Waarin hevig naar prins Alphabet gezocht wordt en alvast z'n
witte paard teruggevonden wordt.
Karibo, de Pirlapans en de heele lijfwacht doorzochten alle huizen
langs de weg naar Pomfriet en vonden niets. Niemand wist iets van
'n jongen in 'n boerenkleeding en met lang haar. Totdat ze in 't dorp
kwamen waar Abé overnacht had. Daar vonden ze 'n huilende boerenvrouw
en 't heele dorp in rep en roer. Karibo vernam, dat de boer wiens
vrouw zoo bedroefd was, de vorige dag met z'n twee knechts naar de
paardemarkt gereden was, 's morgens voor dag en dauw en dat ze geen
van drieën terug gekeerd waren. Nu was er 'n heele troep dorpelingen
op uit om die drie weer op te sporen. Er was ook 'n jongen bij geweest,
'n landlooper, maar daar maalden ze geen van allen om.
"Hoe zag die jongen er uit?" vroeg Karibo aan de vrouw. "Had ie lang
zwart haar?
"Ja, lang zwart haar had ie en hij was verder gekleed als 'n
boerenjongen."
"Duizend goudstukken voor degeen die die jongen terugbrengt," riep
Karibo en de oude Pirlapan brulde 't nog eens heel hard, zoodat al
die menschen opeens niet meer aan de boer en z'n knechts dachten maar
alleen aan den jongen met lang zwart haar.
Dat was me nog eens de moeite waard hoor! Duizend goudstukken!! Daar
kon je gerust je werk voor in de steek laten, want 't moest toch
niet zoo moeielijk zijn die jongen terug te vinden. En er waren er 'n
heeleboel die maar dadelijk er op uit trokken, zelfs zonder eerst na te
vragen waar ze die jongen brengen moesten, als ze hem gevonden hadden.
Karibo en de Pirlapans begonnen nu ook weer hoop te krijgen dat ze
prins Alphabet wel gauw zouden terugvinden. Hij was zes en dertig
uren geleden in dat dorp geweest en kon dus nog niet zoo heel ver
weg zijn. Ze zouden er maar gauw weer op uit gaan, dan haalden ze
hem zeker in. Bovendien hadden de dorpelingen, die de wegen in den
omtrek goed kenden ook nog veel kans om hem te vinden en als die hem
zagen zouden ze hem wel goed stevig vasthouden, want je hield meteen
duizend goudstukken vast. Om die boer en z'n twee knechts gaven
Karibo en Pirlapan geen lor. Die waren zeker na de markt in de stad
gebleven. Die zouden wel weer boven water komen.
Doch toen de stoet van Karibo en Pirlapan juist vertrekken zou kwamen
de dorpelingen terug die de boer waren gaan zoeken en ze brachten de
boer mee, maar de man was zoo dood als 'n pier. Van de knechts hadden
ze geen spoor ontdekt en van de jongen ook niet.
De dorpelingen waren zeer ontsteld en de arme vrouw jammerde
verschrikkelijk. Iedereen hield de twee knechts natuurlijk voor
de daders. Karibo en Pirlapan ook. Doch nu begrepen ze heelemaal
niet waar Abé kon gebleven zijn. 't Waarschijnlijkste was, dat ie
toen de knechts hun baas aanvielen, maar zoo gauw mogelijk 'n goed
heenkomen gezocht had. En dan zou hij wel z'n weg naar Pomfriet hebben
voortgezet. Die kant moesten ze dus op.
Ze reden weg en kwamen voorbij de plek waar de roovers de boer en
z'n knechts hadden overvallen. Ze hadden niemand uit het dorp bij
zich die 't hen wijzen kon en ze reden er voorbij zonder er op te
letten. Anders zouden ze misschien wel gemerkt hebben, dat er aan
de rand van dat bosch wat gebeurd was en dat er paarden 't bosch in
gegaan waren. Dat kon iedereen duidelijk zien die er op lette. En
dan hadden ze Abé gauw genoeg kunnen vinden. Nu klopten ze maar weer
aan alle huizen langs de weg aan en zoo kwam 't ook dat de roovers
van die duizend goudstukken gehoord hadden die als belooning waren
uitgeloofd voor hen die den prins terugbracht.
