Waarin Abé met roovers in aanraking komt en zich fijn in 't
pak steekt.
Abé ondervond voor de derde maal dat er nog goede menschen in Huk
waren. De boerenmenschen waar hij aanklopte, ontvingen hem met open
armen. Hij zat mee aan tafel en at van het eenvoudige voedsel en toen
de maaltijd was afgeloopen, wees de vrouw hem 'n slaapplaats in de
stal. Ze had niet anders. Maar ook dat slaapplaatsje in 't hooi was
Abé meer dan welkom. Hij was nu tenminste weer onder dak.
De volgenden morgen moest ie vroeg opstaan. Hij kon dan 'n heel eind
meerijden, want de boer moest met 'n stuk of wat paarden naar de
markt in 'n stad in de buurt. Voor dag en dauw ging de boer al met
'n paar knechts op 't pad. En Abé had er niets op tegen zoo heel in
de vroegte weer op reis te gaan. Hoe gauwer in Pomfriet hoe beter.
De boerenmenschen had ie maar niet eens verteld, dat ie zelf 'n paard
bezeten had. Waarschijnlijk hadden ze 't toch niet kunnen gelooven,
dacht ie, dat zoo'n eenvoudige arme jongen in zoo'n ouderwetsch
boerenpakje, te paard met geld in de tasch en goed gekleed uit Cobalt
was vertrokken. Ze hadden hem misschien dan wel voor 'n bedrieger
aangezien. Hij zei dus alleen maar dat ie op weg was om z'n pleegvader
op te zoeken en dat ie hoopte hem onderweg tegen te komen. Natuurlijk
hadden die menschen de mond vol van de heeren uit Pomfriet en de
lijfwacht, die de nieuwe keizer van Huk gingen afhalen. Hij hoorde hier
ook weer spreken over die prins Alphabet, waar hij nooit van gehoord
had en 't kwam maar heelemaal niet in hem op dat ie 't zelf was.
De boerin had hem gevraagd waarom hij z'n haar zoo lang droeg, en
Abé had snel bedacht haar wijs te maken dat 't zoo 't gebruik was
in 't vreemde land waar hij met z'n pleegvader vandaan kwam. Maar
de boer maakte dat antwoord onnoodig door lachend te zeggen,
dat 't waarschijnlijk kwam omdat Abé geen geld had om 't te laten
knippen. Daarom lachten ze allemaal en Abé lachte maar mee. De boer had
met 'n grapje er onwetend voor gezorgd, dat Abé geen noodleugentje
hoefde te vertellen, en dat vond hij heel prettig, want ook aan
leugentjes om bestwil had ie 't land.
De volgenden morgen werd ie nog vóór 't licht was gewekt. Er werd goed
gegeten en toen stegen ze te paard. Abé zat op een van de dieren, die
verkocht moesten worden en de knechts hadden nu juist niet de makste
voor hem uitgezocht. Ze wilden eer ze heengingen, nog 'n pretje met
hem hebben en meenden dat ie wel gauw zandruiter zou zijn. De boer
stond er lachend bij. Die hield ook wel van zoo'n aardigheidje. Doch
toen Abé op de gladde rug van 't paard zat, riep de boer al heel gauw:
"Zeg eens baasje, jij hebt meer op 'n paard gezeten hoor!" en toen
tot z'n knechts: "Dat valt jullie niet mee jongens."
Abé zag bij 't licht van de lantaarns, dat de boer en z'n twee knechts
allemaal gewapend waren en hij vroeg waarom ze dat deden.
"Wel," zei de boer, "zóó veilig is 't nou tegenwoordig bij de weg
niet. D'r zijn lui genoeg, die je wel van je paarden willen afhelpen,
zonder er voor te betalen."
Nu speet 't Abé, dat ie z'n zwaard bij moeder Guldratsj had achter
gelaten. Hij bezat niets anders dan 'n kort mes, goed om er boterhammen
mee te snijden, maar minder geschikt om er z'n gastheer mee bij te
springen, als er eens wat gebeurde.
