Waarin Oeliboe Bomdrum 'n bewijs geeft van snuggerheid, prins
Alphabet hoort hoe de jongste Pirlapan heet, Karibo en de oude
Pirlapan weer in de asch zitten en de secretaris met z'n slimheid
iemand woedend maakt.
Er waren er nog veel meer, die er niets van begrepen. Karibo,
Pirlapan en de secretaris spraken die avond over niets anders, maar
ze konden geen oplossing van 't raadsel vinden, zelfs niet toen ze
de rooverhoofdman er bij haalden.
De eenige, die er meer van wist dan heel Lumkiping, was de politiereus
Oeliboe Bomdrum, die de vorige nacht 't raadhuis bewaakt had. Maar die
man was zoo verschrikkelijk dom en tegelijkertijd zoo allerakeligst
bang, dat ie z'n mond stijf dicht hield, zoolang ie niet bij hoog en
laag volhield dat ie er niets van wist. Oeliboe Bomdrum was bevreesd
te vertellen dat ie zich had laten beetnemen, en daarom zei hij maar,
dat ie niemendal gezien had. De zes andere politiemannen, die met
hem de wacht hadden, zeiden 't ook. Doch die spraken de waarheid in
zooverre dat ze alle zes geslapen hadden toen er wat te zien was. Ze
hadden afgesproken elkaar niet te verraden, want op wacht mochten
ze niet slapen. Oeliboe Bomdrum was echter te dom om te snappen, dat
't waarschijnlijk voordeeliger voor hem zou zijn, indien hij vertelde
wat er die nacht op het raadhuis was voorgevallen.
De wachters op 't raadhuis hadden de gewoonte allemaal op een na
te gaan slapen, zoodra ze dachten dat er wel geen inspecteur of zoo
iemand meer komen zou om te surveilleeren. Dat was tot nog toe altijd
goed gegaan. Er was nooit iets bizonders voorgevallen.
Maar de vorige nacht terwijl Oeliboe Bomdrum de beurt had om wakker te
blijven, kwam er 'n jongen heel brutaal aanstappen met 'n pak onder
z'n arm. Oeliboe Bomdrum zat er net over te prakkezeeren of ie ook
maar niet 'n klein tukje zou gaan doen, want hij was de heele dag uit
visschen geweest. Er kwam nu toch geen mensch meer en hij kon best
'n beetje languit gaan liggen op de breede bank waar hij op zat, in
't groote portaal van 't raadhuis. Hij had z'n beenen al op de bank.
Toen kwam die jongen met z'n pak. Oeliboe Bomdrum was in geen lange
tijd zoo geschrokken en hij stond plotseling kaarsrecht op z'n
twee beenen.
"Compliment van de burgemeester," zei de jongen, "en hier zijn kleeren
voor de gevangene."
"Geef maar hier..." antwoordde Oeliboe Bomdrum...
"Nee... 'k moet ze hem zelf brengen... Haal de sleutels."
Oeliboe Bomdrum was gewoon te gehoorzamen, als hem wat bevolen werd
en die jongen daar voor hem, zei 't zoo kortaf, dat Oeliboe Bomdrum's
beenen vanzelf in beweging kwamen. De jongen liep dadelijk met hem
mee. Oeliboe Bomdrum ging met 'n lantaarn in de hand, 'n paar gangen
door, nam 'n groote sleutel van 'n spijker, er hingen er 'n heele boel,
en stapte toen op 'n deur af.
"Geef maar hier," zei de jongen, "ik kan 't zelf wel."
Oeliboe Bomdrum gaf hem.
"'k Zal hem je zoo wel terugbrengen als ik klaar ben. Ga maar weer
op je post."
Als Oeliboe Bomdrum nu niet zoo'n ezel geweest was, had hij gauw z'n
kameraads gewaarschuwd, maar dat deed ie niet. Hij wandelde langzaam
terug naar z'n bank en ging zitten. Hè, hè... wat 'n idee van die
burgemeester om zoo laat nog iemand te sturen met kleeren voor zoo'n
rooversjongen. Toch wel 'n goeie kerel die burgemeester... Nou die
jongen zou 't wel koud gehad hebben in z'n hemd zoo'n heele dag in dat
kille hok. Oeliboe Bomdrum had z'n lange beenen al weer op de bank. De
lantaarn had hij er achter gezet om geen last van 't licht te hebben.
