ZEVENDE HOOFDSTUK.

Waarin prins Alphabet prachtig gekleed in Lumkiping aankomt

doch al spoedig in z'n hemd zit, en Karibo en Pirlapan door

de rooverhoofdman er achter komen waar hij is, maar hem toch

niet vinden.

Als de oude Pirlapan er werkelijk op gerekend had dat die wonderlijke

ontmoeting spoedig zou plaats hebben, dan had ie 't leelijk mis, want

op dat oogenblik zat Abé heel veilig in de gevangenis te Lumkiping. Wat

de roovers gevreesd hadden was gebeurd.

Abé had de heele middag geloopen en was tegen de avond doodmoe bij

'n boerewoning aangekomen. Aankloppen hoefde hij niet, want toen hij

voor de deur stond kwamen de boer en z'n vrouw en al de kinderen te

voorschijn en terwijl de kinderen met open monden stonden te kijken

bogen de man en de vrouw als korenhalmen in de wind.

"Edele heer," zei de boer, wees welkom in mijn nederige woning, en

de vrouw greep opeens al de kinderen met d'r groote handen als of ze

'n bos hout te pakken had en duwde ze in de stal waar ze alle vier

afgrijselijk begonnen te schreeuwen. Abé ging binnen en terwijl hij op

'n bank bij de haard ging zitten zei hij tegen de boer:

"Goeie vrind, ik zou graag vannacht gebruik maken van je gastvrijheid,

'n plaatsje in je stal is me voldoende."

De vrouw nam dadelijk 't woord:

"Edele heer, in de stal zullen wij slapen vannacht en ons bed is

voor u."

"Nee, nee...," zei Abé lachend, want hij vond 't hooi frisscher,

"dat wil ik niet. Maar ga toch zitten."

Doch dat deden ze geen van beiden. De boer bleef staan en de vrouw

begon de tafel op te ruimen, die er nog al slordig uitzag.

Waarvoor zien die menschen me toch aan? dacht Abé. Ik zou wel eens

willen weten wie z'n kleeren ik aan heb.

Want 't was duidelijk dat de boeremenschen hem beoordeelden naar

z'n kleeren met al dat goud er op en die glinsterende steenen. Abé

had niet veel verstand van kostbaarheden en hij wist dus niet of z'n

kleeding veel of weinig waard was. Dat de roovers 't gestolen hadden

was misschien wel 'n bewijs voor de kostbaarheid. Als die boer nu

maar niet zoo'n armoedige vent geweest was, had Abé wellicht voor

zoo'n kleedingstuk een paard kunnen inruilen, maar die boer had

waarschijnlijk niet eens 'n paard. Hij kon 't echter eens vragen.

"Is er hier in de buurt misschien 'n paard te koop?"

"'n Paard edele heer?.... Nee.... ik heb er geen.... Maar 'n uur

verderop naar Lumkiping woont 'n boer die er wel een te koop zal

hebben. 'k Wil er morgen vroeg wel even heen loopen. Is de edele heer

z'n paard wat overkomen."

Nu moest Abé weer wat verzinnen. Hij kon toch aan die boer niet van

voren af aan gaan vertellen wat hem wedervaren was en daarom zei

hij maar:

"'n Ongeluk... 't Was niet meer te gebruiken. Hoe ver ben ik hier

nog van Lumkiping?"

"Nou te voet is 't nog wel 'n halve dag, edele heer."

"Dat valt nog al mee... Dan ga ik morgen vroeg er maar te voet heen."

De vrouw had nu eten klaar gezet, brood en geitemelk, en Abé at er

van als 'n wolf. Toen hij verzadigd was, vroeg hij den boer hem 'n

plaatsje te wijzen waar hij slapen kon. Omdat hij toch niet in de boer

z'n bed wou, spreidde de man versch stroo in de stal waar de geiten

stonden, en Abé lag vijf minuten later heerlijk in 't stroo met aan

iederen kant twee geiten, die hun halzen uitrekten om te knabbelen aan

z'n bed. Telkens kreeg er een 'n stroospriet te pakken en trok die

met 'n ruk van z'n kop naar zich toe. Maar Abé merkte er niemendal

van. De geiten hadden z'n heele leger onder hem uit kunnen plukken,

zonder dat ie er wakker van geworden was.

