Waarin alleen maar 'n prins geboren wordt, 'n opstand uitbreekt,
'n keizer met z'n huisgezin in ballingschap en de prins weer in
z'n land terugkeert.
De keizer van 't land Huk zat in groote moeielijkheid. Er was 'n
prins geboren, de kroonprins, en nu zeiden raadsheeren en andere
hoogwaardigheidsbekleders aan 't hof, dat de pas geboren prins net
moest heeten als z'n vader. Dat hoorde zoo, dat was altijd zoo geweest
in 't land Huk en dat moest nu ook weer zoo.
Doch dat wilde de keizer nu juist niet. Die had 't land aan z'n eigen
naam en hij vond, dat de kroonprins nu eens 'n andere moest hebben.
Maar niemand was 't met de keizer eens. Ze zeiden, dat reeds
honderdzevenenzestig keizers die naam gedragen hadden. De keizer was
de honderdachtenzestigste en 't jonge prinsje moest mettertijd de
honderdnegenenzestigste zijn.
Huk was 'n oud land, zooiets als China. Dat kan iedereen narekenen,
want als we aannemen, dat iedere keizer gemiddeld twintig jaar
geregeerd had, en dat is toch niet erg lang voor 'n gezonde keizer,
dan kom je tot 167 × 20 = 3340 jaar.
Hier in 't westen kennen we zulke oude keizersgeslachten niet, maar
de Hukkers waren er wat trotsch op en ze beweerden dan ook, dat hun
keizer regelrecht van 'n soort god afstamde, iets wat de Japanners
ook zeggen van hun Mikado.
Of 't nu daar vandaan kwam, dat de keizer zoo'n onmogelijke naam had
is moeielijk uit te maken. Alleen is 't zeker dat er geen enkel mensch
in Huk was, die 's keizers naam kon uitspreken, zonder de kramp in
z'n kaken te krijgen. Ze probeerden 't wel eens voor tijdverdrijf,
maar 't lukte nooit. Vóór ze op de helft waren begonnen ze al te
stotteren en op driekwart bleven zelfs de knapsten steken. Dan zaten
ze hopeloos verward in al die lettergrepen.
De keizer was er zoo nu en dan evenwel zelf 't slechtst aan toe met
die onuitsprekelijke naam. In de wandeling heette hij Napo en zóó
onderteekende hij ook gewoonlijk z'n brieven. Doch als hij 'n nieuwe
wet moest onderschrijven of 'n keizerlijk besluit, dan kon 't niet
anders of hij moest z'n naam er voluit onderzetten. Dat hadden z'n
honderdzevenenzestig voorvaderen ook gedaan, doch 't bleef 'n wanhopig
karwei. Als hij er mee klaar was kon er geen enkele krul meer op
overschieten, wat toch bij 'n nette handteekening hoort. Maar wat moet
je beginnen, als je geen inkt meer in je pen hebt en je bovendien blij
ben, dat 't afgeloopen is? Want om met één pennetrek te schrijven:
Napoleonidasssurbanusaranatanielfridammonnottorobiodecastrobertus
CLXVIII en dán nog weer eens in te doopen voor 'n krul, terwijl je
van blijdschap hè roept, omdat je gelukkig over de eindstreep ben,
dàt doet geen mensch.
En zoo zat de keizer van Huk dan op 'n goeie dag op z'n troon met 'n
grommig gezicht en de heele zaal zat vol raadsheeren en andere hooge
lui, óók allemaal met grommige gezichten. Want ze hielden vergadering
en de keizer stond op z'n stuk, dat de kroonprins 'n gemakkelijke
naam zou krijgen en al die andere hielden vol, dat 't niet kon.
"En tòch zal 't gebeuren," riep de keizer eindelijk rood van toorn,
terwijl hij met z'n vuist op de leuning van z'n troon sloeg. "Wie
is er baas in Huk, jullie of ik? De armste bedelaar kan z'n kinderen
'n naam geven, zooals ie verkiest en ik, de keizer, mag dat niet?"