Abé hoorde 't gepraat voor z'n cel en daarna 't knarsen van grendels en
't overgaan van 't slot. Hij had niet kunnen slapen van kou en daarom
had ie maar voortdurend heen en weer geloopen om warm te blijven. Hij
meende dat 't de eenige manier was om er niet ziek bij te worden, als
de menschen zoo vriendelijk waren je in 'n koud hok te laten zitten in
je hemd. Hij kon niet zien wie er binnen kwam, want 't was pikkedonker
en ook kende hij de stem niet toen er zacht tegen hem gezegd werd:
"Hier, trek gauw die kleeren aan... dan gaan we d'r van door."
Abé liet 't zich geen tweede keer zeggen. Hij trok op de tast haastig
de kleeren aan. 'n Enkele keer had ie 'n ding onderste boven, maar
dat voelde hij gauw genoeg. In 'n minuut was ie gereed.
"Klaar..." zei Abé zacht.
"Geef me je hand... 't is donker... en zacht hoor..."
Als dieven sloopen ze op hun teenen de gangen door. De jongen, die hem
kwam verlossen had goed de richting onthouden... en zoo kwamen ze al
heel gauw bij 't portaal. Abé's redder kwam heel dicht met z'n mond
bij Abé's oor en fluisterde: "D'r zit 'n schildwacht... daar moeten
we langs. Ik zal even gauw kijken..."
De jongen ging onhoorbaar 't portaal in. Zoo zacht liep hij, dat Abé
er niemendal van merkte en de jongen was al weer terug eer Abé er
erg in had.
"Hij ligt op de bank. Kom. Maar stil hoor."
Abé liep op bloote voeten, maar z'n kameraad leek wel nergens op te
loopen. Wat kon die voorzichtig sluipen. Abé hoorde nog wel z'n eigen
voeten op de steenen, maar van de ander vernam hij niet 't minste
geluid. Zoo kwamen ze voorbij Oeliboe Bomdrum die net droomde, dat ie
'n snoek van tien pond aan de haak had.
Buiten vlogen ze de trappen af langs de muur van 't raadhuis en toen
'n zijstraat in.
"Hier heb je schoenen," zei de jongen. "Trek ze gauw aan, want als
ze merken dat je gevlogen ben krijgen we de heele bende achter ons."
"Welke bende?"
"Wel, die wachters van 't raadhuis. Ze sliepen natuurlijk allemaal
op die eene na en die slaapt nu ook. Maar als ie wakker wordt gaat
ie natuurlijk kijken, en dan..."
Abé had z'n schoenen aan.
"Vooruit dan maar," zei hij. "Maar zeg es wie ben je?"
Er waren geen lantaarns in Lumkiping. Ieder die bij avond uitging
moest zelf 'n lantaarn meenemen of door 'n bediende voor zich uit
laten dragen. Abé's redder had 't echter maar zonder lantaarn gedaan en
daardoor kwam het dat Abé 't gezicht van die jongen niet onderscheiden
kon. Toch was hij erg nieuwsgierig er naar, wie hem zoo handig uit
dat akelige hok bevrijd had en ook waarom deze dat gedaan had.
Hij kreeg echter geen antwoord op die vraag, maar in plaats daarvan
zei de jongen: "Loop wat je kan... daar komen ze."
Oeliboe Bomdrum was wakker geworden, door die snoek van tien pond, want
hij rolde met z'n gedroomde snoek van de bank af. Toen was ie meteen
klaar wakker, voorzoover hij ooit klaar wakker werd, want iedereen
noemde hem 'n kapitale suffer, die altijd stond te droomen. Maar nu
was hij in ieder geval wakker genoeg om zich te herinneren dat ie die
jongen van de burgemeester nog niet teruggezien had met de sleutel
en daarom zou hij maar eens kijken.
De sleutel hing weer aan de haak waar hij hoorde, maar toch liep
Oeliboe Bomdrum nog even door naar de cel om te zien of de grendels
er wel goed op gedaan waren. Nog nooit was Oeliboe Bomdrum zoo
geschrokken. Niet alleen waren de grendels niet voor de deur geschoven
doch de heele deur stond maar zoo open... en toen Oeliboe Bomdrum met
z'n lantaarn voor die open deur stond, stond z'n groote mond haast
net zoo wijd open als de deur.
Vijf minuten later holden al de zeven politiereuzen de trappen van
't raadhuis af, aan de eene kant vier en aan de andere kant drie
en Oeliboe Bomdrum was bij de vier die toevallig net de straat in
holden waar Abé z'n schoenen stond aan te trekken. Gelukkig voor de
jongens hoorden ze de zware reuzen met hun dreunende stappen net nog
bijtijds aankomen.
Oeliboe Bomdrum en z'n kameraden hadden lange beenen en ze liepen
lang niet slecht, maar zoo hard als die twee vluchtelingen konden ze
't niet. Die wonnen bij stukken! Abé en z'n redder bleken eerste klas
renners te zijn.
