Waarin Karibo kennis maakt met de Pirlapans, de kleeren van Abé
teruggevonden worden en moeder Guldratsj iets vreemds overkomt.
Karibo reisde met z'n prachtige stoet zoo snel mogelijk, tot groot
ongenoegen van de deftige Pomfrieters, die hem vergezelden. Dat was
geen manier van reizen, meenden ze. Je raakte doodop en wat kwam 't er
nu eigenlijk op aan of je 'n dag eerder of later in dat akelige nest
aan de grens aankwam om prins Alphabet te vertellen, dat ie keizer
van Huk geworden was? Zoo'n haast was daar nu toch warempel niet
bij. Die prins Alphabet was toch nog maar 'n jongen, die kon nog lang
genoeg keizer zijn en bovendien waren zij toch voorname Pomfrieters,
de deftigste lui uit 't heele land Huk. Daar mocht die Karibo óók
wel eens aan denken. Wat verbeeldde zich die Karibo wel! Wat was die
man eigenlijk? 'n Knecht, 'n bediende, niets meer. Nu ja, hij was een
van de twee Hukkers, die de keizer in ballingschap gevolgd waren. Dat
was óók zoo'n kunst niet.
Dat alles bepraatten ze onder elkaar, maar ze waren toch wel zoo
verstandig 't niet hardop te zeggen als Karibo er bij was.
De Pomfrietsche heeren waren dan ook wàt blij toen ze op 'n avond
voor 't kasteel Pirlapan aankwamen. Ze hadden al zooveel nachten in
allerlei dorpjes moeten overnachten, soms ingekwartierd bij 'n boer,
die nog niet eens 'n fatsoenlijk bed er op nahield. Nu zouden ze 't dan
eindelijk eens wat beter hebben. De lijfwacht kon wel buiten blijven
onder de blauwe hemel met Karibo er bij als zij maar bij de heer van
Pirlapan onder dak kwamen. Die heer zou hen wel lekker onthalen ook.
Toen Karibo omringd door de Pomfrietsche heeren voor de valbrug
verscheen, kwam de oude Pirlapan met z'n vier jongens, z'n
strijdmakkers en al z'n knechts naar buiten, en Pirlapan trad 't
eerst over de brug op Karibo toe om te vragen, wat hij verlangde.
"Wij komen uw gastvrijheid inroepen," antwoordde Karibo, "voor deze
heeren en voor de lijfwacht des keizers. We zijn op weg om zijn
majesteit de keizer van Huk af te halen."
"'t Spijt me erg," zei Pirlapan, "maar de volgelingen van keizer
Sutrebor komen mijn brug niet over. Ik ken maar één echte keizer van
Huk en die ben ik steeds trouw gebleven."
"Wel man," riep Karibo, "dan konden wij 't niet beter treffen. Sutrebor
is geen keizer van Huk meer, maar wel de zoon van keizer Napo, prins
Alphabet. Die gaan we halen!"
"Wat zeg je?" zei Pirlapan ongeloovig ... "Prins Alphabet, is die
keizer van Huk?"
"Ik zal 't je wel eens vertellen," zei Karibo van z'n paard
springend. "Maar laten we eerst naar binnen gaan, als je 't goed
vindt. We hebben de heele dag te paard gezeten om door dat bosch heen
te komen."
Pirlapan had er nu niets meer op tegen. Karibo en de Pomfrietsche
heeren gingen naar binnen en de soldaten bleven op 't binnenplein
of kropen vermoeid in 't hooi bij hun paarden in de stal. 't Was 'n
gewoel en 'n herrie in en om Pirlapan zooals ze daar in jaren niet
beleefd hadden.
Pirlapan was 'n gul gastheer nu 't maar niet voor keizer Sutrebor
was. Eten en drinken kregen al die mannen volop en de paarden even
goed. Voor hun wettige keizer zouden de Pirlapans alles gegeven hebben
wat ze bezaten.
Karibo ging aan 't vertellen en Pirlapan luisterde met vreugde naar
de goede tijding. Maar toen Karibo zei, dat prins Alphabet alleen
was achter gebleven in Cobalt, zette die oude ijzervreter plotseling
'n paar groote oogen op alsof hij schrok.
"Heb je in de laatste week nog tijding gekregen van de keizerlijke
prins?" vroeg hij.