"Sire," sprak 'n oud man met 'n lange witte baard, die al langer
dan vijftig jaar 't gewichtige ambt van raadsheer in 't gerechtshof
bekleedde, "sire, wat komt 't er op aan hoe 'n gewoon mensch z'n
kinderen noemt? Al heeten ze A of B, 't doet er niet toe. Maar op
de troon van Huk moet iemand zitten, die iedereen met eerbied noemt
(de raadsheer sprak nu heel plechtig langzaam en schraapte eerst
eventjes z'n keel) Napoleonidassurbassurantimekasser ...
"Ga voort," zei de keizer vriendelijk. "Je was zoo mooi op weg." Maar
de arme man prevelde enkel nog maar iets van kasserpasser en bleef
toen voor goed steken.
"Jullie hoort 't nu allemaal voor de zooveelste keer," sprak de keizer,
"'t Is 'n onmogelijke naam. Zelfs deze geleerde raadsheer, die reeds
drie keizers van Huk gediend heeft, ziet geen kans hem heelhuids over
z'n lippen te brengen. Als er iemand in de vergadering is die mijn naam
vlug en zonder haperen uit kan spreken, dan geef ik me gewonnen. Is
er iemand? ... Welnu dan sluiten we de besprekingen. De kroonprins
krijgt 'n korte naam, die iedereen onthouden kan, of ik heet geen Napo
enz. enz. 't Kan me niet schelen, wat voor 'n naam de prins krijgt,
als 't maar 'n heel korte is. Wie weet er een?"
't Werd doodstil, alsof ze allemaal hevig zaten te prakkezeeren. Doch
geen mensch kwam met 'n naam voor de dag.
"Nu," zei de koning plechtig: "Als jullie 't dan niet weet, zal ik
't zelf maar zeggen. De raadsheer van 't gerechtshof heeft me op de
idee gebracht. De kroonprins zal heeten: A."
"A?" riepen alle aanwezigen, terwijl ze in verwarring van hun zetels
oprezen. "A! A!! A!!!"
"Stilte!" gebood de keizer, "en ga zitten! Je hoort hoe gemakkelijk
die naam uit te spreken is. Jullie zegt hem allemaal even duidelijk,
alsof al m'n honderdzevenenzestig voorvaderen zoo geheeten hadden. Dat
is dus afgeloopen. De kroonprins heet A en later, als ik dood ben
natuurlijk, heet hij keizer A I."
't Werd nog stiller, toen de keizer uitgesproken had, zóó stil alsof er
heelemaal geen mensch aanwezig was. De keizer keek de zaal eens rond,
of hij verwachtte, dat de een of de andere nog iets in 't midden zou
brengen. En dat gebeurde eindelijk ook. De raadsheer met de witte
baard stond nogmaals op en zei:
"Sire, bedenk u voor 't te laat is. A I dat is 'n goed merk op 'n
pakkist, maar geen naam voor 'n keizer van Huk. Uw onderdanen zullen
geen eerbied hebben voor 'n keizer, die 'n naam heeft als 't merk op
'n pakkist."
Alle aanwezige gaven teekenen van instemming. Alleen de keizer was van
'n andere meening.
"Gekheid man," antwoordde hij. "M'n onderdanen zullen wel verstandiger
zijn. Voor zóó dom zie ik hen geen van allen aan. Doch ik zal de
naam 'n klein beetje langer maken, om jullie allemaal 'n plezier
te doen. Maar dat is dan ook alles. We zullen de kroonprins Abecé
noemen. Dat klinkt heel goed en geen mensch kan nu meer zeggen, dat
die jongen op 'n pakkist lijkt. Morgen verwacht ik jullie allemaal
weer hier. Dan wordt de prins plechtig gedoopt. Leve prins Abecé!"
"Hoeraaaaa!" riepen ze allen. Doch ze meenden er geen sikkepit van. Ze
vonden 't gewoon 'n schandaal en toen ze naar huis wandelden of reden
praatten ze er druk met elkaar over en ze kwamen tot de slotsom dat
't wel niet goed zou afloopen.