"Wees maar voorzichtig hoor," riep de vrouw hen nog achterna toen
ze wegreden.
De knechts hadden de vier paarden, die naar de markt moesten achter
elkaar gebonden, kop aan staart, en Abé zat op 't laatste. De boer
reed naast hem. De twee knechts reden vooraan. Een van hen had 't
voorste der vier paarden aan de halster. Zoolang ze op de open weg
waren, praatte de boer onbezorgd met Abé, doch toen ze na 'n uurtje
'n bosch bereikten waar ze langs moesten, werd de boer stil en keek
voortdurend scherp om zich heen.
"Oppassen jongens," riep hij af en toe, en tot Abé zei hij: "In dat
bosch is 't niet pluis tegenwoordig."
"Roovers?" vroeg Abé.
"Gespuis," zei de boer, "paardendieven van de bovenste plank. Ze
stelen als raven."
"Ze zullen je toch niet aanvallen, als ze zien, dat je goed gewapend
ben hè?"
"Daar geven ze niemendal om, want ze hebben zelf ook wapens en bang
zijn ze niet."
"Maar zijn er dan geen veldwachters in Huk, geen gendarmen, geen
soldaten? Die moesten toch zorgen, dat die kerels gevangen genomen
werden?
"Dat moesten ze ook. Doch 't is tegenwoordig zoo'n rare boel in Huk. De
keizer moest zich er mee bemoeien, zooals vroeger keizer Napo deed. In
die tijd waren er geen roovers. Maar nu heeft de keizer 't te druk
met z'n eigen ... en nou halen ze al weer 'n andere. Dan hebben we
d'r twee en dan gaat 't nog slechter ... Ho, daar heb je 't al."
Vier kerels sprongen uit 't kreupelhout te voorschijn en een er van
greep 't paard waarop de boer reed bij de teugel. De boer verdedigde
zich dapper, maar Abé zag al heel gauw, dat ie niet vechten kon. Hij
gebruikte z'n zwaard zoo onhandig als 't maar kon. En dan helpt 't
beste wapen en de stevigste vuist nog maar weinig als je tegenpartij
de wapens wèl hanteeren kan. En dat konden die gauwdieven maar al
te goed. Abé zag dat de boer 't verliezen moest. Als nu z'n twee
knechts maar dappere kerels geweest waren, zouden 't misschien met
hun drieën nog wel klaar gespeeld hebben, doch die lafaards gingen al
heel gauw op de vlucht. 't Leek Abé eigenlijk of die knechts maar zoo
wat voor de aardigheid 'n poosje met de twee overige roovers hadden
geschermutseld eer ze er van door gingen en 't kwam in hem op dat die
knechts 't misschien wel eens waren met de roovers. Toen de knechts
op hun paarden wegholden, riep de boer hen nog wel toe hem te helpen,
maar ze deden of ze hem niet hoorden. En nu moest ie 't zelf ook gauw
opgeven. Hij werd van z'n paard gesleurd en Abé moest 't aanzien,
dat ze den man aan 'n boom bonden en hem al z'n geld en z'n meeste
kleeren ontnamen. Abé kon zelf niets doen. Had ie maar niet op 't
laatste paard gezeten doch op 't eerste, dan zou hij misschien met
alle vier paarden hebben kunnen ontsnappen. Dan had hij hulp kunnen
halen. Maar nu ging dat niet. Zijn paard was met de halster aan de
staart van nummer drie vastgebonden en hij kon er dus niemendal mee
uitvoeren. 't Eenige wat ie doen kon, was zich van 't paard laten
glijden en er alleen van door gaan. Dan kon hij zich ergens verbergen
en was dan later misschien in staat de boer hulp te verleenen als de
roovers met de paarden weg waren. Doch nauwelijks was hij begonnen
dat plan uit te voeren of de roovers hadden hem ook te pakken.
"Hé, wat wou jij beginnen mannetje," zei er een. "Hier blijven hoor."
"Bind 'm maar zoolang aan de staart van 'n paard vast," zei 'n ander.
