EERSTE HOOFDSTUK.

Waarin Karibo op reis gaat naar de hoofdstad van Huk, 'n stad in

brand vliegt, Abé zonder eten en zonder geld 'n oude dienaar gaat

opzoeken, blij is dat ie 'n boterham krijgt en 'n vriendelijk

gastheer vindt.

Abé was heelemaal uit z'n gewone doen. Hij vond dat nieuwe leventje

in z'n eigen vaderland allesbehalve prettig. Die ouwe Karibo mocht

dan in z'n soort 'n buitengewoon voortreffelijk mensch zijn, maar voor

dagelijksch gezelschap van 'n jongen die gewoon was met schoolkameraden

te ravotten, daarvoor deugde hij geen zier. De oude man deed al 't

mogelijke om er bij z'n jonge meester de moed en de vroolijkheid in

te houden, doch dat lukte hem maar half. Abé zat soms wel 'n uur lang

stil naar buiten te kijken en dan dacht ie natuurlijk aan z'n kameraden

en dan werd z'n gezicht hoe langer hoe treuriger. Dat hinderde Karibo

geweldig, hij probeerde toch van alles. Hij ging met Abé wandelen of

paardrijden of zwemmen of hij leerde hem nieuwe kunststukken met de

wapens, waardoor je gemakkelijk 'n vijand er onder kon krijgen. Abé

deed gewillig alles wat Karibo voorstelde, doch vroolijker werd de

jongen er niet door.

't Zal wel beter worden als we maar eens in de hoofdstad wonen,

troostte Karibo eindelijk. 't Is hier ook zoo'n stil nest.

'n Stil nest was het. Een van de kleinste stadjes aan de grenzen van

Huk, waar je bijna nooit iemand op straat zag. 't Leek soms wel of

er heelemaal geen menschen woonden. 't Gras groeide er tusschen de

straatsteenen, doch dat was enkel maar op de markt, want in de nauwe

straatjes hadden ze de keien maar vergeten.

"Wanneer gaan we daar dan heen?" vroeg Abé. "We zitten hier nu al bijna

'n maand in dat dooie gat."

"Tja ..." zei Karibo ... "ik wou er eigenlijk eerst alleen heen

... Maar ik zie er tegenop om jou hier te laten. Dan krijg je 't nog

vervelender. En bovendien durf ik 't ook niet goed aan jou alleen

achter te laten. Ik moet op je passen. Dat heb ik je vader beloofd."

"Je kan geen twee dingen gelijk doen Karibo," zei Abé. "Naar de

hoofdstad gaan en op mij passen, als je me niet mee wil nemen, dat

gaat toch niet. Maar ik kan best op mezelf passen hoor. Ga jij maar

gerust heen. Hoe lang denk je dat 't duren zal?"

"Nou minstens 'n maand. 't Is 'n verbazend eind naar Pomfriet en

terug."

"Doe mij dan 'n plezier en ga dadelijk. Ik hou 't hier niet langer

uit. Ik zal me wel zien te vermaken zoolang. De herbergier en z'n

vrouw zijn beste menschen. Die zullen wel goed voor me zorgen."

"Goed, dan ga ik morgen vroeg."

Karibo zorgde er voor dat Abé 't in z'n afwezigheid goed zou

hebben. Hij besprak de zaak met de waard en de waardin en die beloofde

hem op Abé te zullen passen alsof het hun eigen zoon was. Tamelijk

gerust vertrok hij dan ook heel in de vroegte naar Pomfriet en nu

zat Abé heelemaal alleen.

Dat was schrikkelijk vervelend. Die Karibo was toch zoo'n slecht

gezelschap nog niet. Dat merkte Abé nu hij alleen was en hij verlangde

de tweede dag al naar de terugkomst van de oude dienaar. Dat zou 'n

slechte tijd worden om door te komen. Minstens 'n maand en niemendal

te doen. Iedere dag ging hij maar 'n poosje op z'n groote paard

rijden. Dat was tenminste nog iets. Maar je kon toch ook de heelen

dag niet rond blijven rijden. Nee, z'n vaderland leek hem heel geen

aardig land toe. Hij kon amper de menschen verstaan. Die spraken

Huksch, natuurlijk, op dezelfde manier als 'n Limburger Hollandsch

spreekt. 't Was gewoon 'n heel aparte taal, waar je minstens de

helft niet van begreep. En er gebeurde letterlijk niemendal in 't

stadje. Totdat er op 'n nacht brand uitbrak.