"Welneen," zei Karibo, "hoe zou ik. Maar je vraagt dat met zoo'n
benauwd gezicht."
"Cobalt is tot de grond toe afgebrand. Er is geen huis meer blijven
staan ..."
"Hè?"
"Er zijn honderden menschen verbrand."
"Goeie hemel..."
En nu was 't plotseling doodstil in de zaal. Geen mensch gaf 'n
kik. Tot eindelijk Karibo langzaam opstond en zei:
"Heer van Pirlapan, ik moet direct 'n sterk paard van je hebben. Ik ga
oogenblikkelijk naar Cobalt. Deze heeren en de lijfwacht kunnen wel
hier blijven. Ik moet weten wat er van onze prins geworden is. Maar
vertel me nog één ding: Wanneer is die stad verbrand?"
"Dat is precies anderhalve week geleden. De eerste tijding vernam
ik van 'n vluchteling, die hier 'n nacht verbleef. 't Was 'n jongen,
wiens pleegvader naar Pomfriet was en die hem nu ..."
"Bereed ie 'n wit paard?" vroeg Karibo haastig.
Pirlapan knikte. "... 'n Groot wit paard ... Hij was in 'n blauw
kleed, roode schoenen, en op z'n vierpuntige muts had ie veeren als
voelsprieten."
"Dat was prins Alphabet!"
Weer was 't doodstil... Karibo ging zitten en iedereen keek vol
verwachting naar hem. Karibo zat 'n heele poos met de hand onder z'n
hoofd. Diepe rimpels had ie in z'n voorhoofd. Hij was blij dat Abé
gered was, maar hoe kwam 't, dat ze hem niet waren tegen gekomen op
z'n witte paard, wanneer hij reeds den volgenden morgen weer op weg
gegaan was naar Pomfriet? Verdwaald kon hij niet zijn, want er was
maar één groote weg naar de hoofdstad. Waar zat die jongen dan? Was
hem 'n ongeluk overkomen? Karibo kon er geen oplossing voor vinden
en eindelijk zei hij:
"Als hij op weg was naar Pomfriet, hadden we hem tegen moeten
komen... we zijn hem niet tegen gekomen... wat moeten we nu
beginnen?... Als hem maar geen ongeluk overkomen is."
"Dat zou ik niet denken," zei Pirlapan. "Die jongen is niet voor
de poes. Hij kan zich best verdedigen. Vraag dat maar eens aan m'n
jongste zoon, die daar zit. Die heeft ondervonden dat de nieuwe keizer
van Huk--ofschoon we toen niet vermoeden konden dat we zoo'n hooge
gast onder ons dak hadden--stevige armen heeft en klappen weet uit
te deelen. Neen, aan 'n ongeluk hoef je zoo gauw niet te denken."
"Maar wat kan er dan met hem gebeurd zijn?"
"Ik denk," zei 'n oude Pomfrietsche raadsheer, "dat ie nog sliep toen
we hem ergens voorbij reden. We waren iedere morgen al voor dag en
dauw onder weg."
De oude raadsheer was blij, dat ie eindelijk gelegenheid had Karibo
eens 'n steek onder water te kunnen geven. Hij had genoeg gemopperd
over dat vroege opstaan. Maar Karibo keek de Pomfrieter 'n beetje
nijdig aan toen hij antwoordde.
"Prins Alphabet is geen luiaard. Hij is gewoon aan vroeg opstaan. Neen,
dàt kan niet."
"Misschien zat ie wel net aan tafel..." zei 'n vette Pomfrieter...
"Dat kan ook niet," riep Pirlapan op zijn beurt kwaad, "Prins
Alphabet had geen geld genoeg om hier of daar lekker te gaan
smullen. Pirlapansch zwart brood had ie bij zich. Brood uit mijn oven."
De dikke Pomfrieter zei niets meer. Die oude Pirlapan vond ie 'n
vervelende eigenwijze boer met z'n zwarte brood. Als hij hem dat
voorzette, zou ie er wel lekker voor bedanken.
