Waarin Karibo op reis gaat naar de hoofdstad van Huk, 'n stad in
brand vliegt, Abé zonder eten en zonder geld 'n oude dienaar gaat
opzoeken, blij is dat ie 'n boterham krijgt en 'n vriendelijk
gastheer vindt.
Abé was heelemaal uit z'n gewone doen. Hij vond dat nieuwe leventje
in z'n eigen vaderland allesbehalve prettig. Die ouwe Karibo mocht
dan in z'n soort 'n buitengewoon voortreffelijk mensch zijn, maar voor
dagelijksch gezelschap van 'n jongen die gewoon was met schoolkameraden
te ravotten, daarvoor deugde hij geen zier. De oude man deed al 't
mogelijke om er bij z'n jonge meester de moed en de vroolijkheid in
te houden, doch dat lukte hem maar half. Abé zat soms wel 'n uur lang
stil naar buiten te kijken en dan dacht ie natuurlijk aan z'n kameraden
en dan werd z'n gezicht hoe langer hoe treuriger. Dat hinderde Karibo
geweldig, hij probeerde toch van alles. Hij ging met Abé wandelen of
paardrijden of zwemmen of hij leerde hem nieuwe kunststukken met de
wapens, waardoor je gemakkelijk 'n vijand er onder kon krijgen. Abé
deed gewillig alles wat Karibo voorstelde, doch vroolijker werd de
jongen er niet door.
't Zal wel beter worden als we maar eens in de hoofdstad wonen,
troostte Karibo eindelijk. 't Is hier ook zoo'n stil nest.
'n Stil nest was het. Een van de kleinste stadjes aan de grenzen van
Huk, waar je bijna nooit iemand op straat zag. 't Leek soms wel of
er heelemaal geen menschen woonden. 't Gras groeide er tusschen de
straatsteenen, doch dat was enkel maar op de markt, want in de nauwe
straatjes hadden ze de keien maar vergeten.
"Wanneer gaan we daar dan heen?" vroeg Abé. "We zitten hier nu al bijna
'n maand in dat dooie gat."
"Tja ..." zei Karibo ... "ik wou er eigenlijk eerst alleen heen
... Maar ik zie er tegenop om jou hier te laten. Dan krijg je 't nog
vervelender. En bovendien durf ik 't ook niet goed aan jou alleen
achter te laten. Ik moet op je passen. Dat heb ik je vader beloofd."
"Je kan geen twee dingen gelijk doen Karibo," zei Abé. "Naar de
hoofdstad gaan en op mij passen, als je me niet mee wil nemen, dat
gaat toch niet. Maar ik kan best op mezelf passen hoor. Ga jij maar
gerust heen. Hoe lang denk je dat 't duren zal?"
"Nou minstens 'n maand. 't Is 'n verbazend eind naar Pomfriet en
terug."
"Doe mij dan 'n plezier en ga dadelijk. Ik hou 't hier niet langer
uit. Ik zal me wel zien te vermaken zoolang. De herbergier en z'n
vrouw zijn beste menschen. Die zullen wel goed voor me zorgen."
"Goed, dan ga ik morgen vroeg."
Karibo zorgde er voor dat Abé 't in z'n afwezigheid goed zou
hebben. Hij besprak de zaak met de waard en de waardin en die beloofde
hem op Abé te zullen passen alsof het hun eigen zoon was. Tamelijk
gerust vertrok hij dan ook heel in de vroegte naar Pomfriet en nu
zat Abé heelemaal alleen.
Dat was schrikkelijk vervelend. Die Karibo was toch zoo'n slecht
gezelschap nog niet. Dat merkte Abé nu hij alleen was en hij verlangde
de tweede dag al naar de terugkomst van de oude dienaar. Dat zou 'n
slechte tijd worden om door te komen. Minstens 'n maand en niemendal
te doen. Iedere dag ging hij maar 'n poosje op z'n groote paard
rijden. Dat was tenminste nog iets. Maar je kon toch ook de heelen
dag niet rond blijven rijden. Nee, z'n vaderland leek hem heel geen
aardig land toe. Hij kon amper de menschen verstaan. Die spraken
Huksch, natuurlijk, op dezelfde manier als 'n Limburger Hollandsch
spreekt. 't Was gewoon 'n heel aparte taal, waar je minstens de
helft niet van begreep. En er gebeurde letterlijk niemendal in 't
stadje. Totdat er op 'n nacht brand uitbrak.