En 't liep heel slecht af. De ongeluksprofeten hadden gelijk. Kleine
oorzaken hebben dikwijls groote gevolgen. Toen de Hukkers vernamen,
wat de keizer besloten had zaten ze eerst stom van verbazing. Ze
zeien heelemaal niets. Maar langzamerhand kwamen de tongen los in
de hoofdstad van Huk. 't Was van de morgen tot de avond niets anders
dan Abecé.
Eerst waren ze verwonderd geweest, toen werden ze ontevreden, daarna
grommig, eindelijk woedend en op 't lest kregen ze met elkaar ruzie.
Er waren in Huk menschen genoeg, die 't met hun keizer eens waren
en dus Abecé 'n heel geschikte naam voor 'n kroonprins vonden. Doch
de groote meerderheid was 't heelemaal niet met de keizer eens. Die
schreeuwden moord en brand en scholden de anderen uit voor Abecéërs en
zij gaven het pas geboren keizerskind de spotnaam van prins Alphabet.
De keizer dacht, dat 't nog wel bedaren zou, maar 't duurde niet
lang of de Napoleonidassers begonnen bij de Abecéërs de ruiten in te
gooien en op straat ranselden de tegenstanders elkaar af. De keizer
zond er toen maar soldaten op af en daarom gooiden de Napoleonidassers
de keizer z'n glazen ook maar in.
Doch 't ergste was, dat 'n neef van de keizer in troebel water aan
't visschen was. Hij had zelf veel zin om ook eens keizer van Huk te
worden. Zoolang er geen opvolger was, had hij nog kans gehad, maar de
geboorte van prins Abecé maakte daaraan een eind. Nu die kans verkeken
was stookte hij in stilte de opgewonden menschen tegen de keizer en
't onschuldige prinsje op om zóó tot z'n doel te geraken. Hij liet
overal rondstrooien, dat hij 'n extra onuitsprekelijke naam zou
aannemen indien ze hem uitriepen tot keizer en dat vonden de meeste
Hukkers nu net wat ze hebben moesten. Zoo kwam het dat de soldaten
van de keizer gemeene zaak met de oproerlingen maakten en eer Abecé
'n maand oud was zat er voor de rechtmatige keizer van Huk niets
anders meer op dan stilletjes midden in de nacht op de vlucht te
gaan. Hij kon niets anders mee nemen dan z'n vrouw, 't prinsje en
'n paar bedienden, die hem trouw gebleven waren.
Nu had de keizer wel 'n beetje spijt, dat hij de
kroonprins maar niet genoemd had zooals hij zelf
heette. Doch 't was te laat. Op de troon van Huk zat nu
Sutrebortsacedoiborottonommadirfleinatannarassunabrussadinoelopan I.
Tot groote vreugde van alle Hukkers bleek deze naam nog moeielijker
te zijn dan die van alle vorige keizers. Zelfs de vroegere Abecéërs
vonden de naam prachtig en toch ook eigenlijk veel geschikter voor
'n keizer van Huk dan Abecé, ofschoon ze allemaal heel goed wisten,
dat de neef heel geen moeite gehad had die naam uit te denken. Veel
minder hoofdbreken had 't hem gekost, deze gekke naam te vinden dan
de weggejaagde keizer om de eenvoudige naam Abecé te bedenken. Hij had
eenvoudig de naam van z'n voorganger achterstevoren opgeschreven. Maar
daar gaven de Hukkers niet om. Hoofdzaak was, dat geen mensch de
naam van de keizer onthouden kon en spoedig ging alles in Huk weer
z'n oude gangetje. Over 't kleine weggejaagde prinsje werd slechts
nu en dan nog eens spottend gesproken als van prins Alphabet en geen
mensch dacht er meer aan dat ie toch eigenlijk Abecé heette.
