Waarin Karibo 'n belangrijk persoon wordt, de burgemeester van
Pomfriet 'n toespraak houdt en Abé 't hoe langer hoe slechter
krijgt.
Karibo had 't er op z'n reis naar Pomfriet beter afgebracht dan
Abé. Hoe meer hij die stad naderde, des te vroolijker werd z'n gezicht
en toen hij er op 'n avond net veertien dagen nadat hij Cobalt verlaten
had aankwam, had hij 't wel willen uitschreeuwen van pleizier. Hij
glom van genoegen en toen hij de poort wilde doorrijden en 'n paar
gewapende mannen hem zoo maar pardoes gevangen namen, kwam z'n heele
gezicht vol rimpels van 't lachen, net alsof hij 't wel 't prettigste
vond dat hem overkomen kon.
Dat kwam door alles wat hij onderweg had hooren vertellen. Eerst toen
hij nog ver van de hoofdstad af was, waren 't maar vage geruchten. De
menschen bij wie hij 's avonds aan de haard zat, als hij voor de nacht
hun gastvrijheid had ingeroepen, praatten over wat er in Pomfriet
allemaal gebeurde. De keizer die nu twaalf jaar geregeerd had, had
't de Hukkers niet erg naar de zin gemaakt. Hij bestuurde 't land
dan maar heel slecht. Dat kon keizer Napo, die ze weggejaagd hadden,
veel beter. En nu was 't zoo erg geworden, dat de Pomfrieters genoeg
begonnen te krijgen van hun keizer met z'n moeilijke naam en weer
terug verlangden naar hun goeden keizer Napo. Maar heel zeker wisten
de menschen 't toch ook niet. Pomfriet was zoo ver weg en je kon toch
ook niet alles gelooven wat er alzoo gemompeld werd.
Karibo reisde dan maar weer verder de volgende morgen. Met iedere
dag waren de geruchten stelliger en Karibo's gezicht vroolijker. En
toen hij nu eindelijk Pomfriet bereikt had en de stad niet maar zoo
in mocht was z'n plezier volmaakt. Die mannen die hem gevangen namen
hielden hem voor 'n spion van die gehate keizer, die ze uit Pomfriet
verjaagd hadden en die nu ergens in de nabijheid in 'n kasteel op 'n
gelegenheid loerde om z'n hoofdstad weer te veroveren en de Pomfrieters
betaald te zetten wat ze aan hem misdreven hadden. De goeie man dacht
er waarschijnlijk niet aan dat Boontje wel eens om z'n loontje komt
en dat 't hem nu net ging als twaalf jaar geleden z'n oom Napo.
"Waar kom je vandaan en hoe heet je?" vroeg hem iemand die wel wat op
'n officier leek en naar wie de mannen Karibo gebracht hadden.
"Ik heet Karibo, daar hoef ik geen geheim van te maken, maar waar ik
vandaan kom, dat vertel ik je liever niet."
"Dat zullen we je wel leeren man," zei de officier, "en als blijkt
dat je 'n spion ben van Sutrebor dan is 't gauw met je gedaan. We
maken korte metten met zijn aanhangers. Heeft de gevangene papieren
bij zich?"
"Hier is z'n zadeltasch," zei een van de mannen. "Daar zal wel wat
in zitten."
"Geef hier, dan zullen we wel eens zien."
"Wat ik zeggen wil," zei Karibo lachend,--'t leek wel, dat hij
verbazend veel schik in 't heele geval had--"voor je mijn tasch open
doet en gaat snuffelen in dingen, waar je geen steek mee te maken hebt,
wil ik je wel even waarschuwen. 't Is allemaal voor je eigen rekening,
hoor. Je zal de gevolgen zelf moeten dragen."
"Geen praatjes. Geef op de tasch."
"Je blijft er af," zei Karibo. "Nou weet je 't. Stuur die twee
kereltjes maar even weg, dan zal ik je vertellen, wat je weten mag,
maar meer ook niet."
Karibo keek nu heel ernstig en z'n ondervrager scheen te begrijpen,
dat hij misschien wat anders dan 'n spion van Sutrebor voor zich
had. Hij zond z'n gewapende mannen weg en zei toen:
"Ik luister. Wat heb je te zeggen."
"Wie gebiedt er hier in de stad?" vroeg Karibo.
"De burgemeester ..."
"Breng me dan bij hem."
"Waarom. Zeg me eerst, wat je bij hem wilt doen. Je kan wel 'n
sluipmoordenaar zijn of zoo iets."