Toen Karibo na twee dagen nog niets ontdekt had, verdeelde Pirlapan
z'n troep weer in afdeelingen, want als Abé op de groote weg gebleven
was hadden ze hem al lang ingehaald. Ze zouden dus maar weer overal in
de omtrek gaan naspeuren. Overal reden nu kleine troepen heen onder
aanvoering van 'n Pirlapan en die kwamen telkens menschen tegen die
ook op zoek waren naar de prins en de duizend goudstukken.
Eén troep en daarbij was de jongste Pirlapan, die zoo op z'n kop gehad
had van Abé, was 't bosch in gereden waar de roovers huisden. Ze wisten
geen weg en daarom waagden ze zich maar niet in 't kreupelhout. Ze
bleven op de paden. Dat vonden ze voldoende, want prins Alphabet zou
wel niet voor z'n plezier in 't kreupelhout gaan wandelen. Daardoor
kwam het dat ze op 'n goede dag op vijf minuten afstand 't roovershuis
voorbij reden, zonder er erg in te krijgen, dat er 'n woning zoo
dichtbij was, waar degeen die ze zochten 't stalwerk voor roovers
moest verrichten. Zoo reden ze dagen lang door 't bosch en naar ze
meenden hadden ze geen hoekje onbezocht gelaten. En ze kwamen terug
bij Karibo en de oude Pirlapan met 't bericht dat prins Alphabet in
't bosch niet was. Telkens kwam er 'n andere troep terug met dezelfde
boodschap: geen prins Alphabet. Als die jongen in de grond verzonken
was had hij niet onvindbarer kunnen zijn. Karibo werd er hoe langer hoe
wanhopiger onder. Er waren zelfs oogenblikken dat hij de moed heelemaal
opgaf. Doch dan kwam de oude Pirlapan hem moed inspreken. Die zei:
"Wat! We vinden de prins hoor. Dat is geen jongen, die zoo maar wat
overkomt. Daarvoor is hij te flink."
Maar Karibo geloofde 't niet wat Pirlapan zei. Hij was bang dat Abé
verongelukt was.
Op 'n morgen ontmoetten ze de Pomfrietsche heeren, die op hun gemak
weer naar Pomfriet reden, iedere dag 'n klein stukje. Die lachten
Karibo en Pirlapan in hun gezicht uit. Ze hielden Karibo nu heelemaal
voor 'n bedrieger en Pirlapan voor 'n ouwe gek, die zich door zoo'n
slimme gelukzoeker wat liet wijs maken. Ze wilden er haast niet eens
naar luisteren toen Karibo hen vertelde, waar de keizerlijke prins
't laatst was geweest. Ze geloofden er toch niemendal van.
Pirlapan was woedend op die stadsche heeren, die niet mee wilden
zoeken naar hun prins. "Als ie later keizer is kruipen ze allemaal
om hem heen," bromde hij. "Maar wat voor hem opofferen, ho maar."
"Och," zei Karibo, "je moet 't hen maar niet kwalijk nemen. Ze gelooven
't immers niet?"
"Had hen dan die kleeren laten zien," mopperde Pirlapan.
"Dan hadden ze 't nòg niet geloofd," antwoordde Karibo. "Bovendien aan
zulke lui heb je toch niemendal. Die loopen je overal maar in de weg."
"Daar heb je gelijk aan Karibo. Maar wat zullen we nu doen? Waar
zullen we zoeken?"
"Ik weet 't niet Pirlapan...," zei Karibo moedeloos. "Ik weet niets
meer. Als er geen wonder gebeurt krijgen we onze prins nooit terug."
Pirlapan gaf de moed niet op. Al moet ik tien jaar zoeken door heel
het land Huk dan doe ik 't, maar terugvinden zal ik de prins, zei
hij. Er zal weer 'n keizer over Huk regeeren, die er recht op heeft
of ik heet geen Pirlapan.
Dat was heel pleizierig te hooren voor Karibo, maar 't hielp zoo
weinig. 't Is lastig om 'n speld in 'n hooiberg op te zoeken, maar
'n prins terugvinden die geen mensch kende, scheen nog moeilijker.
