Waarin Abé kennis maakt met de Pirlapans, 'n overwinning behaalt
en z'n paard kwijt raakt.
De man bracht Abé in 'n groot koel en somber vertrek. De wanden waren
van ruwe steen. Hier en daar hing 'n roestig stuk van 'n wapenrusting
of 'n oud zwaard. In 'n hoek stonden jachtsperen. Op de rood en blauw
steenen vloer, net 'n schaakbord, stond 'n ruwe eikenhouten tafel en in
'n hoek 'n zware kist die tegelijk voor bank dienen kon. Om de tafel
geschikt waren lange banken, waar 'n heele boel menschen te gelijk
konden aanzitten. Onder 'n hooge schouw brandde 'n geweldig vuur van
zware houtknoesten, en nog was 't in die wijde kamer kil ofschoon
't die dag nog al warm geweest was op de mullige weg.
De man schoof 'n bank voor de haard en noodigde Abé uit naast hem te
gaan zitten.
"Ziezoo," zei hij, "terwijl we wachten op ons avondeten, kunnen we
'n poosje praten. Je ziet er moe uit. Lang gereden?"
"De heele dag en de heele nacht," antwoordde Abé. "Ik ben uit Cobalt
gevlucht."
"Gevlucht?" vroeg de man ongeloovig. Hij vond zeker dat Abé er niet
uitzag als iemand die vluchten moest omdat ie wat op z'n geweten had.
"Ja, de stad stond in brand."
"Cobalt in brand?"
"'t Zal wel heelemaal in de asch gelegd zijn. 't Brandde aan alle
kanten. Toen ben ik er van door gegaan."
"En je familie dan?"
Abé schudde eventjes z'n hoofd, "'k Heb geen familie. M'n pleegvader
is op reis naar Pomfriet en nu zal ik maar zien dat ik ook daar kom."
"Zoo.... zoo...., wou je alleen naar Pomfriet.... Je durft 'n boel
jongen."
"Is dat dan zoo gevaarlijk?"
"De weg is lang en er is tegenwoordig veel slecht volk. Struikroovers
zijn er maar genoeg. Die zullen je zeker niet met rust laten. En wat
wou je alleen doen tegen zulke schurken?"
"O," zei Abé "ik ben niet bang en ik kan vechten."
Hij legde dapper de hand op 't zwaard, dat ie in z'n gordel droeg.
De gastheer lachte.
"Kijk eens daar tegenover je aan de muur. Daar hangen andere
ijzers. Die heb ik vroeger gehanteerd toen we met onze goede keizer
Napo in de strijd gingen. Wat wou je met zoo'n klein ding doen als
er eens iemand kwam met zoo'n wapen?"
"Niet veel," zei Abé, naar de roestige zwaarden aan de wand kijkend.
"Dat geloof ik ook ... en dus is 't maar beter, dat je niet alleen
naar Pomfriet reist hè?"
"Maar dan vind ik Karibo niet."
"Heet je pleegvader zoo? ... Karibo ... Karibo ... Waar heb ik die naam
meer gehoord ... Karibo ... Wacht eens, ik weet 't al ... Keizer Napo
had 'n dienaar die zoo heette. Een van de twee, die met hem meegegaan
zijn naar dat vreemde land. 'k Zou wel eens willen weten wat er van
hen terecht gekomen is. 'n Reiziger vertelde eenige tijd geleden,
dat de keizer ... ik bedoel de vroegere ... gestorven is. Maar wat
er van z'n zoon gegroeid was wist ie niet, en van die twee dienaren,
die hem gevolgd waren in z'n verbanning, ook niet. Maar dat zal je
weinig kunnen schelen, denk ik ... Je hebt ook genoeg met je zelf te
doen ... Ik zal je een goede raad geven. Blijf hier. Je pleegvader
moet toch hier langs komen. We zullen wel naar hem uitkijken. Zooveel
menschen komen hier bovendien niet voorbij. We zullen hem zeker
zien. Dat is beter dan zoo alleen naar Pomfriet te reizen hè?"
"'t Is heel vriendelijk van je," zei Abé. "Doch ik reis toch
morgenvroeg maar liever verder. Ik moet m'n pleegvader zoo gauw
mogelijk ontmoeten."