"Je mannen hebben m'n zwaard afgenomen en m'n mes. Meen je, dat ik
de burgemeester met m'n pink kan doodsteken? Maar ik wil je wel iets
zeggen, doch je mag 't aan geen mensen zeggen: Ik kom van keizer Napo."
"Wat zeg je, man?... Belachelijk ... Denk je, dat ik dat maar zoo
geloof?"
"Ken je 't keizerlijk zegel? Hier is 't."
En uit den tasch nam Karibo 'n pak met rood lint ombonden perkamenten,
waaraan verscheidene waszegels hingen, die hij de man onder z'n
neus hield.
"Ik ga zelf met je mee," zei de officier. "De zaak schijnt me
belangrijk genoeg. Hoe maakt de keizer het?"
"Dat zal je later wel hooren. Laten we nu maar voortmaken. De zaak
is van 't grootste belang voor Huk en er is haast bij."
Karibo kreeg z'n paard terug, maar niet z'n wapens en omringd van
gewapenden met de aanvoerder, die hem ondervraagd had, voorop, reden
ze in galop door de volle straten van Pomfriet. De menschen stoven
bij 't naderen der wilde ruiters verschrikt uit elkaar en keken dan
nieuwsgierig de stoet na tot er een riep: "'t Is een gevangene," en
'n ander: "'n spion." Die 't ergst nieuwsgierig waren, liepen naar
't raadhuis en eer er 'n half uur verloopen was stond 't groote plein
stampvol. Er was 'n geweldige menigte Pomfrieters, die allemaal naar
't raadhuis opzagen, doch geen mensch wist, wat er eigenlijk aan de
hand was. Doch dat er iets gewichtigs moest plaats hebben, begonnen
ze toch allemaal langzamerhand in te zien. Telkens gingen er boden in
haast van 't raadhuis en dan zagen de menschen na eenige tijd de bode
weer terugkomen met een of ander voornaam persoon. Zoo ging 't 'n heele
tijd, doch toen konden de Pomfrieters 't niet langer uithouden. Ze
begonnen te schreeuwen en te joelen en eindelijk zonden degenen, die
vooraan stonden, iemand naar binnen om te vragen, wat er gebeurde. Toen
verscheen 'n oogenblik later de burgemeester op 'n balkon met Karibo
naast zich, die wel probeerde 'n plechtig gezicht te zetten, zooals
de burgemeester had, zonder dat 't hem lukken wou. Telkens begon
hij weer te lachen. En achter die twee zagen de toeschouwers nog
'n heele boel plechtige gezichten. Die waren van al de voorname lui,
die de burgemeester had laten ontbieden door z'n boden.
't Was plotseling doodstil op de markt. De burgemeester had met z'n
hand gewenkt, hij wilde wat zeggen. En toen hij 'n speld kon hooren
vallen begon hij:
"Pomfrieters, hier naast me staat 'n bode van keizer Napoleonidas,
de rest van z'n naam zeg ik wel eens op 'n andere keer als ik meer
tijd heb."
"Hoeraaaaaa!!!" brulde de menigte en 't duurde wel vijf minuten eer
de burgemeester weer stilte had. Karibo lachte met z'n heele gezicht,
maar hij kreeg het toch weer zoowat in de plooi toen de burgemeester
vervolgde:
"Jullie hoeft niet zoo te brullen, want de keizer is dood."
Nu werd 't eerst zóó ijselijk doodstil, dat iemand, die z'n oogen
dicht deed, zou hebben kunnen denken, dat ie heelemaal alleen op de
wereld was, en daarna kwam er langzaam 'n zwaar gemompel. Toen zei
de burgemeester weer:
"Maar z'n zoon, prins Abecé leeft ... en is reeds hier in 't land
... Deze man zal hem gaan halen ... Binnen veertien dagen kan hij
hier zijn ... en dan hebben we weer een wettige keizer ... Leve onze
nieuwe keizer Abecé I."
Nu weerklonk er zoo'n vreeselijk hoera, waaraan de burgemeester,
Karibo en allen, die in 't raadhuis waren, van harte mee deden, dat de
ruiten er van dreunden. En dat hield minuten lang aan. De menschen op
de markt begonnen te dansen en te springen hand aan hand en ze riepen:
"Leve Prins Alphabet!" en dat zongen in 'n wip alle Pomfrieters. 't
Nieuwtje was gauw van mond tot mond gegaan ... eer 't avond was wisten
alle menschen in de stad het. Er werden lantaarns opgezocht--en toen
't donker was brandden overal, op alle daken en torens en langs alle
vensters duizenden lichtjes ter eere van prins Alphabet. En dat was
juist op dezelfde avond, dat die arme jongen half dood op de weg
lag met 'n oud vrouwtje naast hem, die niet eens sterk genoeg was om
hem op te beuren en wachten moest tot hij weer bijkwam om hem mee te
nemen naar haar armoedig hutje.