Toen kwam de heele boel in rep en roer. De menschen wisten wat

't beduidde als 't ging branden in hun huizen, die voor 't grootste

deel van hout waren. Ze trachtten te blusschen met emmers en tonnen,

want er waren geen brandspuiten, maar 't hielp niemendal deze keer. 't

Brandde hoe langer hoe harder. De eene straat voor en de andere na

ging er aan. Iedereen redde van z'n bezittingen wat hij kon. Overal

vluchtten de menschen met allerlei dingen uit de huizen weg, en toen

't al nader begon te branden in de buurt van de herberg waar Karibo en

Abé hun tenten hadden opgeslagen, maakte de waard en z'n huisgenooten

dat ze wegkwamen met alles wat ze mee konden sjouwen. Aan Abé dacht

niemand. Maar die was best in staat voor zich zelf te zorgen. Hij dacht

't eerst aan z'n paard. Zadelen kon hij 't als de beste en toen hij

dat gedaan had, pakte hij z'n boeltje en ook wat Karibo had achter

gelaten. Maar toen was 't ook hoog tijd, dat ie wegkwam. Twee huizen

van de herberg af stond overal de straat in lichte laaie ... Abé op

z'n groote paard ging er als de wind van door. De menschen die hij

voorbij holde sprongen gillend van angst op zij. Maar daar gaf Abé

geen steek om. In 'n paar minuten was hij de brandende stad al uit

en toen hield hij z'n paard in. Hier was hij buiten gevaar. Over

de donkere stadsmuur heen zag hij de vlammen. De heele stad leek nu

wel te branden. En door de stadspoort stroomden de menschen haastig

naar buiten beladen met datgene wat ze uit hun huis hadden kunnen

redden. Doch ook allerlei slecht volk was er op de been. Die redden

ook wat ze grijpen en vangen konden maar wat niet van hen was en ze

maakten van de algemeene verwarring gebruik om er mee weg te komen. Abé

zag zoo'n paar boeventronies langs hem heen gaan 't veld in. Een van

hen keek in 't voorbijgaan met begeerige oogen naar Abé's paard. Ten

minste dat dacht Abé er van. Misschien had die vent wel zin in 't

paard om gemakkelijker met z'n gestolen buit zich uit te voeten te

kunnen maken. Maar Abé had nu z'n paard zelf te hard noodig en daarom

reed hij maar weer op 'n drafje weg, eer de gauwdieven wellicht terug

kwamen om 't hem af te nemen. Zonder paard wist hij niets aan te

vangen. Hij wilde naar Pomfriet. In de brandende stad had hij toch

niets meer te maken. Helpen kon hij ook niet. Hij wist wel welke

kant hij op moest, doch verder dan de richting wist hij er niemendal

van. Dadelijk wegrijden leek hem 't beste nog maar. Als 't dag was zou

hij wel de een of ander tegenkomen, die hij verder de weg vragen kon.

Vlak bij de stad was 't door de hooge vlammen helder als bij dag. Maar

hoe verder z'n paard langs de velden draafde des te minder licht

verspreidden de vlammen en na 'n half uur was 't donker om hem

heen. Alleen als hij 't hoofd omwendde zag hij in de verte de roode

gloed van de brandende stad. Hij had nog nooit in de duisternis

gereden, zoo midden in de nacht. Karibo, die 'n voorzichtig man

was hield er niet van bij nacht te reizen, als 't niet noodig

was. Fatsoenlijke menschen en dieren gebruikten de nacht om uit te

rusten. Alleen roovende menschen en roovende dieren waren 's nachts

op 't pad. Dat kwam Abé nu allemaal in de gedachte nu 't zoo duister

om hem heen werd. Hij voelde zich toch niet erg op z'n gemak en hij

verlangde naar 't daglicht. Doch daarop kon hij nog wel 'n goed uur

wachten, want al was 't voorjaar en de nachten dus niet zoo heel lang

meer, de zon kwam toch niet voor vier uur op en Abé giste dat 't nu

zoo wat 'n uur of twee zou kunnen zijn. Nog 'n uur in de donker dus en

dan zou 't wel beginnen te schemeren. 't Beste was nog maar z'n paard

'n flink eind te laten draven. Hij hoopte nu maar dat hij de goede

richting had genomen, maar dat zou hij wel, want de weg waarop hij

reed was nog al breed en dat zou dus waarschijnlijk wel de weg naar

Pomfriet zijn. Vooruit dus maar weer.