"Verbeeld je," dacht hij, "dat Karibo hier komt en die vriendelijke
gastheer herkent hem! Nee hoor. Dat gaat niet."
"Je moet 't zelf weten m'n jongen. Maar als ik wat over je te zeggen
had ging je niet, dat wil ik je wel verzekeren. Je hebt zeker geld
bij je hè? Nou daar loeren die gauwdieven op."
"Dan komen ze van 'n koude kermis thuis," zei Abé lachend, "als ze
dat denken. Ik heb bijna geen rooie duit. Mijn pleegvader heeft alles
meegenomen. Tenminste in z'n zadeltasch, die ik nog gauw gered heb,
vond ik niemendal. En zelf bezit ik ook maar weinig."
"Lieve hemel jongen, dan is 't nog erger. Zonder geld kom je niet
veel verder. Geloof maar niet, dat er tegenwoordig nog veel menschen
in Huk zijn, die 'n reiziger voor niemendal te eten zullen geven,
vooral niet als je dichter bij de hoofdstad komt."
"Kom," zei Abé, "dat geloof ik niet. De eerste avond de beste vind
ik al 'n gastvrij man. De volgende dagen zal 't wel net eender zijn."
"'t Zal je tegen vallen, denk ik ... Maar doe je eigen zin. En nu
zullen we gaan eten. Ik hoor de jongens al aankomen. Je hebt zeker
honger hè?"
"Nou of ik."
"Dan doe je je best maar eens. Doch je zal 't wel niet tegen de vier
baronnen van Pirlapan uithouden denk ik. Die eten voor acht. Daar
zijn ze."
Abé keek nieuwsgierig naar de deur. Z'n gastheer had gesproken van
z'n vier jongens en hij noemde die de vier baronnen van Pirlapan
... Hij had z'n vader en Karibo samen wel eens hooren spreken over de
heldendaden van de baron van Pirlapan en z'n vader had erbij gevoegd:
als Pirlapan in de hoofdstad geweest was, toen 't oproer uitbrak,
dan had neef geen kans gehad om ooit keizer te worden. Pirlapan zou
die oproerige Hukkers wel tot rede gebracht hebben. Maar Pirlapan zat
op z'n kasteel ... En zou dit sombere huis nu 't kasteel zijn van de
beroemde baron en was die vriendelijke gastheer dat zelf?
De deur ging open. Abé was teleurgesteld. Dat leken eer boeren dan
baronnen. En er waren er minstens wel twintig. Ze praatten hardop en
lachten luidkeels en ze liepen met dreunende stappen. Met veel rumoer
lieten ze zich op de banken vallen.
"Hè, hè," riep er een, "'k ben blij dat ik zit. Is me dat sjouwen
zoo'n heele dag."
"We hebben vandaag maar dubbel gewerkt," zei 'n ander. "Morgen gaan
we op de wolvenjacht, vader. Ze hebben weer achter de schapen heen
gezeten."
"Zoo, dan zullen we hen morgen eens 'n lesje moeten geven. Maar jullie
hebt geloof ik nog niet eens gemerkt dat we 'n gast hebben. Hij is
uit Cobalt gevlucht. De stad is verbrand."
"Net goed," zei er een. "Die steden moesten allemaal in brand vliegen."
En nu begonnen ze door elkaar te praten over steden en stedelingen,
waar ze 't land aan hadden, en geen mensch lette op Abé, die met
verwondering van de een naar de ander keek. Hij wist nog altijd
maar niet wie nu eigenlijk de vier baronnen van Pirlapan waren. Maar
hij veronderstelde dat 't wel de vier jongsten zouden zijn, kerels
als boomen. Doch die andere mannen gingen met hen om alsof 't hun
gelijken waren. Alleen voor de oude baron hadden ze eerbied. Als die
sprak hielden alle anderen plotseling hun mond.
Toen werd er gegeten. 'n Paar kerels, die er niet eens al te zindelijk
uitzagen, brachten groote aarden schotels binnen met hompen vleesch
beladen en groote bruine brooden. Ieder sneed zich 'n dikke snede brood
met 'n mes dat ie in 'n schede bij zich droeg, en die boterhammen
dienden dan meteen voor bord. Vorken hielden ze er niet op na. Ze
gebruikten hun vingers. Tafellakens of servetten waren er ook al niet.
