"Lang geleden?"
"Van morgen."
"Waar?"
"Vlak bij Lumkiping."
Tegen de avond bereikten ze 't hutje van moeder Guldratsj en omdat
hun paarden en zijzelf te moe waren om verder te reizen besloten
ze daar te overnachten. Ze konden de deur gemakkelijk genoeg open
krijgen... 't Was daar binnen 'n beetje wanordelijk. Heel anders dan
Abé 't van moeder Guldratsj gewoon was. Hun paarden waren achter de
hut in 'n soort schuurtje onder gebracht. Ze durfden ze niet buiten
te laten. Voor haver had Plachki gezorgd. Zijn paard droeg 'n heele
zak vol achter 't zadel. En ze sliepen allebei uitstekend. Doch niet
zoo lang als ze wel graag gedaan hadden. Voor de zon op ging, zaten ze
al weer te paard. En nu ging 't in één rit door 't bosch naar Pirlapan.
Karibo en de oude Pirlapan zaten 's avonds na de ontvluchting van
prins Alphabet uit 't raadhuis van Lumkiping, nog maar steeds te
overleggen met de rooverhoofdman en de secretaris. Ze wisten maar niet
wat ze beginnen moesten. De heele stad was ijverig afgezocht en ook de
omtrek. Doch eindelijk kwam er iemand hen vertellen, dat 't gerucht
door de stad ging als zou prins Alphabet gevonden zijn. Dadelijk
gingen ze er op uit. En ze hoorden 't al gauw genoeg. 't Ging als een
loopend vuurtje door de stad. Teleurgestelde prinsezoekers hadden 't
verteld, maar geen mensch wist er 't rechte van. Ze trachten uit te
vinden, wie er 't eerst mee aangekomen was. Dat duurde tot heel laat
's avonds. Toen brachten 'n paar politiemannen iemand op 't raadhuis,
waar ze bij elkaar zaten, en die wist er alles van, want hij had
't gehoord die middag van 'n paar jongens ergens buiten de stad. Er
werd hem natuurlijk gevraagd wat 't voor jongens waren. Dat wist
de man niet. Hij had niet gevraagd hoe ze heetten. Hoe ze er dan
uitzagen? Ja, dat kon de man wel vertellen. Uit zijn beschrijving
bleek, dat er een bij was die wel wat op prins Alphabet scheen te
lijken, doch toen de man begon te vertellen hoe die jongen gekleed
was, begrepen ze er weer niemendal van. Prins Alphabet was in z'n hemd
ontvlucht en niemand had de kleeren die de man beschreef, ooit van z'n
leven gezien. Doch 't gekste keken ze op toen de man begon te zeggen,
dat volgens 't verhaal van die jongen, prins Alphabet gevonden was
door iemand die Pirlapan heette.
"Wel nou nog mooier," riep de oude Pirlapan uit.
Op dat oogenblik verschenen er voor 't raadhuis 'n stuk of wat ruiters,
't waren soldaten van de Pomfrietsche lijfwacht, die met de jongste
Pirlapan waren uitgetrokken om te zoeken. Ze hadden gehoord dat
Karibo en Pirlapan in 't raadhuis waren en kwamen nu meedeelen,
dat hun jonge aanvoerder zoek was.
Toen Karibo en Pirlapan dat vernamen zaten ze met open mond maar zoo
stom als visschen. 't Werd hoe langer hoe gekker.
Doch de secretaris was op 'n idee gekomen en vroeg aan de soldaten
of z'n paard er nog was. Neen, dat was óók weg en ook nog 'n paard
van een der soldaten.
"Dacht ik al," zei de secretaris zacht en hij vroeg verder sedert
wanneer de jonge Pirlapan weg was. De soldaten wisten 't niet precies,
doch ze meenden al van de vorige avond af. De secretaris informeerde
toen weer of ze om die tijd ook de twee paarden gemist hadden. Doch
dat wisten de soldaten weer niet. Ze hadden 's avonds hun paarden op
stal gebracht en er verder niet naar omgezien.
"Jullie kan wel gaan," zei hij tegen de soldaten.
"Heeren," begon de secretaris, "ik begrijp de heele zaak al. 't Is
me zoo duidelijk als of ik 't zelf gedaan had. De jonge Pirlapan
heeft Prins Alphabet uit 't raadhuis weten te krijgen op de een of
andere manier."
"Terwijl er zeven van die politiekokkers op hem pasten?" riep
Pirlapan. "Da's onmogelijk."
"Die politiereuzen hier zijn misschien niet zulke trouwe wakers
geweest als wel noodig was," meende de secretaris. "Bovendien zijn
ze geen van allen erg snugger, en die jonge Pirlapan schijnt me niet
van gisteren te zijn."
"Nee om de drommel niet," riep Pirlapan, "maar tegen zeven van die
ongeschoren vleeschklompen kan ie 't toch onmogelijk uithouden."
"Dat bedoel ik ook niet," zei de secretaris, "doch hij is misschien
slimmer geweest dan al die zeven kerels bij elkaar. 't Zou ook kunnen
zijn dat ze alle zeven geslapen hadden."
"'t Kan toch niet," zei Pirlapan. "Want als Plachki prins Alphabet
bevrijd had, dan zou ie er wel mee naar z'n soldaten gegaan zijn."
"Dat begrijp ik heel best heer van Pirlapan," zei de secretaris. "Uw
zoon zal de duizend goudstukken alleen hebben willen verdienen."
Pirlapan gaf met z'n vuist 'n woedende klap op tafel.
"Zeg eens," bulderde hij, "denk jij dat 'n Pirlapan z'n keizer uit
de gevangenis bevrijdt om duizend goudstukken te verdienen? Man je
beleedigt me... en als je niet zoo'n nietig, sloom stadskereltje was
nam ik je bij je kraag en ik smeet je door 't venster."
"Bedaar Pirlapan," suste Karibo, "de secretaris kent de Pirlapans
niet en hij beoordeelt de zaak van zijn standpunt nog niet zoo
slecht. De meeste menschen zou 't toch om die duizend goudstukken
te doen zijn hè? Maar ik begrijp ook niet waarom Plachki, àls die
werkelijk prins Alphabet uit 't raadhuis heeft verlost niet naar z'n
soldaten is gegaan."
"In ieder geval," zuchtte Pirlapan, "maar nu keek hij opeens erg
somber ... zijn er nu al twee zoek."
De rooverhoofdman had al die tijd voor zich zitten kijken met diepe
rimpels in z'n voorhoofd. Nu stond hij plotseling op en zei:
"Laat mij maar eens begaan. Ik breng die twee terug zoowaar ik 'n
eerlijke roover ben."
En vóór iemand iets had kunnen antwoorden, was hij de deur al uit.