Waarin de lezer kennis maakt met Brulfros, prins Alphabet moeder
Guldratsj weer terugziet en de roovers 'n leelijke kool stooft.
De rooverhoofdman Brambribras, voluit heette hij eigenlijk
Brambribrasbrolbrobranbris want hij was een echte Hukker van voorname
afkomst die aan lager wal geraakt was, sprong zonder dralen op
z'n paard en rende 't bosch in. Hij begaf zich regelrecht naar 't
roovershuis waar hij z'n kameraden dacht aan te treffen. Ze waren
er allemaal. Ze begroetten vol blijdschap hun hoofdman, maar 't viel
tegen, dat ie de duizend goudstukken niet meegebracht had.
"Mannen," zei Bram, "maak je maar niet ongerust, de duizend goudstukken
zijn ons. Ik heb die heeren wel degelijk 't verblijf van de prins
gewezen, maar nu is die jongen weer op de loop."
"Wat kan ons dat schelen," zei 'n roover. "Als wij dat geld hebben
kan die prins voor mijn part naar de maan loopen."
"Beste vriend," zei de hoofdman, "je ben 'n uil. Begrijp je dan niet
dat onze belooning nog veel grooter zal worden wanneer wij die prins
Alphabet werkelijk terug brengen? Misschien... neen zeker krijgen
we allemaal 'n mooie betrekking aan het hof of in het leger en dat
is toch dunkt me heel wat beter dan dat eeuwige rooven en moorden
waarvoor we vandaag of morgen allemaal opgehangen zullen worden."
"Ik vind rooven veel plezieriger," zei de roover.
"Nou blijf jij dan roover," antwoordde Brambribras. "Maar ik schei er
uit als ik er kans voor heb. En die kans is er nu. Die oude Pirlapan
en die oude Karibo hebben geen van tweeën verstand van zoeken. Ik
verwed er wat om dat ik precies weet waar die prins Alphabet en die
jonge Pirlapan die 'm zoo netjes uit 't raadhuis van Lumkiping verlost
heeft, naar toe zijn."
"Waar denk je dan dat ze heen zijn, hoofdman?" vroeg de roover weer.
"Die twee zijn regelrecht naar Pirlapan."
"Hoe weet je dat?"
"Da's mijn zaak. Luister jullie nu eens. Wie mee gaat met me deelt
eerlijk op, en wie niet meegaat die moet 't zelf maar weten. Maar
die hoort niet langer bij mijn rooverstroep, begrepen?"
"Dan ga ik maar mee..." zei de roover die 't woord gevoerd had en de
anderen waren 't met hem eens.
"Nu dan vlug," zei Brambribras, "we hebben geen tijd te verliezen."
Ze stegen allen te paard en reden vroolijk naar Pirlapan.
Abé en Plachki reden 't laatste eind door 't bosch zoo hard als
ze konden. Abé was ongeduldig. Hij kon de gedachte niet verdragen
dat die oude moeder Guldratsj, die zoo goed voor hem geweest was,
nu juist om hem misschien, in zoo'n donkere kelder van Pirlapan
opgesloten zat. Dat vond ie vreeselijk onrechtvaardig.
Maar hoe hard ze ook reden 't was toch avond voor ze Pirlapan bereikten
en ze met hun moede paarden voor de ophaalbrug stonden.
De wachter keek in de schemering eerst eens goed uit voor hij de brug
neerliet, maar toen z'n jonge meester 'n beetje driftig bevel gaf de
brug maar heel gauw neer te laten, herkende de man Plachki en haastte
zich aan 't bevel te voldoen.
De jongens reden de valbrug over, sprongen van hun paarden, die
onmiddellijk door 'n knecht naar de stal werden gebracht. 'n Oude
dienaar, die bij afwezigheid der Pirlapans slotbewaarder was, bracht
de jongens in hetzelfde groote vertrek waar ze tegen elkaar hadden
gestreden en zei dat ie onmiddellijk voor 'n goed avondmaal zou zorgen.