Abé zei niet veel. Hij luisterde en hij at. Hij had honger als
'n paard. Maar vergeleken bij 't overige gezelschap at hij maar
'n klein beetje.
"Wat heb ik je gezegd, Abé?" vroeg de oude Pirlapan lachend. "Dat is
nog eens eten hè?"
"O, ik ben nog lang niet klaar vader," zei 'n jonge Pirlapan, terwijl
hij 'n groote aarden kruik nogal hard op tafel zette, nadat hij
'n lange slok genomen had. "Dat duurt minstens nog 'n half uur"
Maar de anderen deden voor dezen Pirlapan niet onder. Abé kende
ze nu zoowat uit elkaar. En de overigen waren dienaren en tegelijk
strijdknechten van Pirlapan. De gastheer had Abé verteld, dat ze de
heele dag op 't land gewerkt hadden. Ze waren landbouwers, maar als
de nood aan de man kwam dappere soldaten.
"Niet waar jongens," zei Pirlapan, "als de keizer ons noodig heeft
dan gaan we met z'n allen, hè?"
"Of we," riepen ze door elkaar. "Maar niet voor deze keizer hoor. Wij
strijden alleen voor 'n echte keizer van Huk."
"Dan drink ik op de gezondheid van de toekomstige keizer van Huk,"
zei de oude Pirlapan plechtig en hij hief 'n zware kruik vol eigen
gebrouwd bier op. "Als die prins ooit terugkomt kan ie op ons
rekenen. Dan brengen wij hem naar Pomfriet."
"Hoera!" riepen ze allemaal en maakten 'n geweldig leven met hun
kruiken en hun messen en hun vuisten en hun voeten.
Prins Abé kreeg er 'n kleur van. Als ze eens wisten dat hij die
prins was!
"Nou jongens bedaar 'n beetje. Je moet niet vergeten, dat onze gast
'n stedeling is. Die is dat niet gewoon."
Allen keken Abé aan, die nog sterker kleurde. De jongste baron van
Pirlapan begon te lachen. Hij was niet veel ouder dan Abé maar hij
leek sterker.
"O, die stadsmenschen!" ... zei hij, alsof hem zoo'n gast uit de stad
niet eens de moeite waard was om er zich 'n beetje voor in te houden.
"Pas maar op," riep de oude Pirlapan ... "Onze gast heeft 'n zwaard
op zij."
Abé was 'n heel goeie jongen, maar dat lachen van die jonge boer maakte
hem toch kriebelig en hij keek hem allesbehalve vriendelijk aan. En
die keek ook al of hij groote lust had met Abé te gaan vechten. Maar
vechten met 'n gast, die aan je vaders gastvrije tafel zit, dat ging
nu eenmaal niet. 'n Gast was heilig en veilig, zelfs al was hij je
ergste vijand. Abé wou echter wel eens toonen, dat ie niet zoo'n
papieren stadsmannetje was en daarom vroeg hij aan zijn gastheer of
die 't goed vond, dat ze eens, als 't eten afgeloopen was, zouden
laten zien wie 't beste met de wapens kon omgaan.
"Nou m'n jongen," zei de oude Pirlapan vriendelijk, "daar heb ik
niets op tegen en m'n jongens en de overige mannen ook niet. We zien
allemaal graag 'n tweegevecht, al gaat 't dan ook niet in ernst. Maar
bedenkt je wel--wij Pirlapans zijn niet voor de poes."
"Om de drommel niet!" riepen de vier Pirlapans. En de overige
aanzittenden gaven hun instemming te kennen door met hun vuisten op
de tafel te slaan dat de kannen rinkelden, terwijl ze met hun ruwe
harde stemmen door elkaar riepen dat Pirlapan 't altijd won.
"Dan maar dadelijk," riep de jongste Pirlapan strijdlustig.
"Vooruit maar," schreeuwden de anderen. "Wij zullen onderhand wel
eten en drinken."
Dat beloofde 'n vroolijke avond te zullen worden. Eten en drinken
naar hartelust en onderhand zitten kijken naar 'n tweegevecht waarin
'n Pirlapan 'n jeugdige snoever uit de stad eens eventjes 'n lesje zou
geven, dat was iets dat niet alle dagen voorkwam in 't sombere huis.