"We hebben geen tijd te verliezen, heeren," zei Pirlapan weer na 'n
poosje. "Ik heb er eens over gedacht. We moeten zoo gauw mogelijk
onze prins zien te vinden. Hij kan nu al een heel eind op weg
zijn naar Pomfriet... Maar hij kan ook wel hier of daar onder weg
zitten. Je weet nooit wat je overkomen kan onder weg. Je paard kan
'n ongeluk krijgen ... je kan zelf ziek worden... Je kan door slecht
volk overvallen worden... Prins Alphabet is wel 'n stevige knaap en
hij vecht uitstekend--maar ... 't is toch mogelijk dat ie..."
Karibo stond haastig op.
"Je hebt gelijk, heer van Pirlapan. We moeten onmiddellijk terug..."
"Nu dadelijk?" vroegen 'n paar Pomfrieters benauwd.
"Och heeren, blijven jullie gerust hier zoo lang als je wilt,"
zei Pirlapan. "We kunnen jullie best missen, bij wat we nu doen
moeten. Kom," ging hij voort tot Karibo, "we zullen 'r geen gras over
laten groeien."
Karibo en al de Pirlapans gingen de zaal uit met 'n paar
Pomfrieters. De overigen bleven achter. Die hadden geen trek om midden
in de nacht weer uit te trekken, wie weet waar naar toe.
Pirlapan had snel 'n plan gemaakt, dat hij nu onder 't loopen aan
Karibo uitlegde. Onder aanvoering van de Pirlapans zou de heele
troep soldaten van de lijfwacht er op uit gaan om te zoeken naar de
prins. Eerst door 't bosch terug allen bij elkaar en dan vervolgens
zou er bij iedere landweg 'n kleine afdeeling worden uitgezonden om
te informeeren aan alle huizen of daar de jongen op 't witte paard
ook voorbij gekomen was.
Karibo keurde dat plan dadelijk goed. Dat moest zeker slagen en 't
kon niet anders of ze zouden op die manier al heel gauw wat van de
prins vernemen.
De Pomfrietsche heeren keurden 't plan ook goed, mits zij maar niet
meehoefden, want ze waren die avontuurlijke en lastige tocht al lang
zat. Doch de meesten van hen lachten tevens 'n beetje spottend en
sommigen keken zelfs uit de hoogte op Karibo neer, voor wie ze tot
nog toe zeer veel onderdanigheid getoond hadden en eerbied, omdat
ie de pleegvader van hun nieuwe keizer was. Dat kwam wijl ze Karibo
voor 'n bedrieger begonnen te houden, die 't heele verhaal over de
aanwezigheid van Prins Alphabet in 't grensstadje verzonnen had. Toen
'n paar er op wezen, dat 't dan toch wel heel toevallig zou zijn
geweest, dat die jongen die bij Pirlapan 'n nacht geslapen had,
juist ook 'n wit paard bereed, zeiden de overigen dat 't best kon
zijn dat de Pirlapans en die Karibo onder één deken lagen en dat
't heele plannetje door hen samen was opgemaakt.
Toen zwegen de anderen, want 't kon best waar zijn. Iedereen in Huk
wist dat de Pirlapans 'n hekel hadden aan keizer Sutrebor en nu wilde
die ouwe vechtbaron Pirlapan zich misschien zelf van de regeering
meester maken.
Ze lieten dus Karibo, de Pirlapans en de heele lijfwacht vertrekken
en ze besloten op hun eigen houtje maar weer stilletjes naar Pomfriet
terug te reizen op hun dooie gemak.
De oude Pirlapan wachtte niet tot de volgende morgen en Karibo gaf
hem groot gelijk. De soldaten van de lijfwacht hadden er evenwel
weinig zin in; ze wilden niet uit 't hooi komen, want ze hadden te
veel slaap. Maar Pirlapan zette zoo'n vreeselijke bulderstem op, dat
de een na de ander voor de dag kwam, soms wel vijf of zes te gelijk,
en na 'n uur waren ze allemaal tot vertrekken gereed.
En nu ging het in draf weer 't bosch door, de heele nacht. De wolven
liepen van angst naar alle kanten weg, ofschoon de reuk van al die
paarden hen verlokkend in hun wolvenneuzen kittelde. Bij 't aanbreken
van de dag stond de heele troep aan de ingang van 't woud, waar Abé
eenigen tijd geleden ook gestaan had. De soldaten mochten 'n poosje in
't gras gaan liggen, als ze hun paarden verzorgd hadden. Dieren en
menschen hadden allemaal rust en voedsel noodig. Pirlapan en Karibo
hielden samen onderhand krijgsraad. Pirlapan stelde voor de heele troep
te verdeelen in kleine patrouilles, ieder met 'n Pirlapan of een van
Pirlapans vertrouwde strijdmakkers aan 't hoofd. Die zouden door alle
zijwegen kunnen naspeuren en aan alle woningen vragen of men daar
ook iets gehoord of gezien had van de jongen met de voelsprieten en
't witte paard.