Karibo was in z'n nopjes. Hij had niet kunnen denken dat Abé al zoo
gauw keizer van Huk zou worden en nu maakte hij natuurlijk hard voort
om zoo spoedig mogelijk z'n meester uit dat akelige nest aan de grens
te gaan halen. 'n Keizer die in 'n herberg logeerde, dat kwam niet te
pas en de burgemeester en de andere voorname lui in Pomfriet waren
't daar volkomen mee eens. Er werd 'n lijfwacht samengesteld uit de
beste soldaten en 't spreekt vanzelf, dat er ook heel wat anderen
meegingen. 't Moest zoo prachtig mogelijk worden. De soldaten waren
er echter bij, omdat de verjaagde keizer Sutrebor nog altijd vlak
bij was en ook nog te beschikken had over 'n leger. Als die er van
hoorde, dat prins Alphabet teruggekeerd was in z'n vaderland, dan kon
't wel eens gebeuren, dat die rare Sutrebor 'n poging zou doen om
de wettige keizer te pakken te krijgen. En daar moest niemand iets
van hebben.--Al hadden ze hem bespot toen ie pas geboren was--nu was
iedere Hukker in de hoofdstad 'n Alphabetter geworden.
De voornaamste persoon, de man die iedereen naar de oogen zag, was
opeens Karibo geworden. Hij had prins Alphabet teruggebracht naar
Huk, en hij was ook de eenige, die hem kende. Zonder Karibo zou
iederen jongen van twaalf jaar zich wel kunnen uitgeven voor prins
Alphabet. En Karibo vond 't wàt aardig. Maar hij dacht daarbij toch
wel heel weinig aan zichzelf. Abé was bij hem nummer een en alles wat
ie deed geschiedde in 't belang van de zoon van zijn gestorven heer.
Karibo maakte het de burgemeester lastig genoeg. Die man was niet
gewoon alles met zoo'n geweldige haast te doen. Maar Karibo hield
niet van treuzelen en daar de burgemeester Karibo ook te vrind wilde
houden, gaf hij hem z'n zin maar en zoo kwam het dat twee dagen later
'n prachtige stoet onder 't gejuich van de Pomfrieters, de stad
verliet om de nieuwe keizer van Huk te gaan halen.
Karibo was de aanvoerder.
'n Pleziertochtje was 't niet. Daarvoor dreef de aanvoerder iedereen
tot te veel spoed aan. Maar de menschen schikten er zich in. Ze waren
vol ijver en toewijding. Overal waar de stoet langs kwam liepen de
menschen uit en van stad tot stad snelde de goede tijding van de
terugkeer van Prins Alphabet als 'n loopend vuurtje door 't land van
Huk. En overal werd de stoet met gejuich ontvangen, want de Hukkers
waren in hun hart toch altijd trouwe onderdanen gebleven van keizer
Napo.
Moeder Guldratsj, zoo noemde de menschen 't oude vrouwtje bij wie
Abé met 'n ferme buil op z'n hoofd en tamelijk veel pijn d'r in,
nu al acht dagen verpleegd werd, alsof ie haar eigen kleinzoon was,
kwam op 'n goede avond thuis met 't groote nieuws. En ze had zelf
met d'r eigen oogen de stoet gezien, die als 'n leger met blinkende
zwaarden, in de zon schitterende lansen en wapperende banieren langs
haar heen gegaan was op de groote weg. Abé had 't rumoer moeten hooren,
al lag 't hutje van moeder Guldratsj 'n eind 't land in. Maar Abé
had niemendal gehoord, omdat ie lekker geslapen had. De goede vrouw
raakte niet uitgepraat over wat ze gezien en gehoord had, doch Abé
begreep er niet veel van.
"Wel, jongen," zei moeder Guldratsj 'n beetje ongeduldig. "'t Zijn
allemaal Pomfrieters en die gaan de nieuwe keizer halen."
"Moeten ze dan nu al weer 'n andere keizer in Huk hebben?"
"Dat weet ik niet ... maar ze zeien 't."
"En wie is die nieuwe?" vroeg Abé, terwijl hij erbij dacht dat de
eenige die er recht op had het te zijn, hij zelf was. Maar dat kon
hij moeder Guldratsj niet vertellen, en al deed ie 't dan zou 't
goede mensch hem toch niet gelooven.