Abé was bedaard opgestaan. "Windt je nooit op, als je de wapens
hanteert," had z'n vader hem geleerd. En Karibo riep altijd maar:
"Kalm Abé, kalm jongen. Je klappen komen veel beter aan als je 'n koel
hoofd houdt." Daaraan dacht hij nu ook. Heel kalm nam hij 't roestige
zwaard aan dat de oude Pirlapan hem lachend toereikte. Vader Pirlapan
zou 'n oogje op de strijd houden. Alles moest recht en eerlijk toegaan
en hij was 'n beetje bang dat z'n onstuimige zoon die arme Abé, die
misschien wel 'n beetje les gehad had in de wapenhandel maar 't toch
wel zou afleggen, wat al te ruw zou behandelen. Hij vond Abé 'n veel
te aardige jongen, zoo bescheiden, maar toch ook zoo moedig, om door
'n andere jongen, al was 't dan ook 'n Pirlapan, te worden toegetakeld.
De strijd begon. Ze mochten niet met de scherpe kant van de
zwaarden slaan, de zwaarden waren bot genoeg, maar dàt zou toch
op ongelukken uitloopen. Bovendien kan je elkaar nog zeer genoeg
doen met 't plat. Doch dat vond niemand erg. In die tijd waren de
menschen allesbehalve kleinzeerig en vooral niemand, die Pirlapan
heette. Abé wachtte z'n tegenstander af--doodkalm. De jonge Pirlapan
sloeg geweldig toe. Maar als hij nu misschien gehoopt had Abé al
dadelijk er onder te hebben, moest 't hem wel 'n beetje tegenvallen,
want Abé weerde al z'n slagen handig af. De jonge Pirlapan kreeg niet
anders om op te slaan dan Abé's zwaard. De toeschouwers hadden al
heel gauw het eten er aan gegeven. Ervaren strijders als zij waren,
zagen ze gauw genoeg dat ze de gast van Pirlapan 'n beetje te min
geschat hadden. Die jongen kon met 'n zwaard omgaan hoor.--Maar d'r
onder moest ie. De jonge Pirlapan was sterk als 'n beer, dat wisten
ze allemaal. Plotseling zagen ze echter iets gebeuren waar ze niet op
gerekend hadden. Abé die zich tot nu toe enkel maar verdedigd had,
wist nu wat hij aan z'n tegenstander had en begon op zijn beurt uit
te vallen. En nu waren de klappen voor Pirlapan.
De toeschouwers keken verbaasd toe. Eerst hadden ze voortdurend
geroepen: "Pirlapan! Pirlapan!" Dat was de kreet waarmee ze elkaar
aanriepen op 't slagveld. "Pirlapan!" Doch nu hielden ze hun mond
want ze zagen 't aankomen dat de jongste Pirlapan 't onderspit zou
moeten delven. Abé vocht kalm door en z'n onstuimige tegenpartij kreeg
klop. Had hij eerst nog vele slagen kunnen afweren, nu voelde hij
telkens 't plat van Abé's zwaard en die scheen maar heel niet vermoeid
te worden. Hij had 't vreeselijk warm, dat kon je zoo wel zien, maar
z'n arm bewoog zich nog even fel en zeker. En de jonge Pirlapan gaf
't op. De sterke beer kon z'n zwaard niet meer omhoog krijgen.
"Bravo!!" riep de oude baron van Pirlapan. En alle andere riepen:
"Bravo!"
Alleen de jonge Pirlapan, die op z'n kop gehad had stond verdrietig
en beschaamd tegen de muur geleund. Maar z'n vader ging naar hem
toe, lei hem de hand op z'n schouder en zei: "Kom jongen je hebt
't eerlijk verloren. Dat is geen schande. We hebben ons allemaal
in onze gast vergist." Z'n andere hand legde hij op Abé's schouder
en ging toen voort: "Je bent 'n flinke jongen Abé. Ik wou dat je 'n
Pirlapan was. Nu stel ik je nog eens voor de keuze: Blijf hier tot
je pleegvader terugkeert. En komt ie niet terug, wat in deze tijden
heel niet onmogelijk zou zijn, blijf dan voor goed bij ons. 't Land
Huk zal nog wel eens behoefte hebben aan mannen, die 't zwaard kunnen
voeren, als onze wettige keizer terugkeert, ik meen de zoon van keizer
Napo. Dan trekken alle Pirlapans mee naar de hoofdstad. Denk er nog
eens over na. En nu gaan we slapen."