Toen kwam de heele boel in rep en roer. De menschen wisten wat
't beduidde als 't ging branden in hun huizen, die voor 't grootste
deel van hout waren. Ze trachtten te blusschen met emmers en tonnen,
want er waren geen brandspuiten, maar 't hielp niemendal deze keer. 't
Brandde hoe langer hoe harder. De eene straat voor en de andere na
ging er aan. Iedereen redde van z'n bezittingen wat hij kon. Overal
vluchtten de menschen met allerlei dingen uit de huizen weg, en toen
't al nader begon te branden in de buurt van de herberg waar Karibo en
Abé hun tenten hadden opgeslagen, maakte de waard en z'n huisgenooten
dat ze wegkwamen met alles wat ze mee konden sjouwen. Aan Abé dacht
niemand. Maar die was best in staat voor zich zelf te zorgen. Hij dacht
't eerst aan z'n paard. Zadelen kon hij 't als de beste en toen hij
dat gedaan had, pakte hij z'n boeltje en ook wat Karibo had achter
gelaten. Maar toen was 't ook hoog tijd, dat ie wegkwam. Twee huizen
van de herberg af stond overal de straat in lichte laaie ... Abé op
z'n groote paard ging er als de wind van door. De menschen die hij
voorbij holde sprongen gillend van angst op zij. Maar daar gaf Abé
geen steek om. In 'n paar minuten was hij de brandende stad al uit
en toen hield hij z'n paard in. Hier was hij buiten gevaar. Over
de donkere stadsmuur heen zag hij de vlammen. De heele stad leek nu
wel te branden. En door de stadspoort stroomden de menschen haastig
naar buiten beladen met datgene wat ze uit hun huis hadden kunnen
redden. Doch ook allerlei slecht volk was er op de been. Die redden
ook wat ze grijpen en vangen konden maar wat niet van hen was en ze
maakten van de algemeene verwarring gebruik om er mee weg te komen. Abé
zag zoo'n paar boeventronies langs hem heen gaan 't veld in. Een van
hen keek in 't voorbijgaan met begeerige oogen naar Abé's paard. Ten
minste dat dacht Abé er van. Misschien had die vent wel zin in 't
paard om gemakkelijker met z'n gestolen buit zich uit te voeten te
kunnen maken. Maar Abé had nu z'n paard zelf te hard noodig en daarom
reed hij maar weer op 'n drafje weg, eer de gauwdieven wellicht terug
kwamen om 't hem af te nemen. Zonder paard wist hij niets aan te
vangen. Hij wilde naar Pomfriet. In de brandende stad had hij toch
niets meer te maken. Helpen kon hij ook niet. Hij wist wel welke
kant hij op moest, doch verder dan de richting wist hij er niemendal
van. Dadelijk wegrijden leek hem 't beste nog maar. Als 't dag was zou
hij wel de een of ander tegenkomen, die hij verder de weg vragen kon.
Vlak bij de stad was 't door de hooge vlammen helder als bij dag. Maar
hoe verder z'n paard langs de velden draafde des te minder licht
verspreidden de vlammen en na 'n half uur was 't donker om hem
heen. Alleen als hij 't hoofd omwendde zag hij in de verte de roode
gloed van de brandende stad. Hij had nog nooit in de duisternis
gereden, zoo midden in de nacht. Karibo, die 'n voorzichtig man
was hield er niet van bij nacht te reizen, als 't niet noodig
was. Fatsoenlijke menschen en dieren gebruikten de nacht om uit te
rusten. Alleen roovende menschen en roovende dieren waren 's nachts
op 't pad. Dat kwam Abé nu allemaal in de gedachte nu 't zoo duister
om hem heen werd. Hij voelde zich toch niet erg op z'n gemak en hij
verlangde naar 't daglicht. Doch daarop kon hij nog wel 'n goed uur
wachten, want al was 't voorjaar en de nachten dus niet zoo heel lang
meer, de zon kwam toch niet voor vier uur op en Abé giste dat 't nu
zoo wat 'n uur of twee zou kunnen zijn. Nog 'n uur in de donker dus en
dan zou 't wel beginnen te schemeren. 't Beste was nog maar z'n paard
'n flink eind te laten draven. Hij hoopte nu maar dat hij de goede
richting had genomen, maar dat zou hij wel, want de weg waarop hij
reed was nog al breed en dat zou dus waarschijnlijk wel de weg naar
Pomfriet zijn. Vooruit dus maar weer.