Maar rennen alleen helpt je niet als je onderweg 'n rivier van vijftig
meter breed tegen komt en de Lum die daar langs de stad stroomde, was
zeker zoo breed. 'n Heel eind verderop was 'n brug, maar ze durfden
't niet avonturen daar heen te loopen. Er konden misschien wel andere
vervolgers uit 'n straat of een steeg komen schieten en dan waren ze
er gloeiend bij. Dat bedacht Abé's redder onder 't voorthollen.
"Zwem je?" vroeg hij, even voor ze de rivier bereikten.
"En of!" zei de ander.
"Dan maar rechtuit..."
Oeliboe Bomdrum stond met z'n drie kameraads te hijgen en te puffen
aan de waterkant. Ze konden geen van vieren zwemmen.
"'k Mag lijen dat ze allebei zinken", bromde er een. "Is dat loopen."
"Weet je wat," zei 'n tweede, "ik keer om hoor. 'k Heb net zoo'n
slaap."
"Hoe is ie er uitgekomen?" vroeg de derde.
"Weet ik 't," snauwde Oeliboe Bomdrum. "'k Zag ze samen d'r van
door gaan."
"Je hebt zeker geslapen," zei nummer een weer.
Doch dat had ie niet moeten zeggen, want ze hadden 't zelf ook
gedaan en Oeliboe Bomdrum werd er zoo nijdig om, dat ie met z'n
groote vuisten nummer een 'n paar schrikbaarlijke opstoppers gaf,
wat deze zich maar zoo niet liet aanleunen. Hij had zware knuisten en
toen hadden de twee overigen hard werk om Oeliboe Bomdrum en nummer
een van elkaar te krijgen, terwijl die op elkaar aan 't losbeuken
waren. Waarna ze met hun vieren in de beste harmonie weer naar
't raadhuis wandelden. Onderweg spraken ze af, dat ze allemaal hun
mond zouden houden, en de drie die de andere kant op waren geloopen,
en allang weer terug waren beloofden 't ook. 'n Kwartier later zat
nummer een op de bank en lagen de anderen op een oor. Oeliboe Bomdrum
was weer aan 't snoek vangen, wat z'n liefste werk was, zoodat ie
't zelfs in z'n slaap niet laten kon.
De vluchtelingen waren gauw genoeg de rivier over en eenmaal aan de
overkant behoefden ze zich niet meer zoo te haasten, maar toch gingen
ze er niet bij zitten, want ze wisten heel goed, dat je dat met 'n nat
pak aan maar liever niet doen moet. Abé's redder had er echter nog 'n
andere reden voor. Iemand die onschuldig gevangen zit uit de kerker
verlossen is heel mooi, maar dan moet je ook zorgen, dat ze hem de
volgende dag niet weer te pakken kunnen krijgen. Daarvoor hadden ze
paarden noodig om zoo snel mogelijk weg te komen....
Tenminste dat dacht Abé er van toen de jongen hem ergens heen bracht
waar aan 'n boom gebonden twee paarden stonden.
"Je hebt overal aan gedacht," zei Abé. "Ik kan je niet dankbaar genoeg
zijn.... Wie ben je toch?"
"Prins Alphabet," zei de jongen, "stijg op. Ik zal je bij Karibo en
m'n vader brengen.... Ik ben de jongste Pirlapan."
Abé stond 'n heele tijd, met z'n eene voet al in de stijgbeugel,
sprakeloos.
Toen trok hij snel z'n voet uit het ijzer terug en hij pakte de jonge
Pirlapan, die de paarden vasthield bij de teugel, met allebei z'n
armen stevig om de hals.
"Pirlapan, ik hou veel van je."
"En ik van jou, prins Alphabet."
"Prins Alphabet?... ben ik prins Alphabet??"
"En keizer van Huk."
"Keizer???"
"Laten we wegrijden prins... Onderweg vertel ik je alles wat ik weet."
"Onder één voorwaarde ... dat je Abé tegen me zegt. Je bent mijn
vriend... Hoe is jouw voornaam?"
"Plachki."
"Plachki?"
"Ja. Ik heet eigenlijk Pilachkoublasinaugau, maar dat is zoo'n mondvol,
dat zegt toch geen mensch."
"Mijn vader hebben ze weggejaagd, omdat ie mij niet zoo'n gekke lange
naam geven wou..."
"En nou willen ze je weer terug al heet je enkel maar prins Alphabet."
"Hoe komen ze daar toch bij?" vroeg Abé 'n oogenblik later terwijl
ze kalm voortreden. "Ik heet toch niet zoo?"