Er werd zoo langzamerhand door iedereen naar Abé gezocht, want de
menschen vertelden 't aan elkaar, dat er duizend goudstukken als
belooning waren uitgeloofd voor 't terugbrengen van den verloren
prins en daarom gingen er steeds meer op uit. Sommigen gingen op hun
eentje. Die wilden de duizend goudstukken alleen verdienen. Maar
anderen meenden dat ze gemakkelijker hun doel konden bereiken als
ze met elkaar gingen. Dan moesten ze wel deelen, doch de winst zou
nog groot genoeg zijn. En door deze prinsenzoekers werden allerlei
jongens opgepakt. Telkens kwamen ze met zoo'n jongen, die naar zij
meenden, beantwoordde aan de beschrijving, die ze er van gehoord
hadden, bij Karibo en Pirlapan aan. Iedere jongen die donker haar had
en in de laatste tijd niet geknipt was stond er aan bloot opgepakt
te worden en al schreeuwde hij nog zoo hard dat ie geen prins was,
't hielp gewoonlijk geen steek. Mee moest ie.
Alleen de roovers pakten geen jongens op. Die wisten wel wie ze hebben
moesten. En ze zochten ijverig de heele omtrek af, 't bosch hadden
ze al doorsnuffeld van noord naar zuid en van oost naar west. Daar
was ie niet. Maar de roovers wisten nog meer, wat ze ook zorgvuldig
voor zich hielden. Ze waren thuis geweest en toen hadden ze al gauw
gemerkt, wat Abé uitgevoerd had. Op zolder vonden ze z'n armelijke
plunje en toen ze in hun kisten keken, want ze begrepen wel wat die
jongen gedaan had, misten ze kostbare kleedingstukken, die ze eenige
tijd geleden gestolen hadden bij de burgemeester van Lumkiping,
'n provinciestad aan de andere kant van 't bosch gelegen, aan de
Lum, de grootste rivier van Huk, waaraan ook Pomfriet lag. Langs
deze rivier, liep ook 'n breede weg naar Pomfriet, maar die was zeer
lang door de groote bochten die de rivier maakte. De menschen die te
paard naar Pomfriet reisden, maakten liever gebruik van de weg, die
Karibo ook genomen had, en waar langs ze nu aan 't zoeken waren. De
landweg waarop Abé terecht gekomen was, toen hij uit 't bosch kwam
was de verbinding tusschen die twee groote wegen.
De roovers hadden dus maar te zoeken naar iemand die de beste
kleeren van de burgemeester van Lumkiping droeg, en daar zouden de
overige prinsenzoekers nu wel juist niet naar kijken. Die zochten
'n boerenjongen. Zelfs de soldaten van de lijfwacht, zouden nu weinig
kans hebben meenden de roovers, en de duizend goudstukken zouden dus
waarschijnlijk wel in hun zakken terecht komen. En 't leek wel, dat
ze 't bij 't rechte eind hadden, want toen ze 't heele bosch hadden
doorzocht, iedere roover was 'n andere richting uitgegaan, kwamen
ze weer in 't roovershuis bij elkaar en daarna gingen ze gezamenlijk
dezelfde weg op die Abé genomen had. Dat was per geluk en zoo kwamen
ze op de weg naar Lumkiping waar Abé de vorige dag was geweest. En
nu ondervroegen ze iedereen die aan die weg woonde of ze niet iemand
gezien hadden die gekleed was in 'n deftig donkerrood gewaad met
goud geborduurd, en die 'n roode muts droeg, van fluweel met twee
opstaande veeren... 't Duurde niet heel lang of ze wisten genoeg. Maar
dat was toch niet erg naar hun zin. Die jongen was regelrecht op
weg naar Lumkiping en als ie die stad bereikte, was 't wel vast,
dat ie opgepakt werd, want iedereen wist daar van de diefstal bij de
burgemeester en iedereen kende ook dat mooie kleed, dat de burgemeester
enkel maar droeg bij heel plechtige gelegenheden. Nu was 't gelukkig
dat die jongen te voet ging. Hij kon dus nog onmogelijk Lumkiping
bereikt hebben. Als zij hun paarden lieten rennen zoo hard ze maar
konden, hadden ze nog 'n kansje de prins en de duizend goudstukken
te vangen. En dat deden ze dus ook.
Terwijl de roovers zoo snel ze maar konden achter Abé aanrenden stapten
de paarden van Karibo en de oude Pirlapan op de weg naar Pomfriet
langzaam naast elkander voort. De jonge Pirlapans en de soldaten
waren er weer op uit naar alle kanten, en de twee aanvoerders hadden
afgesproken dat ze hen in 't volgende dorp wel zouden wachten. Ze
moesten nu hun tochten maar eens wat verder uitstrekken. Ze moesten
maar acht dagen lang zoeken wat ze konden... als ze de prins dan nog
niet gevonden hadden konden ze terugkeeren. Dan zouden er weer andere
maatregelen genomen worden, want dan stond 't wel vast dat Abé niet
meer daar in de buurt was... "als ie nog leefde"... voegde Karibo er
zuchtend bij.
