Moeder Guldratsj had d'r huisje gesloten. Karibo had de kleeren van Abé
meegenomen en nu had moeder Guldratsj niets meer van hem. Dat speet
haar erg, want ze was heel veel van Abé gaan houden. Dat die jongen
'n prins was en keizer van Huk deed daar niets aan af. Ze hoopte nu
maar, dat z'n pleegvader hem spoedig mocht aantreffen en óók hoopte
ze er op, dat Abé als hij dan toch keizer van Huk moest zijn, haar
niet heelemaal zou vergeten. Hij had haar beloofd terug te zullen
komen. Zou hij dat wel kunnen als hij keizer was? Natuurlijk wel, dacht
moeder Guldratsj, 'n keizer kan alles. Maar hij zou er misschien geen
tijd voor hebben. Wat zou me dat 'n eer zijn als er eens 'n keizer
in haar huisje kwam ... en dan nog wel een, die zij van de weg had
opgeraapt, die zij verbonden had, die in haar bed had geslapen en die
'n groot brood, 'n groot zwaar zwart brood van haar had meegenomen in
'n blauwe katoenen zak ... en die, dat was 't aardigste van alles, de
kleeren van haar kleinzoon droeg, net of zijzelf z'n grootmoeder was!
Dit alles ging haar door 't hoofd ... maar ze werd gestoord in
die vreemdsoortige gedachten, doordat er weer op haar deur geklopt
werd. Toen ze opendeed, zag ze weer twee van die snorrebaarden te
paard. Wat zouden die nu weer moeten. Zeker nog wat vergeten. Ze
keek gauw rond of er ook wat van prins Alpa... hoe heette die nou
toch ook weer?--was blijven liggen. Maar ze hoefde niet lang te kijken.
"Moedertje," zei de ruiter niet onvriendelijk, "je moet 'n eindje met
me meerijden. M'n kameraad zal je wel eventjes optillen. Je weegt
toch haast niks. Je mag voor me op 't zadel zitten. Dan kan ik je
goed vasthouden!"
"Wat??" riep moeder Guldratsj en toen bleef de bijna tandelooze mond
wijd open staan.
"Sluit maar gauw je deur," zei de ander, die al van z'n paard af
was. "Je mag 'n poosje op Pirlapan logeeren. Deftig hè?"
"Op Pirlapan!! Nee hoor ... ik ga niet mee ... voor geen goud."
"Tja--je zal 't voor niks moeten doen," lachte de man. "Baron van
Pirlapan heeft het bevolen ... en dan hebben jij en ik niks in te
brengen hè? Wat de heeren wijzen, moeten wij prijzen."
"Maar waarom ..."
"Dat weet ik ook niet. Kom oudje ... maak nou wat voort. 't Moet
toch gebeuren."
Bevend haalde moeder Guldratsj de sleutel voor de dag en de soldaat
hielp haar goedhartig de deur sluiten. Ze kon 't zelf niet. Dikke
tranen liepen over d'r gerimpelde wangen. Ze kon 't sleutelgat niet
eens meer zien door al die waterlanders. Had ze dat nou aan die goeie
jongen verdiend?
De soldaat tilde 't huilende vrouwtje gewoon op, net of 't een klein
kind was. "Hup," zei hij, en z'n kameraad had haar al in z'n armen.
"Zie zoo," zei die, "nou zit je net zoo veilig als op je stoel,
moedertje. Als ik van m'n paard val, val jij ook. Maar dat zou de
eerste keer van m'n leven zijn."
En weg reden ze naar Pirlapan.