"Maar eerst moet je me eens vertellen waar moeder Guldratsj zit,"
zei Plachki.
"Moeder Guldratsj?"
"Die hier gebracht is door twee van onze mannen".
"O die ouwe tooverkol".
"Breng haar onmiddellijk hier" zei Abé... "en als je nog eens durft
te zeggen ouwe tooverkol..."
"Welzeker," antwoordde de oude dienaar der Pirlapans... "Dat gaat maar
zoo". "Ik heb bevel van mijn heer haar goed achter slot en grendel
te houen..." "En ik zal zeggen wat ik wil..."
"Houd je bedaard Brulfros," zei Plachki. "Je weet niet tegen wie je
spreekt. Doe wat hij je beveelt."
"Beveelt?... Beveelt?... Ik laat me alleen wat bevelen door mijn
meester de baron van Pirlapan. Denk jij Plachki en jij vreemde
snoeshaan..."
"Brulfros houd je mond," riep Plachki opeens boos. "Je staat tegenover
prins Alphabet, de keizer van Huk."
De oude Brulfros viel haast om van schrik. Met groote oogen en open
mond stond ie daar naar Abé te staren en deze vond 't zóó komiek dat
ie er hardop om begon te lachen en Plachki ook.
"Kom Brulfros," zei Abé, "kijk me maar niet zoo verschrikt aan,
ik zal je niet opeten. Maar haal nu heel gauw moeder Guldratsj hier."
"Da... delijk, ... prins..." stotterde Brulfros en toen maakte hij
dat ie wegkwam.
Abé en Plachki keken hem na en vielen toen allebei naast elkaar op
'n bank. Ze schaterden 't uit.
"Nou zie je eens Abé hoe de menschen voor je vliegen als je keizer
van Huk ben."
"Ja maar ik ben bang dat ze niet allemaal zoo gehoorzaam zullen
zijn Plachki."
"Niet? Nou dat zal je dan wel eens gewaar worden als je maar eenmaal
in Pomfriet ben. Zelfs mijn vader, die hier alles te vertellen heeft,
hier op Pirlapan, die buigt voor je."
"Nou maar dat wil ik niet hebben. Denk je dat ik allemaal buigende
menschen om me heen wil zien? Dank je wel hoor."
"'t Hoort zoo Abé. Voor de keizer van Huk, de zoon der goden,
buigt alles."
"Plachki hoor es," zei Abé vertrouwelijk, terwijl hij z'n vriend de
hand op de schouder legde. "Je moet me wat beloven."
"Alles prins."
"Nu laat dat prins maar weg. En beloof je 't eerlijk?"
"Abé maak nou geen gekheid. 'n Pirlapan kan niet anders dan eerlijk
wat beloven. Wij Pirlapans houden ons woord, al kost 't ons de kop."
"Word maar niet kwaad driftkop. Je moet me beloven dat je nooit voor
me buigen zal. Nooit hoor."
"Maar Abé... dat is onmogelijk... Dat kan niet."
"'t Moet Plachki. Ik kan geen vriend hebben die voor me staat te
buigen. Dat begrijp je toch hoop ik."
"Ik begrijp het heel goed... maar 't kan toch niet. M'n vader zal
willen dat ik net doe als alle andere Hukkers..."
"En dat is?"
"Wel dat ik eerbiedig buig voor de keizer van Huk."
"Maar als de keizer van Huk 't nou niet hebben wil."
"Ik... weet 't niet... Abé. 't Lijkt me 'n lastig geval."
"Nou je hebt 't me beloofd en 'n Pirlapan houdt z'n woord."
De deur ging open en Brulfros trad binnen met moeder Guldratsj. 't Oude
menschje ging diep gebogen. Abé sprong van z'n bank en 'n oogenblik
later had ie 't oude moedertje in z'n armen.