"Weet je dàt niet eens? 't Is 'n scheldnaam, die ze vroeger in Pomfriet
voor je uitgedacht hebben."
"Zoo... en dus is mijn spotnaam een eerenaam geworden?"
"Dat is 't."
"Maar zeg eens Plachki, je zou me alles vertellen wat je wist."
"Zoo meteen. Ik word koud in die natte kleeren en jij?"
"Ook wel 'n beetje."
"Weet je wat we doen moesten? Aan 't eerste huis 't beste vragen of
we onze kleeren 'n beetje mogen drogen bij 't vuur. 't Begint dag te
worden. We zullen de menschen al wel opvinden hier buiten."
"Ja laten we dat doen."
Ze reden nu vlug nog 'n eind langs de rivier en zoodra ze 'n
boerenwoning ontdekten klopten ze aan en vroegen of ze hun kleeren
mochten drogen voor 't vuur. Ze werden vriendelijk ontvangen. De boerin
stookte 't vuur flink op en terwijl de jongens hun kleeren droogden
sneed de vrouw dikke boterhammen voor hen. In 'n half uurtje waren
ze weer heelemaal klaar. Van binnen en van buiten kurkdroog waren ze
nog wel niet, doch dat zou de zon wel verder opknappen. Ze bedankten
de boerin en stegen weer te paard.
Nu begon Plachki z'n verhaal en Abé luisterde met steeds grooter
wordende verbazing. Hij moest er om lachen dat nu iedereen daar in
de buurt al zoo'n tijd naar hem gezocht had, zonder hem te vinden,
en hij had meelijden met die arme trouwe Karibo. Ze zouden er maar
zoo snel mogelijk heenrijden.
"En wat zei moeder Guldratsj wel, toen ze hoorde dat ik prins
Alphabet was?"
"O heet dat ouwe wijf zoo? Wat ze zei weet ik niet... maar vader
geloofde er niemendal van... Hij dacht dat zij misschien wel goeie
maatjes was met die kerel die je je paard ontstolen had..."
"Moeder Guldratsj, die me verpleegd heeft, alsof ik d'r eigen
kleinzoon was?"
"Ja... vader heeft d'r naar Pirlapan laten brengen..."
Met 'n ruk hield Abé z'n paard in.
"Hè?? Moeder Guldratsj is die naar Pirlapan gebracht? Zit ze daar
achter slot?"
"'k Denk 't wel."
"In 'n donkere kelder misschien?"
Plachki haalde z'n schouders op. "'k Weet 't niet," zei hij. "'k Hoop
't niet voor d'r, want de kelders van Pirlapan zijn geen plezierige
verblijfplaatsen. 't Is er vochtig en koud en donker."
"Plachki, we rijden regelrecht naar Pirlapan."
"En Karibo dan?"
"Plachki hoor je niet wat ik zeg? Naar Pirlapan... dadelijk."
Plachki keek verwonderd Abé aan. Die was donkerrood geworden en z'n
oogen fonkelden van verontwaardiging.
"Maar... ze zoeken naar je."
"Laat ze zoeken... Vooruit of ik ga alleen."
"Je bent mijn keizer," zei Plachki, "en ik 'n Pirlapan. Ik
gehoorzaam. Dan zullen we de kortste weg maar nemen. In twee dagen
zijn we er."
En nu kregen de paarden hun portie. Ze moesten hun beenen inspannen
want ze werden voortdurend aangespoord tot grooter snelheid. Maar de
jongens waren geen dierebeulen. Ze gaven hun beesten op tijd rust en
voedsel in overvloed. Plachki had genoeg geld bij zich om alles te
kunnen koopen onderweg, wat ze noodig hadden.
't Gekste was dat ze telkens menschen te paard en te voet ontmoetten
die op zoek waren naar prins Alphabet. Zoo nu en dan troffen ze
er an, als ze ergens hun paarden lieten uitrusten en dan hadden de
twee jongens er genoeg pret van. Want zoodra ze bemerkten dat ze met
prinsezoekers te doen hadden, zeiden ze die menschen dat ze 't verder
zoeken wel konden opgeven, omdat de prins al terecht was.
"En wie heeft hem gevonden?"
"Pirlapan."
Dan was 't 'n lust om de lange gezichten te zien van die arme
stakkers, die hun gewone werk in de steek hadden gelaten om de duizend
goudstukken te verdienen.
"Hoe weet jullie dat?" vroegen ze dan gewoonlijk.
"'k Heb hem zelf gezien", antwoordde Plachki.
"Wie, de prins?"
"De prins en Pirlapan."