch oppassen dat ze niet uit 't kasteel overvallen werden.