ZESDE HOOFDSTUK.

Waarin hevig naar prins Alphabet gezocht wordt en alvast z'n

witte paard teruggevonden wordt.

Karibo, de Pirlapans en de heele lijfwacht doorzochten alle huizen

langs de weg naar Pomfriet en vonden niets. Niemand wist iets van

'n jongen in 'n boerenkleeding en met lang haar. Totdat ze in 't dorp

kwamen waar Abé overnacht had. Daar vonden ze 'n huilende boerenvrouw

en 't heele dorp in rep en roer. Karibo vernam, dat de boer wiens

vrouw zoo bedroefd was, de vorige dag met z'n twee knechts naar de

paardemarkt gereden was, 's morgens voor dag en dauw en dat ze geen

van drieën terug gekeerd waren. Nu was er 'n heele troep dorpelingen

op uit om die drie weer op te sporen. Er was ook 'n jongen bij geweest,

'n landlooper, maar daar maalden ze geen van allen om.

"Hoe zag die jongen er uit?" vroeg Karibo aan de vrouw. "Had ie lang

zwart haar?

"Ja, lang zwart haar had ie en hij was verder gekleed als 'n

boerenjongen."

"Duizend goudstukken voor degeen die die jongen terugbrengt," riep

Karibo en de oude Pirlapan brulde 't nog eens heel hard, zoodat al

die menschen opeens niet meer aan de boer en z'n knechts dachten maar

alleen aan den jongen met lang zwart haar.

Dat was me nog eens de moeite waard hoor! Duizend goudstukken!! Daar

kon je gerust je werk voor in de steek laten, want 't moest toch

niet zoo moeielijk zijn die jongen terug te vinden. En er waren er 'n

heeleboel die maar dadelijk er op uit trokken, zelfs zonder eerst na te

vragen waar ze die jongen brengen moesten, als ze hem gevonden hadden.

Karibo en de Pirlapans begonnen nu ook weer hoop te krijgen dat ze

prins Alphabet wel gauw zouden terugvinden. Hij was zes en dertig

uren geleden in dat dorp geweest en kon dus nog niet zoo heel ver

weg zijn. Ze zouden er maar gauw weer op uit gaan, dan haalden ze

hem zeker in. Bovendien hadden de dorpelingen, die de wegen in den

omtrek goed kenden ook nog veel kans om hem te vinden en als die hem

zagen zouden ze hem wel goed stevig vasthouden, want je hield meteen

duizend goudstukken vast. Om die boer en z'n twee knechts gaven

Karibo en Pirlapan geen lor. Die waren zeker na de markt in de stad

gebleven. Die zouden wel weer boven water komen.

Doch toen de stoet van Karibo en Pirlapan juist vertrekken zou kwamen

de dorpelingen terug die de boer waren gaan zoeken en ze brachten de

boer mee, maar de man was zoo dood als 'n pier. Van de knechts hadden

ze geen spoor ontdekt en van de jongen ook niet.

De dorpelingen waren zeer ontsteld en de arme vrouw jammerde

verschrikkelijk. Iedereen hield de twee knechts natuurlijk voor

de daders. Karibo en Pirlapan ook. Doch nu begrepen ze heelemaal

niet waar Abé kon gebleven zijn. 't Waarschijnlijkste was, dat ie

toen de knechts hun baas aanvielen, maar zoo gauw mogelijk 'n goed

heenkomen gezocht had. En dan zou hij wel z'n weg naar Pomfriet hebben

voortgezet. Die kant moesten ze dus op.

Ze reden weg en kwamen voorbij de plek waar de roovers de boer en

z'n knechts hadden overvallen. Ze hadden niemand uit het dorp bij

zich die 't hen wijzen kon en ze reden er voorbij zonder er op te

letten. Anders zouden ze misschien wel gemerkt hebben, dat er aan

de rand van dat bosch wat gebeurd was en dat er paarden 't bosch in

gegaan waren. Dat kon iedereen duidelijk zien die er op lette. En

dan hadden ze Abé gauw genoeg kunnen vinden. Nu klopten ze maar weer

aan alle huizen langs de weg aan en zoo kwam 't ook dat de roovers

van die duizend goudstukken gehoord hadden die als belooning waren

uitgeloofd voor hen die den prins terugbracht.