't Groote paard draafde alweer gewillig over de mullige weg, 't

geplomp van de paardehoeven in 't zand was 't eenige geluid in de

nacht. Abé vond 't erg eenzaam en hij kreeg dan ook 'n prettig gevoel

toen eindelijk de donkere nachtlucht begon op te klaren. De kleine

sterretjes verdwenen zoo langzamerhand de een na de ander en toen

gingen ook de grootere aan 't verbleken. Alleen de heldere morgenster

stond nog als 'n schitterend lampje in de doorschijnende lucht,

waar al lichte wolken met rozeroode randen zachtjes voortdreven. De

vogels waren nu allemaal wakker. De lijsters en zwaluwen waren nummer

een geweest en de spreeuwen, vinken, boomkruipers, meezen die 'n

beetje later opstaan, kwamen daarna voor de dag. Telkens hoorde Abé

'n nieuw geluid. De zon was er nu ook weer. En daar kwam op de weg,

met 'n schop over de schouder 'n man aan.

Dat was nog 't beste van alles, want aan die man wilde hij vragen of

hij op de goede weg was naar Pomfriet.

"Pomfriet?" zei de landman toen Abé van z'n paard af de vraag gedaan

had. "Pomfriet? Pomfriet??"

"Ja Pomfriet.... de hoofdstad van Huk."

"De hoofdstad van Huk?.....Nee.... dat is de weg naar Tannabo...."

"O, dank je wel.... goeie morgen."

Abé reed weer door. Hij was op de rechte weg. Die landman scheen niet

erg op de hoogte met de aardrijkskunde van Huk. Maar Abé kende de

kaart uit z'n hoofd. Tannabo lag aan de groote weg naar Pomfriet. Wel

'n eeuwig eind er van daan ... maar dat hinderde niet. Op z'n stevig

beest zou hij er wel komen.

Doch zoo'n stevig beest kan je niet veertien dagen aan een stuk

laten loopen. Zoo'n dier moet op tijd iets versterkends hebben, en 'n

beetje rust. Nu had 't paard de heele nacht gestapt en gedraafd. 't

Werd tijd voor 'n opknappertje. En Abé had zelf ook trek in 'n

brokje. Afstappen dus.

Hij nam 't paard 't bit uit de bek en toen begon 't dadelijk te grazen

langs de weg. Er was gras genoeg. Zoo'n paard vindt makkelijk z'n

ontbijt. Met Abé was dat anders. Honger had hij, minstens even erg

als z'n paard, maar hij had niemendal te eten. In de groote zakken die

hij achter zich op 't paard aan weerskanten van 't zadel had hangen,

had hij gezocht en nog eens gezocht. De heele boel had ie overhoop

gehaald. Er moest wel iets eetbaars in zijn. Waar was 't stuk brood

gebleven, dat ie voor hij de herberg verliet uit 'n kast gehaald had

om 't mee te nemen? 't Was nergens te vinden. Hij begon opnieuw in

de zakken te scharrelen, maar 't gaf niets. Er was geen kruimel brood

in. Dat was om verdrietig te worden. Want als je honger hebt en je kan

niets vinden om die te stillen, wordt de trek nog zooveel te grooter.

Maar hij deed nog 'n andere ontdekking die nog wel zoo onaangenaam

was. Hij vond in de zakken geen halve duit. Geen enkel geldstuk. Karibo

had alles meegenomen en Abé had in z'n tasch hoogstens 'n paar

zilverstukken, net genoeg om er 'n dag of wat droog brood van te

eten. En daar moest hij veertien dagen van leven? Natuurlijk kon hij

hier en daar wel 'n boterham of 'n hap eten voor niemendal krijgen

... er was nog gastvrijheid in Huk. Maar dat kon je veel beter

aannemen als je geld genoeg in je tasch had om er voor te kunnen

betalen, als 't noodig was. Nu leek 't hem toe, dat hij, prins Abé,

'n soort bedelaar te paard was geworden. En dat was geen prettig idee.