Met veel minder drukte dan ze binnen gekomen waren verlieten de
Pirlapans 't vertrek. Ze wenschten de oude baron allemaal eerbiedig
goede nacht en ze keken Abé met heel andere oogen aan dan toen ze
binnenkwamen. Voor deze menschen was alleen iemand die sterk was en
vechten kon de moeite waard. Op de rest zagen ze met minachting neer.
Abé sliep die nacht in 'n torenkamer, die geen andere vensters had
dan 'n paar schietgaten in de dikke muur. Maar 't bed was warm en hij
zelf doodmoe. 'n Nacht en 'n dag te paard met 'n gevecht tegen zoo'n
stevige Pirlapan tot besluit, daar kon je 't mee doen. Nauwelijks lag
hij dan ook of hij sliep al. En hij werd niet eer wakker voor er de
volgende morgen op de deur gebonsd werd.
De jongste Pirlapan had geklopt en stapte nu de kamer in.
"'t Is al vier uur," zeide hij, "en ik heb al twee maal geklopt. Nou
heb ik geen tijd meer, want ik wou graag mee op de wolvenjacht."
't Klonk alles 'n beetje grommig, meende Abé en daarom vroeg hij:
"Ben je boos op me?"
"Heelemaal niet. Ik was gisterenavond 'n beetje moe toen we
begonnen. Ik was al om drie uur op geweest en had de heele dag in
't hooiland gewerkt. Daar kwam 't zeker van. Anders had je me er niet
onder gekregen."
"'k Denk 't ook," zei Abé lachend. "Ik was echter ook lang niet
frisch. Ik had de heele dag en de vorige nacht gereden ..."
"Hè?"
"Ja ..."
"Dan zou je 't misschien toch gewonnen hebben al was ik niet zoo moe
geweest ... Ga je mee op de wolvenjacht?"
"Nee ... ik ga zoo gauw mogelijk weer op weg om m'n pleegvader
te zoeken."
"Da's jammer hoor. Ik had graag gehad dat je maar heelemaal bij ons
gebleven was."
"Misschien kom ik wel terug. Als ik m'n pleegvader niet vinden kan,
doe ik 't zeker."
"En als je 'm wel vindt?"
"Dan weet ik 't niet. Dan zal ik wel moeten doen wat die over me
beschikt hè?"
"Ja, dat zal wel."
Ze gingen nu samen naar beneden, waar de heele familie al lang aan
't ontbijt zat. Eten was 'n geweldige bezigheid op Pirlapan. Ze
hadden geen van allen gauw genoeg. Doch toen ze klaar waren grepen
ze hun jachtsperen en gingen naar 't binnenplein waar groote honden,
door knechts vastgehouden, 'n geweldig leven maakten. De Pirlapans en
de anderen die meegingen, haalden zelf hun paarden uit de stallen en
'n oogenblik later, nadat ze eerst allen vriendelijk afscheid genomen
hadden van Abé, reden ze de poort uit. Dof klonk 't hoefgetrappel
over de valbrug.
"En ga je nu toch heen?" vroeg de oude Pirlapan aan Abé.
"Ja heer," zei deze. "Ik kan niet blijven, hoe graag ik 't ook deed."
"Nu om je de waarheid te zeggen, na wat ik gisterenavond gezien
heb, ben ik niet meer zoo bang voor je. Je zal je man wel staan als
't op vechten aankomt. Maar wees voorzichtig en op je hoede tegen
iedereen. Sommige menschen vallen iemand niet aan met 't zwaard in
de vuist. En dat zijn juist de gevaarlijkste."
"Dieven en inbrekers," zei Abé vol minachting.
"Die bedoel ik niet. Er zijn menschen die zich vriendelijk voordoen en
't toch niet meenen. Dat zijn de slimste vijanden. Pas voor die op."
"Natuurlijk zal ik dat doen, heer."
"Goede reis dan. Daar komt je paard. En als je ooit hulp noodig hebt,
kom naar Pirlapan."
"Ik zal 't niet vergeten heer, en dank voor uw gastvrijheid."