Toch was hij de volgenden morgen vroeg bij de hand. Hij waschte

zich aan de bron achter 't huis en moest z'n gezicht in de zon

laten drogen. Z'n handen schudde hij maar zoo'n beetje droog. Want

die boerenmenschen hielden er geen handdoeken op na en Abé had niet

eens 'n zakdoek al had ie dan ook 't beste pak van de burgemeester

van Lumkiping aan. Was 't 'n gewoon linnen kiel geweest, dan had hij

daaraan z'n gezicht wel 'n beetje kunnen afwrijven, maar aan 'n zijden

tabberd vol goud borduursel gaat 't al heel moeielijk. Abé begon te

ondervinden dat je erg veel last kan hebben van 'n kostbaar gewaad

waar 't goud dik op zit. Later op de dag werd 't nog veel erger. Hij

had de boerenmenschen bedankt en omdat hij wel zag dat ze 't noodig

hadden bood hij hen de weinige zilverstukken aan, die hij gevonden

had in de tasch van de roover, doch de man weigerde. Dat was geen

gebruik in Huk, zei hij, tenminste niet op 't land. In de stad was

't misschien anders. Hij was al genoeg beloond, doordat zoo'n deftig

heerschap onder zijn dak had willen verblijven.

't Deftige heerschap was er in z'n hart toch maar blij om, want hij

bezat verder geen cent en hij moest toch eten. In Lumkiping zou hij

trachten z'n mooie pakje te verkoopen. En dan was hij er boven op. Dan

ging het in galop, al wat 't beest loopen kon, naar Pomfriet.

Toen hij de stad Lumkiping naderde werd de weg voller. Er gingen

menschen naar de stad en er kwamen er vandaan. Maar allen keken hem met

verbazing aan. Sommigen groetten heel beleefd. Anderen zetten alleen

maar groote oogen op en weer anderen gingen achter hem aanloopen. Dat

was lastig. Abé keek nu en dan eens om. Jawel ze liepen met hem mee,

dat was duidelijk genoeg.

Abé dacht dat 't in de stad wel beter zou worden. Daar waren zooveel

menschen en die zouden wel geen tijd hebben om op hem te letten al zag

hij er 'n beetje al te mooi uit. Hij vond 't nu jammer dat ie altijd in

'n vreemd land gewoond had en niet eens wist welke kleederdrachten

er in zijn eigen land gedragen werden. Dat z'n pakje lang niet

alledaagsch was, dat wist ie wel. Als ie 't nog niet geweten had,

dan was ie er nu zeker wel achter gekomen. Want niet één Lumkipinger

zag er uit zooals hij.

In de stad werd 't hoe langer hoe erger, en nu begon Abé te denken dat

't kwam omdat 't pak hem wat ruim en lang was. De schoenen waren ook al

'n beetje te groot en de muts zakte hem telkens wat over z'n ooren. Of

was 't misschien 't zwaard met de prachtige schede vol glinsterend goud

en allerlei mooie figuren en ornamenten bewerkt en bezet met steenen

in rood en blauw en geel en groen? Hij werd er verlegen mee. En nu

begonnen de menschen nog op te dringen ook. Zoo nu en dan zat hij al

aardig in de knel. Hij zou maar gauw naar binnen stappen zoodra hij

'n winkel zag, waar zoo iets verkocht werd als hij droeg. Daar zou hij

't dan wel kwijt kunnen.

... Doch 't kwam zoover niet. Plotseling stond er 'n reusachtige

politieman voor hem. In Lumkiping hadden ze alleen maar heel groote en

sterke dienders. En die lei z'n groote hand op Abé's rechter schouder

en zei: "Ga jij maar eens gauw met me mee."

"Nee"... zei Abé... "dat doe ik liever niet. Jaag jij die menschen

alleen maar 'n beetje weg en wijs me dan 'n winkel waar ik andere

kleeren kan koopen."