Prins Alphabet groeide in de vreemde op net als iedere andere jongen
en geen enkele van z'n schoolkameraden wist, dat ze met 'n prins
te doen hadden. Ze noemde hem Abecé, zooals z'n vader en moeder ook
deden. Dat ze hem eens in z'n eigen land uit spot prins Alphabet hadden
gescholden, daarvan wist hij zelf ook niemendal, want niemand had
't hem ooit verteld. Hij wist wel waardoor z'n vader in ballingschap
geraakt was. Doch dat was ook alles.
Dat z'n vader nu 'n keizer zonder land en hij zelf 'n kroonprins
zonder kroon was, kon Abecé 'n heel klein beetje schelen. Hij had
'n prettig leventje, was gezond als 'n visch, leerde goed ofschoon
ie er wel eens 't land aan had en hij had altijd honger. Boterhammen
waren er gelukkig genoeg in huis, want z'n vader had bij z'n vlucht
nog wel zooveel van z'n bezittingen kunnen redden uit de schipbreuk,
dat de keizerlijke familie er goed van kon leven.
Dat prettige jongensleventje hield echter plotseling op. Kort na elkaar
stierven Abecé's moeder en vader en nu had hij niemand meer dan de oude
Karibo, de eenige van de twee dienaren, die nog in leven was. Keizer
Napo had bepaald, dat na zijn dood Abecé weer terug moest gaan naar z'n
geboorteland. Niemand kende hem daar, want Abecé was nu twaalf jaar en
geen mensch in 't land Huk, zelfs niet diegenen die hem als zuigeling
gezien hadden, zou hem herkennen. De oude Karibo was 'n betrouwbaar
man, die z'n jonge meester niet verraden zou. Karibo was ook heelemaal
veranderd. Die was in die twaalf jaren oud en grijs geworden en de
Hukkers die vroeger misschien vriendelijk tegen hem gezegd hadden:
dag mijnheer Karibo, zouden hem nu ook wel voor 'n wildvreemde aanzien.
Waarom keizer Napo z'n zoon weer naar Huk terugzond, dat wist alleen
Karibo, Abecé had er niet 't minste begrip van. En Karibo hield z'n
mond. Toen ze dus op reis gingen naar Huk en Abecé aan Karibo vroeg
wat ze daar nu eigenlijk te maken hadden, zei Karibo:
"Och eigenlijk niemendal. Doch 't is beter voor 'n mensch in z'n
eigen land te leven, dan in de vreemde. Ik zal wàt blij zijn als ik
weer in dat goeie ouwe Huk terug ben."
Abé was met dat antwoord maar half tevreê, want hij vond 't in 't
vreemde land heel niet onplezierig. Huk was hem veel vreemder. Hij had
graag willen blijven waar hij was, en 't had hem gespeten, dat hij
afscheid moest nemen van z'n schoolvriendjes. Die hadden hem echter
allemaal benijd. Zoo'n groote reis, terwijl 't niet eens vacantie
was--en heelemaal te paard! Alle jongens hadden wel meegewild. Doch
't eenige, wat ze doen konden, was 'n eindje met hen meeloopen,
toen hij op 'n morgen met Karibo naar z'n vaderland vertrok. Abé was
'n beetje verdrietig, want 't was 'n afscheid voor goed. Hij gaf
al z'n kameraden nog eens de hand en toen de jongens terugkeerden,
want 't was tijd voor school, keek Abé nog heel dikwijls om en de
jongens deden 't ook en dan wuifden ze allemaal. 'n Bocht in de weg
maakte daar 'n eind aan. Abé reed zwijgend verder. Voor hem begon er
'n nieuw leven en z'n schoolkameraden begonnen weer aan hun sommen,
want ze hadden dien morgen van negen tot tien rekenen. Abé was liever
met hen aan 't rekenen gegaan. Dat nieuwe leven konden ze voor zijn
part cadeau krijgen.
