VIERDE HOOFDSTUK.

Waarin Karibo kennis maakt met de Pirlapans, de kleeren van Abé

teruggevonden worden en moeder Guldratsj iets vreemds overkomt.

Karibo reisde met z'n prachtige stoet zoo snel mogelijk, tot groot

ongenoegen van de deftige Pomfrieters, die hem vergezelden. Dat was

geen manier van reizen, meenden ze. Je raakte doodop en wat kwam 't er

nu eigenlijk op aan of je 'n dag eerder of later in dat akelige nest

aan de grens aankwam om prins Alphabet te vertellen, dat ie keizer

van Huk geworden was? Zoo'n haast was daar nu toch warempel niet

bij. Die prins Alphabet was toch nog maar 'n jongen, die kon nog lang

genoeg keizer zijn en bovendien waren zij toch voorname Pomfrieters,

de deftigste lui uit 't heele land Huk. Daar mocht die Karibo óók

wel eens aan denken. Wat verbeeldde zich die Karibo wel! Wat was die

man eigenlijk? 'n Knecht, 'n bediende, niets meer. Nu ja, hij was een

van de twee Hukkers, die de keizer in ballingschap gevolgd waren. Dat

was óók zoo'n kunst niet.

Dat alles bepraatten ze onder elkaar, maar ze waren toch wel zoo

verstandig 't niet hardop te zeggen als Karibo er bij was.

De Pomfrietsche heeren waren dan ook wàt blij toen ze op 'n avond

voor 't kasteel Pirlapan aankwamen. Ze hadden al zooveel nachten in

allerlei dorpjes moeten overnachten, soms ingekwartierd bij 'n boer,

die nog niet eens 'n fatsoenlijk bed er op nahield. Nu zouden ze 't dan

eindelijk eens wat beter hebben. De lijfwacht kon wel buiten blijven

onder de blauwe hemel met Karibo er bij als zij maar bij de heer van

Pirlapan onder dak kwamen. Die heer zou hen wel lekker onthalen ook.

Toen Karibo omringd door de Pomfrietsche heeren voor de valbrug

verscheen, kwam de oude Pirlapan met z'n vier jongens, z'n

strijdmakkers en al z'n knechts naar buiten, en Pirlapan trad 't

eerst over de brug op Karibo toe om te vragen, wat hij verlangde.

"Wij komen uw gastvrijheid inroepen," antwoordde Karibo, "voor deze

heeren en voor de lijfwacht des keizers. We zijn op weg om zijn

majesteit de keizer van Huk af te halen."

"'t Spijt me erg," zei Pirlapan, "maar de volgelingen van keizer

Sutrebor komen mijn brug niet over. Ik ken maar één echte keizer van

Huk en die ben ik steeds trouw gebleven."

"Wel man," riep Karibo, "dan konden wij 't niet beter treffen. Sutrebor

is geen keizer van Huk meer, maar wel de zoon van keizer Napo, prins

Alphabet. Die gaan we halen!"

"Wat zeg je?" zei Pirlapan ongeloovig ... "Prins Alphabet, is die

keizer van Huk?"

"Ik zal 't je wel eens vertellen," zei Karibo van z'n paard

springend. "Maar laten we eerst naar binnen gaan, als je 't goed

vindt. We hebben de heele dag te paard gezeten om door dat bosch heen

te komen."

Pirlapan had er nu niets meer op tegen. Karibo en de Pomfrietsche

heeren gingen naar binnen en de soldaten bleven op 't binnenplein

of kropen vermoeid in 't hooi bij hun paarden in de stal. 't Was 'n

gewoel en 'n herrie in en om Pirlapan zooals ze daar in jaren niet

beleefd hadden.

Pirlapan was 'n gul gastheer nu 't maar niet voor keizer Sutrebor

was. Eten en drinken kregen al die mannen volop en de paarden even

goed. Voor hun wettige keizer zouden de Pirlapans alles gegeven hebben

wat ze bezaten.

Karibo ging aan 't vertellen en Pirlapan luisterde met vreugde naar

de goede tijding. Maar toen Karibo zei, dat prins Alphabet alleen

was achter gebleven in Cobalt, zette die oude ijzervreter plotseling

'n paar groote oogen op alsof hij schrok.

"Heb je in de laatste week nog tijding gekregen van de keizerlijke

prins?" vroeg hij.