"Dat zou je wel willen..." zei de agent. "Vooruit, geen praatjes..."

"Maar waarom moet ik met je mee?"

"Wat is er hier aan de hand?" vroeg 'n tweede politiereus. Doch toen

hij Abé zag, gingen zijn oogen heel wijd open en hij zei: "Hé... Da's

'n bof."

"Hou jij de menschen wat op 'n afstand," zei nummer een. "Ik zal met

hem wel klaar komen..."

"Op zij menschen..." riep de tweede... "Doorloopen."

Nu werd 't een heele optocht en Abé hoorde de menschen achter zich

tegen elkaar roepen, dat er 'n dief gepakt was en hij zag voor de

vensters van de huizen nieuwsgierige gezichten...

De twee politiemannen brachten hem naar 'n groot gebouw... en daar

werd hij in 'n hok gestopt met 'n klein tralieraampje hoog in de muur.

Abé ging op 'n bank zitten... Hij hoorde de sleutel in 't slot

omdraaien en toen rook hij ook dat 't erg benauwd was in z'n

gevangenis. Hij huilde niet gauw, maar nu had hij 't toch wel kunnen

doen, dat ze hem voor 'n dief van die mooie kleeren hielden, dat

was zeker. En nu werd 't hem op eens duidelijk, dat ie ze toch ook

eigenlijk gestolen had. Hij schrok er van. Als ze hem nu vroegen hoe

hij er aan kwam, dan kon hij enkel maar zeggen dat ie ze weggenomen

had. Doch toen werd ie weer 'n beetje vroolijker want hij zou er maar

verder alles bij vertellen, waar hij ze genomen had en waarom... Alleen

kon hij alweer niet vertellen wie hij eigenlijk was... want dat had

Karibo hem verboden...

Hij had tijd genoeg om na te denken. 't Werd vervelend in dat kleine

hok. Wanneer zouden ze hem nu eindelijk er eens uitlaten. Hij meende

dat ie er al uren in gezeten had. Ze zouden hem toch niet zonder

eten of drinken laten? En ze zouden toch wel wat van hem willen

vernemen. Dat hoorde toch zoo. Als ze je maar zoo van de straat

oppakten en achter de tralies stopten, dan dienden ze je toch wel te

zeggen waarom dat was. Wat zouden ze rare gezichten trekken, als hij

eens ging vertellen, dat ie de zoon was van keizer Napo... Dan zouden

ze misschien allemaal op hun knieën vallen en hem om vergiffenis

smeeken. Die twee groote dienders voorop. Waarom zou hij 't ook

eigenlijk niet vertellen? Maar zouden ze hem gelooven? Hij kon 't

heelemaal niet bewijzen. Dat kon alleen Karibo en die was ergens

anders... Maar waar? Hè, kwam er nu maar eens iemand.

Sleutels rammelden... 't slot knarste... de deur ging open.

"Trek uit dat goed," klonk het barsch.

"Mijn kleeren uittrekken?"

"Jouw kleeren? Wat 'n brutale aap... Trek uit... gauw..."

"Maar dan heb ik niets anders aan dan m'n hemd."

"Kan me niet schelen... Trek uit."

Abé deed 't. En toen zat de keizer van Huk, prins Alphabet, naar wie

iedereen zocht, in z'n hemd achter de tralies.

Want de barsche kerel was met de heele glinsterende rommel weggegaan

en had de deur dicht getrokken, en natuurlijk weer stevig op slot

gedraaid. Abé hoorde ook nog dat er grendels voor geschoven werden.

Hij kreeg 't koud. 't Was kil in 't hok hoor. Abé zat te bibberen op

z'n bank.

'n Heele tijd later kwam de vriendelijke man weer terug.

"Kom mee!"

"'k Heb geen kleeren."

"Doet er niet toe. Kom mee."