Die leek wel de bevelvoerder, want hij werd gehoorzaamd en Abé moest
nu wel blijven. Hij dacht, dat de roovers als ze klaar waren, hem wel
weer los zouden maken. Dan kon hij de boer tòch nog helpen. De roovers
spraken zacht wat met elkaar toen ze de boer heelemaal uitgeschud
hadden en keken daarbij lachend naar Abé. Daarna kwam er een op hem
af, maakte 't touw waarmee hij aan de staart van 't paard gebonden
was los en zei kortaf, terwijl hij Abé van de grond tilde en weer op
't paard zette: "Jij mag met ons mee."
Daarop had Abé heelemaal niet gerekend. Hij begreep, dat er van 'n
tocht naar Pomfriet al heel weinig terecht zou komen, als die kerels
hem meenamen 't bosch in. Hij was van plan zoo gauw mogelijk op de
vlucht te gaan, dat stond vast, maar hoe zou hij dan de weg moeten
vinden? Hij schikte zich zwijgend in z'n lot. Verzet zou de zaak voor
hem nog erger gemaakt hebben.
En zoo reed Abé 'n oogenblik later in gezelschap van vier roovers
't bosch in, die de boer aan de boom gebonden achter lieten.
Dat ritje door 't bosch duurde erg lang. 't Was al middag toen ze in
'n woeste streek halt maakten. Onder hooge zware boomen, die wel 'n
eeuw oud moesten zijn, stond 'n houten huis. 't Zag er bouwvallig
uit. Misschien was 't wel net zoo oud als de boomen rondom. Hier
schenen de roovers te wonen. Ze sprongen van de paarden en Abé moest
die in een soort stal brengen.
"Je zorgt er goed voor jongen," zei er een tegen hem, "en probeer maar
niet weg te loopen, dat helpt je toch niet. Eer je 'n half uur ver
ben hebben de wolven je te pakken. Als je klaar ben met de beesten
mag je binnen komen. Dan kan je mee eten."
Abé deed maar wat van hem verlangd werd. Hij verzorgde de paarden,
zoo goed 't ging. Hij gaf hen haver. Er was genoeg en hij haalde in
'n houten emmer water aan de bron. Hij deed er nog al lang over. 't
Werk was hem vreemd. Zoo nu en dan kwam er 'n roover kijken wat ie
uitvoerde. Doch ze zeiden niemendal. Hij deed 't werk zeker nogal
naar hun zin.
Abé was eindelijk klaar en nu moest hij naar binnen. Daar had ie
niet heel veel zin in. Met roovers aan tafel zitten leek hem niet erg
aangenaam. Maar hij had honger en dus was hij toch ook wel 'n beetje
nieuwsgierig. Hij ging dus maar.
Toen hij de deur opende keken de roovers alle vier tegelijk naar hem.
"Kom hier zitten," zei er een "en eet maar zooveel als je lust. Je
zal wel honger hebben."
Zwijgend ging Abé zitten en begon te eten.
"Was dat je vader?" vroeg dezelfde roover weer.
"Neen," zei Abé.
"Je baas dan?"
"Ook niet."
"Ook niet? Wat was ie dan van je?"
"Niemendal."
"Hoe heet je?"
"Abé."
"Wat dee je bij die boer?"
"'n Eindje meerijden."
"Waar moet je dan heen?"
"Naar Pomfriet."
"Om wat te doen?"
"M'n pleegvader opzoeken."
"Hoe heet die?"
"Karibo."
"Wat doet ie voor de kost?"
"Niemendal."
"Hè? ... Da's 'n klein beetje ... Je ziet er niet naar uit om 'n
rijke pleegvader te hebben, jongen ... en dus geloof ik er geen
steek van. Maar 't komt er ook niet op aan. Ik ben van plan je bij
me te houden. We hebben iemand noodig om op de paarden te passen. En
probeer maar niet te ontvluchten, want zooals ik je reeds gezegd heb,
dan ben je voor de wolven ... of als wij je een van allen snappen,
voor ons ... wat misschien nog erger voor je zou zijn. Voor de rest
kan je 't goed bij ons hebben, want we houden zelf ook van 'n goed
leven. Als je je best maar doet."