"Moeder Guldratsj hier ben ik weer terug... kom gauw zitten... en
zeg me hoe je 't gehad hebt... Ze hebben je opgepakt hè?"
"Abé.... jongen... ben jij 't?" sprak moeder Guldratsj zacht...
"Nou of ik 't ben... kom ga nou eerst zitten."
Abé en Plachki zetten 't oude mensch op 'n bank en gingen aan
weerskanten van haar zitten. Plachki had er 'n beetje moeite mee. Hij
begreep niet goed waarom Abé zoo'n drukte maakte over zoo'n ouwe
arme stakker. Nou ja, dat mensch had Abé verzorgd toen ie gewond
was... Maar nu was diezelfde Abé 'n prins en 'n keizer. Die kon dat
menschje beloonen zonder nou net te doen of 't z'n eigen grootmoeder
was. Maar Abé dacht er op dat oogenblik heelemaal niet aan dat ie
prins Alphabet was. Hij dacht alleen maar aan moeder Guldratsj die
om hem in de gevangenis was geraakt.
"Toe vertel nou es op moeder Guldratsj. Heb je 't slecht gehad?"
Brulfros kreeg 't op eens weer benauwd. Verbeeld je dat die ouwe
tooverheks nu eens ging zeggen dat ie niet goed voor d'r geweest
was... en hij had nog wel uit meêlijden zoo goed voor d'r gezorgd
als ie maar kon.
Moeder Guldratsj veegde met d'r hand de tranen van d'r gezicht en
toen zei ze:
"Nee mijn jongen... 'k heb 't heel goed gehad... beter dan in mijn
eigen hutje. Die man (ze wees naar Brulfros) was heel vriendelijk
voor me..."
Brulfros kreeg 'n dankbare blik van Abé en daar knapte de oude
slotbewaarder heelemaal van op. Hij werd er bepaald warm van. Nog
nooit had 'n keizer van Huk hem aangekeken en nu 't voor de eerste maal
van z'n leven gebeurde raakte ie er heelemaal van overstuur. Hij had
altijd gedacht dat ie wel haast door de grond zou zakken als hem eens
'n keizer aan zou kijken, dat ie van schrik zou bibberen en dat ie
zeker op z'n knieën zou vallen. Maar dit keizertje keek heel anders
en vroolijk ging Brulfros aan 't werk om nu eens 'n echt Pirlapansch
avondmaal op te dienen. Doch dit wist Brulfros al vast: àls er eens
iemand kwam om prins Alphabet kwaad te doen... wel sapperloot dan
zou Brulfros 'm bij z'n nek nemen en dan...
"Ho, ho, Brulfros," riep Plachki, "je hoeft van avond niet zoo'n
leven te maken."
Brulfros had met 'n zware slag 'n tinnen kan op de eiken tafel
gezet. Hij was in gedachten zeker al aan 't vechten met zoo'n vent...
"En hoe vind je 't nou, dat ik je hier vandaan kom halen moeder
Guldratsj?" vroeg Abé lachend.
"Kan je dat Abé?"
"'k Denk 't wel, anders was ik niet hier hè?"
"Heb je dan je pleegvader gevonden?"
"Nee, moeder Guldratsj... 'k moest eerst jou opzoeken. 'k Was namelijk
bang dat ze je hier in 'n kelder gestopt hadden."
"'k Heb heel niet in 'n kelder gezeten, Abé. Ze zijn heel goed voor
me geweest. Maar vertel me nou es wie ben je toch eigenlijk?"
"Hè? Wel ik ben voor jou geen mensch anders dan Abé hoor."
"Vertel 't d'r maar," zei Plachki.
"Welnee..."
Moeder Guldratsj keek erg nieuwsgierig en ze luisterde nog
nieuwsgieriger en toen Plachki dat merkte zei hij:
"Moeder Guldratsj weet je wie d'r naast je zit? Prins Alphabet... de
keizer van Huk."