"Welneen," zei Karibo, "hoe zou ik. Maar je vraagt dat met zoo'n

benauwd gezicht."

"Cobalt is tot de grond toe afgebrand. Er is geen huis meer blijven

staan ..."

"Hè?"

"Er zijn honderden menschen verbrand."

"Goeie hemel..."

En nu was 't plotseling doodstil in de zaal. Geen mensch gaf 'n

kik. Tot eindelijk Karibo langzaam opstond en zei:

"Heer van Pirlapan, ik moet direct 'n sterk paard van je hebben. Ik ga

oogenblikkelijk naar Cobalt. Deze heeren en de lijfwacht kunnen wel

hier blijven. Ik moet weten wat er van onze prins geworden is. Maar

vertel me nog één ding: Wanneer is die stad verbrand?"

"Dat is precies anderhalve week geleden. De eerste tijding vernam

ik van 'n vluchteling, die hier 'n nacht verbleef. 't Was 'n jongen,

wiens pleegvader naar Pomfriet was en die hem nu ..."

"Bereed ie 'n wit paard?" vroeg Karibo haastig.

Pirlapan knikte. "... 'n Groot wit paard ... Hij was in 'n blauw

kleed, roode schoenen, en op z'n vierpuntige muts had ie veeren als

voelsprieten."

"Dat was prins Alphabet!"

Weer was 't doodstil... Karibo ging zitten en iedereen keek vol

verwachting naar hem. Karibo zat 'n heele poos met de hand onder z'n

hoofd. Diepe rimpels had ie in z'n voorhoofd. Hij was blij dat Abé

gered was, maar hoe kwam 't, dat ze hem niet waren tegen gekomen op

z'n witte paard, wanneer hij reeds den volgenden morgen weer op weg

gegaan was naar Pomfriet? Verdwaald kon hij niet zijn, want er was

maar één groote weg naar de hoofdstad. Waar zat die jongen dan? Was

hem 'n ongeluk overkomen? Karibo kon er geen oplossing voor vinden

en eindelijk zei hij:

"Als hij op weg was naar Pomfriet, hadden we hem tegen moeten

komen... we zijn hem niet tegen gekomen... wat moeten we nu

beginnen?... Als hem maar geen ongeluk overkomen is."

"Dat zou ik niet denken," zei Pirlapan. "Die jongen is niet voor

de poes. Hij kan zich best verdedigen. Vraag dat maar eens aan m'n

jongste zoon, die daar zit. Die heeft ondervonden dat de nieuwe keizer

van Huk--ofschoon we toen niet vermoeden konden dat we zoo'n hooge

gast onder ons dak hadden--stevige armen heeft en klappen weet uit

te deelen. Neen, aan 'n ongeluk hoef je zoo gauw niet te denken."

"Maar wat kan er dan met hem gebeurd zijn?"

"Ik denk," zei 'n oude Pomfrietsche raadsheer, "dat ie nog sliep toen

we hem ergens voorbij reden. We waren iedere morgen al voor dag en

dauw onder weg."

De oude raadsheer was blij, dat ie eindelijk gelegenheid had Karibo

eens 'n steek onder water te kunnen geven. Hij had genoeg gemopperd

over dat vroege opstaan. Maar Karibo keek de Pomfrieter 'n beetje

nijdig aan toen hij antwoordde.

"Prins Alphabet is geen luiaard. Hij is gewoon aan vroeg opstaan. Neen,

dàt kan niet."

"Misschien zat ie wel net aan tafel..." zei 'n vette Pomfrieter...

"Dat kan ook niet," riep Pirlapan op zijn beurt kwaad, "Prins

Alphabet had geen geld genoeg om hier of daar lekker te gaan

smullen. Pirlapansch zwart brood had ie bij zich. Brood uit mijn oven."

De dikke Pomfrieter zei niets meer. Die oude Pirlapan vond ie 'n

vervelende eigenwijze boer met z'n zwarte brood. Als hij hem dat

voorzette, zou ie er wel lekker voor bedanken.