Karibo keurde dat plan goed en Pirlapan begon maar dadelijk de
mannetjes in te deelen. Zoo kreeg hij twintig patrouilles van vijf man
onder aanvoering van hemzelf, z'n zoons en z'n eigen mannen. Karibo
zou bij de oude Pirlapan blijven.
Na 'n uur gingen de troepen op weg. Eerst bleven ze bij elkaar, maar
bij de eerste zijweg scheidde zich een patrouille af. Ze zouden 'n
uur ver de weg volgen, overal navragen en dan terugkeeren--behalve
natuurlijk als 't bleek dat de prins die weg genomen had. In dat
geval zou de patrouille nog verder gaan, maar één man terug zenden
om bericht te geven aan Karibo of Pirlapan.
Deze eerste troep bereikte na 'n kwartier reeds het huisje van moeder
Guldratsj, maar 't oude vrouwtje was niet thuis. De mannen loerden
naar binnen toen ze op hun herhaald kloppen geen gehoor kregen en toen
zag een van de Pirlapans de muts met de voelsprieten op 'n bank liggen.
"Hoera!!" schreeuwde hij. "We hebben hem al. Z'n muts ligt daar
op de bank." De heele patrouille verdrong zich voor 't kleine
venstertje om ook iets van de muts met de voelsprieten te zien. En
nu wees de jonge Pirlapan een van de mannen aan om zoo hard als 'n
paard rennen kon de blijde tijding aan Karibo en z'n vader te gaan
brengen. Misschien was de heele troep nog bij elkaar. Ze konden dan
met z'n allen terugkeeren. De ruiter sprong in de zadel en reed snel
weg. Z'n paard liep zóó hard, dat binnen 't half uur de hoofdtroep
reeds ingehaald was. Paard en man waren buiten adem. De man kon
echter nog heel goed z'n boodschap--'n blijde boodschap meende
Karibo--overbrengen en onmiddellijk gaf de oude Pirlapan bevel terug
te keeren. De boodschapper mocht achterblijven om uit te rusten met
z'n paard, maar ook om de tweede patrouille, die 'n andere zijweg was
ingeslagen bij haar terugkeer te kunnen meedeelen dat ze terug konden
gaan naar de hoofdtroep. Snel reden de mannen want Karibo was verbazend
ongeduldig. Hij dacht z'n jonge meester te zullen aantreffen. Toen
ze evenwel 't huisje bereikten zagen ze de achtergebleven mannen van
de patrouille in 't gras liggen. Ze bewaakten 't huisje. Er kon geen
muis in of uit.
"Wel," vroeg Karibo, die ook door 't venstertje geloerd had en de
muts dadelijk had herkend. "Heb jullie nog geen mensch gezien?"
"Niemand," antwoordde de jonge Pirlapan.
"Dan moeten we de deur maar eens open zien te krijgen," meende z'n
vader. "Dat zal wel niet moeielijk zijn. 't Mag eigenlijk wel niet
maar daar moeten we ons nu maar eens niet aan storen. Wat denk jij
er van Karibo.
"Wel ja," zei deze. "Ik zal 't zelf wel eens probeeren."
Hij duwde tegen de deur eerst zachtjes en toen wat harder, maar
't ging niet.
"Dat kan ik veel beter," zei toen de oude Pirlapan. "Ga eens op
zij. Je doet net of die deur schreeuwen zal. Op zij."
De deur vloog open. Pirlapan had er 'n trap tegen gegeven.
Karibo en hij gingen 't huisje binnen. De overigen verdrongen zich voor
de deur en voor 't venster. Pirlapan joeg hen gauw weg. Ze maakten
't in 't huisje pikkedonker. Nu zagen ze de muts, maar tot Karibo's
groote ontsteltenis ook de overige kleeren van Abé. Z'n roode schoenen
stonden onder de bank. En binnen in de muts zag Karibo 'n bloedvlek.