Moeder Guldratsj deed precies als Brulfros gedaan had, maar ze hield
ook nog met eten op. 't Leek wel dat ze zich op eens niet meer durfde
verroeren.
"Had je mond maar gehouden," zei Abé. "Kijk nou es... nou durft ze al
niet meer te eten ook. Keizers zijn zeker allemaal nare menschen, dat
iedereen de schrik om 't hart slaat als ie er een in z'n buurt krijgt."
"En je vader dan?" zei Plachki lachend. "Was dat ook 'n naar mensch?"
"Neen, die heelemaal niet."
"De menschen hebben ontzag voor 'n keizer," zei Plachki weer. "Dat
is het."
"Maar daarom kunnen ze toch wel door eten," meende Abé. "Kom moeder
Guldratsj trek jij je d'r maar niks van aan hoor. Eet nog maar
wat. Laat mij je nog eens 'n stuk vleesch geven."
"Ik heb heel geen honger meer... keizer..."
"Ben je heelemaal mal moeder Guldratsj, ga jij nou al keizer tegen
me zeggen? Geen gekheid hoor. Je zegt Abé, anders word ik kwaad op
je. Zal je 't doen?"
"Jawel, keizer..."
"Verroest," zei Abé en Plachki lachte zich haast 'n ongeluk.
"Hoor eens Plachki, als je nou ooit weer tegen iemand zegt, dat ik
keizer ben, dan kijk ik je nooit meer aan. De menschen worden bang
voor me. Kijk me nou die goeie moeder Guldratsj eens zitten. Je hebt
d'r heele avond bedorven."
"Niks van aan hoor," zei Plachki. "Wat jij moeder Guldratsj? Ik wed
dat je d'r wat 'n plezier van hebt dat Abé keizer van Huk wordt, hè?"
"Dat heb ik ook... Ik ben d'r erg blij mee... En nou mag ik zeker
morgen weer naar mijn huisje toe?"
"Naar dat kleine hutje?" zei Abé... "Nee moeder Guldratsj... ik neem
je mee naar Pomfriet... Je hebt me verzorgd... en nu is het mijn
beurt. Nu zal ik jou verzorgen. Je moet in mijn paleis komen wonen."
"In... 'n... pa... nee daar krijg je me niet in. Daar hoor ik niet
in thuis."
"Wel ik ook niet, moeder Guldratsj. Ik heb er ook nog nooit in
gewoond. Dat zal wel wennen."
"Nee dàt doe ik niet... Je moet me weer naar m'n hutje brengen."
"Ik hou je bij me, moeder Guldratsj. Je zal er geen spijt van
hebben... Maar laten we nu maar gaan slapen. Ik ben zoo moe als
'n hond. Morgen praten we d'r nog wel eens over.--Brulfros!"
"Majesteit!"
Brulfros stond toen ie dat zei als 'n kaars plotseling doodstil met
'n groote tinnen schaal in z'n handen.
"Begin jij ook al," bromde Abé zacht en toen hardop: "Breng moeder
Guldratsj naar d'r kamer. Ze heeft toch zeker 'n goeie kamer, hè?"
"In de toren majesteit... onder de pannen."
"Moet dat oude mensch al die trappen op? Beneden blijven, Brulfros."
"Tot uw dienst, majesteit."
Brulfros marcheerde voorop met 'n schaal en moeder Guldratsj volgde
met Abé die haar onder de arm genomen had.
"Slaap maar lekker moeder Guldratsj," zei Abé toen ze voor de kamer
stonden waar Brulfros hen heen bracht. "Wel te rusten."
"Genacht jongen," zei moeder Guldratsj zacht.
En toen ze dat zei pakte prins Alphabet 't ouwe mensch om de hals.
"Dat hoor ik liever moeder Guldratsj. Je ben mijn grootmoedertje
hoor. Of ik keizer van Huk ben doet er niemendal toe."