"Wie die nieuwe keizer is? Wel ... hoe noemden ze 'm ook weer ... prins
Alpaka ... nee dat was 't niet ... è ... kom nou ... ik wist 't toch
zoo goed ... prins ... e ... Alpevet ... Alpa ... Alphabet ... dat is
't. Prins Alphabet."
"Ken ik niet," zei Abé.
"Nou nog mooier ... hoe zou je ook. Wat weten wij gewone menschen
nou van prinsen af ... En wat gaat 't ons ook eigenlijk aan hè? Je
ziet er veel beter uit vandaag ... Niet veel pijn meer?"
"Heelemaal niet, moeder Guldratsj. Je hebt me gauw beter gemaakt en
ik hoop je daarvoor nog eens te beloonen."
"Gekheid jongen ... Ik wil geen belooning. Of je moest me willen
beloonen door bij me te blijven ..."
"Dat kan niet moeder Guldratsj. Ik moet m'n pleegvader Karibo
terugvinden."
"Maar jongen ... hoe wil je dat doen zoo heel alleen ... zonder geld
... zonder paard ... Je komt nooit in Pomfriet. Had ik maar geld,
dan kreeg je 't met alle liefde ..."
"Ik moet er toch heen. Morgenvroeg ga ik op stap."
"En hoe wil je aan eten komen onderweg?"
"D'r zijn toch nog wel goede menschen in Huk, moeder Guldratsj. Jij
ben er een van en Pirlapan is er nog een."
"En die vent, die er met je paard vandoor is en je voor je goedheid
'n klap met 'n knuppel gaf, is er zeker ook een!"
"Nee, die niet ... dat was 'n gemeene vent. Maar geen mensch kan me
nu nog wat afnemen, want ik bezit niemendal en dus loop ik nu ook
geen gevaar meer, dat zoo'n schurk me weer 'n tik zal geven."
"En je mooie kleeren dan?"
"Ja, wat kan ik daar nu aan doen? Heb jij andere voor me? Dan trek
ik die aan. Maar dit mooie pakje zal gauw genoeg versleten zijn als
ik er mee in weer en wind marcheer en misschien nu en dan onder de
bloote hemel moet slapen."
"Ik zou je toch misschien wel aan een gewoon pak kleeren kunnen
helpen. Ik heb nog wat bewaard, dat vroeger van m'n kleinzoon
was ... Da's lang geleden. Al m'n kinderen zijn al dood en m'n
kleinkinderen ook. Ik heb ze allemaal overleefd. Wil je 't eens
aanpassen?"
"Heel graag moeder Guldratsj. En dan bewaar je deze hè, tot ik ze
bij je terug kom halen."
"Da's goed mijn jongen."
En nu ging Moeder Guldratsj in 'n groote kist op zolder aan 't
snuffelen en ze kwam terug met 'n bruin, heel ouderwetsch jongenspak,
zooals de Huksche boeren in die streek nog wel droegen. Abé paste
het aan en 't zat hem gemakkelijk, want 't was hem 'n beetje wijd.
"'t Gaat best moeder Guldratsj."
"Dat doet me plezier jongen ... keer je eens om ..."
"Wat doe je nou moeder Guldratsj?" vroeg Abé. "Huil je?..."
"Je lijkt ... precies ... op hem ... van achteren."
"O" ...
In dat boerenpakje vertrok Abé de volgende morgen, 'n heel eind
weggebracht door moeder Guldratsj. Over z'n schouder had hij 'n
grove zak aan 'n touw met 'n groot bruin brood er in, en in z'n
hand 'n stevige knuppel. Dat was z'n staf maar tevens z'n wapen. De
keizerlijke prins was nu zoo arm als 'n kerkrat.
"Goeie reis, m'n jongen," zei moeder Guldratsj. "Al rechtuit maar."
"Dag moeder Guldratsj. Ik kom vast bij je terug hoor."
"Ik hoop het m'n jongen ... Dàg!"
"Dag!!"
Zoo wandelde zijn majesteit de keizer van Huk, want dat was Abé nu
toch, al wist ie er zelf niemendal van, als 'n gewone boerenjongen
de weg op naar Pomfriet, terwijl de groote heeren en de prachtige
lijfwacht van dappere soldaten onder aanvoering van Karibo, precies
de andere kant op waren.