Abé en Karibo bereden 'n paar groote stevige paarden. Dat was wel
noodig want de weg was lang. Karibo had uitgerekend, dat ze minstens
veertien dagen noodig zouden hebben om de meest nabije stad in
't land Huk te bereiken. Ze hadden ook wel van 'n wagen gebruik
kunnen maken. Maar vooreerst waren in Abé's tijd de wagens zulke
gemakkelijke voertuigen niet en ten tweede reden mannen liefst te
paard. Heel erg was 't ook niet. Abé kon goed rijden en ze hoefden
zich volstrekt niet te haasten. Als ze eens draven wilden deden
ze dat voor hun plezier. Waren ze 't in het zadel een beetje moe,
dan belette niets hen 'n eindje te voet te gaan met hun paard aan
de teugel of 'n poosje in 't hooge gras te gaan liggen langs den
weg. Hun bagage hadden ze achter zich op 't zadel. Heel veel was
't niet, niet meer dan 't hoognoodige. Doch 't voornaamste droeg
Karibo in z'n gordeltasch. Dat waren perkamenten waaruit duidelijk
bleek wie Abé was en goudstukken. 't Spreekt van zelf dat ze beiden
goed gewapend waren, want heel onmogelijk was 't niet in die tijd,
dat 'n paar eenzame reizigers door slecht volk overvallen werden en
uitgeplunderd. Karibo was wel grijs, maar toch nog 'n sterke kerel,
die als oud soldaat heel goed met 't zwaard wist om te gaan en Abé,
al was ie nog pas twaalf jaar, kon er ook best mee terecht. Dat had hij
van z'n vader en van Karibo geleerd. En bang waren ze geen van beiden.
Ze reden die eerste dag 'n heel eind, aten onderweg in 'n herberg en
toen 't avond begon te worden klopten ze aan 'n boerewoning, waar ze
gastvrij ontvangen werden. In die tijd was 'n reiziger altijd welkom
als hij 's avonds om onderdak vroeg.
De volgende morgen stegen ze weer vroeg te paard en zoo ging het
veertien dagen lang. Ze trokken door dalen en over berger, door groene
bosschen en langs donkere akkers en lichte weiden en kwamen zonder
ongevallen in 't land Huk aan.
"Ziezoo," zei Karibo, "nu zijn we eindelijk weer in ons eigen lieve
land."
"Waar we eigenlijk niks te maken hebben"--voegde Abé er aan toe. "Voor
mijn part waren we daarginds gebleven. Zeg me nu toch eindelijk eens
waarom we hier naar toe gereisd zijn?"
"Dat mag ik nog niet zeggen. Mettertijd zal je 't wel gewaar
worden. Maar één ding wil ik je wel vertellen: Pas er voor op dat
geen mensen er achter komt, wie je eigenlijk ben. Dat is 'n beetje
gevaarlijk."
"Dat begrijp ik, Karibo. Die neef die nu als keizer hier regeert,
zou 't wel niet gezellig vinden, als ie wist, dat ik in 't land was."
"Precies. En dus mondje dicht, wat er ook gebeurt. Je ben gewoon Abé,
de zoon van Karibo."
"Ik zal 't niet verklappen hoor. 'k Ben heel niet van plan uit te
bazuinen: Hier zie je nou prins Abecé, die eigenlijk keizer van Huk
moest wezen. Stel je voor Karibo, ik keizer van Huk en jij ... ja
wat zou ik jou toch wel moeten maken? Raadsheer? We zouen 't geen
van beiden prettig vinden, denk ik."
"Ik zeker niet, als ik raadsheer moest zijn. Daar deug ik niet voor. Ik
ben niet geleerd genoeg voor zoo iets. Neen Abé, als je nog eens ooit
keizer van Huk wordt,--je kan nooit weten--laat mij dan maar blijven
wat ik ben. Dat bevalt mij heel goed."
"Nou dat zullen we dan maar voor afgesproken houden Karibo," zei Abecé
lachend, want hij geloofde niet dat er ooit iets van dat keizerschap
komen zou.