Brulfros stond met de uiterste verbazing op eerbiedige afstand toe
te kijken. Dat was me 'n raar keizertje hoor. Maar eentje om van
te houen... dat stond vast. En als er eens een kwam die 'm... nee
maar... Brulfros voelde dat ie al woedend werd alleen bij de gedachte,
dat er iemand 'n vinger zou durven uitsteken naar 't keizertje dat
daar stond met zoo'n oud moedertje in z'n armen.
Abé rustte die nacht heerlijk in 't bed, waarin hij bij z'n eerste
verblijf op Pirlapan had geslapen. Bij de roovers was z'n slaapplaats
de stal geweest en daarna had ie de nachten doorgebracht tusschen de
twee geiten bij de boer en in 't hok op 't raadhuis te Lumkiping en
in moeder Guldratsj wanordelijke hutje waar 't er raar had uitgezien,
omdat de oude vrouw er zelf niet was. En daarvoor had hij geslapen
onder de bloote hemel als 'n bedelaar. Nu zou 't in 't vervolg wel
beter zijn. Morgen zou hij weer dezelfde weg gaan naar Pomfriet. Doch
nu niet meer als 'n onbekende jongen die z'n pleegvader zocht maar
als prins Alphabet. Hij had maar te spreken en iedereen stond voor
hem klaar met alles wat hij wenschte. En in Pomfriet wachtte iedereen
op hem om hem toe te juichen als de keizer van Huk. Ergens onderweg
zou hij Karibo en de overige Pirlapans, de lijfwacht en wie weet wat
nog meer ontmoeten. Hij en moeder Guldratsj en Plachki zouden met hun
drieën gezellig tezamen de reis doen. Natuurlijk moest ie er wat op
verzinnen voor moeder Guldratsj. Dat oude mensch kon niet te paard
de tocht mee maken. 'n Draagkoets dat was nog 't beste voor haar,
als er tenminste zoo'n ding op Pirlapan te vinden was. Er waren geen
vrouwen op Pirlapan, behalve misschien wat ondergeschikten, maar die
had Abé nooit gezien. Pirlapan z'n vrouw was zeker al lang dood en
't zou dus wel 'n wonder zijn als er 'n draagstoel of zoo iets op
Pirlapan aanwezig was. Daar zou Abé echter de volgende dag eens met
Plachki over spreken of met Brulfros, die wel 'n goeie kerel leek.
Dat waren allemaal dingen waaraan Abé dacht voor hij insliep en
waarvan hij droomde daarna.
Maar toen hij lekker uitgeslapen de volgende ochtend met Plachki
en Brulfros over die draagkoets begon, zeiden ze haast tegelijk,
dat er nog nooit zoo'n ding op Pirlapan geweest was en dat er ook
wel nooit een komen zou. Plachki's moeder, de barones van Pirlapan
had paard gereden.
"Weet je wat," zei Brulfros... "als uwe majesteit die oude vrouw dan
met alle geweld mee wil hebben--ofschoon ze hier best nog 'n poosje
blijven kon,--dan moet ze maar gebruik maken van onze ouwe ezel. Da's
'n tam dier en niet zoo hoog op z'n pooten. Misschien kan ze daar
wel op rijden."
"Dat is misschien nog niet zoo kwaad," zei Abé. "Maar hebben jullie
geen wagen?"
"Ja wagens genoeg," zei Plachki. "Allemaal karren en paarden om ze
te trekken ook. Maar 't zijn geen mooie hoor. Mooie wagens hebben we
heelemaal niet en onze beste paarden gebruiken wij niet voor de kar."
"Dat begrijp ik, 't zou zonde zijn."
"Heer," zei nu de oude Brulfros, "mag ik u 'n raad geven? Ik ben oud
en heb ondervinding."
"Ga je gang Brulfros."
"Laat mij te paard stijgen om de heer van Pirlapan en Karibo op te
zoeken. Laat desnoods Plachki met me mee gaan, doch blijf zelf hier."