Toen Karibo na twee dagen nog niets ontdekt had, verdeelde Pirlapan

z'n troep weer in afdeelingen, want als Abé op de groote weg gebleven

was hadden ze hem al lang ingehaald. Ze zouden dus maar weer overal in

de omtrek gaan naspeuren. Overal reden nu kleine troepen heen onder

aanvoering van 'n Pirlapan en die kwamen telkens menschen tegen die

ook op zoek waren naar de prins en de duizend goudstukken.

Eén troep en daarbij was de jongste Pirlapan, die zoo op z'n kop gehad

had van Abé, was 't bosch in gereden waar de roovers huisden. Ze wisten

geen weg en daarom waagden ze zich maar niet in 't kreupelhout. Ze

bleven op de paden. Dat vonden ze voldoende, want prins Alphabet zou

wel niet voor z'n plezier in 't kreupelhout gaan wandelen. Daardoor

kwam het dat ze op 'n goede dag op vijf minuten afstand 't roovershuis

voorbij reden, zonder er erg in te krijgen, dat er 'n woning zoo

dichtbij was, waar degeen die ze zochten 't stalwerk voor roovers

moest verrichten. Zoo reden ze dagen lang door 't bosch en naar ze

meenden hadden ze geen hoekje onbezocht gelaten. En ze kwamen terug

bij Karibo en de oude Pirlapan met 't bericht dat prins Alphabet in

't bosch niet was. Telkens kwam er 'n andere troep terug met dezelfde

boodschap: geen prins Alphabet. Als die jongen in de grond verzonken

was had hij niet onvindbarer kunnen zijn. Karibo werd er hoe langer hoe

wanhopiger onder. Er waren zelfs oogenblikken dat hij de moed heelemaal

opgaf. Doch dan kwam de oude Pirlapan hem moed inspreken. Die zei:

"Wat! We vinden de prins hoor. Dat is geen jongen, die zoo maar wat

overkomt. Daarvoor is hij te flink."

Maar Karibo geloofde 't niet wat Pirlapan zei. Hij was bang dat Abé

verongelukt was.

Op 'n morgen ontmoetten ze de Pomfrietsche heeren, die op hun gemak

weer naar Pomfriet reden, iedere dag 'n klein stukje. Die lachten

Karibo en Pirlapan in hun gezicht uit. Ze hielden Karibo nu heelemaal

voor 'n bedrieger en Pirlapan voor 'n ouwe gek, die zich door zoo'n

slimme gelukzoeker wat liet wijs maken. Ze wilden er haast niet eens

naar luisteren toen Karibo hen vertelde, waar de keizerlijke prins

't laatst was geweest. Ze geloofden er toch niemendal van.

Pirlapan was woedend op die stadsche heeren, die niet mee wilden

zoeken naar hun prins. "Als ie later keizer is kruipen ze allemaal

om hem heen," bromde hij. "Maar wat voor hem opofferen, ho maar."

"Och," zei Karibo, "je moet 't hen maar niet kwalijk nemen. Ze gelooven

't immers niet?"

"Had hen dan die kleeren laten zien," mopperde Pirlapan.

"Dan hadden ze 't nòg niet geloofd," antwoordde Karibo. "Bovendien aan

zulke lui heb je toch niemendal. Die loopen je overal maar in de weg."

"Daar heb je gelijk aan Karibo. Maar wat zullen we nu doen? Waar

zullen we zoeken?"

"Ik weet 't niet Pirlapan...," zei Karibo moedeloos. "Ik weet niets

meer. Als er geen wonder gebeurt krijgen we onze prins nooit terug."

Pirlapan gaf de moed niet op. Al moet ik tien jaar zoeken door heel

het land Huk dan doe ik 't, maar terugvinden zal ik de prins, zei

hij. Er zal weer 'n keizer over Huk regeeren, die er recht op heeft

of ik heet geen Pirlapan.

Dat was heel pleizierig te hooren voor Karibo, maar 't hielp zoo

weinig. 't Is lastig om 'n speld in 'n hooiberg op te zoeken, maar

'n prins terugvinden die geen mensch kende, scheen nog moeilijker.

