IV.

Weer rolde nu op den terugweg naar Parijs de witte trein. En in den

wagon derde klasse, waarin het met volle kracht gezongen Magnificat het

gedreun der wielen overstemde, was het weer dezelfde ziekenchambrée,

dezelfde rijdende en gemeenschappelijke ziekenhuiszaal, die men

met één blik over de lage tusschenschotten in al zijn wanorde van

geïmproviseerde ambulance overzien kon. Half verborgen onder de banken

slingerden kruiken, potten, kommen, bezems, sponsen. Overal en nergens

lag bagage opgestapeld, een armoedige verzameling van versleten dingen,

pakjes, manden, zakken, die, zonder een oogenblik in rust te zijn, ook

aan de koperen haken hingen te slingeren. Dezelfde zusters van Maria

Hemelvaart, dezelfde dames der Hospitalité waren er met haar zieken te

midden van de gezonde pelgrims, die reeds last hadden van de drukkende

hitte en den ondragelijken stank. Achterin zag men weer den geheel met

vrouwen gevulden coupé, de tien dicht op elkaar zittende pelgrims, jong

en oud, allen even leelijk en op slependen valschen toon luid zingend.

"Hoe laat zijn we ook weer in Parijs?" vroeg mijnheer de Guersaint

aan Pierre.

"Morgenmiddag om twee uur, geloof ik," antwoordde de priester.

Van af het vertrek had Marie hem ongerust en bezorgd aangekeken,

alsof een plotseling verdriet, dat zij niet uitspreken wilde,

haar aangegrepen had. Toch vond zij haar glimlachje van herkregen

gezondheid terug.

"Twee-en-twintig uur, nu, dat zal niet zoo lang en zoo zwaar vallen

als toen we gingen."

"En bovendien," zeide haar vader, "zijn we niet met zoovelen; we

hebben het nu wat ruimer ook."

Inderdaad liet het achterblijven van madame Maze een hoekje vrij op

de bank, welke Marie, die nu zat, ook niet meer vol maakte; bovendien

had men de kleine Sophie in het compartiment ernaast gezet, waarin

zich thans broeder Isidore en zijn zuster Marthe, die, naar men

beweerde, te Lourdes in dienst gegaan was bij een vrome dame, niet

meer bevonden. Aan den overkant hadden madame de Jonquière en zuster

Hyacinthe de plaats van madame Vêtu vrij, terwijl zij bovendien Elise

Rouquet bij de kleine Sophie gelaten hadden, zoodat zij alleen nog

maar het echtpaar Sabathier en la Grivotte hadden. Dank zij deze nieuwe

indeeling had men het minder warm, zou men zelfs wat kunnen slapen.

Het laatste vers van het Magnificat was gezongen; de dames trachtten

het nu zoo huiselijk en makkelijk mogelijk in te richten. Voor alles

moesten zij de volle zinken kruiken, die haar beenen hinderden,

onder de banken schuiven. Aan de linkerzijde waren alle gordijntjes

neergelaten, want de zon stond schuin op den trein en viel in felle

plekken binnen. De laatste onweersbuien hadden echter het stof

blijkbaar neergeslagen en de nacht zou zeker frisch zijn. Bovendien

was het lijden minder, de dood had de ergste zieken weggenomen,

terwijl zij, die nog over waren, verdoofd en door en door vermoeid, van

lieverlede in een toestand van gevoelloosheid overgingen. Weldra zou de

reactie van uitputting intreden, die altijd op groote moreele schokken

volgt. De zieken hadden haar krachten verbruikt, de wonderen waren

geschied, en nu begon de ontspanning der zenuwen in de stompzinnigheid

van een groote verlichting.

Tot Tarbes had men het zeer druk, ieder maakte het zich zoo makkelijk

mogelijk en nam zijn plaatsje weer in bezit. Toen ze dit station

verlieten, stond zuster Hyacinthe op en klapte in de handen:

"Kinderen, we mogen de Heilige Maagd, die zoo goed voor ons geweest

is, niet vergeten... Laten we den rozenkrans beginnen!"

De geheele wagon bad nu met haar het eerste paternoster, de vijf blijde

mysteriën: Maria boodschap, het bezoek van Maria aan de H. Elizabeth,

de geboorte van Christus, Maria-Lichtmis en het terugvinden van

Jezus. Dan hieven zij het lied: "Aanschouwen wij den hemelschen

Aartsengel" aan met zoo luide stem, dat de boeren op het land opkeken

en den zingenden trein nastaarden.

Maria bewonderde het wijde landschap, den eindeloozen hemel, die zich

langzamerhand van zijn warmtewaas ontdaan had en helder-blauw geworden

was. Het was het heerlijke einde van een prachtigen dag. Dan gingen

haar blikken weer terug naar den wagon en bleven met die zwijgende

droefheid, welke haar oogen zooeven reeds omfloerst had, rusten op

Pierre, toen zij plotseling tegenover zich heftig gesnik hoorde. Het

lied was uit, madame Vincent huilde en stamelde verwarde, door haar

tranen verstikte woorden.

"Mijn arm kleintje... Mijn lieveling, mijn schat, mijn leven!"

Tot dusverre was zij schuw en ineengedoken in haar hoekje blijven

zitten. Zij had geen woord gesproken, haar lippen waren op elkaar

geklemd, haar oogen half gesloten, alsof zij zich in haar vreeselijke

smart nog meer wilden afzonderen. Maar toen zij haar oogen even open

deed, had zij den leeren riem gezien, dien haar kind aangeraakt,

waarmede het gespeeld had, en het zien daarvan vervulde haar met een

zoo bittere wanhoop, dat zij niet langer zwijgen kon.

"Mijn arme Rose... Zij had dat ding in haar handjes en draaide eraan,

het was haar laatste stukje speelgoed... Ach, toen waren we nog samen,

zij leefde nog, ik had haar nog op mijn schoot, in mijn armen. Het

was zoo heerlijk nog, zoo heerlijk! Maar nou heb ik ze niet meer, ik

zal ze nooit terugkrijgen ook, mijn arme Rose, mijn arme, kleine Rose!"

Met verwilderde blikken keek zij snikkend naar haar leege schoot,

naar haar leege armen, waarmede zij geen raad meer wist. Zij had er

zoo lang haar kind in gewiegd, zoo lang haar kind in gedragen, dat

zij nu het gevoel had, alsof er iets uit haar lichaam was weggenomen,

alsof haar lichaam een functie minder verrichtte, waardoor zij zich

als het ware onbeteekenender, nutteloos gevoelde. Haar armen, haar

knieën hinderden haar.

Diep ontroerd trachtten Pierre en Marie de wanhopige moeder met

vriendelijke woorden te troosten. Langzamerhand leerden zij door de

onsamenhangende zinnen, die zich met haar tranen vermengden, den

lijdensweg kennen, dien zij na den dood van haar kindje beklommen

had. Van 's avonds laat tot den volgenden dag had zij blijkbaar

lang met haar dood kindje in haar armen rondgeloopen, blind, doof,

gegeeseld door de stortregens. Zij herinnerde zich niet meer, welke

pleinen zij overgestoken was, welke straten zij gevolgd had in dat

infame Lourdes, dat kinderen-vermoordende Lourdes, dat zij vervloekte.

"O, ik weet het niet meer, ik weet het niet meer... Ja, menschen

hebben me opgenomen, hebben medelijden met me gehad, menschen, die

ik niet ken, die ergens wonen... O, ik weet het niet meer, ergens,

in de hoogte, ver weg, aan het andere einde van de stad... Maar in

ieder geval waren het arme menschen, want nou herinner ik me, dat

ik met mijn lieve kleine, die ze op hun bed gelegd hadden, heelemaal

koud al, in een armoedig kamertje was..."