Abé vond 't jammer dat die roover hem niet gelooven wou. Die roovers
wilden misschien Karibo wel voor hem opzoeken, als er wat aan te
verdienen was. Ze konden losgeld voor hem vragen en Karibo zou dat
zeker wel betaald hebben. Doch wat hielp 't als ze hem toch niet
geloofden?
Hij zweeg dus maar en wilde z'n tijd afwachten. Vluchten deed ie
toch. En al zou 't tien jaar duren, Karibo moest ie terug vinden,
al zou ie 't heele land door naar hem moeten zoeken. Geduld dus.
De roovers gingen nu iederen dag te paard uit, maar één bleef er
steeds thuis. Die paste op 't paard dat rustdag had en op Abé. Zelf
nam hij ook rust en Abé mocht 't werk doen. Zoo had de jongen iedere
dag 'n andere roover en 'n ander paard bij zich en van ontvluchten
was geen sprake. Dat duurde zoo 'n week en Abé werd er hoe langer hoe
verdrietiger onder. Hij wist wel dat 't met iedere dag moeielijker zou
worden om Karibo terug te vinden. Die zou nu al wel weer in Cobalt
aangekomen zijn en waarschijnlijk wel gaan denken, dat Abé bij de
brand was omgekomen. Waar Karibo dan misschien heen ging kon niemand
weten en dan werd 't bijna onmogelijk hem nog ooit terug te vinden
... Als hij weg kon komen met 'n paard ... dan had ie misschien nog
'n kans als hij zoo snel mogelijk naar Cobalt terug reed. Wellicht
vond hij er Karibo nog. Hij moest 't toch maar eens wagen. 't Ergste
dat hem overkomen kon, was, door de roovers gesnapt te worden tijdens
z'n vlucht, want dan zouden ze wel korte metten met hem maken. Doch
wat hinderde dat? 't Was nog beter dan voor rooversknechtje te spelen.
Op 'n avond kwamen de roovers thuis met belangrijk nieuws. Ze vertelden
't dadelijk aan hun thuisgebleven kameraad. Er was 'n prijs van duizend
goudstukken uitgeloofd voor degene die prins Alphabet terug vond! De
roovers hadden wel zin ook 'n poging te doen, die duizend goudstukken
machtig te worden en na veel heen en weer gepraat besloten ze er alle
vijf op uit te trekken.
"Maar hoe vinden we hem?" vroeg de thuisgebleven roover. "Weten jullie
hoe ie er uitziet?"
"Nee," zei er een, "dat konden ze ons niet vertellen. Maar daar kunnen
we wel achter komen." "Overal gaan er troepen menschen op uit om hem te
vinden." "Geen wonder," zei de eerste weer. "Duizend goudstukken hè?"
"'t Is geen kleinigheid" zei 'n tweede. "Als we deelen hebben we er
tweehonderd de man."
"Jij praat er over of we 'm al hebben."
En toen lachten ze allemaal.
"'t Is te probeeren," zei de hoofdman. "We kunnen toch onderweg nog
wel wat anders er bij doen hè?"
Dat vonden de overigen ook. Je kon wel tegelijkertijd op 'n eerlijke
manier duizend goudstukken zien te verdienen door naar 'n vermiste
prins te zoeken en tevens je roovershandwerk uitoefenen. Dat was geen
bezwaar. Ze zouden er dan de volgende morgen vroeg maar op uittrekken
alle vijf en de boel maar zoo lang sluiten.
"Mag ik ook mee?" vroeg Abé.
"Jij?" zei de hoofdman, "'k Had heelemaal niet aan jou gedacht ... Nee
... we kunnen jou er niet bij gebruiken. Je moet maar heengaan. Ik
laat je vrij. We hebben je nou niet meer noodig."