Abé vond, dat ze in Lumkiping raar met de menschen omsprongen. Hij

had er nog nooit van gehoord, dat je in je hemd ergens anders naar toe

moest dan naar je bed. Maar hier scheen 't toch zoo te zijn. En daar

tegenstribbelen wel niet helpen zou, want die bullebak van 'n vent stak

al z'n eene hand uit om de gevangene dan maar met geweld mee te nemen,

stond de keizerlijke prins van Huk van z'n bank op. Nu moest hij 'n

gang door en nog een en nog een... totdat de man met de sleutelbos

commandeerde: "Halt!" Hij stond weer juist voor 'n deur. Deze deed

de sleutelman open en hij duwde Abé voor zich uit de kamer in.

Daar lagen op 'n tafel de kleeren die Abé van de roovers geleend had en

'n paar heeren bekeken aandachtig het mooie zwaard. 'n Derde zat deftig

in 'n ruime zetel die wel wat op 'n troon leek. Dat was de burgemeester

van Lumkiping. 'n Vierde zat aan de tafel te schrijven. Dat was zeker

de secretaris.

Voor de tafel moest Abé blijven staan en de man met de sleutelbos

legde z'n zware breede, dikke, harige hand op Abé's schouder en zei:

"Burgemeester, hier was-t-ie."

De secretaris keek op sprak zacht en vinnig:

"Wàs-t-ie? Je bedoelt: hier ìs-t-ie, hè?"

De sleutelman keek norsch naar de nijdige secretaris maar zei

niemendal terug.

Toen begon de burgemeester--de twee heeren waren net gaan

zitten--opeens te vragen:

"Wie ben jij jongen? Hoe heet je? Waar kom je vandaan? Bij welke

dievenbende hoor je? Waarom..."

"Burgemeester," zei de secretaris zacht, "dat kan ik niet allemaal

tegelijk opschrijven en de aangeklaagde kan 't ook niet allemaal

tegelijk beantwoorden."

"O, doe ik 't weer niet goed?" bromde de burgemeester. "Vraag jij 't

'm dan!"

"Hoe heet je?" vroeg nu de secretaris bijna fluisterend.

"Ik heet Abé."

"Hoe nog meer?"

"Niets meer."

"Weet je 't zeker?"

Dat was me ook 'n vraag! Wat moest ie daar nou op antwoorden. Hij

heette eigenlijk Abecé, maar iedereen noemde hem Abé. Hij hield z'n

mond dus maar.

"Hoe kwam je aan die kleeren?"

"Van de roovers!"

"Net zooals ik dacht" riep de burgemeester.

Doch de secretaris lette daar heelemaal niet op. Hij vroeg kalm verder:

"Welke roovers?"

"Uit 't bosch."

"Hoe heeten ze?"

"Weet ik niet."

"Dat zal je wel liegen," riep de burgemeester, doch toen de secretaris

hem even aankeek liet hij er gauw op volgen: "Ga verder secretaris."

"Is dat de waarheid?"

"Ja."

"Hoe lang ben je al roover?"

"Ik ben heelemaal geen roover."

En zoo vroeg de secretaris maar voort. Abé vertelde hoe hij bij de

roovers gekomen was, wat hij er doen moest, waarom hij die kleeren

meegenomen had, wat ie er mee dacht te doen. De secretaris vroeg ten

slotte hoe de kleeren er uitzagen die hij aan had toen hij bij de

roovers kwam. De burgemeester en de twee andere heeren luisterden al

lang niet meer. Alles wat die secretaris vroeg en wat Abé antwoordde

werd tegelijk opgeschreven en dat zou later wel door de rechter worden

uitgezocht. De burgemeester was alleen maar blij dat ie z'n mooie

pak terug had, de rest kon hem eigenlijk niemendal schelen.--Doch de

secretaris was 'n slimmerd. Die begon te vermoeden dat die jongen

Abé wel eens de gezochte prins kon zijn... maar hij vroeg er Abé

niet naar. Dat wou hij maar liever eens doen onder vier oogen. Die

duizend goudstukken verdiende hij liever alleen. Hij gaf de half

slapende cipier last de gevangene weer naar 't hok te brengen. Maar

hij besloot die jongen diezelfde avond 'n goed pak kleeren te bezorgen

en te maken dat ie goed te eten kreeg. Als 't die verloren prins eens

was, zou hem dat zeker geen windeieren leggen. Duizend goudstukken om

te beginnen en dan nog de dankbaarheid van de keizer van Huk. Dat was

ook wat waard! Als die burgemeester maar weg was zou hij die jongen

wel eens nauwkeurig gaan uitvragen.