Er werd zoo langzamerhand door iedereen naar Abé gezocht, want de

menschen vertelden 't aan elkaar, dat er duizend goudstukken als

belooning waren uitgeloofd voor 't terugbrengen van den verloren

prins en daarom gingen er steeds meer op uit. Sommigen gingen op hun

eentje. Die wilden de duizend goudstukken alleen verdienen. Maar

anderen meenden dat ze gemakkelijker hun doel konden bereiken als

ze met elkaar gingen. Dan moesten ze wel deelen, doch de winst zou

nog groot genoeg zijn. En door deze prinsenzoekers werden allerlei

jongens opgepakt. Telkens kwamen ze met zoo'n jongen, die naar zij

meenden, beantwoordde aan de beschrijving, die ze er van gehoord

hadden, bij Karibo en Pirlapan aan. Iedere jongen die donker haar had

en in de laatste tijd niet geknipt was stond er aan bloot opgepakt

te worden en al schreeuwde hij nog zoo hard dat ie geen prins was,

't hielp gewoonlijk geen steek. Mee moest ie.

Alleen de roovers pakten geen jongens op. Die wisten wel wie ze hebben

moesten. En ze zochten ijverig de heele omtrek af, 't bosch hadden

ze al doorsnuffeld van noord naar zuid en van oost naar west. Daar

was ie niet. Maar de roovers wisten nog meer, wat ze ook zorgvuldig

voor zich hielden. Ze waren thuis geweest en toen hadden ze al gauw

gemerkt, wat Abé uitgevoerd had. Op zolder vonden ze z'n armelijke

plunje en toen ze in hun kisten keken, want ze begrepen wel wat die

jongen gedaan had, misten ze kostbare kleedingstukken, die ze eenige

tijd geleden gestolen hadden bij de burgemeester van Lumkiping,

'n provinciestad aan de andere kant van 't bosch gelegen, aan de

Lum, de grootste rivier van Huk, waaraan ook Pomfriet lag. Langs

deze rivier, liep ook 'n breede weg naar Pomfriet, maar die was zeer

lang door de groote bochten die de rivier maakte. De menschen die te

paard naar Pomfriet reisden, maakten liever gebruik van de weg, die

Karibo ook genomen had, en waar langs ze nu aan 't zoeken waren. De

landweg waarop Abé terecht gekomen was, toen hij uit 't bosch kwam

was de verbinding tusschen die twee groote wegen.

De roovers hadden dus maar te zoeken naar iemand die de beste

kleeren van de burgemeester van Lumkiping droeg, en daar zouden de

overige prinsenzoekers nu wel juist niet naar kijken. Die zochten

'n boerenjongen. Zelfs de soldaten van de lijfwacht, zouden nu weinig

kans hebben meenden de roovers, en de duizend goudstukken zouden dus

waarschijnlijk wel in hun zakken terecht komen. En 't leek wel, dat

ze 't bij 't rechte eind hadden, want toen ze 't heele bosch hadden

doorzocht, iedere roover was 'n andere richting uitgegaan, kwamen

ze weer in 't roovershuis bij elkaar en daarna gingen ze gezamenlijk

dezelfde weg op die Abé genomen had. Dat was per geluk en zoo kwamen

ze op de weg naar Lumkiping waar Abé de vorige dag was geweest. En

nu ondervroegen ze iedereen die aan die weg woonde of ze niet iemand

gezien hadden die gekleed was in 'n deftig donkerrood gewaad met

goud geborduurd, en die 'n roode muts droeg, van fluweel met twee

opstaande veeren... 't Duurde niet heel lang of ze wisten genoeg. Maar

dat was toch niet erg naar hun zin. Die jongen was regelrecht op

weg naar Lumkiping en als ie die stad bereikte, was 't wel vast,

dat ie opgepakt werd, want iedereen wist daar van de diefstal bij de

burgemeester en iedereen kende ook dat mooie kleed, dat de burgemeester

enkel maar droeg bij heel plechtige gelegenheden. Nu was 't gelukkig

dat die jongen te voet ging. Hij kon dus nog onmogelijk Lumkiping

bereikt hebben. Als zij hun paarden lieten rennen zoo hard ze maar

konden, hadden ze nog 'n kansje de prins en de duizend goudstukken

te vangen. En dat deden ze dus ook.

Terwijl de roovers zoo snel ze maar konden achter Abé aanrenden stapten

de paarden van Karibo en de oude Pirlapan op de weg naar Pomfriet

langzaam naast elkander voort. De jonge Pirlapans en de soldaten

waren er weer op uit naar alle kanten, en de twee aanvoerders hadden

afgesproken dat ze hen in 't volgende dorp wel zouden wachten. Ze

moesten nu hun tochten maar eens wat verder uitstrekken. Ze moesten

maar acht dagen lang zoeken wat ze konden... als ze de prins dan nog

niet gevonden hadden konden ze terugkeeren. Dan zouden er weer andere

maatregelen genomen worden, want dan stond 't wel vast dat Abé niet

meer daar in de buurt was... "als ie nog leefde"... voegde Karibo er

zuchtend bij.