Vroolijk ging Abé weer op reis. 't Weer was prachtig en als de zon
schijnt voel je je van zelf prettig. Vooral wanneer je in de schaduw
kan blijven en dat kon Abé die morgen zooveel hij wou, want z'n weg
ging door het woud. Hij was vast overtuigd, dat ie binnenkort Karibo
wel zou ontmoeten. Hoe dat kwam wist ie zelf niet. 't Was maar zoo'n
idee. Bovendien hoefde hij die dag althans geen mensch lastig te vallen
om voedsel en z'n beurs behoefde hij evenmin aan te spreken. De oude
Pirlapan had hem 'n heele voorraad meegegeven. Zelfs voor 't paard was
gezorgd. Dat dier droeg 't brood voor z'n baas en haver voor hemzelf,
'n heele zak vol. Er was geen vroolijker ruiter in Huk dan Abé.
Pirlapan had hem nog eens, toen hij al te paard zat, gewaarschuwd toch
vooral op z'n hoede te zijn. "Moed kan je te pas komen, maar overmoed
is altijd verkeerd. Begeef je niet onnoodig in gevaar, mijn jongen."
Dat was hij ook niet van plan. Maar hij vond het nu toch eigenlijk wel
'n beetje mal, vooral van zoo'n dapper man, zoo'n beroemde Pirlapan,
om iemand te waarschuwen voor dingen, die iedereen van zelf toch
wel naliet. Doch dat hij er nog bij gezegd had, vooral op te passen
voor menschen, die er doodonschuldig uitzagen, dàt was bepaald
onbegrijpelijk.
De heele dag reed Abé door 't woud en bespeurde niets verdachts. Hij
ontmoette geen levende ziel, zelfs geen menschen met 'n onschuldig
gezicht. Dieren zag hij ook zelden en er moest toch wild genoeg in
't woud zijn. 'n Enkele maal meende hij wolven te hooren en omdat
't reeds tegen de avond liep spoorde hij z'n paard wat aan. In 't
bosch vond hij 't met zulke beesten er in nu juist niet geschikt om
er te overnachten. Pirlapan had hem gezegd, dat ie vóór de avond 't
eind van 't woud bereikt kon hebben, als hij niet te lang deed over
z'n middagmaal. Dat had hij dan ook maar vlug gedaan. Toen z'n paard
haver genoeg gegeten had was Abé met z'n dikke boterhammen al lang
klaar. Vlug was hij weer opgestegen en weggereden, maar om 't paard
te sparen had hij 't misschien wat al te dikwijls laten stappen. Nu
wilde hij z'n schade nog gaan inhalen. Als ie 't bosch maar achter
zich had, kon 't beest weer wat uitblazen.
De zon was nog niet onder toen Abé de rand van 't woud
bereikte. Vóór hem lag 'n naar beneden hellend land, dat zich heel ver
uitstrekte. Uren ver kon hij zien. Aan de gezichteinder, waar de zon
in goudgerande wolken onderging, lag 'n stad, wier torens en daken zich
donker tegen de gloeiende lucht afteekenden. Abé hield z'n paard in om
eens goed alles te bekijken en 't beest wat rust te gunnen. Nergens was
ook maar de geringste nevel te bekennen en ieder ding was duidelijk
zichtbaar. In die streek zou hij geen moeite hebben om onder dak te
komen. Overal zag hij woningen. Ook die tweede dag nam 'n goed einde.
Na 'n kwartiertje meende Abé, dat 't weer tijd werd om op te stappen
en 't paard dacht er zelf blijkbaar ook zoo over. Dit scheen ook blij
te zijn, dat 't bosch achter de rug was. Misschien had 't beest de
wolven ook bespeurd en dus was 't geen wonder dat 't vanzelf begon
te draven langs de helling naar beneden waar de veilige korenvelden
zich aan weerskanten uitstrekten.
Waar de weg 'n buiging maakte zag Abé plotseling 'n man aan de kant
van de weg uit 't gras opstaan. 't Moest een bedelaar zijn, want
hij zag er schunnig uit. De kleeding was erg gehavend en z'n gezicht
vuil en ongeschoren. Met uitgestrekte hand bleef hij staan. Abé hield
z'n paard in, en greep naar z'n zadeltasch. Geld wou hij de man niet
geven, hoe graag hij 't ook gedaan had, dat kon ie niet missen. Maar
brood had hij nog genoeg. De man strompelde op 't paard af. Och, och,
wat 'n ongelukkige kreupele was dat. Hij leek wel 'n verlamd been te
hebben en met moeite hinkte hij op 'n stok vooruit.