"Dank je wel voor je goeie raad Brulfros, maar dat doe ik niet. Wat
denk jij er van Plachki?"
"Je moet 't zelf weten Abé. Jij ben de baas en ik doe wat je
beveelt. Alleen heb ik er niet veel mee op om met dat oude menschje
te reizen. 't Is net of je 'n stuk lood aan je been bindt om te
gaan wandelen."
"We zullen 't haar zelf vragen," antwoordde Abé. "Ze wil niet graag
hier blijven, dat weet ik zeker."
"Maar je kan haar toch bevelen hier te blijven," meende Plachki.
"Ik moeder Guldratsj iets bevelen? Ben je niet wijs Plachki... Nee
hoor, die mag d'r eigen zin doen..."
Plachki haalde de schouders op. Hij begreep nog altijd maar niet hoe je
zoo'n drukte kon maken voor zoo'n oud besje, dat niets te beduiden had.
Eindelijk kwam moeder Guldratsj. Brulfros was haar gaan halen. Hij
had 't goed begrepen. Moeder Guldratsj durfde niet ongeroepen naar
Abé te gaan, nu ze wist wie hij was.
"Malligheid moeder Guldratsj," zei Abé toen hij er van hoorde. "Ik ben
nog precies dezelfde hoor. En vertel me nu eens, wil je hier blijven
of ga je met me mee naar Pomfriet? De reis is niet gemakkelijk. Later
kan ik je laten halen en dan reis je zoo plezierig mogelijk, daar
zal ik wel voor zorgen."
"Ik wil graag mee Abé, maar niet naar Pomfriet. Als je me 'n plezier
wil doen breng me dan weer naar m'n hutje."
"Nou goed dan," zei Abé. "We zullen je naar je hut brengen. Maar
later kom je bij me, hè? Beloof je me dat moeder Guldratsj?"
't Oude menschje was zoo blij, dat ze weer naar haar hutje zou gebracht
worden, dat ze grif beloofde later wel naar Pomfriet te gaan.
"En kan je op 'n ezel rijden?" vroeg Abé.
"Jawel jongen heel goed."
"Dat is dan in orde. Dan gaan we maar dadelijk op reis."
"Dat kan niet heer," zeide Brulfros. "Ik moet 't zadel van de ezel
nog in orde maken. 't Kan niet voor morgen."
"Nou goed dan gaan we morgen."
"En dan gaan wij vandaag 'n beetje op jacht hè?" stelde Plachki
voor. "Ik verlang naar 't bosch en ik zou wel eens willen zien of je
de jachtspeer net zoo goed hanteert als 't zwaard."
"Dat vind ik uitstekend Plachki."
"Hoeveel man moeten er mee heer?" vroeg Brulfros.
"Asjeblieft geen een Brulfros," zei Abé. "Of heb jij liever dat er
nog meer meegaan Plachki?"
"Neen we kunnen 't best alleen af."
"Dan maar 'n paar stevige paarden Brulfros."
"Ik zal de beste van de beesten die we nog thuis hebben laten zadelen,
want de goeie hebben ze eigenlijk allemaal mee."
"Gekheid Abé, geloof hem maar niet. We hebben nog goeie genoeg. Je
moet de twee jonge zwarten maar uit 't land halen Brulfros."
"Mij goed heer," zei Brulfros... "maar die zwarten zijn nog wel 'n
beetje wild voor de jacht, en misschien nog wat schuw voor de wolven
of voor 'n beer."
"Daar moeten ze dan maar aan wennen Brulfros. Ik zal die zwarten halen,
of heb jij liever 'n tammer beest Abé?"
"Ik? Welnee... 'k Zal 't met 'n zwartje wel klaar spelen denk ik."
'n Half uur later reden de twee vrienden op hun dartele vurige rossen
met de jachtspeer in de vuist de valbrug over.