Abé liet 't hoofd hangen. Weer naar dat kille hok. Maar de man met

de sleutels gaf hem 'n duwtje en vijf minuten later zat ie alweer

achter slot en grendel.

't Zag er niet mooi uit voor Abé en 't zou voor hem heel wat prettiger

geweest zijn als de roovers hem die morgen op de weg naar Lumkiping

hadden kunnen inhalen. Nu waren ze net te laat gekomen en ze hadden

juist nog kunnen zien hoe de twee politiereuzen Abé wegbrachten. Dit

was 'n leelijke tegenvaller voor hen. Natuurlijk zou die jongen alles

vertellen wat ie wist en dan waren er binnen 'n paar dagen 'n heele

vracht politiemannen op weg naar het roovershuis. Ze moesten dus gauw

terug om hun gestolen goed in veiligheid te gaan brengen. Dat wilden

ze niet missen en dan wilden ze toch nog probeeren om de duizend

goudstukken machtig te worden. De hoofdman was 'n sluwe baas. Die had

gauw 'n plannetje verzonnen, dat veel kans van slagen had, zooals hij

meende. Hij ging met z'n mannen naar huis en hij zelf reed zoo snel

hij kon met de kleeren die Abé in 't rooverhuis had achtergelaten,

in 'n doek geknoopt naar 't dorp waar Karibo en de oude Pirlapan

zich ophielden. Daar kwam hij midden in de nacht aan. Hij vond 't

nu beter maar te wachten tot de morgen met de uitvoering van z'n

plan. De prins zat goed opgeborgen. Die liep niet weg. Maar 't was

nog heel vroeg toen hij al aanklopte aan de woning waar Karibo en

Pirlapan verblijf hielden.

Die twee waren ook al op en reeds weer bezig nieuwe plannen te

bespreken. Hoeveel ze er al verzonnen hadden wisten ze zelf niet

meer. Doch telkens begonnen ze weer op nieuw. En nu kwam me daar

opeens iemand, die hen stond te vertellen, als of 't 'n heel gewone

zaak was, dat ie misschien wel wist waar de prins te vinden was... en

als bewijs bracht hij de kleeren mee, die Abé gedragen had. Ze bekeken

de kleedingstukken. Die kwamen wel overeen met wat moeder Guldratsj

en de boerenvrouw, bij wie hij die nacht voor de overval der roovers

in huis geweest waren, er van verteld hadden. Maar zelf hadden ze

die dingen nooit gezien. Toen vroeg Karibo opeens:

"Maar wat heeft de prins dan nu aan?"

Dat wist de roover niet... "vermoedelijk de kleeren van de burgemeester

van Lumkiping."

"Begrijp jij er wat van Pirlapan?" vroeg Karibo.

"Geen steek," antwoordde deze. Laat die vent naar de maan loopen met

z'n smoesjes. "Die duizend goudstukken zijn hem in z'n hoofd geslagen."

De roover liet zich echter niet maar zoo wegsturen. Hij had veel

te graag die hoop goud. Daarom zei hij, dat als de heeren hem de

duizend goudstukken wilden beloven, maar zwart op wit, hij moest er

'n bewijs van hebben, onderteekend door Karibo en Pirlapan.., en

als ze daar dan ook tevens in wilden zetten, dat noch hem noch z'n

kameraden later iets kwaads zou geschieden, dan wilde hij wel alles

vertellen wat hij wist. Ze zouden er geen spijt van hebben.

"Dat kunnen we licht probeeren," zei Karibo tegen Pirlapan, en toen

tegen de roover: "Het zal gebeuren zooals je verlangt, doch onder één

voorwaarde. De duizend goudstukken krijg je, als 't werkelijk blijkt,

dat je ons 't verblijf van de prins wijst. Vertel nu maar op."

"Eerst 't papier," zei de roover.