Bij die herinnering doorschokte haar een nieuwe huilbui, die haar

half stikken deed.

"Neen, neen, ik wilde niet scheiden van dat lieve, kleine lichaampje

en het in die verschrikkelijke stad achterlaten... Precies kan ik het

niet zeggen, maar die arme menschen moeten mij wel overal gebracht

hebben. Wij hebben geloopen, neen maar, geloopen, alle hooge mijnheeren

van de spoor en van de bedevaart hebben we afgeloopen... Telkens weer

zei ik: "Wat kan het u schelen? Sta mij toe het in mijn armen mede te

nemen naar Parijs. Ik heb het levend zoo hierheen gebracht, ik kan het

zoo wel dood mee terug nemen. Niemand zal er iets van merken... Het

is precies, alsof het slaapt." En al die heeren hebben me weggestuurd,

alsof ik hun gemeene dingen vroeg. Toen heb ik er ten slotte een paar

domheden uitgeflapt... Maar zeg u nu zelf eens, wanneer je zooveel

omhaal maakt, wanneer je zooveel zieken den dood tegemoet zendt, dan

moet je er je toch ook mee belasten de dooden terug te brengen?... En

weet u, wat zij mij aan het station gevraagd hebben? Driehonderd

francs! Ja, dat is de som, geloof ik. Driehonderd francs vragen ze,

God beter het, aan mij, die met dertig sous in mijn zak hierheen

gekomen ben en er nog vijf over heb! Die verdien ik in geen half jaar

met naaien! Hadden ze me mijn leven gevraagd, dan had ik het graag

gegeven... Driehonderd francs! Driehonderd francs voor dat arme kleine

vogellichaampje, dat ik zoo graag op mijn schoot meegenomen had!"

Dan stamelde zij nog slechts doffe jammerklachten.

"O, als u eens wist, wat voor verstandige dingen die arme menschen

gezegd hebben, om me over te halen weg te gaan. Een arbeidster zooals

ik, op wie haar werk lag te wachten, moest naar Parijs terugkeeren; en

ik had geen geld om mijn retourbillet te laten verloopen; ik moest den

trein van tien minuten over half vier nemen... Zij hebben ook gezegd

dat je, wanneer je niet rijk was, de dingen moest nemen, zooals ze

vielen. Maar de rijken houden hun dooden bij zich en doen daarmee wat

zij willen. Ik herinner me niets meer. Ik wist niet eens het uur van

vertrek, nooit zou ik in staat geweest zijn het station te vinden. Na

de begrafenis op een plek, waar twee boomen stonden, hebben alweer

die arme menschen mij half gek daar vandaan meegenomen en me juist

op het oogenblik, dat de trein vertrok, in den wagon geholpen... Maar

wat een pijn, het is precies, alsof mijn hart onder den grond gebleven

is. Het is verschrikkelijk, God, het is verschrikkelijk!"

"Arme vrouw!" prevelde Marie. "Houd moed, vraag aan de Heilige Maagd

om bijstand, dien zij den bedroefden nooit weigert."

Toen doorschokte een aanval van woede haar heele lichaam.

"Dat is niet waar! De Heilige Maagd lacht me uit, de Heilige Maagd is

een leugenaarster!... Waarom heeft zij mij bedrogen? Nooit zou ik naar

Lourdes gegaan zijn, als ik in een kerk die stem niet gehoord had. Mijn

kindje zou nog leven, misschien zouden de dokters het redden... Ik,

die voor niets ter wereld naar den pastoor geloopen zou zijn! Of ik

gelijk had! Er is geen Heilige Maagd! Er is geen lieve God!"

Zonder berusting, zonder illusie, zonder hoop ging zij voort, lasterde

met de echte ruwheid van het volk tegen God, schreeuwde haar smart

zoo woest uit, dat zuster Hyacinthe tusschenbeide moest komen.

"Zwijg, ongelukkige. De goede God straft u door uw wond nog meer te

laten bloeden."

De scène had lang geduurd, en toen zij in volle vaart Riscle

voorbijstoomden, klapte zij opnieuw in haar handen en gaf het teeken,

dat ze Laudate, laudate Mariam! [21] moesten zingen.

"Komt, kinderen, allemaal tegelijk en uit volle borst."

Au ciel et sur terre

Que toutes les voix

Pour vous, o ma Mère,

Chantent à la fois

Laudate, laudate, laudate Mariam.

Nu zij overstemd werd door dit lied der liefde, snikte madame Vincent

alleen nog maar in haar handen; zij was krachteloos, kon nog slechts

zacht stamelen als een arme, door smart en uitputting stompzinnig

geworden vrouw.

In den wagon begonnen na het lied de anderen zich ook moede te

gevoelen. De zoo levendige zuster Hyacinthe en de zachte, ernstige

kleine zuster Claire des Anges waren nog de eenigen, die Lourdes

verlaten hadden, zooals zij er gekomen en er geweest waren: dezelfde

opgewektheid van altijd, dezelfde aan alles gewende, alles overwinnende

kalmte, die haar met haar witte schorten en haar witte kapjes nooit

verliet. Madame de Jonquière, die in vijf nachten zoo goed als niet

geslapen had, deed alle mogelijke moeite om haar arme oogen open te

houden; toch was zij verrukt over de reis en ging zij naar huis met

de groote vreugde in haar hart een man voor haar dochter gevonden te

hebben en het mooiste wonder mede te nemen, een wonderdadig genezene,

over wie de heele wereld spreken zou. Zij nam zich voor dien nacht

eens lekker te slapen ondanks de harde schokken van den wagon, hoewel

zij zich toch ongerust begon te maken over la Grivotte, die zij zoo

vreemd, zoo opgewonden, zoo verwilderd vond met haar doffe oogen en

de violette plekken op haar wangen. Tienmaal had zij getracht haar

wat te kalmeeren, zonder echter gedaan te kunnen krijgen, dat zij

met gevouwen handen en gesloten oogen stil bleef zitten. Gelukkig

baarden de andere zieken haar geen zorg, allen voelden zij zich

verlicht of anders zóó moe, dat zij reeds indommelden. Elise Rouquet

had een zakspiegel gekocht, een grooten, ronden spiegel, waarin zij

niet moede werd te kijken. Zij vond zich mooi, constateerde, dat van

minuut tot minuut de genezing vorderde, en wel met een coquetterie,

die haar, nu haar monsterachtig gezicht wat menschelijker werd, haar

lippen spitsen en een glimlachje probeeren deed. Sophie Couteau zat

lief te spelen; zij had, nu zij merkte, dat niemand meer vroeg haar

voet te zien, uit eigen beweging haar schoenen uitgetrokken en zeide

telkens, dat zij een steentje in haar kous had; maar toen toch niemand

eenige aandacht aan dat door de Heilige Maagd genezen voetje schonk,

nam zij het in haar handen, streelde het en scheen het heerlijk te

vinden het aan te raken en ermede te spelen.

Mijnheer de Guersaint was opgestaan en keek, leunend tegen het beschot,

naar mijnheer Sabathier.

"Vader, vader," riep plotseling Marie, "kom eens kijken naar die

groote kras in het hout. Die is natuurlijk van het ijzeren beslag

van mijn wagentje!"

Dit teruggevonden teeken maakte haar zoo gelukkig, dat zij een

oogenblik het heimelijke verdriet, dat zij scheen te willen verzwijgen,

vergat. Evenals madame Vincent in tranen uitgebarsten was bij het

zien van de leeren riemen, waarmede haar dochtertje gespeeld had, zoo

kon zij een kreet van vreugde niet onderdrukken, nu zij die kras zag,

welke haar herinnerde aan haar lang martelaarschap, aan die voor goed

verdwenen, als een booze droom vervlogen pijnen.