"Blijf maar staan," zei Abé. "Ik kom wel bij je."
Hij gaf hem van z'n boterhammen.
"Moet je nog ver?" vroeg Abé.
De man knikte.
"'k Kon haast niet verder," zei hij. "'k Heb de heele dag al geloopen,
maar 'n gezond mensch zou er nog geen halve dag over doen ..."
"Wil je 'n poosje op m'n paard zitten? Ik wil wel 'n uurtje
loopen. Misschien komen we dan wel ergens waar je overnachten kan."
De man keek Abé even aan, misschien wat verwonderd. Tenminste dat
dacht Abé. Zooiets werd hem dan ook zeker niet iedere dag gevraagd.
"Wat graag," zei de kreupele.
"Vooruit dan maar," zei Abé, vlug van 't paard springend. "Wacht ik
zal je even helpen opstijgen."
Doch dat was niet noodig. De man pakte 't paard bij 'n lok van
z'n manen, zette tot groote verbazing van Abé z'n lamme voet in de
stijgbeugel en zat in 'n ommezien in 't zadel. Abé greep naar de
teugel. Die kreupele deed toch wel 'n beetje raar. Maar 't was te
laat. De man hief z'n stok op en eer Abé er op verdacht was sloeg de
bedelaar hem zoo hevig op 't hoofd, dat de goedhartige prins zonder
'n kik te geven in 't zand van de weg neerstortte.
De struikroover keek niet eens naar de arme jongen om. Met 'n paar
knuppelslagen en 'n ruk aan de teugel werd 't paard in galop gezet
en de paardendief verdween in 'n oogenblik uit 't gezicht.
't Was al bijna nacht toen Abé z'n oogen opende en tot z'n groote
verwondering zag hij 'n oud uitgedroogd vrouwtje naast zich in
't zand van den weg geknield liggen, die z'n hoofd met haar dorre
beenige hand ondersteunde. Abé had hevige hoofdpijn en hij keek
't vrouwtje wezenloos aan.
"Hoe is 't nou met je, m'n jongen? Ik dacht eerst dat je dood
was. Hoe kom je zoo hier te liggen met zoo'n bebloed hoofd? Waar kom
je vandaan?"
Abé hoorde de vrouw praten maar hij gaf geen antwoord. Hij begreep
er niemendal van.
"Kan je opstaan?" vroeg 't vrouwtje weer. "Dan neem ik je mee naar
mijn huisje. 't Is hier vlakbij."
Abé probeerde 't. Het vrouwtje hielp hem zooveel ze kon. Maar ze leek
niet erg sterk. Toen Abé weer op de been was, scheen hem op eens weer
alles in de gedachte te komen.
"M'n paard," zei hij. "Waar is m'n paard." En hij keek hulpeloos
rond. 't Was om er meêlij mee te krijgen.
"Heb je 'n paard gehad?" vroeg 't vrouwtje vriendelijk. "Is 't op
hol gegaan?"
"Nee," zei Abé. "Die kerel is er mee weg ..."
"'n Wit paard? 'n Groot wit paard?"
Abé knikte.
"Dan heb ik 't gezien. Ik ben 't tegengekomen. 'n Kerel zat er op
... Net 'n roover."
"Dat is het," zei Abé al veel fermer. "Waar is hij heen? Ik moet
't terug hebben."
"Kom," zei 't vrouwtje. "Ga eerst maar met mij mee. Die vent is al
lang ver weg. Hij rende zoo hard hij kon. Hij sloeg er aanhoudend
met z'n stok op."
"Zoo'n gemeene vent," zei Abé. "'t Paard kreeg nooit klappen."
"En heeft ie jou ook zoo toegetakeld?"
"Met z'n stok" zei Abé. "Hè, alles draait voor m'n oogen."
Hij greep 't vrouwtje vast en dat nam hem heel zachtjes mee. Voetje
voor voetje en zoo bracht ze hem naar haar hutje, waar ze de arme
jongen heel gauw naar bed bracht.
Dat was wel noodig ook. Die gemeene schurk, voor wie Abé zoo goed
wou zijn, had hem leelijk geraakt.