"We hebben geen tijd te verliezen, heeren," zei Pirlapan weer na 'n

poosje. "Ik heb er eens over gedacht. We moeten zoo gauw mogelijk

onze prins zien te vinden. Hij kan nu al een heel eind op weg

zijn naar Pomfriet... Maar hij kan ook wel hier of daar onder weg

zitten. Je weet nooit wat je overkomen kan onder weg. Je paard kan

'n ongeluk krijgen ... je kan zelf ziek worden... Je kan door slecht

volk overvallen worden... Prins Alphabet is wel 'n stevige knaap en

hij vecht uitstekend--maar ... 't is toch mogelijk dat ie..."

Karibo stond haastig op.

"Je hebt gelijk, heer van Pirlapan. We moeten onmiddellijk terug..."

"Nu dadelijk?" vroegen 'n paar Pomfrieters benauwd.

"Och heeren, blijven jullie gerust hier zoo lang als je wilt,"

zei Pirlapan. "We kunnen jullie best missen, bij wat we nu doen

moeten. Kom," ging hij voort tot Karibo, "we zullen 'r geen gras over

laten groeien."

Karibo en al de Pirlapans gingen de zaal uit met 'n paar

Pomfrieters. De overigen bleven achter. Die hadden geen trek om midden

in de nacht weer uit te trekken, wie weet waar naar toe.

Pirlapan had snel 'n plan gemaakt, dat hij nu onder 't loopen aan

Karibo uitlegde. Onder aanvoering van de Pirlapans zou de heele

troep soldaten van de lijfwacht er op uit gaan om te zoeken naar de

prins. Eerst door 't bosch terug allen bij elkaar en dan vervolgens

zou er bij iedere landweg 'n kleine afdeeling worden uitgezonden om

te informeeren aan alle huizen of daar de jongen op 't witte paard

ook voorbij gekomen was.

Karibo keurde dat plan dadelijk goed. Dat moest zeker slagen en 't

kon niet anders of ze zouden op die manier al heel gauw wat van de

prins vernemen.

De Pomfrietsche heeren keurden 't plan ook goed, mits zij maar niet

meehoefden, want ze waren die avontuurlijke en lastige tocht al lang

zat. Doch de meesten van hen lachten tevens 'n beetje spottend en

sommigen keken zelfs uit de hoogte op Karibo neer, voor wie ze tot

nog toe zeer veel onderdanigheid getoond hadden en eerbied, omdat

ie de pleegvader van hun nieuwe keizer was. Dat kwam wijl ze Karibo

voor 'n bedrieger begonnen te houden, die 't heele verhaal over de

aanwezigheid van Prins Alphabet in 't grensstadje verzonnen had. Toen

'n paar er op wezen, dat 't dan toch wel heel toevallig zou zijn

geweest, dat die jongen die bij Pirlapan 'n nacht geslapen had,

juist ook 'n wit paard bereed, zeiden de overigen dat 't best kon

zijn dat de Pirlapans en die Karibo onder één deken lagen en dat

't heele plannetje door hen samen was opgemaakt.

Toen zwegen de anderen, want 't kon best waar zijn. Iedereen in Huk

wist dat de Pirlapans 'n hekel hadden aan keizer Sutrebor en nu wilde

die ouwe vechtbaron Pirlapan zich misschien zelf van de regeering

meester maken.

Ze lieten dus Karibo, de Pirlapans en de heele lijfwacht vertrekken

en ze besloten op hun eigen houtje maar weer stilletjes naar Pomfriet

terug te reizen op hun dooie gemak.

De oude Pirlapan wachtte niet tot de volgende morgen en Karibo gaf

hem groot gelijk. De soldaten van de lijfwacht hadden er evenwel

weinig zin in; ze wilden niet uit 't hooi komen, want ze hadden te

veel slaap. Maar Pirlapan zette zoo'n vreeselijke bulderstem op, dat

de een na de ander voor de dag kwam, soms wel vijf of zes te gelijk,

en na 'n uur waren ze allemaal tot vertrekken gereed.

En nu ging het in draf weer 't bosch door, de heele nacht. De wolven

liepen van angst naar alle kanten weg, ofschoon de reuk van al die

paarden hen verlokkend in hun wolvenneuzen kittelde. Bij 't aanbreken

van de dag stond de heele troep aan de ingang van 't woud, waar Abé

eenigen tijd geleden ook gestaan had. De soldaten mochten 'n poosje in

't gras gaan liggen, als ze hun paarden verzorgd hadden. Dieren en

menschen hadden allemaal rust en voedsel noodig. Pirlapan en Karibo

hielden samen onderhand krijgsraad. Pirlapan stelde voor de heele troep

te verdeelen in kleine patrouilles, ieder met 'n Pirlapan of een van

Pirlapans vertrouwde strijdmakkers aan 't hoofd. Die zouden door alle

zijwegen kunnen naspeuren en aan alle woningen vragen of men daar

ook iets gehoord of gezien had van de jongen met de voelsprieten en

't witte paard.