"Te denken, dat ik nauwlijks vier dagen geleden daar nog lag en mij

niet verroeren kon; en nu loop ik, sta ik en voel ik mij zoo gezond!"

Pierre en mijnheer de Guersaint lachten haar toe, terwijl mijnheer

Sabathier, die haar woorden ook gehoord had, langzaam zeide:

"Het is zoo, je laat een beetje van je zelf, van je lijden, van je

hoop in de dingen van je omgeving achter, en wanneer je ze terugvindt,

spreken ze tegen je, zeggen ze je telkens weer die dingen, die je

bedroefd of gelukkig maken."

Berustend en zich in zijn lot schikkend was hij sedert het vertrek

uit Lourdes stil in zijn hoekje blijven zitten; zelfs zijn vrouw had,

wanneer zij zijn beenen toedekte en hem vroeg of hij pijn had, geen

woord uit hem kunnen krijgen. Hij had geen pijn, maar was door een

onoverwinlijke neerslachtigheid aangegrepen.

"Neem mij nu bijvoorbeeld eens," ging hij voort. "Op de lange heenreis

heb ik den tijd gedood met het tellen van de friesen op het plafond. Er

waren er dertien van de lamp tot het portier. Ik heb ze nu weer geteld,

en er zijn er nog altijd dertien, natuurlijk... Zoo is het ook met die

koperen knop naast me. U kunt niet begrijpen, hoeveel droomen ik in

den nacht, dat mijnheer de abbé ons de geschiedenis van Bernadette

voorgelezen heeft, voor mezelf gedroomd heb, toen ik dat ding zoo

zag glanzen. Ja, ik zag me genezen, ik maakte de reis naar Rome,

waarover ik nu al twintig jaar lang praat, liep de heele wereld af;

enfin allerlei dwaze, maar toch heerlijke droomen. En nu we naar

Parijs teruggaan, zijn er nog dertien friesen, glimt de knop nog,

en dat alles zegt me nu, dat ik weer met mijn doode beenen op deze

bank lig... Nu is het uitgemaakt, ik ben en blijf een arm, oud dier,

waarmee het afgeloopen is."

Twee dikke tranen kwamen in zijn oogen, hij doorleefde blijkbaar een

vreeselijk moeilijk uur. Doch dan richtte hij zijn grooten, vierkanten

kop met de jukbeenderen, die een zoo hardnekkig geduld verrieden,

weer op.

"Dit is nu de zevende maal, dat ik naar Lourdes geweest ben, en de

Heilige Maagd heeft mij niet verhoord. Maar dat doet niets ter zake

en zal mij niet weerhouden het volgend jaar weer te gaan. Misschien

zal zij dan zoo genadig zijn mijn gebed te verhooren."

Hij was niet in opstand; en Pierre stond, toen hij hem zoo hoorde

praten, verstomd over die hardnekkige lichtgeloovigheid, die

ondanks alles telkens weer in dezen geestelijk zoo ontwikkelden man

opbloeide. Uit welk een vurige begeerte naar genezing en naar leven

waren dat niet willen zien van de werkelijkheid, dat blind willen

zijn geboren? Hij bleef halsstarrig volhouden gered te zullen worden,

tegen alle waarschijnlijkheid in en niettegenstaande de proef met het

wonder reeds zoo dikwijls mislukt was; ja zelfs ging hij zoover om

dit nieuwe echec toe te schrijven aan zijn verstrooidheid bij de Grot,

aan een blijkbaar onvoldoend berouw, aan allerlei kleine zonden, die

hem het misnoegen der Heilige Maagd op den hals gehaald hadden. Hij

nam zich reeds voor het volgend jaar, alvorens naar Lourdes te gaan,

ergens een novene [22] te houden.

"Tusschen twee haakjes," ging hij voort, "hebt u het geluk gehoord,

dat mijn plaatsvervanger gehad heeft? U weet wel, die teringlijder,

voor wien ik de vijftig francs reisgeld betaald heb, toen ik mij in

de Hospitalité liet opnemen... Welnu die is radicaal genezen!"

"Heusch, een teringlijder?" riep mijnheer de Guersaint uit.

"Waarachtig, mijnheer, volkomen genezen als in een handomdraaien... Ik

had hem zoo minnetjes, zoo geel, zoo uitgeteerd gezien, en hij is me

zoo gezond als een visch in het Hôpital komen opzoeken. Ik heb hem

toen nog honderd sous gegeven."

Pierre moest een glimlach onderdrukken, want hij had van dr. Chassaigne

de ware toedracht der zaak gehoord. De genezene in quaestie was een

simulant, dien men ten slotte op het geneeskundig bureau ontmaskerd

had. Het moest minstens al het derde jaar geweest zijn, dat hij zich

daar aanmeldde, den eersten keer voor een verlamming, den tweeden keer

voor een gezwel, beide malen eveneens volkomen genezen. Iederen keer

had hij zich laten logeeren en voeden en was, overladen met aalmoezen,

weggegaan. Hij was een oud ziekenverpleger, grimeerde zich een kop,

die het beste bij zijn kwaal paste, met zoo'n groote handigheid,

dat een toeval dr. Bonamy te hulp had moeten komen, om het bedrog

te ontmaskeren. De paters hadden een volkomen stilzwijgen over

de zaak geëischt. Waarom deze schandelijke daad over te leveren

aan den spot der couranten? Wanneer zij dergelijke schelmerijen

ontdekten, vergenoegden zij er zich mede den schuldige te doen

verdwijnen. Simulanten kwamen trouwens zeer weinig voor ondanks de

verhalen, die door Voltairianen over Lourdes verspreid waren. Helaas

waren, buiten het geloof, domheid en onwetendheid meer dan voldoende.

Mijnheer Sabathier was zeer onder den indruk van het feit, dat de

hemel den man, die op zijn kosten gekomen was, had genezen, terwijl hij

krachteloos en in denzelfden deerniswaardigen toestand terugkeerde. Hij

zuchtte en zeide niet zonder een zweempje afgunst in zijn berusting:

"Enfin, wat zal je eraan doen? De Heilige Maagd moet toch het beste

weten wat zij doet. Noch u, noch ik zullen haar rekenschap van haar

daden vragen. Wanneer het haar behagen zal een blik op mij te werpen,

zal zij mij altijd aan haar voeten vinden."

Te Mont-de-Marsan liet zuster Hyacinthe na het Angelus de vijf droeve

mysteriën bidden: Jezus in den tuin van den olijfberg, Jezus gegeeseld,

Jezus met de doornenkroon, Jezus zijn kruis dragend, Jezus stervend

aan het kruis. Vervolgens werd in den wagon het avondmaal gebruikt,

want de trein zou niet voor elf uur te Bordeaux stoppen. Alle manden

der pelgrims waren volgepropt met mondvoorraad, ongerekend de melk, de

bouillon, de chocolade en de vruchten, die zuster Saint-François uit

den kantinewagen had laten brengen. Alles werd broederlijk verdeeld;

men at van zijn knieën, in het kort het was een maaltijd, waarvoor

ieder zijn aandeel leverde. En toen men klaar was, pakte men de rest

van het brood en de vette papieren weer in.

"Kinderen," zeide zuster Hyacinthe, toen zij Morceux voorbijstoomden;

"het avondgebed!"

Nu volgde een verward gegons van stemmen: Pater's, Ave's, een

boetedoening, een geheel zich toevertrouwen aan God, aan de Heilige

Maagd, aan de heiligen, een dankzegging voor den gelukkigen dag,

besloten met een gebed voor de levenden en voor de gestorven

geloovigen.

"Ik zeg nu vast maar vooruit, dat ik, als we om tien uur Lamothe

passeeren, stilte bevelen zal. Maar ik hoop, dat u allen verstandig

zult zijn en dat we u niet in slaap behoeven te wiegen."