't Groote paard draafde alweer gewillig over de mullige weg, 't
geplomp van de paardehoeven in 't zand was 't eenige geluid in de
nacht. Abé vond 't erg eenzaam en hij kreeg dan ook 'n prettig gevoel
toen eindelijk de donkere nachtlucht begon op te klaren. De kleine
sterretjes verdwenen zoo langzamerhand de een na de ander en toen
gingen ook de grootere aan 't verbleken. Alleen de heldere morgenster
stond nog als 'n schitterend lampje in de doorschijnende lucht,
waar al lichte wolken met rozeroode randen zachtjes voortdreven. De
vogels waren nu allemaal wakker. De lijsters en zwaluwen waren nummer
een geweest en de spreeuwen, vinken, boomkruipers, meezen die 'n
beetje later opstaan, kwamen daarna voor de dag. Telkens hoorde Abé
'n nieuw geluid. De zon was er nu ook weer. En daar kwam op de weg,
met 'n schop over de schouder 'n man aan.
Dat was nog 't beste van alles, want aan die man wilde hij vragen of
hij op de goede weg was naar Pomfriet.
"Pomfriet?" zei de landman toen Abé van z'n paard af de vraag gedaan
had. "Pomfriet? Pomfriet??"
"Ja Pomfriet.... de hoofdstad van Huk."
"De hoofdstad van Huk?.....Nee.... dat is de weg naar Tannabo...."
"O, dank je wel.... goeie morgen."
Abé reed weer door. Hij was op de rechte weg. Die landman scheen niet
erg op de hoogte met de aardrijkskunde van Huk. Maar Abé kende de
kaart uit z'n hoofd. Tannabo lag aan de groote weg naar Pomfriet. Wel
'n eeuwig eind er van daan ... maar dat hinderde niet. Op z'n stevig
beest zou hij er wel komen.
Doch zoo'n stevig beest kan je niet veertien dagen aan een stuk
laten loopen. Zoo'n dier moet op tijd iets versterkends hebben, en 'n
beetje rust. Nu had 't paard de heele nacht gestapt en gedraafd. 't
Werd tijd voor 'n opknappertje. En Abé had zelf ook trek in 'n
brokje. Afstappen dus.
Hij nam 't paard 't bit uit de bek en toen begon 't dadelijk te grazen
langs de weg. Er was gras genoeg. Zoo'n paard vindt makkelijk z'n
ontbijt. Met Abé was dat anders. Honger had hij, minstens even erg
als z'n paard, maar hij had niemendal te eten. In de groote zakken die
hij achter zich op 't paard aan weerskanten van 't zadel had hangen,
had hij gezocht en nog eens gezocht. De heele boel had ie overhoop
gehaald. Er moest wel iets eetbaars in zijn. Waar was 't stuk brood
gebleven, dat ie voor hij de herberg verliet uit 'n kast gehaald had
om 't mee te nemen? 't Was nergens te vinden. Hij begon opnieuw in
de zakken te scharrelen, maar 't gaf niets. Er was geen kruimel brood
in. Dat was om verdrietig te worden. Want als je honger hebt en je kan
niets vinden om die te stillen, wordt de trek nog zooveel te grooter.
Maar hij deed nog 'n andere ontdekking die nog wel zoo onaangenaam
was. Hij vond in de zakken geen halve duit. Geen enkel geldstuk. Karibo
had alles meegenomen en Abé had in z'n tasch hoogstens 'n paar
zilverstukken, net genoeg om er 'n dag of wat droog brood van te
eten. En daar moest hij veertien dagen van leven? Natuurlijk kon hij
hier en daar wel 'n boterham of 'n hap eten voor niemendal krijgen
... er was nog gastvrijheid in Huk. Maar dat kon je veel beter
aannemen als je geld genoeg in je tasch had om er voor te kunnen
betalen, als 't noodig was. Nu leek 't hem toe, dat hij, prins Abé,
'n soort bedelaar te paard was geworden. En dat was geen prettig idee.