"Heel best," zei Abé, "maar 'k weet de weg in 't bosch niet."
"Die moet je maar zoeken. Welke kant je ook uitgaat, je komt er altijd
eenmaal uit ... als de wolven je tenminste niet opeten ... En 't zal
jou wel 't zelfde zijn aan welke kant je er uitkomt denk ik."
"Dat is me niet hetzelfde. Ik wou graag op de weg naar Pomfriet
uitkomen. En dan had ik graag een of ander wapen om me te verdedigen
als 't noodig is."
"Met die gekheid kunnen we ons niet ophouen hoor. Je rukt zoo maar
uit. Allo ... naar de stal ... en verzorg de paarden. Maar doe 't
goed. 't Is de laatste maal dat je 't doen mag."
Abé ging. Doch onder z'n werk stond ie menigmaal in gedachten. Wat
was dat vreemd, dat die prins Alphabet nou zoek was. Moeder Guldratsj
en de boerenfamilie hadden het immers ook over die prins Alphabet
gehad, doch die hadden 't enkel maar over 't afhalen ergens uit een
of andere stad van 'n prins die zat te wachten tot ie gehaald werd en
niet over 't opzoeken van een die zoek was. Dus nu zwierven er twee
keizerlijke prinsen in Huk rond? Of maar een? Was hijzelf misschien
prins Alphabet? Abecé dat was 't alphabet--maar waarom zochten ze
niet naar prins Abecé--als hij 't dan wèl was--en waarom noemden
ze hem dan zoo en waarom wist hij niet dat ze hem zoo noemden? Dàt
had Karibo hem dan toch wel eens mogen vertellen. Doch niemand had
er ooit over gesproken, z'n vader niet, z'n moeder niet en Karibo
evenmin. Dat was dus niet zoo. Er moest wel degelijk nog 'n andere
prins zijn, naar wie ze zochten.
En toen ging Abé maar weer aan z'n werk en eindelijk kroop hij in
't hooi om te slapen. Doch de slaap kwam die avond niet gauw. Hij
dacht aanhoudend aan die onbekende prins Alphabet en óók over de
wijze waarop hij 't bosch uit moest komen.
De volgende morgen moest ie weer voor de paarden zorgen. Deze keer
voor alle vijf, en toen ie daarmee klaar was stopte een van de
roovers hem 'n stuk brood in de hand met de boodschap er bij, dat ie
kon inrukken. Als ie maar al rechtuit liep, was ie binnen twee uur
't bosch uit en op de weg naar Pomfriet.
Abé ging zwijgend heen. Hij groette geen mensch en de roovers keken
niet eens meer naar hem om. Hij had evengoed 'n bruine kikker kunnen
zijn, zooals er wel in 't bosch leefden. Daar letten de roovers ook
niet op.
Ze reden weg om de duizend goudstukken te gaan verdienen, die ze
wel nooit zouden te pakken krijgen, want ze reden net de verkeerde
kant uit.
Abé luisterde naar 't geluid van de wegdravende paarden. Hij stond
stil en wachtte. 't Klonk al zachter en zachter ... en eindelijk
hoorde hij niets meer. Toen keerde Abé weer terug naar 't roovershuis.
Hij ging nu zelf ook eens roovertje spelen, want hij was van plan
in te breken in 't roovershuis om zich van wapens te voorzien en
van andere kleeren en van geld als hij 't vinden kon. Dat reizen
als 'n boerenjongen beviel hem heelemaal niet en zonder wapens 't
bosch door trekken leek hem ook niet plezierig. Maar bovendien had
hij ondervonden, dat gewapend zijn hoog noodig was in Huk. Als hij
'n zwaard gehad had, zou die vriendelijke boer niet zoo ongelukkig
te pas zijn gekomen, meende hij. Wellicht was de strijd dan anders
uitgevallen.