En had hij nu dat stuk brood maar kunnen vinden. 't Leek hem net

alsof hij er wel wat op zou kunnen vinden, als hij nu maar vast wat

te eten gehad had. Hij benijdde z'n paard. Dat beet bij bekken vol 't

gras af telkens met 'n ruk z'n groote kop bewegend en dan keek 't af

en toe naar Abé op, die maar met z'n grazende paard meewandelde. De

jongen keek tusschen de struiken langs de weg of er niets eetbaar

groeide. Boomen genoeg en wilde aardbeien--maar 't waren allemaal

nog pas witte bloesems. Daar schoot hij ook al niet hard mee op.

"Kom je zal nou wel genoeg hebben," zei Abé 'n beetje grommig tegen

z'n beest. Hij deed hem 't bit weer in de bek en steeg weer op. Die

honger kon hij niet verdragen. Hij moest eten hebben, al zou 't ook

z'n laatste duit kosten.

"Vooruit witte."

't Ging weer in draf. Onder 't rijden keek Abé uit of hij geen

menschenwoning zag. Maar 't land leek wel onbewoond. Na 'n half uur

kwam hij weer 'n man tegen.

"Goeie morgen" zei Abé z'n paard inhoudend. "Wonen er hier geen

menschen in de buurt?"

"Als je nog 'n kwartiertje doorrijdt kom je aan mijn huis," antwoordde

de man. "En als je dan nog 'n half uur goed doordraaft ben je in

Tannabo."

"Da's dan nog driekwartier," dacht Abé ...

"Ligt jouw woning vlak aan de weg?"

"Nee ... 'n eindje 't land in. Wou je er afstappen?"

"Nee ..." antwoordde Abé. "'k Zal maar doorrijden." "Dank je voor

de inlichtingen."

"Dag! zei de man, en stapte weg."

'n Eind verder zag Abé 'n blauwe zak op de weg liggen. Die had de

landman bepaald verloren van de stok, die hij over de schouder droeg

en waaraan Abé ook 'n aarden kruik had zien bengelen. Daar zat brood

in. 't Was alsof iemand dat in Abé z'n ooren schreeuwde.

't Paard inhouden, op de grond springen als 'n kat, vlug de zak

openmaken, dat was allemaal in 'n wip gebeurd.

Bruin brood met spek ... minstens voor twee dagen genoeg. En de

dikke snee brood, die Abé er uit genomen had ging haast vanzelf naar

z'n mond.

Maar dat was die vriendelijke landman z'n middageten en misschien

moest hij er óók wel 'n paar dagen op teeren ... En dat wou Abé nu

maar zoo zich toeeigenen?

Abé kreeg er 'n kleur van. Hij deed vlug 't brood in de zak, steeg

er mee te paard en reed in galop terug.

Toen hij de man in de verte zag begon hij te roepen. De man keek om

stond stil en terwijl Abé de zak omhoog hield, zag hij hoe de man de

stok van z'n schouder nam en er naar keek. De man keerde terug.

"Dank je wel heertje ..." zei de man de zak aannemend. "Daar zou ik

raar mee gezeten hebben. D'r zit eten in voor de heelen dag."

"Lekkere boterhammen," zei Abé. "'k Heb er in gekeken. 'k Had er

haast in gebeten."

Dat laatste zei hij, zonder nadenken. 't Kwam hem zoo maar uit de

mond. De man keek er van op.

"Heb je er trek in?" vroeg hij. "Neem er dan maar gerust een van

hoor. Ik houd toch altijd over. M'n vrouw is altijd bang, dat ik niet

genoeg zal hebben."

"Mag ik?" vroeg Abé, z'n hand reeds uitstekend naar de zak.

"Gerust hoor. Hier."

De man gaf er zelf 'n paar dikke sneden brood uit en Abé hapte er

in als 'n uitgehongerde. Z'n oogen glinsterden van genot toen hij

't brood proefde.

De man keek hem aldoor maar aan.

"Je schijnt honger te hebben heertje," zei hij.

"Heb ik ook" antwoordde Abé kauwend.

En toen vertelde hij van de brand en van z'n reis naar Pomfriet waar

hij z'n pleegvader Karibo hoopte te vinden.

"Zoo zoo," zei de man, "is daar zoo'n brand geweest ... De heele stad

zeg je?"

Abé knikte met 'n volle mond.