Natuurlijk had Plachki achter op z'n paard eten voor de heele dag
bij zich. 'n Pirlapan zonder eten, dat ging niet.
De roovers waren die morgen net in de buurt van Pirlapan aangekomen
en nu troffen ze het, dat ze verborgen achter 't kreupelhout de twee
jagers juist zagen wegrijden. De hoofdman had schik, want nu bleek
't dat ie goed geraden had. Maar voor de rest stond ie nu toch voor
'n moeielijk geval, want hij wist eigenlijk niet wat ie beginnen
moest. Met z'n allen die twee jongens overvallen was 'n klein kunstje,
maar dat wilde Bram niet. Want dan liep hij de kans dat er gevochten
zou worden en dan kon 't best gebeuren, dat een van die twee of
misschien wel allebei gewond werden. Dat mocht natuurlijk niet. Stel
je voor dat ie de prins bij Karibo bracht of Plachki bij z'n vader,
nadat ze hen eerst hadden toegetakeld! Ja als ze ongewapend geweest
waren! Maar ze hadden ieder 'n jachtspeer en 'n zwaard. En 't waren
er geen jongens naar om die dingen ongebruikt te laten, als 't
noodig was. Hij zou kunnen probeeren hen te volgen net zoo lang tot
ze van hun paarden kwamen om uit te rusten. Dan had ie misschien 'n
kansje. Maar 't beste was voorloopig toch nog maar een van z'n mannen
terug te zenden met 'n boodschap naar de oude Pirlapan. Dan wist die
tenminste waar hij de prins kon komen halen. Dat deed ie dan ook,
en hij liet de twee jagers ongemoeid. De roover die 't beste paard
bereed werd teruggezonden naar Lumkiping en de rest nam 't er van
om goed verborgen tusschen de struiken 'n beetje uit te rusten. De
roovers sliepen in 'n wip. Maar Brambribras hield de wacht en hij
deed daarbij de heele morgen niets dan nadenken over 'n plan om die
twee in z'n macht te krijgen op 'n eerlijke manier. Bram bedoelde
daarmee natuurlijk alleen maar, dat ie ze zonder gevaarlijke vechterij
gevangen wilde nemen. Er viel hem evenwel niets in dat uitvoerbaar
was zonder kans op ongelukken en tegen de middag was ie van al dat
plannen maken zoo moe dat ie ook in slaap viel.
En dat was z'n ongeluk.
In de namiddag keerden Abé en Plachki terug. Ze hadden 'n slechte
jacht gehad. Geen wolf of beer hadden ze te zien gekregen. Plachki
zei, dat ze de honden hadden moeten meenemen. Die zouden 't wild wel
opgejaagd hebben. Hij vond 't heel niet pleizierig zonder buit naar
huis te komen. Abé was er niet zoo grommig om. Hij had heerlijk 'n
dagje gereden op z'n zwartje dat alles behalve mak geweest was. Maar
nu had hij 't beest onder de knie en 't liep als 'n lammetje.
Heel toevallig kwamen ze de kant uit waar de roovers lagen te
slapen. Hun paarden waren vastgebonden aan de boomen en sliepen
ook. Ze zouden er waarschijnlijk niet veel van gemerkt hebben, als hun
eigen paarden de slapende kameraden niet geroken hadden en daardoor
'n beetje onrustig geworden waren.
"Ik moet toch eens even gaan kijken, wat daar is," zei Plachki. "'n
Wolf is 't niet, want dan doen de paarden anders."
"St," zei Abé zachtjes. "Ik zie paarden en..."
"Nou?" vroeg de ander.
"Ik geloof dat ik ze ken..."
De roovers hadden 'n zwart paard met een witte voet en 'n bruine met
'n kol, zoo'n witte vlek op z'n voorhoofd. Die zou Abé uit duizenden
herkend hebben. 't Waren paarden, die ze van de boer geroofd hadden.