Zwijgend reden ze naast elkander voort. Ook de oude Pirlapan was die
morgen minder hoopvol gestemd dan anders. Hij vond 't ook 'n beetje
vreemd, dat je met 'n paar honderd man, zoo heelemaal niets te weten
kon komen. Hij rekende al die Hukkers die 't om de goudstukken te
doen was maar niet eens mee. Menschen waar je heelemaal niet naar
zocht kwam je iedere keer tegen en van zoo'n jongen zag je letterlijk
niets... behalve dan z'n kleeren die ze bij de oude heks in beslag
genomen hadden. Met gebogen hoofd zaten ze op hun paarden en merkten
niet eens op, dat er iemand aan kwam draven op 'n groot paard. Eerst
toen de man vlak bij was en hen voorbij reed keken ze op. Maar dat
was dan ook 'n verrassing voor Karibo en voor Pirlapan. Die man die
hen voorbij draafde bereed het witte paard van Abé! Karibo zou het
uit duizenden herkend hebben en Pirlapan zag 't onmiddellijk aan
't tuig. 't Zelfde zadel had 't nog... en de roode toom... 't zag er
alleen maar 'n beetje verslonsd uit... en 't paard was er ook niet
beter op geworden. Zelfs Karibo's paard had z'n oude kameraad herkend,
waar ie zoo lang naast geloopen had... en die z'n slaapkameraad geweest
was in de stal vele jaren lang. 't Had blij gehinnikt. Maar de witte
had geen antwoord gegeven.
"Zijn paard!" riepen ze bijna tegelijk en zonder er verder over te
praten dwongen ze met 'n ruk aan de toom hun paarden om te keeren
en ze sprongen de ruiter achterna. Die keek even om en merkte al
dadelijk dat die twee wat in de zin hadden en hij vond 't maar beter
te maken dat ie weg kwam. Hij voelde z'n geweten niet erg zuiver,
want 't was dezelfde kerel, die Abé 't paard ontstolen had. Eerst
was ie maar landlooper geweest, doch nu hij 'n paard had, was hij
't vak van struikroover gaan uitoefenen, die eenzame reizigers op
de weg aanhield om hen te berooven. Het witte paard had zeker in de
laatste tijd bij z'n nieuwe eigenaar niet veel rust gehad en zeker geen
beste verzorging, zooals 't gewend was en daarom kon 't niet meer zoo
snel voortkomen als vroeger. Pirlapan en Karibo bereden paarden, die
goed op kracht waren en ofschoon de arme witte ongenadig slaag kreeg,
wonnen de vervolgers met iedere minuut. Pirlapan had z'n speer reeds
opgeheven om de struikroover even van z'n paard af te helpen. Dat
was voor hem 'n klein kunstje, hij wierp sekuur, en de bandiet zou
wel niet lang meer geleefd hebben, als Karibo hem niet toegeroepen
had niet te werpen. Ze kregen de vent toch wel. Pirlapan was 't eerst
naast hem en ofschoon de roover poogde Pirlapan met 'n scherpe lange
dolk te raken, hielp hem dat niemendal, want Pirlapan die vechten
kon als de beste, gaf de kerel 'n tik met 't hout van z'n speer,
die hem hals over kop uit het zadel wierp. Ondertusschen had Karibo
de witte bij de teugel gegrepen.
De struikroover meende nog 'n kansje te hebben om weg te komen. Hij
trachtte tusschen de beenen der paarden door te sluipen om in de
struiken langs de weg te vluchten, maar Pirlapan moest daar niets van
hebben. Vlug sprong hij van z'n paard en had in 'n wip de kerel bij
z'n kraag. Uit Pirlapan z'n knuisten te komen was 'n kunstje, dat de
bandiet niet geleerd had. Dat merkte hij al heel gauw en toen gaf hij
't maar op. Karibo was nu ook van 't paard gekomen en begon de man
te ondervragen.
"Hoe kom je aan dat paard?"
Geen antwoord.
"Wacht even," zei Pirlapan, "ik zal hem 'n beetje op dreef helpen. Hij
is zeker stom van de schrik."
Hij nam z'n speer en nu kreeg de roover met 't dikke hout zoo'n
ellendig pak ransel, dat de vent begon te schreeuwen als 'n jong
varken.