De oude man werd doodsbleek. En Pirlapan die de muts nu ook
nauwkeuriger bekeek zei wat benauwd:
"Ik ben bang dat er iets met de prins gebeurd is Karibo ... En ik
vrees niet veel goeds."
"O ... o ..." zuchtte Karibo, "had ik hem toch maar niet alleen
achtergelaten. Arme jongen."
En Pirlapan zei:
"Ik heb net zooveel schuld als jij man. Ik had hem niet alleen moeten
laten vertrekken."
"Da's niet waar Pirlapan. Jij hoefde niet op hem te passen en je wist
ook niet dat 't prins Alphabet was."
"Prins of niet," bromde Pirlapan, "ik had die aardige ferme jongen
moeten beletten alleen verder te reizen." "'t Is mijn schuld nog meer
dan de jouwe. Maar ik dacht ... och wat komt 't er ook op aan wat
ik dacht. Ik vergeef 't mezelf nooit ... en als ie dood is, heb ik
't op m'n geweten."
Karibo schudde 't hoofd.
"Mijn schuld is het ..."
Ze zwegen allebei en de mannen buiten, die weer door 't venstertje
loerden fluisterden met elkaar, want ze zagen wel aan Pirlapan en
Karibo dat de zaak niet in orde was. En ze letten er geen van allen
op dat 'n oud vrouwtje op d'r stok geleund langs de weg kwam aanloopen
zoo snel ze kon. 't Was moeder Guldratsj, die al de mannen en paarden
bij haar huisje ziende, zoo gauw mogelijk voortmaakte om te weten
wat er aan de hand was.
"Wel, wel," riep ze met d'r oude stemmetje, "wat 'n menschen voor
moeder Guldratsj hutje ... Heere ... me deur open. Op zij ... op zij
... wat hebben jullie in mijn huisje noodig?"
De soldaten keken verwonderd op, ze hadden haar niet gehoord vóór ze
vlak bij was. Maar ze lieten haar gewillig door.
Moeder Guldratsj ging gauw naar binnen, maar bleef in de deur
staan toen ze die twee mannen zag, die Abé's kleeren stonden te
bekijken. Karibo had zich net gebukt om de roode schoenen op te
nemen. Die hield ie nu in de hand. Moeder Guldratsj stond met de mond
open van verwondering en 'n beetje van schrik.
De oude Pirlapan merkte haar 't eerst op.
"Ha," riep hij, "daar is iemand."
Nu keek Karibo ook op en zag 't oude vrouwtje scherp aan en dadelijk
vroeg hij:
"Hoe komen die kleeren hier?"
"Och, och ..." zei 't vrouwtje alleen maar. Ze begreep dat daar
misschien Abé's pleegvader stond, waarvan hij verteld had ... maar
ze had ook de soldaten daar buiten herkend als diegenen die ze 'n
paar dagen vroeger voorbij had zien gaan over de groote weg, die 'n
prins gingen afhalen en dat alles bij elkaar maakte haar verward. Ze
kon er geen touw aan vastknoopen.
"Spreek, ouwe heks!" brulde Pirlapan, die gauw woedend was, en daar
schrok 't oude menschje zoo hevig van, dat ze zich aan de deurpost
moest vasthouden. Was me dat ook 'n stem en zoo heel onverwacht!
"Kom moedertje," zei Karibo veel zachter, want hij kreeg plotseling,
hij wist zelf niet waarom, meelijden met 't verschrikte vrouwtje,
"zeg nu maar gauw hoe jij aan die kleeren komt."
"Och heer ..." antwoordde moeder Guldratsj ... "die zijn van 'n
jongetje, dat ik verpleegd heb ... Hij is nou weg om z'n pleegvader
op te zoeken ... heelemaal naar Pomfriet."
"Praatjes," bulderde Pirlapan opnieuw. "Hoe kan hij nou zonder kleeren
naar Pomfriet op weg zijn. Je liegt, wijf."