En had hij nu dat stuk brood maar kunnen vinden. 't Leek hem net
alsof hij er wel wat op zou kunnen vinden, als hij nu maar vast wat
te eten gehad had. Hij benijdde z'n paard. Dat beet bij bekken vol 't
gras af telkens met 'n ruk z'n groote kop bewegend en dan keek 't af
en toe naar Abé op, die maar met z'n grazende paard meewandelde. De
jongen keek tusschen de struiken langs de weg of er niets eetbaar
groeide. Boomen genoeg en wilde aardbeien--maar 't waren allemaal
nog pas witte bloesems. Daar schoot hij ook al niet hard mee op.
"Kom je zal nou wel genoeg hebben," zei Abé 'n beetje grommig tegen
z'n beest. Hij deed hem 't bit weer in de bek en steeg weer op. Die
honger kon hij niet verdragen. Hij moest eten hebben, al zou 't ook
z'n laatste duit kosten.
"Vooruit witte."
't Ging weer in draf. Onder 't rijden keek Abé uit of hij geen
menschenwoning zag. Maar 't land leek wel onbewoond. Na 'n half uur
kwam hij weer 'n man tegen.
"Goeie morgen" zei Abé z'n paard inhoudend. "Wonen er hier geen
menschen in de buurt?"
"Als je nog 'n kwartiertje doorrijdt kom je aan mijn huis," antwoordde
de man. "En als je dan nog 'n half uur goed doordraaft ben je in
Tannabo."
"Da's dan nog driekwartier," dacht Abé ...
"Ligt jouw woning vlak aan de weg?"
"Nee ... 'n eindje 't land in. Wou je er afstappen?"
"Nee ..." antwoordde Abé. "'k Zal maar doorrijden." "Dank je voor
de inlichtingen."
"Dag! zei de man, en stapte weg."
'n Eind verder zag Abé 'n blauwe zak op de weg liggen. Die had de
landman bepaald verloren van de stok, die hij over de schouder droeg
en waaraan Abé ook 'n aarden kruik had zien bengelen. Daar zat brood
in. 't Was alsof iemand dat in Abé z'n ooren schreeuwde.
't Paard inhouden, op de grond springen als 'n kat, vlug de zak
openmaken, dat was allemaal in 'n wip gebeurd.
Bruin brood met spek ... minstens voor twee dagen genoeg. En de
dikke snee brood, die Abé er uit genomen had ging haast vanzelf naar
z'n mond.
Maar dat was die vriendelijke landman z'n middageten en misschien
moest hij er óók wel 'n paar dagen op teeren ... En dat wou Abé nu
maar zoo zich toeeigenen?
Abé kreeg er 'n kleur van. Hij deed vlug 't brood in de zak, steeg
er mee te paard en reed in galop terug.
Toen hij de man in de verte zag begon hij te roepen. De man keek om
stond stil en terwijl Abé de zak omhoog hield, zag hij hoe de man de
stok van z'n schouder nam en er naar keek. De man keerde terug.
"Dank je wel heertje ..." zei de man de zak aannemend. "Daar zou ik
raar mee gezeten hebben. D'r zit eten in voor de heelen dag."
"Lekkere boterhammen," zei Abé. "'k Heb er in gekeken. 'k Had er
haast in gebeten."
Dat laatste zei hij, zonder nadenken. 't Kwam hem zoo maar uit de
mond. De man keek er van op.
"Heb je er trek in?" vroeg hij. "Neem er dan maar gerust een van
hoor. Ik houd toch altijd over. M'n vrouw is altijd bang, dat ik niet
genoeg zal hebben."
"Mag ik?" vroeg Abé, z'n hand reeds uitstekend naar de zak.
"Gerust hoor. Hier."
De man gaf er zelf 'n paar dikke sneden brood uit en Abé hapte er
in als 'n uitgehongerde. Z'n oogen glinsterden van genot toen hij
't brood proefde.
De man keek hem aldoor maar aan.
"Je schijnt honger te hebben heertje," zei hij.
"Heb ik ook" antwoordde Abé kauwend.
En toen vertelde hij van de brand en van z'n reis naar Pomfriet waar
hij z'n pleegvader Karibo hoopte te vinden.
"Zoo zoo," zei de man, "is daar zoo'n brand geweest ... De heele stad
zeg je?"
Abé knikte met 'n volle mond.