Karibo keurde dat plan goed en Pirlapan begon maar dadelijk de

mannetjes in te deelen. Zoo kreeg hij twintig patrouilles van vijf man

onder aanvoering van hemzelf, z'n zoons en z'n eigen mannen. Karibo

zou bij de oude Pirlapan blijven.

Na 'n uur gingen de troepen op weg. Eerst bleven ze bij elkaar, maar

bij de eerste zijweg scheidde zich een patrouille af. Ze zouden 'n

uur ver de weg volgen, overal navragen en dan terugkeeren--behalve

natuurlijk als 't bleek dat de prins die weg genomen had. In dat

geval zou de patrouille nog verder gaan, maar één man terug zenden

om bericht te geven aan Karibo of Pirlapan.

Deze eerste troep bereikte na 'n kwartier reeds het huisje van moeder

Guldratsj, maar 't oude vrouwtje was niet thuis. De mannen loerden

naar binnen toen ze op hun herhaald kloppen geen gehoor kregen en toen

zag een van de Pirlapans de muts met de voelsprieten op 'n bank liggen.

"Hoera!!" schreeuwde hij. "We hebben hem al. Z'n muts ligt daar

op de bank." De heele patrouille verdrong zich voor 't kleine

venstertje om ook iets van de muts met de voelsprieten te zien. En

nu wees de jonge Pirlapan een van de mannen aan om zoo hard als 'n

paard rennen kon de blijde tijding aan Karibo en z'n vader te gaan

brengen. Misschien was de heele troep nog bij elkaar. Ze konden dan

met z'n allen terugkeeren. De ruiter sprong in de zadel en reed snel

weg. Z'n paard liep zóó hard, dat binnen 't half uur de hoofdtroep

reeds ingehaald was. Paard en man waren buiten adem. De man kon

echter nog heel goed z'n boodschap--'n blijde boodschap meende

Karibo--overbrengen en onmiddellijk gaf de oude Pirlapan bevel terug

te keeren. De boodschapper mocht achterblijven om uit te rusten met

z'n paard, maar ook om de tweede patrouille, die 'n andere zijweg was

ingeslagen bij haar terugkeer te kunnen meedeelen dat ze terug konden

gaan naar de hoofdtroep. Snel reden de mannen want Karibo was verbazend

ongeduldig. Hij dacht z'n jonge meester te zullen aantreffen. Toen

ze evenwel 't huisje bereikten zagen ze de achtergebleven mannen van

de patrouille in 't gras liggen. Ze bewaakten 't huisje. Er kon geen

muis in of uit.

"Wel," vroeg Karibo, die ook door 't venstertje geloerd had en de

muts dadelijk had herkend. "Heb jullie nog geen mensch gezien?"

"Niemand," antwoordde de jonge Pirlapan.

"Dan moeten we de deur maar eens open zien te krijgen," meende z'n

vader. "Dat zal wel niet moeielijk zijn. 't Mag eigenlijk wel niet

maar daar moeten we ons nu maar eens niet aan storen. Wat denk jij

er van Karibo.

"Wel ja," zei deze. "Ik zal 't zelf wel eens probeeren."

Hij duwde tegen de deur eerst zachtjes en toen wat harder, maar

't ging niet.

"Dat kan ik veel beter," zei toen de oude Pirlapan. "Ga eens op

zij. Je doet net of die deur schreeuwen zal. Op zij."

De deur vloog open. Pirlapan had er 'n trap tegen gegeven.

Karibo en hij gingen 't huisje binnen. De overigen verdrongen zich voor

de deur en voor 't venster. Pirlapan joeg hen gauw weg. Ze maakten

't in 't huisje pikkedonker. Nu zagen ze de muts, maar tot Karibo's

groote ontsteltenis ook de overige kleeren van Abé. Z'n roode schoenen

stonden onder de bank. En binnen in de muts zag Karibo 'n bloedvlek.