Deze woorden verwekten gelach. Het was nu half negen. Langzaam was de

avond op het veld neergedaald. Alleen over de heuvels lag nog de vage,

scheidende schemering, terwijl de lage landen reeds met een donker

laken bedekt waren. De trein reed in volle vaart door een uitgestrekte

vlakte; er was niets meer te zien dan die zee van donkerte, waarin

hij voortjoeg onder den donkerblauwen, met sterren bezaaiden hemel.

Sedert eenige oogenblikken keek Pierre verwonderd naar la

Grivotte. Terwijl de pelgrims en de zieken reeds indommelden, opgepakt

tusschen de bagage, die door het aanhoudende schokken slingerde,

was zij rechtop gaan staan en klemde zich als na een plotselingen

angst krampachtig vast aan het tusschenschot. In het bleeke, gele,

dansende licht van de lamp scheen zij weer magerder geworden te zijn,

terwijl haar gelaat weer lijkkleurig zag en door pijn vertrokken werd.

"Pas op, madame, zij valt," riep de priester tegen madame de Jonquière,

die door haar slaap bijna overmand werd.

Zij sprong haastig op, maar zuster Hyacinthe had zich nog vlugger

omgedraaid en ving la Grivotte, die door een hevige hoestbui overvallen

werd, in haar armen op. Vijf minuten lang werd de ongelukkige door

zoo'n hoest geschud, dat haar arm lichaam ervan kraakte. Dan kwamen

er roode draden uit haar mond en kreeg zij een hevige bloedspuwing.

"Lieve God, nu begint het weer," riep madame de Jonquière wanhopig. "Ik

vermoedde het wel, ik was er wel bang voor, toen ik haar zoo vreemd

zag doen... Wacht, ik zal naast haar gaan zitten!"

Zuster Hyacinthe wilde daar echter niet van hooren.

"Neen, neen, madame u gaat wat slapen, ik zal waken... U bent het

niet gewend en zoudt ten slotte zelf ook nog ziek worden."

Zij ging zitten en hield het hoofd van la Grivotte, wier bloederige

lippen zij schoon maakte, tegen haar schouder. De aanval bedaarde,

maar de zwakte kwam zóózeer terug, dat de ongelukkige nauwlijks

de kracht had om te stamelen: "O, het is niets, het is heelemaal

niets... Ik ben genezen, genezen, heelemaal genezen!"

Pierre was geheel van streek. Die verpletterende instorting had den

geheelen wagon met ontzetting vervuld. Velen stonden op en keken

angstig over de tusschenschotten. Dan doken allen weer in het hoekje

terug, niemand sprak, niemand verroerde zich meer. Pierre dacht aan

het interessante medische geval, dat dit meisje bood: de daarginds

herstelde krachten, de groote eetlust, de lange wandelingen, haar

stralend gezicht, haar dansende ledematen; en nu weer dat opgeven van

bloed, die hoest, dat loodkleurige gezicht, de brutale terugkeer van de

ziekte, die ondanks alles overwon. Was dit soms een bijzondere soort

tering, die door neurose gecompliceerd werd? Of was het een andere

ziekte, een onbekende kwaal, die rustig haar gang ging te midden

van tegenstrijdige diagnosen? De zee van onwetendheid en dwalingen

begon, die duisternis, waarin de menschelijke wetenschap nog steeds

rondspartelt. Hij zag dr. Chassaigne weer minachtend zijn schouders

ophalen, terwijl dr. Bonamy kalm voortging de genezingen vast te

stellen in de absolute zekerheid, dat niemand hem de onmogelijkheid van

zijn wonderen zou kunnen bewijzen, evenmin als hij er de mogelijkheid

van kon aantoonen.

"O, ik ben niet bang," stamelde la Grivotte nog steeds, "zij hebben

het me daar allemaal gezegd, ik ben genezen, volkomen genezen!"

De wagen rolde, rolde in den zwarten nacht. Ieder maakte het zich

zoo makkelijk mogelijk, om te kunnen slapen. Men dwong madame Vincent

op de bank te gaan liggen, gaf haar een kussen, waarop zij haar arm,

pijnlijk hoofd kon leggen, en zij, die gedwee en volgzaam als een kind

geworden was, dommelde nu in, in de gevoelloosheid en verdooving van

een nachtmerrie, terwijl dikke, stille tranen uit haar gesloten oogen

bleven rollen. Ook Elise Rouquet had een bank voor zichzelf, maakte

zich gereed om erop te gaan liggen, maar, nog steeds in haar spiegel

kijkend, maakte zij eerst groot nachttoilet, knoopte het zwarte doekje,

dat gediend had om haar wond te verbergen, over haar hoofd en keek

of zij nu met haar geslonken lip mooi was. En weer zag Pierre tot

zijn verbazing, hoe die wond, zoo niet genezen, dan toch op weg van

beterschap was, hoe thans dat afzichtelijke gezicht van drie dagen

geleden toonbaar was. De zee der onzekerheden begon opnieuw. Was het

soms geen echte lupus? Was het misschien een onbekende soort tumor van

hysterischen oorsprong? Of moest men aannemen, dat sommige onvoldoend

bestudeerde lupusgevallen, die voortkwamen uit een slechte voeding van

de huid, door een hevigen moreelen schok genezen konden worden? Het

was een wonder, wanneer hij tenminste na drie weken, drie maanden,

drie jaar niet terugkwam, zooals de tering bij la Grivotte.

Het was tien uur. De geheele wagon dommelde toen men Lamothe

verliet. Zuster Hyacinthe, die het hoofd van de in slaap gevallen

Grivotte op haar knieën hield, kon niet opstaan; zij vergenoegde zich

om, voor den vorm, met een zachte stem, die in het gedreun der wielen

verloren ging, te zeggen:

"Stilte, kinderen, stilte!"

Maar iets bleef er in een compartiment ernaast bewegen; een geluid,

dat haar irriteerde en dat zij ten slotte begreep.

"Sophie, wat beteekent dat getrap tegen de bank? Je moet gaan slapen,

kindlief."

"Ik trap niet, zuster, het is een sleutel, die onder mijn schoen

gerold is."

"Wat, een sleutel? Geef mij dien."

Zij bekeek hem: een armoedige, heel oude, zwartachtige, door het

gebruik versleten sleutel, welks opnieuw gesoldeerde ring nog het

teeken daarvan droeg. Iedereen had in zijn zakken gevoeld, niemand

had een sleutel verloren.

"Ik heb hem in den hoek gevonden," zeide Sophie. "Hij zal zeker van

dien man zijn."

"Welke man?" vroeg zuster Hyacinthe.

"Van den man, die daar gestorven is."

Men had hem reeds vergeten. Zuster Hyacinthe herinnerde zich nu: ja,

ja, hij was zeker van dien man, want zij had iets hooren vallen, toen

zij zijn gezicht afveegde. Zij keerde den sleutel om, bleef ernaar

kijken, steeds weer was het denzelfde leelijke, armoedige sleutel,

de nu nuttelooze sleutel, die nooit meer het onbekende slot, dat daar

ergens in de wijde wereld zich bevond, openen zou. Even dacht zij

er in een soort medelijden met dat zoo nederige, zoo geheimzinnige

stukje ijzer, al wat er van den man nog over was, over om den sleutel

in haar zak te steken, maar dan kwam de godvruchtige gedachte in haar

op, dat men zich aan niets op deze aarde moet hechten, en door het

half openstaande raampje wierp zij den sleutel weg, die neerviel in

den zwarten nacht.

"Sophie, nu niet meer spelen, maar gaan slapen," zeide zij

nogmaals. "En nu stilte, kinderen, stilte!"