"En moet je nou alleen naar Pomfriet? Da's 'n heel eind hoor en de

weg is lang niet veilig tegenwoordig zeggen ze. Dat was onder keizer

Napo anders. Die hield er de orde in. Maar deze ..., nou ...."

"Wat is er met deze keizer?" vroeg Abé.

"Och ..., ze zeggen.... dat ie niet deugt. Hij moet nergens om geven

... Verleden week heeft er 'n reiziger overnacht, die in Pomfriet

geweest was. Die vertelde dat er veel slecht volk rondzwierf tusschen

hier en Pomfriet. Niemand durft haast meer zonder sterk geleide

op weg."

"Dat ziet er slecht genoeg voor me uit.... maar gelukkig is er niet

veel bij me te halen ..."

Abé zweeg plotseling. Hij dacht aan Karibo, die zooveel goudstukken bij

zich had in z'n tasch. Als die eens in handen van roovers gevallen was?

"M'n pleegvader had veel geld bij zich ..." zei hij weer.

"En reisde hij alleen?"

Abé knikte.

De landman zette 'n zeer bedenkelijk gezicht en schudde z'n hoofd.

"Dank je wel voor je boterhammen hoor," zei Abé. "'k Zal er een

bewaren voor vanmiddag."

"Goeie reis," zei de man.

"Goeie reis, dat kan je gemakkelijk zeggen," dacht Abé, maar hij begon

'n beetje te twijfelen of hij de reis wel tot 'n goed einde zou kunnen

brengen, als 't tenminste waar was, wat die man gezegd had over al dat

slechte volk langs de wegen. Wat moest hij alleen daartegen doen? En

wat had Karibo er tegen kunnen doen? Had die goed en wel Pomfriet

bereikt? En wat zou ik moeten beginnen, dacht Abé verder, als Karibo

eens in handen van roovers gevallen was? Wat helpt 't me dan of ik al

in Pomfriet aankom, waar geen mensch me kent, waar natuurlijk niemand

'n steek om zoo'n jongen geeft die daar alleen komt aangedwaald met

geen stuiver op zak, en die niet eens kan vertellen wie hij is?

Maar Abé was er geen jongen naar om zich heel erg benauwd te maken. Dat

had ie noch van z'n vader noch van Karibo geleerd. Je moet je er maar

doorheen zien te slaan, als je ooit in moeielijkheden komt, hadden die

hem voorgehouden. En dat was ie ook nu ook van plan. Hij kon in ieder

geval trachten Karibo terug te vinden. De reis was eigenlijk nog zoo

slecht niet begonnen, want hij was toch maar op 'n gemakkelijke en

eerlijke manier aan 'n stevige boterham gekomen. Hij had nog wel voor

de heele dag genoeg. Dat was tenminste al iets gewonnen. Hongerlijden

was toch eigenlijk heel wat erger dan al die roovers. Die kon je nog

ontkomen--maar de honger, als die je te pakken had, ging ie overal

met je mee.

"Vooruit dikkerd."

Er schenen toch niet veel menschen te wonen in dat gedeelte van

't land Huk. Abé kwam die dag maar zelden iemand tegen. Slecht volk,

daar bedoelde Abé natuurlijk mee, menschen die je 't aan hun gezicht

kon zien dat 't roovers of dieven waren, zooals die twee die hij buiten

de brandende stad gezien had, waren er heelemaal niet bij. Kooplieden

leken het wel of boeren. En ze hadden hem allemaal eerbiedig gegroet,

net alsof ze wisten dat hij prins Abecé was, de rechtmatige keizer

van Huk. Neen, zóó toch niet. Als ze dàt geweten hadden, zouden die

menschen wel anders gebogen hebben .... Of misschien wel heelemaal

niet.... want ze hadden hem immers weggejaagd om z'n naam?

Tegen den avond, begon Abé uit te zien naar 'n huis om voor de nacht

onder dak te komen ... In Tannabo had hij zich maar niet opgehouden. Nu

de zon onderging voelde Abé z'n moed wel 'n beetje zakken. De heele dag

had ie zich voorgenomen om als 't niet anders kon, maar onder de bloote

hemel te slapen. Dat was toch zoo erg niet. Doch nu kwamen er allerlei

onaangename gedachten in z'n hoofd en of hij 't zich nu bekennen wilde

of niet, 't leek er toch erg veel op dat ie bang begon te worden. Daar

was die man met z'n vertelsels over dat slechte volk oorzaak van.