"En moet je nou alleen naar Pomfriet? Da's 'n heel eind hoor en de
weg is lang niet veilig tegenwoordig zeggen ze. Dat was onder keizer
Napo anders. Die hield er de orde in. Maar deze ..., nou ...."
"Wat is er met deze keizer?" vroeg Abé.
"Och ..., ze zeggen.... dat ie niet deugt. Hij moet nergens om geven
... Verleden week heeft er 'n reiziger overnacht, die in Pomfriet
geweest was. Die vertelde dat er veel slecht volk rondzwierf tusschen
hier en Pomfriet. Niemand durft haast meer zonder sterk geleide
op weg."
"Dat ziet er slecht genoeg voor me uit.... maar gelukkig is er niet
veel bij me te halen ..."
Abé zweeg plotseling. Hij dacht aan Karibo, die zooveel goudstukken bij
zich had in z'n tasch. Als die eens in handen van roovers gevallen was?
"M'n pleegvader had veel geld bij zich ..." zei hij weer.
"En reisde hij alleen?"
Abé knikte.
De landman zette 'n zeer bedenkelijk gezicht en schudde z'n hoofd.
"Dank je wel voor je boterhammen hoor," zei Abé. "'k Zal er een
bewaren voor vanmiddag."
"Goeie reis," zei de man.
"Goeie reis, dat kan je gemakkelijk zeggen," dacht Abé, maar hij begon
'n beetje te twijfelen of hij de reis wel tot 'n goed einde zou kunnen
brengen, als 't tenminste waar was, wat die man gezegd had over al dat
slechte volk langs de wegen. Wat moest hij alleen daartegen doen? En
wat had Karibo er tegen kunnen doen? Had die goed en wel Pomfriet
bereikt? En wat zou ik moeten beginnen, dacht Abé verder, als Karibo
eens in handen van roovers gevallen was? Wat helpt 't me dan of ik al
in Pomfriet aankom, waar geen mensch me kent, waar natuurlijk niemand
'n steek om zoo'n jongen geeft die daar alleen komt aangedwaald met
geen stuiver op zak, en die niet eens kan vertellen wie hij is?
Maar Abé was er geen jongen naar om zich heel erg benauwd te maken. Dat
had ie noch van z'n vader noch van Karibo geleerd. Je moet je er maar
doorheen zien te slaan, als je ooit in moeielijkheden komt, hadden die
hem voorgehouden. En dat was ie ook nu ook van plan. Hij kon in ieder
geval trachten Karibo terug te vinden. De reis was eigenlijk nog zoo
slecht niet begonnen, want hij was toch maar op 'n gemakkelijke en
eerlijke manier aan 'n stevige boterham gekomen. Hij had nog wel voor
de heele dag genoeg. Dat was tenminste al iets gewonnen. Hongerlijden
was toch eigenlijk heel wat erger dan al die roovers. Die kon je nog
ontkomen--maar de honger, als die je te pakken had, ging ie overal
met je mee.
"Vooruit dikkerd."
Er schenen toch niet veel menschen te wonen in dat gedeelte van
't land Huk. Abé kwam die dag maar zelden iemand tegen. Slecht volk,
daar bedoelde Abé natuurlijk mee, menschen die je 't aan hun gezicht
kon zien dat 't roovers of dieven waren, zooals die twee die hij buiten
de brandende stad gezien had, waren er heelemaal niet bij. Kooplieden
leken het wel of boeren. En ze hadden hem allemaal eerbiedig gegroet,
net alsof ze wisten dat hij prins Abecé was, de rechtmatige keizer
van Huk. Neen, zóó toch niet. Als ze dàt geweten hadden, zouden die
menschen wel anders gebogen hebben .... Of misschien wel heelemaal
niet.... want ze hadden hem immers weggejaagd om z'n naam?
Tegen den avond, begon Abé uit te zien naar 'n huis om voor de nacht
onder dak te komen ... In Tannabo had hij zich maar niet opgehouden. Nu
de zon onderging voelde Abé z'n moed wel 'n beetje zakken. De heele dag
had ie zich voorgenomen om als 't niet anders kon, maar onder de bloote
hemel te slapen. Dat was toch zoo erg niet. Doch nu kwamen er allerlei
onaangename gedachten in z'n hoofd en of hij 't zich nu bekennen wilde
of niet, 't leek er toch erg veel op dat ie bang begon te worden. Daar
was die man met z'n vertelsels over dat slechte volk oorzaak van.