Eerst na het korte oponthoud te Bordeaux tegen half twaalf keerde

de slaap terug en deed den geheelen wagon indommelen. Madame de

Jonquière had den strijd niet langer kunnen volhouden, haar hoofd

lag tegen het houten beschot, zij scheen gelukkig ondanks haar

vermoeidheid. De Sabathiers sliepen eveneens, zonder bijna adem te

halen, terwijl er ook geen geluid meer kwam uit het compartiment,

waarin Sophie Couteau en Elise Rouquet tegenover elkaar op de banken

lagen. Nu en dan steeg er even een doffe jammerklacht op, een gil

van angst of schrik, welke van de lippen van madame Vincent kwam,

die blijkbaar benauwd droomde. Alleen zuster Hyacinthe had eigenlijk

haar oogen niet dicht; zij maakte zich erg ongerust over la Grivotte,

die thans onbeweeglijk, als dood, moeilijk en reutelend lag te ademen.

Van het eene einde van die rijdende slaapzaal, die door het

slingeren van den met vollen stoom rijdenden trein hevig geschokt

werd, gaven de zieken en pelgrims zich geheel aan den slaap over:

beenen en hoofden hingen heen en weer te slingeren in het bleeke,

dansende lamplicht. Achter in den wagon, in het compartiment der

tien vrouwlijke pelgrims, was het een jammerlijk mengelmoes van arme,

leelijke, oude en jonge gezichten, die de slaap aan het eind van een

lied, toen zij haar monden nog wijd open hadden, overweldigd had. En

een groot medelijden steeg op met die arme, deerniswaardige, moede

menschen, uitgeput door vijf dagen van krankzinnige verwachtingen,

van eindelooze extase, en die nu den volgenden dag weer zouden ontwaken

tot de harde werkelijkheid van het leven.

Toen voelde Pierre zich als alleen met Marie. Zij had zich niet op de

bank willen uitstrekken, zeide, dat zij in die zeven jaar lang genoeg

gelegen had, en hij was, om mijnheer de Guersaint, die na Bordeaux weer

in zijn diepen kinderslaap gevallen was, wat meer ruimte te geven,

naast haar komen zitten. Het lamplicht hinderde haar, hij trok het

schermpje dicht, zoodat zij nu in het halfdonker, een doorzichtig,

prettig half-donker zaten. Op dit oogenblik reed de trein blijkbaar

door een vlakte, hij gleed door den nacht als in een eindelooze

vlucht met een groot en regelmatig vleugelgeklap. Door het raampje,

dat zij neergelaten hadden, kwam een heerlijke koelte uit de donkere,

onpeilbare velden, waarin zelfs niet het kleinste, verloren licht

van een dorpje scheen. Een oogenblik had hij zich tot haar gewend en

gezien, dat zij haar oogen gesloten hield. Maar hij voelde als bij

instinct, dat zij niet sliep, maar genoot van die diepe rust in dit

donderachtige geratel van den in de diepe duisternis voortjagenden

trein; en evenals zij sloot hij zijn oogen en droomde langen tijd.

Nog eenmaal rees het verleden voor hem op, het kleine huisje te

Neuilly, de kus, dien zij elkaar bij de bloeiende haag onder de bezonde

boomen gegeven hadden. Wat lag die tijd al ver achter hem, maar welk

een geur had zijn geheele leven daarvan bewaard! Dan herinnerde hij

zich met bitterheid den dag, waarop hij priester geworden was. Nooit

zou zij vrouw worden, en hij had erin toegestemd geen man meer te zijn;

dat echter zou hun eeuwig ongeluk worden, nu de natuur in haar ironie

van haar weer een echtgenoote en een moeder maakte. Had hij nu nog zijn

geloof behouden, dan zou hij daarin de eeuwige vertroosting gevonden

hebben. Maar vergeefs had hij alle pogingen in het werk gesteld om

het te heroveren: zijn reis naar Lourdes; zijn gebeden voor de Grot;

zijn hoop, een oogenblik, dat hij ten slotte weer zou gaan gelooven,

indien Marie door het wonder genezen werd; dan de totale, onherstelbare

ineenstorting, toen de aangekondigde genezing zich op wetenschappelijke

wijze voltrokken had. En hun zoo reine en zoo smartelijke idylle, de

lange geschiedenis van hun in tranen gedrenkte liefde ontrolde zich

ook voor zijn oogen. Zij zelf, die zijn droef geheim doorgrond had,

was slechts naar Lourdes gegaan om den hemel het wonder van zijn

bekeering te vragen. Toen zij gedurende de fakkelprocessie alleen

gebleven waren onder de boomen in den geur der onzichtbare rozen,

hadden zij, geheel in elkaar opgaande, met den vurigen wensch voor

elkanders genezing, voor elkaar gebeden. Vóór de Grot nog had zij

de Heilige Maagd gesmeekt haar te vergeten en hem te redden, wanneer

zij slechts één gunst van haar goddelijken Zoon verkrijgen kon.

Toen zij genezen, buiten zichzelf, omhooggevoerd door liefde en

dankbaarheid, het wagentje gereden had naar de Basilica, had zij

gedacht, dat zij verhoord was, had zij hem haar vreugde toegeschreeuwd,

dat zij beiden, beiden gered waren! O, die leugen, die leugen uit

barmhartigheid en liefde, de dwaling, waarin hij haar sedert dat

oogenblik hield, hoe zwaar drukten die op zijn hart! Dat was de zware

steen, die hem nu in zijn vrijwillig graf inmetselde. Hij herinnerde

zich de afschuwelijke crisis, waaraan hij bijna gestorven was, in de

donkerte van de Crypt, zijn snikken, zijn woedend verzet eerst, zijn

verlangen haar voor zich alleen te behouden, haar te bezitten, omdat

hij wist, dat zij hem toebehoorde; hij herinnerde zich dien grommenden

hartstocht van zijn herleefd man-zijn, die daarna langzamerhand weer

tot kalmte gekomen was, verdronken in zijn tranen; hij herinnerde

zich, hoe hij, om de goddelijke illusie in haar niet te vernietigen en

toegevend aan een broederlijk medelijden, den heldhaftigen eed gezworen

had haar voor te liegen, den eed, waardoor hij nu ten gronde ging.

Pierre huiverde in zijn droomerig gepeins. Zou hij de kracht hebben

altijd dien eed te houden? Had hij, toen hij op het station stond

te wachten, niet een ongeduld in zijn hart gevoeld, een jaloersch

verlangen om dat door haar al te zeer geliefde Lourdes te verlaten, in

de vage hoop, dat zij, verre van daar, tot hem terug zou keeren? Was

hij geen priester geweest, dan zou hij met haar getrouwd zijn. Welk

een verrukking, welk een leven vol zalig geluk zich geheel aan haar

te mogen geven, haar geheel tot de zijne te maken, te herleven in het

kind, dat zij hem schenken zou. O, er bestond geen ander geluk dan het

bezit, dan het leven, dat nieuw leven schept. En zijn droom dwaalde af:

hij zag zich getrouwd, en dat vervulde hem met zoo'n groote vreugde,

dat hij zich afvroeg, waarom die droom niet te verwezenlijken was. Zij

had nog de onschuld van een tienjarig kind, hij zou haar onderwijzen,

haar ziel opnieuw vormen. Zij zou begrijpen, dat de genezing, die zij

meende te danken te hebben aan de Heilige Maagd, afkomstig was van

de eenige Moeder, de reine en onpartijdige natuur. Doch naarmate hij

al deze dingen overlegde, kwam er een soort heilige angst in hem op,

die zijn oorsprong had in zijn godsdienstige opvoeding. Groote God,

wist hij, of dit menschen-geluk, waarmede hij haar overstelpen wilde,

ooit de heilige onwetendheid, de kinderlijke onschuld, waarin zij

thans leefde, zou kunnen evenaren? Welke bittere verwijten later,

als zij niet gelukkig was? Welk een gewetensdrama, de soutane af te

werpen, de wonderdadig genezene te huwen, haar geloof zóó geheel te

verwoesten, om haar te doen toestemmen in die heiligschennis! En toch,

daarin lag de dapperheid, daarin lag het leven, de rede; de ware man,

de ware vrouw, de noodzakelijke en groote vereeniging. Waarom toch,

groote God, durfde hij niet? Een onmetelijke droefheid kwam in zijn

droom; hij hoorde nu nog slechts het lijden van zijn arm hart.