Hij was lang niet zoo vroolijk gestemd als toen hij nog op z'n groote
witte paard zat, maar verdrietig was hij toch ook niet. 't Was mooi
weer en nog lekker koel, want 't was nog heel vroeg. 'n Uur of acht
loopen dat kon heel best meende Abé. Hij zou natuurlijk onderweg
nu en dan eens moeten rusten, doch dat moest 'n ruiter evengoed als
'n voetganger. De reis zou alleen 'n beetje langer duren, doch hij
hoopte er op dat ie Karibo wel tegen zou komen. Moeder Guldratsj
had iedere dag goed uitgekeken als ze op 't land werkte. Dan kon ze
de weg en iedereen die er langs kwam zien. Abé had haar duidelijk
uitgelegd hoe Karibo en z'n paard er uit zagen. Maar die goede vrouw
had niets gezien, behalve dan de stoet die de nieuwe keizer tegemoet
reisde. Karibo moest ie dus tegenkomen. Dat gaf hem moed. Voortdurend
keek hij uit en bij iedere ruiter die hij in de verte zag aankomen,
dacht ie, dat zal hij zijn. Hij ontmoette er die dag gelukkig maar
twee, want die teleurstelling was toch niet prettig. En 't loopen viel
hem ook niet mee. 't Werd verschrikkelijk warm en zoover hij zien
kon was er geen boom langs de weg. Dat brood begon ook te wegen. 's
Morgens had hij 't heel niet gevoeld, maar later op de dag nam hij 't
telkens op de andere schouder. 't Touw deed hem pijn. Tegen de middag
vond hij 'n armzalig struikje dat 'n beetje schaduw gaf. Daar kroop
hij achter. Z'n oogen vielen haast toe van moeheid, maar hij durfde
niet te gaan slapen uit vrees, dat juist als hij sliep Karibo voorbij
zou kunnen komen. En die droge stukken brood met 'n slok lauw water
dat smaakte hem toch eigenlijk ook niet erg. Zijn voeten begonnen hem
pijn te doen. Z'n gemakkelijke roode schoenen van zacht leer had ie
bij moeder Guldratsj gelaten. Die pasten niet bij z'n boerenpak en
inplaats daarvan had hij 'n paar lompe harde leeren dingen aan, die
'm nog te groot waren ook.
Toen ie misschien 'n paar uur gelegen had, was ie 'n beetje uitgerust,
doch nu speet het hem, dat ie maar niet was gaan slapen, want er was
geen levende ziel voorbijgekomen. Hij ging maar weer wandelen en
was zoo verstandig geweest schoenen en kousen uit te trekken. Dat
was frisscher en nu had hij geen last van die schoenen aan z'n
voeten. Doch nu bengelden die dingen naast 't brood op z'n rug. Dat
was ook niet gemakkelijk. Er was echter niets aan te doen en Abé liet
ze dus maar bengelen.
Uur na uur stapte hij door tot hij bijna niet meer kon. Huizen waren er
niet te bekennen in de omtrek en er zat dus niets anders op dan maar
onder den blooten hemel te overnachten, als 'n landlooper. Gelukkig
stroomde er 'n beekje door 't korenveld, waarin hij z'n waterkruik
kon vullen en z'n voeten wasschen. Daarna ging hij in 't gras langs
de weg liggen. Hij was te moe. Als hij ergens 'n woning gezien had,
zou hij 't nog geprobeerd hebben, die te bereiken, al was 't 'n uur
ver geweest. 't Was nog niet donker, maar verder loopen gaf nu toch
niemendal.
Z'n oogen vielen al gauw toe, maar voor hij insliep bedacht hij toch,
dat 't misschien maar verstandig geweest was bij moeder Guldratsj
te blijven. Dan had hij nu lekker in 'n bed geslapen en hij had daar
beter op Karibo kunnen wachten, dan hier in 't gras langs de weg. Hij
zou morgen vroeg maar weer terug loopen naar 't oude mensch dat hem
zoo graag gehouden had.
Toen hij de volgende morgen tegelijk met de leeuweriken ontwaakte,
de zon was nog niet op, dacht hij er echter heel niet meer aan
terug te keeren naar moeder Guldratsj. Hij was heelemaal uitgerust
en hij beet in 't droge brood of 't koek was. Die dag zou hij zeker
Karibo ontmoeten en moedig stapte hij op z'n bloote voeten maar weer
verder. En hij wandelde uren ver en 't ging hem net als de vorige
dag. Hoe hooger de zon aan de hemel steeg des te lager zakte de
blijheid en de hoop van Abé. Hij werd weer doodmoe en verdrietig. Doch
een ding trof hij beter. In de namiddag bereikte hij 'n dorp en daar
wilde hij probeeren voor de nacht een onderkomen te vinden. Hij zou
maar eens hier of daar aankloppen. En dus stapte hij op 't eerste huis
't beste af.