Zwijgend reden ze naast elkander voort. Ook de oude Pirlapan was die

morgen minder hoopvol gestemd dan anders. Hij vond 't ook 'n beetje

vreemd, dat je met 'n paar honderd man, zoo heelemaal niets te weten

kon komen. Hij rekende al die Hukkers die 't om de goudstukken te

doen was maar niet eens mee. Menschen waar je heelemaal niet naar

zocht kwam je iedere keer tegen en van zoo'n jongen zag je letterlijk

niets... behalve dan z'n kleeren die ze bij de oude heks in beslag

genomen hadden. Met gebogen hoofd zaten ze op hun paarden en merkten

niet eens op, dat er iemand aan kwam draven op 'n groot paard. Eerst

toen de man vlak bij was en hen voorbij reed keken ze op. Maar dat

was dan ook 'n verrassing voor Karibo en voor Pirlapan. Die man die

hen voorbij draafde bereed het witte paard van Abé! Karibo zou het

uit duizenden herkend hebben en Pirlapan zag 't onmiddellijk aan

't tuig. 't Zelfde zadel had 't nog... en de roode toom... 't zag er

alleen maar 'n beetje verslonsd uit... en 't paard was er ook niet

beter op geworden. Zelfs Karibo's paard had z'n oude kameraad herkend,

waar ie zoo lang naast geloopen had... en die z'n slaapkameraad geweest

was in de stal vele jaren lang. 't Had blij gehinnikt. Maar de witte

had geen antwoord gegeven.

"Zijn paard!" riepen ze bijna tegelijk en zonder er verder over te

praten dwongen ze met 'n ruk aan de toom hun paarden om te keeren

en ze sprongen de ruiter achterna. Die keek even om en merkte al

dadelijk dat die twee wat in de zin hadden en hij vond 't maar beter

te maken dat ie weg kwam. Hij voelde z'n geweten niet erg zuiver,

want 't was dezelfde kerel, die Abé 't paard ontstolen had. Eerst

was ie maar landlooper geweest, doch nu hij 'n paard had, was hij

't vak van struikroover gaan uitoefenen, die eenzame reizigers op

de weg aanhield om hen te berooven. Het witte paard had zeker in de

laatste tijd bij z'n nieuwe eigenaar niet veel rust gehad en zeker geen

beste verzorging, zooals 't gewend was en daarom kon 't niet meer zoo

snel voortkomen als vroeger. Pirlapan en Karibo bereden paarden, die

goed op kracht waren en ofschoon de arme witte ongenadig slaag kreeg,

wonnen de vervolgers met iedere minuut. Pirlapan had z'n speer reeds

opgeheven om de struikroover even van z'n paard af te helpen. Dat

was voor hem 'n klein kunstje, hij wierp sekuur, en de bandiet zou

wel niet lang meer geleefd hebben, als Karibo hem niet toegeroepen

had niet te werpen. Ze kregen de vent toch wel. Pirlapan was 't eerst

naast hem en ofschoon de roover poogde Pirlapan met 'n scherpe lange

dolk te raken, hielp hem dat niemendal, want Pirlapan die vechten

kon als de beste, gaf de kerel 'n tik met 't hout van z'n speer,

die hem hals over kop uit het zadel wierp. Ondertusschen had Karibo

de witte bij de teugel gegrepen.

De struikroover meende nog 'n kansje te hebben om weg te komen. Hij

trachtte tusschen de beenen der paarden door te sluipen om in de

struiken langs de weg te vluchten, maar Pirlapan moest daar niets van

hebben. Vlug sprong hij van z'n paard en had in 'n wip de kerel bij

z'n kraag. Uit Pirlapan z'n knuisten te komen was 'n kunstje, dat de

bandiet niet geleerd had. Dat merkte hij al heel gauw en toen gaf hij

't maar op. Karibo was nu ook van 't paard gekomen en begon de man

te ondervragen.

"Hoe kom je aan dat paard?"

Geen antwoord.

"Wacht even," zei Pirlapan, "ik zal hem 'n beetje op dreef helpen. Hij

is zeker stom van de schrik."

Hij nam z'n speer en nu kreeg de roover met 't dikke hout zoo'n

ellendig pak ransel, dat de vent begon te schreeuwen als 'n jong

varken.