De oude man werd doodsbleek. En Pirlapan die de muts nu ook

nauwkeuriger bekeek zei wat benauwd:

"Ik ben bang dat er iets met de prins gebeurd is Karibo ... En ik

vrees niet veel goeds."

"O ... o ..." zuchtte Karibo, "had ik hem toch maar niet alleen

achtergelaten. Arme jongen."

En Pirlapan zei:

"Ik heb net zooveel schuld als jij man. Ik had hem niet alleen moeten

laten vertrekken."

"Da's niet waar Pirlapan. Jij hoefde niet op hem te passen en je wist

ook niet dat 't prins Alphabet was."

"Prins of niet," bromde Pirlapan, "ik had die aardige ferme jongen

moeten beletten alleen verder te reizen." "'t Is mijn schuld nog meer

dan de jouwe. Maar ik dacht ... och wat komt 't er ook op aan wat

ik dacht. Ik vergeef 't mezelf nooit ... en als ie dood is, heb ik

't op m'n geweten."

Karibo schudde 't hoofd.

"Mijn schuld is het ..."

Ze zwegen allebei en de mannen buiten, die weer door 't venstertje

loerden fluisterden met elkaar, want ze zagen wel aan Pirlapan en

Karibo dat de zaak niet in orde was. En ze letten er geen van allen

op dat 'n oud vrouwtje op d'r stok geleund langs de weg kwam aanloopen

zoo snel ze kon. 't Was moeder Guldratsj, die al de mannen en paarden

bij haar huisje ziende, zoo gauw mogelijk voortmaakte om te weten

wat er aan de hand was.

"Wel, wel," riep ze met d'r oude stemmetje, "wat 'n menschen voor

moeder Guldratsj hutje ... Heere ... me deur open. Op zij ... op zij

... wat hebben jullie in mijn huisje noodig?"

De soldaten keken verwonderd op, ze hadden haar niet gehoord vóór ze

vlak bij was. Maar ze lieten haar gewillig door.

Moeder Guldratsj ging gauw naar binnen, maar bleef in de deur

staan toen ze die twee mannen zag, die Abé's kleeren stonden te

bekijken. Karibo had zich net gebukt om de roode schoenen op te

nemen. Die hield ie nu in de hand. Moeder Guldratsj stond met de mond

open van verwondering en 'n beetje van schrik.

De oude Pirlapan merkte haar 't eerst op.

"Ha," riep hij, "daar is iemand."

Nu keek Karibo ook op en zag 't oude vrouwtje scherp aan en dadelijk

vroeg hij:

"Hoe komen die kleeren hier?"

"Och, och ..." zei 't vrouwtje alleen maar. Ze begreep dat daar

misschien Abé's pleegvader stond, waarvan hij verteld had ... maar

ze had ook de soldaten daar buiten herkend als diegenen die ze 'n

paar dagen vroeger voorbij had zien gaan over de groote weg, die 'n

prins gingen afhalen en dat alles bij elkaar maakte haar verward. Ze

kon er geen touw aan vastknoopen.

"Spreek, ouwe heks!" brulde Pirlapan, die gauw woedend was, en daar

schrok 't oude menschje zoo hevig van, dat ze zich aan de deurpost

moest vasthouden. Was me dat ook 'n stem en zoo heel onverwacht!

"Kom moedertje," zei Karibo veel zachter, want hij kreeg plotseling,

hij wist zelf niet waarom, meelijden met 't verschrikte vrouwtje,

"zeg nu maar gauw hoe jij aan die kleeren komt."

"Och heer ..." antwoordde moeder Guldratsj ... "die zijn van 'n

jongetje, dat ik verpleegd heb ... Hij is nou weg om z'n pleegvader

op te zoeken ... heelemaal naar Pomfriet."

"Praatjes," bulderde Pirlapan opnieuw. "Hoe kan hij nou zonder kleeren

naar Pomfriet op weg zijn. Je liegt, wijf."