"Zie zoo," zei Pirlapan, "vertel nou maar op. Nou weet je 't wel."
"Ik heb 't gekocht..."
"Daar zie je wel naar uit," zei Pirlapan en weer hief hij de speer
op... "Zeg op... of ik sla je in gruzelementen... heb je dat paard
van 'n kleine jongen gestolen, die je er 'n eindje op wou laten
rijden? Geef antwoord, gauw..." En weer kreeg hij zoo'n tik.
"Au!" schreeuwde de bandiet...
"Heb je 't gestolen?..."
"Ja..."
"Heb je die jongen 'n klap met 'n knuppel gegeven?"
"Ja..."
"Jij gemeene schooier..." zei Pirlapan, "dat kost je je leven. Want
je heb de keizer van Huk z'n paard gestolen..."
De man keek benauwd naar Pirlapan. Hij was bang voor nog meer
klappen... Maar wat ie hem daar vertelde van de keizer van Huk,
dat begreep hij niet. Hij had er ook wel van gehoord, dat er naar
prins Alphabet gezocht werd... Hij was er zelf ook mee bezig, toen
die twee hem te pakken kregen... maar dat ie 'n paard gestolen had
van de keizer van Huk, daar wist ie niemendal van.
"Ik heb de keizer z'n paard niet gestolen," zei hij.
"Dat heb je wel..." bulderde Pirlapan... "Dàt is de keizer z'n
paard!" en hij wees op de hijgende witte.
Nu was de roover de kluts heelemaal kwijt.
"We zullen hem maar meenemen," zei Karibo. "Laat 'm maar weer
opstijgen."
"Hij?... Opstijgen?... Niet zoolang ik Pirlapan heet. Zoo'n gemeene
lafaard komt niet op 't paard van prins Alphabet. Aan de staart van
't beest zal ik hem binden. Dan mag ie meedraven."
Karibo zag wel dat er niets aan te doen was en hij liet dus Pirlapan
z'n gang maar gaan. Die haalde 'n riem uit z'n zadeltasch en daarmee
bond ie de roover stevig aan de staart van Abé's paard. Karibo nam het
bij de teugel en nu ging 't op 'n drafje vooruit. De kerel moest mee
draven, zooals Pirlapan gezegd had. Hijzelf reed naast hem. Toen de
schurk niet meer kon, hij viel om van moeheid, reed Karibo stapvoets,
doch Pirlapan riep al heel gauw: "We schieten niet op. Vooruit,
hij kan nou wel weer 'n eindje draven."
De roover had 't nog nooit van z'n leven zoo slecht gehad. Dat was
heel wat anders dan duizend goudstukken verdienen, door 'n prins op
te zoeken. Boontje kwam om z'n loontje.
Toen ze in 't dorp aankwamen, waar ze op de andere Pirlapans en de
soldaten wachten zouden, brachten ze de roover eerst bij de veldwachter
en Pirlapan gaf deze de raad heel goed op de gevangene te passen,
want als ie hem liet ontsnappen zou 't er slecht voor de veldwachter
uitzien. Die bekeek z'n gevangene eens en zei: "Nou heel hard zal
ie wel niet weg loopen, want de kerel is meer dood dan levend." Maar
Pirlapan antwoordde: "Je bindt hem stevig ergens aan vast hoor. Hij
leeft gauw genoeg weer op, en hij màg niet ontsnappen. Wat ie gedaan
heeft is zóó gemeen, dat ie er de zwaarste straf voor verdient."
"Dan ben ik liever niet in zijn plaats," zei de veldwachter. "We zijn
hier in Huk niet erg zachtzinnig met booswichten."
"Maar goed ook," bromde Pirlapan. "Sluit 'm nou maar op." En toen ze
samen wegreden zei hij tegen Karibo: "'t Lijkt er veel op dat we Abé
bij stukjes en beetjes terug krijgen."
"Hoe zoo Pirlapan?"
"Wel, eerst kregen we z'n kleeren en nou hebben we z'n paard."
"Ja, ja," zuchtte Karibo... "als we de rest ook maar niet bij stukjes
en beetjes in handen krijgen."
"Kom, kom," antwoordde Pirlapan. "'t Zal nog wel terecht komen. Ik wed
dat we hem vandaag of morgen op de een of andere wonderlijke manier
onverwacht ontmoeten, zooals we vandaag z'n paard zijn tegen gekomen."