Pirlapan werd al weer woedend. Karibo suste hem en begon vlug de

verklaring te schrijven, zooals de roover verlangde. Karibo moest

't hem nog eens voorlezen toen 't klaar was, want de roover kon zelf

niet lezen, en daarna stak deze 't kostbare papiertje in z'n gordel.

"Kerel begin nou..." bulderde Pirlapan ongeduldig. "Je doet alsof we

heel geen haast hebben..."

De roover lachte eens. Die was nu heel op z'n gemak. Maar toen vertelde

hij van a tot z hoe ze de boer overvallen en de paarden meegenomen

hadden tegelijk met Abé, dat die acht dagen bij hen stalknecht geweest

was, en hoe ze hem hadden weggestuurd 't bosch in, toen ze met hun

allen op zoek gingen naar prins Alphabet. Dat ze later begrepen hadden

wie hij was en ontdekt hadden dat hij de kleeren van de burgemeester

van Lumkiping had aangetrokken, die zij gestolen hadden.

Pirlapan lachte luidkeels toen de roover dat vertelde, maar bij 't

vernemen, dat Abé door de dienders in Lumkiping was opgepakt en nu

in de gevangenis zat, keek hij opeens weer ernstig.

"We moeten geen tijd verliezen," zei hij. "We rijden er dadelijk

heen. Jij gaat mee brave ziel, (dit was aan 't adres van de

rooverhoofdman) en als 't blijkt dat je ons wat hebt wijs gemaakt,

dan kan je dadelijk je testament maken."

De roover had er niets op tegen. Met dat briefje bij zich voelde hij

zich zoo veilig alsof hij al z'n leven de braafste man uit heel Huk

geweest was.

'n Kwartier later galoppeerden de drie mannen het dorp uit. Ze spaarden

hun dieren niet en ze hielden alleen maar op om zelf wat te eten en de

paarden te voeren, te drenken en wat te laten uitblazen. Doch dan ging

't weer zoo snel mogelijk voorwaarts. Gelukkig waren ze alle drie

taaie kerels en de paarden sterk en vlug. Maar toch waren ze alle

zes doodop toen ze Lumkiping tegen de avond bereikten. De wandelaars

in de straten sprongen verschrikt op zij voor de woeste ruiters en

de reuzen van politieagenten staken vergeefs hun groote handen op

om de ruiters tot wat minder gevaarlijke spoed aan te manen. Doch

ze keken geen van drieën naar die waarschuwende handen, maar holden

met luid hoefgeklepper over de keien regelrecht naar 't raadhuis,

waar volgens de rooverhoofdman prins Alphabet gevangen zat.

De roover moest bij de hijgende paarden blijven maar Karibo en

Pirlapan waren zoo van hun paarden de trappen op gesprongen en liepen

de schildwacht onderste boven, die op die trap voor de open deur op

post stond. Die man was meteen de portier.

"Hé, stommeling," bulderde Pirlapan, "sta de menschen niet in de

weg. Waar is de burgemeester?"

De portier was heelemaal van z'n stukken. Hij werd nooit onderste

boven geloopen, zelfs nog niet door de deftigste Lumkipinger en daar

kwamen me zoo'n paar halve wilden aanhollen en 't eerste wat ze deden

was hem van de beenen te loopen. Hij zou die twee eens even leeren

wat ze aan de portier van 't raadhuis van Lumkiping verschuldigd waren.

Hij stond op, begon zich af te slaan, want er zat stof op z'n mouw

en nam daarna Pirlapan van 't hoofd tot de voeten op, alsof hij met

z'n oogen wou zeggen: "Lap me dat nou nog eris."

Dat was net iets voor de oude baron van Pirlapan die thuis heerschte

als 'n koning, om zich door zoo'n stedelijk schildwachtje op die

manier te laten aankijken, vooral nu hij haast had om prins Alphabet,

de rechtmatige keizer van Huk uit z'n gevangenis te gaan bevrijden!

"Zeg eris!" riep Pirlapan en had de schildwacht-portier al bij

z'n kraag. Hij schudde hem heen en weer tot groot vermaak der

Lumkipingers die beneden aan de trap nieuwsgierig om de vermoeide

paarden heenstonden. "Wil jij me bij de burgemeester brengen of

niet? O zoo, gauw dan hoor! Ik heb haast."