Moeder Guldratsj was wel oud, maar bij de pinken. Ze had nu ze 'n

beetje over de eerste schrik heen was niet zoo'n groote vrees meer voor

de bromstem van Pirlapan en ze zei kalm hoewel nog een beetje beverig:

"Ik spreek de waarheid heer. Abé vond ik op de weg met 'n wond in

z'n hoofd. 'n Gauwdief had hem met 'n stok geslagen en z'n paard

geroofd. Toen heb ik de arme jongen mee genomen naar mijn huisje en

daar is hij gebleven tot hij beter was. Toen kon ik hem niet meer

houden. Hij wilde met alle geweld naar z'n pleegvader toe."

"Die pleegvader ben ik," zei Karibo. "Ik begrijp het al," ging hij

voort tot Pirlapan. "Toen ik met die Pomfrieters hier in de buurt

voorbij reed, was hij hier. Maar vertel me eens vrouwtje, hoe komt

't dat ie z'n eigen kleeren niet aangehouden heeft?"

"Och heer, de arme jongen had geen cent ... en nu dacht ik dat ie

in minder voorname kleeren misschien makkelijker Pomfriet zou kunnen

bereiken ... Hij heeft kleeren aan van mijn kleinzoon."

"'t Is wat moois," bromde Pirlapan, "de keizer van Huk in 'n

boerenpakje als 'n bedelaar op weg naar zijn eigen hoofdstad zonder

'n cent ..."

Moeder Guldratsj zette groote oogen op, toen ze dat hoorde. Abé keizer

van Huk! Hoe kon dat nou ...

"Keizer van Huk!" prevelde ze. "En wist ie dat dan zelf niet?"

"Nee ... ja ..." zei Karibo ... "Hoe bedoel je dat eigenlijk?"

"Wel," zei moeder Guldratsj, "toen ik hem vertelde, dat er 'n groote

stoet onderweg was om de nieuwe keizer van Huk te gaan halen, ... prins

Alpa ... Alpi ... ik kan die naam maar niet onthouden."

"Prins Alphabet, moeder," zei Karibo.

"Precies ... nou toen zei de jongen heelemaal niet, dat hij dat was."

"Dat kon ie ook niet, want hij weet niet, dat ze hem hier prins

Alphabet noemen."

Moeder Guldratsj begreep er niet veel van--en Pirlapan zei alleen maar:

"Zoo, weet ie dat niet! Hoe lang is de prins al hier van daan?"

"Twee dagen geleden heer ..."

"Wat denk je Pirlapan," zei Karibo, "zouden we maar niet dadelijk

opbreken? We hoeven nu maar langs de groote weg naar Pomfriet te

zoeken. En wij moeten hem inhalen ... Wij zijn te paard en hij te

voet ... Moedertje hoe zien die kleeren er uit die hij aanheeft?"

"Bruin, heer. Zooals de boeren hier veel dragen."

"Laten dan je mannen maar opstijgen Pirlapan," zei Karibo. "Ik hoop

dat we hem vandaag nog vinden."

"Ik ook," zei Pirlapan.

Hij gaf bevel te paard te stijgen aan de soldaten, maar voor ze weg

reden, sprak hij zacht 'n paar woorden met 'n paar van z'n eigen

mannen. Die twee reden niet mee.

"Wat doe je Pirlapan?" vroeg Karibo, toen hij dat zag.

"Och," antwoordde die. "'t Is mogelijk dat die oude heks alles

gelogen heeft. Ze kon best diefjesmaat zijn met die kerel die hem

z'n paard ontstal... Nou laat ik haar maar zoolang opbergen in mijn

kasteel. Vinden we prins Alphabet niet ... dan heb ik tenminste háár

in m'n vingers en dan zal ze 'n beetje beter de waarheid moeten zeggen

of ik heet niet Pirlapan."

Hij zei dat allemaal grimmig en Karibo begreep, dat tegenspreken niet

veel zou helpen. Hij geloofde 't verhaal van 't oude vrouwtje wel,

maar ... 't zou toch kunnen zijn dat Pirlapan gelijk had.

Snel reden ze. En iedereen, die ze tegen kwamen werd scherp

ondervraagd. Maar zonder resultaat. De een had niets gezien en 'n

ander twee boerenjongens tegelijk, 'n derde had er een op 't land

zien werken en 'n vierde was er een op 'n paard tegengekomen. Maar als

Karibo dan vroeg of degene die ze gezien hadden lang zwart haar had,

schudden ze 't hoofd. 'n Jongen met lang zwart haar waren ze geen

van allen tegen gekomen.

Prins Alphabet · 第 9 / 23 题