De roovers hadden hun huis sekuur genoeg gesloten. Daar was geen
inbreken aan. Maar Abé had 't heele gebouw goed bestudeerd en hij
wist dat er aan de stal 'n plank los zat, die hij zelf nog 'n beetje
losser gemaakt had. Daar hadden de roovers geen erg in gehad. En
nu was 't een klein kunstje voor hem om door de stal naar binnen te
komen en op z'n gemak de heele boel te doorsnuffelen.
Hij vond al heel gauw iets waar ie zich mee verdedigen kon. 'n Mooi
kort zwaard en 'n prachtige dolk. Gestolen goedje natuurlijk, maar
dat kon Abé nu niet schelen. Hij nam 't maar omdat ie niet anders
kon. Met de kleeren had ie meer moeite en hij moest zelfs met 'n
hamer en 'n breekijzer aan de gang om op de zolder kisten open te
breken, waarvan hij dacht, dat ze misschien iets konden bevatten,
dat voor hem bruikbaar was. Hij vond genoeg, maar er was weinig bij
dat hem paste. En prachtige kleeren waren er, juist geschikt voor 'n
prins. Hij zocht maar weer verder, er zou onder die hoop goed toch
wel iets zijn dat hij gebruiken kon. Na lang zoeken en passen, had
hij toch iets gevonden. 't Zat hem wat ruim, maar 't ging toch. Of de
stukken bij elkaar hoorden kon hem minder schelen. Hij leek toen hij ze
aanhad niets meer op 'n boer of 'n landlooper. Dat was 't voornaamste.
Nu nog wat geld! Dat moesten die roovers toch óók genoeg hebben,
dacht ie. Maar dat viel tegen. Ze hadden 't zeker ergens verstopt. Hij
doorzocht alles, doch de buit was erg matig. 'n Paar zilverstukken
vond ie in 'n tasch die aan de muur hing. Dat was niet genoeg om er
'n paard voor te koopen en dàt was ie van plan. Nog maar eens van
voor af aan zoeken. Hij had de tijd.
't Gaf niemendal. Er was geen geld in 't roovershuis.
"Waar niets is verliest de keizer z'n recht," dacht Abé. "Dan ga
ik maar weer zonder geld op reis. Ik zie er tenminste weer knap
uit en ik kan van me afslaan. Had ik nu maar 'n paard. En dan zou
't 'n knappe kerel zijn die 't weer onder me vandaan kreeg, zooals
't met m'n goeie schimmel gebeurd is."
"Weet je wat ik doen kon?" dacht Abé. "Ik neem zoo'n paar van die
schaaltjes mee, die in die kist zijn. Misschien is 't goud en dan
kan ik er me toch 'n paard voor koopen. Ik heb nu 'n overkleed met
wijde zakken. Daar kunnen ze gemakkelijk in."
Zoo toegerust verliet hij 't roovershuis en stapte met 'n blij hart
't bosch in. Hij nam niet de richting die een der roovers hem 's
morgens gewezen had. Dat vertrouwde hij niet. Maar hij ging de kant
op waarheen de roovers gereden waren. Dat was, herinnerde hij zich,
ook de weg waarlangs zij hem naar 't roovershuis gevoerd hadden.