De trein joeg voort met zijn groot klapgewiek, steeds was nog alleen

zuster Hyacinthe wakker in den door slaap overmanden wagon. Op dat

oogenblik boog Marie zich naar Pierre toe en zeide zacht:

"Het is vreemd, ik val om van moeheid, en toch kan ik niet slapen."

En dan met een onderdrukt lachje:

"Ik heb Parijs in mijn hoofd."

"Parijs?"

"Ja, ja, ik bedenk, dat het mij verwacht, dat ik daarheen zal

terugkeeren... O, wat zal ik in dat Parijs, waarvan ik niets ken,

leven!"

Dat gaf Pierre een steek door zijn hart. Hij had het wel voorzien, zij

kon niet meer voor hem zijn, zij zou aan anderen toebehooren. Parijs

zou haar weer aan hem ontnemen, als Lourdes haar aan hem teruggaf. En

hij stelde zich voor, hoe dat onwetende kind zich tot vrouw zou

ontwikkelen. Het kleine witte zieltje, dat bij het groote meisje van

drie-en-twintig jaar onberoerd gebleven was, het zieltje, dat haar

ziekte ver van het leven, ver van de romans zelfs gehouden had, zou,

nu het zijn vrije vlucht hernam, heel gauw rijp zijn. Hij zag het jonge

meisje lachend, gezond, overal heengaand, kijkend, leerend en... op een

goeden dag den echtgenoot ontmoeten, die haar opvoeding voltooien zou.

"Dus stel je je voor je te Parijs nogal te amuseeren?"

"Ik? Hoe kom je eraan? Wij zijn toch niet rijk genoeg om daaraan te

kunnen denken... Neen, ik dacht aan mijn zuster Blanche, ik vroeg

mijzelf af, wat ik te Parijs zou kunnen doen, om haar taak wat te

verlichten. Zij is zoo goed, zij slooft zich zoo af, ik wil niet,

dat zij alleen het brood voor ons blijft verdienen."

En na een nieuwe stilte, toen hij zelf, te ontroerd, bleef zwijgen:

"Vroeger, voordat ik die erge pijnen had, kon ik vrij aardig

miniatuurtjes schilderen. Herinner je je nog, dat ik een vrij goed

gelijkend portret van vader gemaakt heb, dat iedereen zoo mooi

vond... Je wilt me zeker wel helpen om werk voor mij zien te krijgen?"

Dan begon zij over het nieuwe leven, dat zij zou leiden. Zij wilde

haar kamer mooier inrichten en die van haar eerste spaarduitjes met

blauwgebloemd creton opsieren. Blanche had haar wel eens verteld van

dien grooten winkel, waarin je alles zoo goedkoop krijgen kon. Het

zou zoo leuk zijn met Blanche uit te gaan en overal rond te kijken,

want zij kende niets, had nooit iets gezien, in de zeven jaar, dat

zij aan haar ziekbed gekluisterd was. Pierre, die eenigszins kalmer

geworden was, begon opnieuw te lijden, nu hij die vurige levenslust,

die begeerte om alles te zien, te leeren kennen, in haar ontdekte. Dat

was eindelijk het ontwaken der vrouw, die zij worden moest, die hij

vroeger in haar geraden en in het kind liefgehad had, een heerlijk

schepsel van vroolijkheid en hartstocht met haar bloeienden mond,

haar sterre-oogen, haar melkblanken tint, haar gouden lokken, stralend

van levensvreugde.

"O, ik zal werken, ik zal werken! En dan, je hebt gelijk Pierre, ik zal

mij amuseeren ook, want het is toch geen zonde, om vroolijk te zijn."

"Neen, zeker niet, Marie!"

"'s Zondags gaan we naar buiten, heel ver weg, naar de bosschen,

waar mooie boomen zijn... En we gaan ook naar de comedie, als papa

ons meeneemt. Ze hebben me verteld, dat er veel stukken zijn, die je

gerust zien kan. Maar dat is trouwens niet het voornaamste. Als ik

maar uit ga, in de straten ben en alles zien kan, dan zal ik al zoo

gelukkig zijn en tevreden thuis komen!... Het is zoo heerlijk om te

leven, niet, Pierre?"

"Ja, Marie, het is heel heerlijk!"

Hij voelde iets als een doodsrilling over zich gaan; het berouw, geen

man meer te zijn deed hem als in doodsangst ineenkrimpen. Waarom zeide

hij, nu zij hem met haar prikkelende argeloosheid zoo in verleiding

bracht, haar de waarheid niet, die hem als lood drukte. Hij zou haar

dan hebben kunnen nemen, hebben kunnen veroveren. Nooit had zijn

hart, nooit had zijn wil een moeilijker strijd te strijden gehad. Een

oogenblik stond hij op het punt de niet meer te herroepen woorden

uit te spreken.

Doch reeds ging zij op haar vroolijken kindertoon voort:

"Kijk eens, hoe blij papa is zoo heerlijk te slapen!"

Inderdaad sliep tegenover hen mijnheer de Guersaint op de bank met

dezelfde gelukzalige uitdrukking op zijn gelaat, als wanneer hij in

zijn bed gelegen had, zonder dat hij iets van de hevige schokken scheen

te merken. Dat eentonige slingeren en stampen scheen trouwens slechts

het wiegen te zijn, dat den slaap van den geheelen wagon nog zwaarder

maakte. Het was een algeheele overgave, de volkomen vernietiging van

het lichaam te midden van de eveneens in elkaar gezakte bagages,

die als ingeslapen waren in het rookerige licht der lampen. Het

rhythmisch geratel der wielen hield maar niet op in het onbekende

donker, waarin de trein nog steeds voortsnelde. Een enkele maal,

bij een station, onder een brug, stormde de wind van de vaart woest

binnen, blies plotseling een storm. Dan begon het wiegende geratel

weer, eentonig, eindeloos.

Marie nam zacht Pierre's hand in de hare. Zij waren zoo verdwaald,

zoo alleen te midden van al die door slaap overmande menschen, in

dien grooten, dreunenden vrede van den in volle vaart door de vlakte

jagenden trein. De triestheid, de triestheid, die zij tot dusver

verborgen had, kwam terug en sluierde een donker floers over haar

groote blauwe oogen.

"Je gaat toch zeker dikwijls met ons mee, Pierre?"

Hij had gerild, toen hij haar kleine hand de zijne had voelen

drukken. Zijn hart lag op zijn lippen, hij besloot te spreken. Toch

hield hij zich nog in en stamelde:

"Marie, ik ben niet altijd vrij, een priester kan niet overal komen."

"Een priester," herhaalde zij, "ja, ja, een priester; dat begrijp ik."

En nu sprak zij, bekende zij het doodelijke geheim, dat sedert het

vertrek haar hart benauwde. Zij boog zich nog dichter naar hem toe

en zeide heel, heel zacht:

"Luister eens, Pierre, ik ben troosteloos bedroefd. Ik zie eruit,

alsof ik heel gelukkig ben, maar de dood is in mijn ziel... Je hebt

me gisteren voorgelogen."

Hij schrok, begreep haar eerst niet.

"Heb ik je voorgelogen?"