Moeder Guldratsj was wel oud, maar bij de pinken. Ze had nu ze 'n
beetje over de eerste schrik heen was niet zoo'n groote vrees meer voor
de bromstem van Pirlapan en ze zei kalm hoewel nog een beetje beverig:
"Ik spreek de waarheid heer. Abé vond ik op de weg met 'n wond in
z'n hoofd. 'n Gauwdief had hem met 'n stok geslagen en z'n paard
geroofd. Toen heb ik de arme jongen mee genomen naar mijn huisje en
daar is hij gebleven tot hij beter was. Toen kon ik hem niet meer
houden. Hij wilde met alle geweld naar z'n pleegvader toe."
"Die pleegvader ben ik," zei Karibo. "Ik begrijp het al," ging hij
voort tot Pirlapan. "Toen ik met die Pomfrieters hier in de buurt
voorbij reed, was hij hier. Maar vertel me eens vrouwtje, hoe komt
't dat ie z'n eigen kleeren niet aangehouden heeft?"
"Och heer, de arme jongen had geen cent ... en nu dacht ik dat ie
in minder voorname kleeren misschien makkelijker Pomfriet zou kunnen
bereiken ... Hij heeft kleeren aan van mijn kleinzoon."
"'t Is wat moois," bromde Pirlapan, "de keizer van Huk in 'n
boerenpakje als 'n bedelaar op weg naar zijn eigen hoofdstad zonder
'n cent ..."
Moeder Guldratsj zette groote oogen op, toen ze dat hoorde. Abé keizer
van Huk! Hoe kon dat nou ...
"Keizer van Huk!" prevelde ze. "En wist ie dat dan zelf niet?"
"Nee ... ja ..." zei Karibo ... "Hoe bedoel je dat eigenlijk?"
"Wel," zei moeder Guldratsj, "toen ik hem vertelde, dat er 'n groote
stoet onderweg was om de nieuwe keizer van Huk te gaan halen, ... prins
Alpa ... Alpi ... ik kan die naam maar niet onthouden."
"Prins Alphabet, moeder," zei Karibo.
"Precies ... nou toen zei de jongen heelemaal niet, dat hij dat was."
"Dat kon ie ook niet, want hij weet niet, dat ze hem hier prins
Alphabet noemen."
Moeder Guldratsj begreep er niet veel van--en Pirlapan zei alleen maar:
"Zoo, weet ie dat niet! Hoe lang is de prins al hier van daan?"
"Twee dagen geleden heer ..."
"Wat denk je Pirlapan," zei Karibo, "zouden we maar niet dadelijk
opbreken? We hoeven nu maar langs de groote weg naar Pomfriet te
zoeken. En wij moeten hem inhalen ... Wij zijn te paard en hij te
voet ... Moedertje hoe zien die kleeren er uit die hij aanheeft?"
"Bruin, heer. Zooals de boeren hier veel dragen."
"Laten dan je mannen maar opstijgen Pirlapan," zei Karibo. "Ik hoop
dat we hem vandaag nog vinden."
"Ik ook," zei Pirlapan.
Hij gaf bevel te paard te stijgen aan de soldaten, maar voor ze weg
reden, sprak hij zacht 'n paar woorden met 'n paar van z'n eigen
mannen. Die twee reden niet mee.
"Wat doe je Pirlapan?" vroeg Karibo, toen hij dat zag.
"Och," antwoordde die. "'t Is mogelijk dat die oude heks alles
gelogen heeft. Ze kon best diefjesmaat zijn met die kerel die hem
z'n paard ontstal... Nou laat ik haar maar zoolang opbergen in mijn
kasteel. Vinden we prins Alphabet niet ... dan heb ik tenminste háár
in m'n vingers en dan zal ze 'n beetje beter de waarheid moeten zeggen
of ik heet niet Pirlapan."
Hij zei dat allemaal grimmig en Karibo begreep, dat tegenspreken niet
veel zou helpen. Hij geloofde 't verhaal van 't oude vrouwtje wel,
maar ... 't zou toch kunnen zijn dat Pirlapan gelijk had.
Snel reden ze. En iedereen, die ze tegen kwamen werd scherp
ondervraagd. Maar zonder resultaat. De een had niets gezien en 'n
ander twee boerenjongens tegelijk, 'n derde had er een op 't land
zien werken en 'n vierde was er een op 'n paard tegengekomen. Maar als
Karibo dan vroeg of degene die ze gezien hadden lang zwart haar had,
schudden ze 't hoofd. 'n Jongen met lang zwart haar waren ze geen
van allen tegen gekomen.