't Was 'n heerlijke wandeling en hij merkte al gauw dat ie zich voor
wolven niet bevreesd behoefde te maken. Ze waren er niet. En hij kwam
al heel spoedig op 'n tamelijk breede boschweg. Doch nu wist ie niet
meer of hij links of rechts moest. Dat was lastig. Maar Karibo had
hem geleerd, dat ie in zoo'n geval altijd maar z'n eerste inval moest
volgen en z'n eerste gedachte was geweest: rechts! Dus rechts. 't Was
'n heele goede inval geweest: na 'n goed uur was ie 't bosch uit en
op 'n landweg. Maar de groote weg naar Pomfriet was 't niet. Die was
breeder dacht ie. Dan maar weer de inval volgen, die hij kreeg toen ie
't bosch uitkwam! Ja kon ie dat maar. Doch hij had geweifeld. Links
of rechts? En nu moest ie dus zelf kiezen. Hij koos maar weer rechts
en dat was glad verkeerd, want nog geen kwartier verder aan z'n linker
kant liep de groote weg naar Pomfriet. Hij liep wel 'n uur langs deze
eenzame weg voort zonder iemand te ontmoeten. Dat viel hem tegen, want
hij zou graag geweten hebben waar hij was en waarheen deze weg hem
bracht. Er schenen daar in de buurt ook niet veel menschen te wonen,
want nergens zag hij 'n huis. 't Land was heuvelachtig en dus stonden
er misschien toch wel huizen achter zoo'n heuvelrug, maar dan kon je
ze niet zien van de weg af. Als 't tegen de avond geweest was, had
hij misschien wel eens zoo'n heuvel beklommen om te zien of er geen
woning achter stond, doch nu had hij er niet veel zin in. Hij ging
maar liever 'n beetje uitrusten in 't gras, dan kon hij er tegelijk
eens over nadenken, wat ie nu eigenlijk verder beginnen zou. Hij
had daar net 'n mooi plekje voor en veilig was 't daar ook. Vlak bij
waren struiken. Daar kon hij zich in verstoppen, als per ongeluk de
roovers er eens mochten aankomen. Hij dacht wel van niet want die
zouden toch niet op zoo'n eenzame landweg naar die prins aan 't zoeken
zijn. Doch je kon 't nooit weten. En als ze hem vonden, zou er wat
voor hem opzitten, want al plunder je andere menschen, dan vindt je
't toch nog niet goed als je zelf ook eens geplunderd wordt. En Abé
had de roovers leelijk geplunderd. Nu hij z'n kleeren eens goed bekeek
leken ze hem nog al kostbaar toe, vol gouden versierselen. Misschien
was z'n overkleed alleen wel genoeg waard om er 'n paard voor in te
ruilen. Dat hoopte hij maar, want 'n paard had ie vooral noodig.
De vijf roovers waren op het oogenblik toen Abé aan hen dacht juist
aan de andere kant van het bosch. Daar stond 'n herberg, waar ze heen
gereden waren om iets naders omtrent de verloren prins te vernemen. Ze
moesten toch weten hoe hij er zoowat uitzag. De herbergier en de
roovers waren altijd goede maatjes. Ze kenden elkaar allang. Ook nu
ontving hij z'n gasten heel vriendelijk en toen ze al heel gauw over
prins Alphabet begonnen kon de herbergier hen genoeg vertellen. Hij
wist er precies alles van. Doch toen de herbergier meegedeeld had,
wat ie wist, keken de vijf roovers elkaar aan of ze van lotje getikt
waren. Dit hadden ze vierentwintig uur vroeger moeten weten! Want 't
werd hen opeens duidelijk, dat die prins ... 'n jongen met lang zwart
haar, als 'n boer gekleed ... en die ze prins Alphabet noemden, maar
die eigenlijk prins Abecé heette, wel eens dezelfde jongen kon zijn,
die bij hen de paarden had moeten verzorgen en die ze die morgen alleen
't bosch ingezonden hadden.
"Hij heette Abé," zei er een, "dat kan best 'n afkorting van Abecé
geweest zijn."
"Daar heb je gelijk aan," zei de hoofdman, "en die jongen leek me
ook geen boertje... Maar als ie die prins Alphabet was ... dan zou ie
't wel gezegd hebben dunkt me. Ja ... 'n prins zal zich maar zoo door
roovers als wij in de stal laten gebruiken! En dan, die jongen had geen
cent op zak. Hij had als 'n landlooper bij die boer overnacht... Ik
geloof er geen steek van!"
"Maar ik geloof 't zeker" ... kwam 'n tweede. "En ik geloof dat we
verstandig deden als we hem weer gingen opzoeken. Ik heb hem vanmorgen
de weg gewezen... Als ie die gevolgd heeft en dat zal ie dunkt me
wel, dan weet ik precies waar hij op 't oogenblik is. Laten we er
gauw heenrijden... Is ie 't niet, dan is er nog niets verloren."
"Je hebt gelijk," zei de hoofdman. "Vooruit dan maar."