Een soort schaamtegevoel weerhield haar, zij aarzelde nog, nu zij op

het punt stond af te dalen in dit gewetensmysterie, dat het hare niet

was. Doch dan als vriendin, als zuster:

"Ja, ja, je hebt me willen doen gelooven, dat je met mij gered

was, en dat was niet waar, Pierre; je hebt je verloren geloof niet

teruggevonden."

Groote God, zij wist! Het was voor hem een troosteloosheid, een

zoo verpletterende catastrophe, dat hij er zijn eigen kwelling door

vergat. Eerst wilde hij in zijn leugen van broederlijke barmhartigheid

volharden.

"Daar is geen quaestie van, Marie. Hoe kom je op dat denkbeeld?"

"O, beste jongen, zwijg toch, om Godswil! Het zou me nog maar meer

pijn doen, als je me nog langer voorloog... Ik heb het gemerkt aan het

station, toen we op het punt stonden weg te gaan, toen die ongelukkige

man gestorven is. Die goede abbé Judaine is op zijn knieën gevallen,

heeft gebeden gezegd voor de rust van die opstandige ziel. Ik heb

alles gevoeld, alles begrepen, toen ik zag, dat jij niet neerknielde,

dat het gebed niet ook naar jouw lippen opsteeg."

"Maar heusch, Marie..."

"Neen, neen, je hebt niet voor den doode gebeden, je gelooft niet

meer... En dat is trouwens niet alles, het is alles wat ik als bij

intuïtie voel, alles wat van jou tot mij spreekt, een wanhoop, die

je niet verbergen kunt, een melancholie in je arme oogen, zoodra

zij de mijne ontmoeten... De Heilige Maagd heeft mij niet verhoord,

jou het geloof niet teruggegeven, en ik ben zoo diep ongelukkig."

Zij weende, een warme traan viel op de hand van den priester, die

zij nog altijd in de hare hield. Dat deed hem alle zelfbeheersching

verliezen, hij streed niet langer, bekende, liet ook zijn tranen den

vrijen loop, terwijl hij heel, heel zacht stamelde:

"O, Marie, ik ben ook zoo ongelukkig, zoo diep ongelukkig!"

Een oogenblik zwegen zij in hun wreed verdriet tusschen zich den

afgrond van hun geloofsovertuigingen te voelen. Maar vooral het

denkbeeld, dat zij voor eeuwig niet meer in staat zouden zijn om

dichter bij elkaar te komen, nu de hemel zelf geweigerd had den band

weer te knoopen, maakte hen wanhopig. Naast elkaar weenden zij over

hun scheiding.

"Ik," begon zij weer met door droefheid verstikte stem; "ik, die

zoo gebeden had voor je bekeering; ik, die zoo gelukkig was... Ik

had een gevoel, alsof jouw ziel geheel in de mijne was opgegaan;

het was zoo heerlijk te weten, dat wij samen, samen gered waren. Ik

voelde de krachten in mij om te leven, ja, de kracht om de geheele

wereld uit haar voegen te rukken!"

Hij bleef zwijgen, in een eindeloozen stroom vloeiden de tranen over

zijn wangen.

"Te moeten denken," ging zij voort; "dat ik alleen genezen ben,

dat ik dat groote geluk gehad heb zonder jou. Jou zoo verlaten,

jou zoo troosteloos eenzaam te zien, terwijl ik overstelpt ben door

genade en vreugde, verscheurt mijn hart... O, wat is de Heilige Maagd

streng geweest! Waarom heeft zij niet tegelijk met mijn lichaam jouw

ziel genezen?"

De laatste gelegenheid bood zich aan; hij had moeten spreken, eindelijk

het licht der rede moeten laten schijnen voor dit onschuldige kind,

haar het wonder moeten verklaren, opdat het leven, na in haar zijn werk

van gezondheid volbracht te hebben, zijn triomf voltooien zou door hen

in elkaars armen te werpen. Ook hij was genezen, want zijn verstand

was van nu af aan gezond, en niet omdat hij zijn geloof, maar omdat

hij haar verloren had, weende hij. Doch ondanks zijn groot verdriet

maakte zich een onoverwinbaar medelijden van hem meester. Neen, neen,

hij zou den vrede van die reine ziel niet storen, hij zou haar haar

geloof niet ontnemen, dat eens misschien, te midden van al de smarten

dezer wereld, haar eenige steun zijn zou. Van vrouwen en kinderen mag

men het bittere heroïsme van het verstand niet verlangen. Hij voelde,

dat hij niet de kracht; hij geloofde zelfs niet, dat hij het recht

ertoe had. Het scheen hem een verkrachting, een afschuwlijke moord

toe. En hij sprak niet, zijn tranen stroomden nog brandender in deze

opoffering van zijn liefde, het wanhopige offer van zijn eigen geluk,

opdat zij vertrouwend, onwetend, vroolijk blijven zou.

"O, Marie, wat ben ik ongelukkig! Op de landwegen, in het bagno

zijn er geen ongelukkigen, die ongelukkiger zijn dan ik... O, Marie,

als je eens wist, hoe ongelukkig ik ben!"

Ook zij verloor nu haar zelfbeheersching, nam hem in haar bevende

armen, wilde hem door een zusterlijke omhelzing troosten. Op dat

oogenblik raadde de vrouw, die in haar ontwaakte, als bij intuïtie

alles, snikte ook zij om alle menschelijke en goddelijke wilskrachten,

die hen scheidden. Zij had nog nooit aan die dingen gedacht, nu zag

zij plotseling het leven met zijn hartstochten, zijn strijd, zijn

lijden en zij zocht naar wat zij zeggen kon, om dat bloedende hart

eenigszins tot kalmte te brengen; en diep bedroefd, dat zij niets

kon vinden, dat zacht en zoet genoeg klonk, stamelde zij:

"Ik weet het, ik weet het!"

Dan vond zij het woord; en alsof wat zij te zeggen had, alleen maar

door de engelen gehoord mocht worden, keek zij ongerust in den wagon

rond. Maar het scheen, alsof de slaap hier nog zwaarder geworden

was. Haar vader sliep nog steeds als een onschuldig klein kind. Geen

der pelgrims, geen der zieken had zich ondanks het ruwe schudden, dat

hen voortjoeg, bewogen. Zelfs zuster Hyacinthe had, toegevend aan de

uitputting, die haar neerdrukte, haar oogen gesloten, na ook op haar

beurt het lichtscherm over de lamp van haar compartiment getrokken te

hebben. Er heerschte nu nog slechts een vaag half-donker, er waren

tusschen de naamlooze, nauwlijks waarneembare voorwerpen, slechts

onbestemde lichamen, die een stormwind, een razende vlucht voortjoeg

in de duisternis. En zij wantrouwde ook dat zwarte landschap, welks

onbekende vlakten aan beide zijden van den trein voorbijvlogen, zonder

dat men zelfs wist, welke bosschen, welke rivieren, welke heuvels

zij voorbijgingen. Zooeven waren eenige vonken opgedoken, misschien

in de verte gelegen smidsen, kleine lampjes van arbeiders of zieken;

maar nu reden zij weer in diepe duisternis, in de donkere, eindelooze,

naamlooze zee, waarin men steeds verder kwam, overal en toch nergens.

Nu bracht Marie in een kuische verlegenheid en blozende te midden

van haar tranen, haar lippen aan Pierre's oor.

"Luister, beste Pierre... Er bestaat een groot geheim tusschen

de Heilige Maagd en mij. Ik had haar gezworen het aan niemand te

zeggen. Maar jij bent te ongelukkig, jij lijdt te veel; zij zal het

mij vergeven, als ik het jou toevertrouw."

En dan nog zachter:

"In den nacht van vurig gebed, je weet wel, in dien nacht van gloeiende

extase, dien ik voor de Grot doorgebracht heb, heb ik mij door een

gelofte gebonden, heb ik de Heilige Maagd beloofd haar het offer van

mijn maagdelijkheid te brengen, als zij mij genas... Zij heeft mij

genezen, en nooit, versta je Pierre, nooit zal ik trouwen."