"Zie zoo," zei Pirlapan, "vertel nou maar op. Nou weet je 't wel."

"Ik heb 't gekocht..."

"Daar zie je wel naar uit," zei Pirlapan en weer hief hij de speer

op... "Zeg op... of ik sla je in gruzelementen... heb je dat paard

van 'n kleine jongen gestolen, die je er 'n eindje op wou laten

rijden? Geef antwoord, gauw..." En weer kreeg hij zoo'n tik.

"Au!" schreeuwde de bandiet...

"Heb je 't gestolen?..."

"Ja..."

"Heb je die jongen 'n klap met 'n knuppel gegeven?"

"Ja..."

"Jij gemeene schooier..." zei Pirlapan, "dat kost je je leven. Want

je heb de keizer van Huk z'n paard gestolen..."

De man keek benauwd naar Pirlapan. Hij was bang voor nog meer

klappen... Maar wat ie hem daar vertelde van de keizer van Huk,

dat begreep hij niet. Hij had er ook wel van gehoord, dat er naar

prins Alphabet gezocht werd... Hij was er zelf ook mee bezig, toen

die twee hem te pakken kregen... maar dat ie 'n paard gestolen had

van de keizer van Huk, daar wist ie niemendal van.

"Ik heb de keizer z'n paard niet gestolen," zei hij.

"Dat heb je wel..." bulderde Pirlapan... "Dàt is de keizer z'n

paard!" en hij wees op de hijgende witte.

Nu was de roover de kluts heelemaal kwijt.

"We zullen hem maar meenemen," zei Karibo. "Laat 'm maar weer

opstijgen."

"Hij?... Opstijgen?... Niet zoolang ik Pirlapan heet. Zoo'n gemeene

lafaard komt niet op 't paard van prins Alphabet. Aan de staart van

't beest zal ik hem binden. Dan mag ie meedraven."

Karibo zag wel dat er niets aan te doen was en hij liet dus Pirlapan

z'n gang maar gaan. Die haalde 'n riem uit z'n zadeltasch en daarmee

bond ie de roover stevig aan de staart van Abé's paard. Karibo nam het

bij de teugel en nu ging 't op 'n drafje vooruit. De kerel moest mee

draven, zooals Pirlapan gezegd had. Hijzelf reed naast hem. Toen de

schurk niet meer kon, hij viel om van moeheid, reed Karibo stapvoets,

doch Pirlapan riep al heel gauw: "We schieten niet op. Vooruit,

hij kan nou wel weer 'n eindje draven."

De roover had 't nog nooit van z'n leven zoo slecht gehad. Dat was

heel wat anders dan duizend goudstukken verdienen, door 'n prins op

te zoeken. Boontje kwam om z'n loontje.

Toen ze in 't dorp aankwamen, waar ze op de andere Pirlapans en de

soldaten wachten zouden, brachten ze de roover eerst bij de veldwachter

en Pirlapan gaf deze de raad heel goed op de gevangene te passen,

want als ie hem liet ontsnappen zou 't er slecht voor de veldwachter

uitzien. Die bekeek z'n gevangene eens en zei: "Nou heel hard zal

ie wel niet weg loopen, want de kerel is meer dood dan levend." Maar

Pirlapan antwoordde: "Je bindt hem stevig ergens aan vast hoor. Hij

leeft gauw genoeg weer op, en hij màg niet ontsnappen. Wat ie gedaan

heeft is zóó gemeen, dat ie er de zwaarste straf voor verdient."

"Dan ben ik liever niet in zijn plaats," zei de veldwachter. "We zijn

hier in Huk niet erg zachtzinnig met booswichten."

"Maar goed ook," bromde Pirlapan. "Sluit 'm nou maar op." En toen ze

samen wegreden zei hij tegen Karibo: "'t Lijkt er veel op dat we Abé

bij stukjes en beetjes terug krijgen."

"Hoe zoo Pirlapan?"

"Wel, eerst kregen we z'n kleeren en nou hebben we z'n paard."

"Ja, ja," zuchtte Karibo... "als we de rest ook maar niet bij stukjes

en beetjes in handen krijgen."

"Kom, kom," antwoordde Pirlapan. "'t Zal nog wel terecht komen. Ik wed

dat we hem vandaag of morgen op de een of andere wonderlijke manier

onverwacht ontmoeten, zooals we vandaag z'n paard zijn tegen gekomen."

Prins Alphabet · 第 12 / 23 题