De portier liep als 'n haas 't raadhuis binnen, natuurlijk met Pirlapan

en Karibo op z'n hielen. Tijd om eerst bij de burgemeester te gaan

vragen of ie wel thuis was, had ie niet. Want Pirlapan stoof te gelijk

met de portier de kamer in waar de burgemeester juist met de secretaris

en nog 'n paar andere voorname Lumkipingers aan 't vergaderen was.

"Wat moet dat beteekenen?" zei de burgemeester opstaand met 'n strenge

blik de binnenkomenden aankijkend.

"Deze... indrin... gers..." stotterde de portier.

"Ruk uit, akelige vent," bulderde Pirlapan... "Ik heb je nou niet

meer noodig. Marsch... of ik..."

Hij hoefde zijn hand niet eens uit te steken. De schildwacht-portier

was al verdwenen. Hij trok met 'n slag de deur achter zich dicht. Met

die dolleman moest de burgemeester 't maar klaar zien te spelen. Doch

hij ging vast 'n stuk of wat politiereuzen halen. Hij had er zoo'n

idee van dat die wel noodig zouden zijn binnen 'n paar minuten. Want

natuurlijk liet de burgemeester die twee kerels 't raadhuis uitgooien.

De burgemeester staarde 'n oogenblik beteuterd naar Pirlapan, doch toen

wilde hij hen dan ook maar dadelijk de deur wijzen. Zoo'n optreden

was niet geoorloofd in Lumkiping. Hij kwam er evenwel niet toe, want

Pirlapan trad op de tafel toe met 'n paar dreunende stappen en zei:

"Burgemeester, je houdt hier 'n jongen gevangen en die moet je

oogenblikkelijk in vrijheid stellen. We komen hem halen."

Da's zeker de rooverhoofdman, dacht de burgemeester en hij werd al 'n

beetje benauwd. Had hij nu maar 'n stuk of wat dienders bij de hand,

dan had hij hen meteen ook in de boeien kunnen laten slaan.

"Burgemeester," zei nu Karibo, "die jongen is waarschijnlijk, neen

we weten 't zeker, prins Alphabet, de nieuwe keizer van Huk."

De burgemeester viel met 'n plof in z'n zetel terug en de secretaris

prevelde: "Net zoo als ik vermoedde."

"Vooruit wat burgemeester..." zei Pirlapan met 'n luide stem. "'n

Keizer van Huk hoort niet in 't raadhuis van Lumkiping gevangen te

zitten en 'n Pirlapan laat je ook niet wachten als ie wat vraagt."

"Pirlapan... bedaar wat... De burgemeester kon dit toch ook niet

helpen," suste Karibo.

"Maar nou kon ie 't toch wel helpen? Hij hoeft daar nu niet in

z'n stoel te blijven zitten terwijl ie op 'n drafje de prins moest

gaan halen."

"Heeren," kwam nu de zachte stem van de secretaris... "deze gevangene

is vannacht ontsnapt..."

"Hè... wat...?" riep Pirlapan... "Is prins Alphabet ontsnapt...? Waar

naar toe?"

"Weet ik niet..." zei de secretaris. "Van morgen was de cel leeg."

"Maar lieve hemel," zei Karibo... "hoe kon dat nou...?"

"Weet ik niet..." herhaalde de secretaris weer... "Hij is

ontvlucht... in z'n hemd."

"In z'n hemd??"

"Ja..., hij had geen kleeren. Hij is gevangen genomen met de

staatsiekleeding van de burgemeester aan, die had hij van roovers

beweerde hij. De burgemeester heeft die mooie kleeren mee naar huis

genomen..."

"En nou loopt de keizer van Huk ergens rond in z'n hemd?" riep

Pirlapan... "Man, hoe kon jij 't over je verkrijgen om zoo'n jongen

'n heele dag in z'n hemd in de gevangenis te laten zitten!!"

Prins Alphabet · 第 13 / 23 题