"Flauwerd," zei Abé zachtjes tegen zich zelf. Maar de bangheid werd
er geen haar minder door.
't Was nu al bijna heelemaal donker. 't Paard stapte nog maar loom
over de stoffige weg 'n dikke stofwolk met z'n sloffende pooten omhoog
warrelend. 't Beest was moe, net als Abé. Toch dacht hij er niet
aan af te stappen om 't afgematte dier drinken, voedsel en rust te
geven. Hij wilde net zoolang doorrijden tot hij 'n menschelijke woning
tegenkwam. Hij keek voortdurend naar beide kanten van de weg uit over
de velden heen. Hij had nu al minstens 'n uur lang gereden langs niets
dan korenakkers. Waar zat de man toch aan wie dat toebehoorde? Wellicht
ver 't veld in, hier of daar achter 't hout zoodat 't huis van de weg
niet te zien was en dan was hij er misschien al lang voorbij gereden.
'n Eindje voor hem scheen 't korenveld op te houden. Daar zag hij
donker tegen de goudgroene avondlucht hooge boomen hun dichte kruinen
afteekenen.
"'n Bosch" dacht Abé schrikkend. "Wie weet hoe groot....."
Dat was 'n vreeselijke teleurstelling. Maar er was niets aan te
doen. Als er 'n bosch voor je neus staat waar je weg doorheen loopt,
dan kan je twee dingen doen: omkeeren of doorrijden. 't Een was al
net zoo erg als 't andere. Nee, nog erger. Want als hij terugkeerde
bereikte hij niemendal. 't Bosch moest hij door. Doch dat kon hij
morgen veel beter als 't dag was. Dan moest hij in 's hemelsnaam maar
bivakeeren onder de bloote hemel. Voor één nacht was 't dan toch ook
zoo erg niet.
Op eens leefde Abé heelemaal op--net toen hij 't besluit genomen had
om dan toch maar in 't gras te gaan slapen.--Hij had hondegeblaf
gehoord. Zouen er daar toch menschen wonen? Hij trok de teugels
strak, zoodat de witte z'n moede kop weer ophief en reed op 't bosch
aan. Blijde verrassing! Aan de ingang van het bosch tusschen zwaar hout
schemerden de grauwe muren van 'n steenen huis, zich spiegelend in 'n
donkere breede gracht. De brug was opgehaald en de poort gesloten. 't
Leek half 'n kasteel en half 'n boerenhuis. Abé reed tot vlak voor
de brug. Er was niemand te zien. Alleen blaften de groote honden met
hun basstemmen.
"Hallo!" riep Abé zoo hard hij kon en nog eens "Hallo!" Er rammelde
iets aan de poort en 'n oogenblik later verscheen er door 'n klein
deurtje gemaakt in de rechter helft van de groote met ijzer beslagen
poortdeur, 'n groote kerel met 'n hond aan 'n ketting. Hij stapte op
de valbrug af en met luid ketting-gerammel kwam de brug omlaag. Abé
reed er over heen en nog voor hij goede avond had kunnen zeggen,
was de brug alweer achter hem opgehaald.
"Welkom reiziger," zei de groote kerel met 'n bromstem. De poort was nu
heelemaal open en Abé reed met de man naast zich die 't paard bij de
teugel genomen had, naar binnen. Door de poort kwamen ze op 'n ruime
vierkante binnenhof met 'n waterput in 't midden. Er stonden karren,
emmers en vaten. Open staldeuren, waaruit geluid van dieren kwam en
stalwalm zag hij tegenover zich. Er kwam 'n jongen uit zoo'n staldeur
op hen toe en de man zei terwijl Abé vlug van 't paard sprong:
"Hier, breng 't in de stal en verzorg 't beest goed. Wasch z'n bek
en z'n pooten. 't Is stoffig en moe."
En tot Abé zei de man: "Ga gauw naar binnen. Je lijkt me ook vermoeid
en ik zie aan je gezicht dat je honger hebt."
Abé voelde zich heerlijk veilig op eens. En met 'n blij hart volgde
hij z'n vriendelijke gastheer met de brommige stem en de groote hond
die kwispelstaartend nu en dan omkeek.