"Flauwerd," zei Abé zachtjes tegen zich zelf. Maar de bangheid werd

er geen haar minder door.

't Was nu al bijna heelemaal donker. 't Paard stapte nog maar loom

over de stoffige weg 'n dikke stofwolk met z'n sloffende pooten omhoog

warrelend. 't Beest was moe, net als Abé. Toch dacht hij er niet

aan af te stappen om 't afgematte dier drinken, voedsel en rust te

geven. Hij wilde net zoolang doorrijden tot hij 'n menschelijke woning

tegenkwam. Hij keek voortdurend naar beide kanten van de weg uit over

de velden heen. Hij had nu al minstens 'n uur lang gereden langs niets

dan korenakkers. Waar zat de man toch aan wie dat toebehoorde? Wellicht

ver 't veld in, hier of daar achter 't hout zoodat 't huis van de weg

niet te zien was en dan was hij er misschien al lang voorbij gereden.

'n Eindje voor hem scheen 't korenveld op te houden. Daar zag hij

donker tegen de goudgroene avondlucht hooge boomen hun dichte kruinen

afteekenen.

"'n Bosch" dacht Abé schrikkend. "Wie weet hoe groot....."

Dat was 'n vreeselijke teleurstelling. Maar er was niets aan te

doen. Als er 'n bosch voor je neus staat waar je weg doorheen loopt,

dan kan je twee dingen doen: omkeeren of doorrijden. 't Een was al

net zoo erg als 't andere. Nee, nog erger. Want als hij terugkeerde

bereikte hij niemendal. 't Bosch moest hij door. Doch dat kon hij

morgen veel beter als 't dag was. Dan moest hij in 's hemelsnaam maar

bivakeeren onder de bloote hemel. Voor één nacht was 't dan toch ook

zoo erg niet.

Op eens leefde Abé heelemaal op--net toen hij 't besluit genomen had

om dan toch maar in 't gras te gaan slapen.--Hij had hondegeblaf

gehoord. Zouen er daar toch menschen wonen? Hij trok de teugels

strak, zoodat de witte z'n moede kop weer ophief en reed op 't bosch

aan. Blijde verrassing! Aan de ingang van het bosch tusschen zwaar hout

schemerden de grauwe muren van 'n steenen huis, zich spiegelend in 'n

donkere breede gracht. De brug was opgehaald en de poort gesloten. 't

Leek half 'n kasteel en half 'n boerenhuis. Abé reed tot vlak voor

de brug. Er was niemand te zien. Alleen blaften de groote honden met

hun basstemmen.

"Hallo!" riep Abé zoo hard hij kon en nog eens "Hallo!" Er rammelde

iets aan de poort en 'n oogenblik later verscheen er door 'n klein

deurtje gemaakt in de rechter helft van de groote met ijzer beslagen

poortdeur, 'n groote kerel met 'n hond aan 'n ketting. Hij stapte op

de valbrug af en met luid ketting-gerammel kwam de brug omlaag. Abé

reed er over heen en nog voor hij goede avond had kunnen zeggen,

was de brug alweer achter hem opgehaald.

"Welkom reiziger," zei de groote kerel met 'n bromstem. De poort was nu

heelemaal open en Abé reed met de man naast zich die 't paard bij de

teugel genomen had, naar binnen. Door de poort kwamen ze op 'n ruime

vierkante binnenhof met 'n waterput in 't midden. Er stonden karren,

emmers en vaten. Open staldeuren, waaruit geluid van dieren kwam en

stalwalm zag hij tegenover zich. Er kwam 'n jongen uit zoo'n staldeur

op hen toe en de man zei terwijl Abé vlug van 't paard sprong:

"Hier, breng 't in de stal en verzorg 't beest goed. Wasch z'n bek

en z'n pooten. 't Is stoffig en moe."

En tot Abé zei de man: "Ga gauw naar binnen. Je lijkt me ook vermoeid

en ik zie aan je gezicht dat je honger hebt."

Abé voelde zich heerlijk veilig op eens. En met 'n blij hart volgde

hij z'n vriendelijke gastheer met de brommige stem en de groote hond

die kwispelstaartend nu en dan omkeek.

Prins Alphabet · 第 6 / 23 题