"Wie zijn 't?" vroeg Plachki fluisterend.
"De roovers uit 't bosch bij Lumkiping."
"Ik zie ze," zei Plachki... "Ze slapen. Stilletjes wegrijden hè? Er
zijn er te veel."
"Hou m'n paard eens even vast," zei Abé.
"Wat ga je doen? Pas op hoor."
Abé gleed heel zacht van z'n paard en sloop als 'n dier uit 't bosch
naar de paarden der roovers. Die beesten kenden hem nog wel. Hij had
ze veertien dagen lang verzorgd en ze werden heel niet opgeschrikt,
toen Abé handig de een na de ander de toom stuk sneed. Hij deed 't
zoo voorzichtig, dat er geen bit rinkelde. Abé keek voortdurend naar
de slapende roovers uit. Die verroerden geen vin. En even onhoorbaar
sloop hij terug naar Plachki, die met groote oogen had toegekeken,
terwijl Abé bezig was.
De jonge Pirlapan was 'n durfal, zooals alle Pirlapans, en natuurlijk
had hij verbazend veel plezier in de poets die Abé de roovers speelde.
"Hoe vind je 'm?" fluisterde Abé. En toen zat hij zelf weer in 'n wip
te paard. 't Kon hem nu niet meer schelen of de roovers hen hoorden of
niet en 'n oogenblik later reden ze zoo hard ze konden naar Pirlapan.
"Die is prachtig," riep Plachki toen ze de valbrug over waren. "Maar
nu komt Pirlapan aan de beurt."
"Wat wou je dan beginnen?" vroeg Abé.
"Hallo Brulfros!" riep Plachki. "Brulfros!!"
"Wat is er Plachki," riep Brulfros terug, die haastig kwam aanstappen.
"Gauw Brulfros, zooveel man te paard als je bij de hand hebt... Maar
gauw hoor."
"Wat... wat is er aan de hand?"
"Zal je wel zien..."
Brulfros deed wat hem gezegd was en nu werd 't op de binnenhof van
Pirlapan 'n woelige boel. Tien Pirlapanners haastten zich als dollen
om zich te wapenen en te paard te stijgen en Brulfros deed maar niets
dan schreeuwen: "Vooruit, vooruit... Maak voort mannen."
Nou voortmaken, daar wisten ze op Pirlapan alles van. Vooral als er
zooals nu, wat te doen scheen waar ze 'n beetje bij konden vechten.
'n Kwartier later zaten de mannen te paard, in hun ijzeren
kettinghemden en 't zwaard op zij, en Brulfros zoo oud als ie was,
reed vroolijk vooraan.
Nu legde Plachki hen uit wat ze te doen hadden. Hij duidde hen de
plek aan waar de roovers waren en hij gaf bevel, dat ze allemaal naar
Pirlapan gebracht moesten worden.
"Dood of levend," antwoordde Brulfros, "over 'n uur zijn ze hier."
"Plachki," zei Abé, "je blijft bij mij hoor."
"Ik hier blijven? Neen maar..."
"De prins heeft gelijk, Plachki," zei Brulfros. "Je ben maar in
'n jachtbuis en die roovers zullen zich wel niet zonder slag of
stoot overgeven."
"Dan trek ik gauw 'n kettinghemd aan," riep Plachki.
"Neen Plachki, dat doe je niet," zei Abé. "Wij samen rijden
achteraan... Dan kunnen we 't spelletje aanzien."
"Da's flauw hoor. Zelf ging je er wel zoo op los."
"Ja maar toen sliepen ze," zei Abé lachend. "Ze zullen nu wel wakker
worden, denk ik."
Plachki was uit z'n humeur, maar als 'n echte Pirlapan gehoorzaamde
hij, en toen de troep Pirlapanners in woeste vaart 't bosch in reed,
volgden de twee jongens in 'n gemakkelijk drafje. Ze wilden toch niet
veel te laat komen.