Welk een onverhoopt geluk! Hij dacht, dat een dauw op zijn arm,

gemarteld hart viel. Het was een hemelsche tooverkracht, een zalige

verrukking. Als zij niemand anders toebehoorde, zou zij dus altijd

een klein beetje de zijne zijn. Hoe had zij zijn lijden begrepen,

hoe had zij begrepen, wat zij zeggen moest, om het leven nog mogelijk

voor hem te maken!

Ook op zijn beurt wilde hij nu gelukkige woorden vinden, haar danken,

haar beloven, dat ook hij haar steeds zou toebehooren, dat hij haar

eeuwig zou liefhebben, zooals hij haar sedert haar jeugd liefhad,

als het dierbare wezen, wier eenige kus voldoende geweest was om zijn

geheele leven te verzachten. Maar zij verzocht hem te zwijgen, bang,

dat dit zoo reine oogenblik bedorven zou worden.

"Neen, neen, Pierre, laten we niets meer zeggen. Dat zou misschien

verkeerd zijn... Ik ben erg moe, ik ga nu rustig slapen."

Zij bleef haar hoofd tegen zijn schouder geleund houden, sliep

dadelijk, als een zuster vol vertrouwen, in. Een oogenblik hield

hij zich in dat smartelijke geluk van verzaking, dat zij samen

genoten hadden, nog wakker. Ditmaal was het voorgoed uit, het offer

was gebracht. Hij zou eenzaam leven, buiten het leven der verdere

wereld. Nooit zou hij de vrouw kennen, nooit zou een ander levend

wezen uit hem geboren worden. Hij had als troost nog slechts den

trots op dien zelfgewilden zelfmoord.

Doch dan werd de uitputting ook hem te machtig, zijn oogen vielen dicht

en op zijn beurt sliep ook hij in. Zijn hoofd gleed wat naar beneden,

zijn wang raakte de wang van zijn vriendinnetje, dat met haar voorhoofd

tegen zijn schouder, heel rustig sliep. Hun haren strengelden zich

dooreen. Haar koninklijke, haar gouden lokken waren half losgeraakt;

zijn gezicht baadde er als het ware in, en hij droomde in den geur van

haar lokkenpracht. Ongetwijfeld droomden zij beiden tegelijk denzelfden

gelukzaligen droom, want beider liefdevolle gelaatstrekken hadden

dezelfde verrukte uitdrukking, beiden lachten zij den engelen toe.

De kuische en hartstochtelijke overgave, de onschuld van dezen

toevalligen slaap bracht hen, in elkaars armen met hun vochtig-warme

lippen, zoo dicht bij elkaar, terwijl hun ademhalingen zich aan

elkaar paarden, evenals kleine naakte kindertjes, die in dezelfde

wieg liggen. Dat was hun huwlijksnacht, de voltrekking van de

geestelijke echtverbintenis, waarin zij in het vervolg zouden leven,

een zalig wegzinken in het niet, nauwlijks een vluchtige droom van

een mystieke inbezitneming van elkaar in dezen wagon van ellende en

lijden, die voortrolde, steeds voortrolde in den zwarten nacht. Uren

en uren verliepen, de wielen dreunden, de bagage schommelde aan de

haken, terwijl uit de moede, opgehoopte lichamen slechts de groote

vermoeienis, de ontzettende physieke slapheid opsteeg, die zich in

het land der wonderen, waar de zielen te zeer overspannen worden,

van hen had meester gemaakt.

Om vijf uur, juist bij het opgaan der zon, werden plotseling allen

wakker, toen zij dreunend een groot station binnenreden, overal klonk

geroep van conducteurs, portieren werden opengeslagen, de menschen

verdrongen zich naar buiten. Zij waren te Poitiers, de geheele wagon

was te midden van een lawaai van stemmen, uitroepen en gelach op

den been.

De kleine Sophie Couteau moest hier uitstappen en nam nu afscheid. Zij

gaf den dames een zoen, en klom zelfs over het tusschenschot om

zuster Claire des Anges goeden dag te zeggen, die niemand meer

gezien had sedert den vorigen avond, toen zij zwijgend en stil met

haar mysterievolle oogen in haar hoekje verdwenen was. Dan kwam het

kind weer terug, nam haar pakje en was vooral voor zuster Hyacinthe

en madame de Jonquière één en al hartelijkheid.

"Tot ziens, zuster; tot ziens, madame... Ik dank u hartelijk voor al

uw vriendelijkheid."

"Je moet het volgend jaar weer terugkomen, kindlief!"

"Zonder mankeeren, zuster; dat is mijn plicht."

"En gedraag je goed, lieve meid, zoodat de Heilige Maagd trotsch op

je zijn kan."

"Zeker, madame, zij is zoo goed voor mij geweest, en ik vind het zoo

heerlijk haar weer terug te zien."

Toen zij op het perron stond, bogen alle pelgrims van den wagon zich

uit de raampjes en keken haar met gelukkige gezichten na.

"Tot het volgend jaar! Tot het volgend jaar!"

"Ja, ja, tot het volgend jaar!"

Het ochtendgebed zou eerst te Châtellerault gezegd worden. Toen

na het korte oponthoud te Poitiers de trein weer voortrolde in de

frissche morgenlucht, zeide mijnheer de Guersaint vroolijk, dat

hij, niettegenstaande de harde bank, geslapen had als een roos. Ook

madame de Jonquière was dankbaar voor de heerlijke rust, waaraan

zij zoo'n behoefte had, ofschoon zij zich wel een beetje schaamde,

dat zij zuster Hyacinthe alleen had laten waken bij la Grivotte,

die rilde van de koorts en telkens weer een hoestbui had. De andere

vrouwelijke pelgrims maakten een beetje toilet, de tien vrouwen

achter in den wagon trokken haar doekjes weer recht, knoopten hun

mutsen weer vast. Elise Rouquet werd niet moede in den spiegel naar

haar neus, haar mond, haar wangen te kijken; zij bewonderde zich,

dronk zichzelf als het ware in, vond, dat zij beslist weer knap werd.

Pierre en Marie voelden een diep medelijden in zich opkomen, toen zij

keken naar madame Vincent, die niets uit de gevoelloosheid, waarin zij

verkeerde, had kunnen wakker maken, noch het lawaaierige oponthoud te

Poitiers, noch het stemmengegons, sedert de trein weer in beweging

was. Liggend op haar bank, had zij haar oogen niet meer geopend,

sliep zij nog steeds, gekweld door wreede droomen. En terwijl dikke

tranen uit haar gesloten oogleden bleven vloeien, had zij het kussen,

dat men haar opgedrongen had, in haar armen genomen en drukte het,

in den boozen droom van haar lijdende moederliefde, wanhopig tegen

haar borst. Haar arme moederarmen, die zoo lang haar stervend kindje

gedragen hadden, haar nu voor altijd ledige armen hadden in haar

slaap het kussen gevonden en hielden het nu in een blinde omarming

als een phantoom omvat.

Mijnheer Sabathier daarentegen werd vroolijk wakker. Terwijl zijn

vrouw de deken wat optrok en er zijn doode beenen zorgvuldig in

wikkelde, begon hij, weer geheel in de macht van de genaderijke

illusie, met schitterende oogen te praten. Hij vertelde, dat hij van

Lourdes gedroomd had, dat de Heilige Maagd zich met een glimlach vol

welwillende beloften over hem heen gebogen had. En in tegenwoordigheid

van madame Vincent, de moeder, wier kindje zij had laten sterven, van

la Grivotte, de ongelukkige vrouw, die zij genezen had, maar die nu

weer teruggestort was in haar doodelijk lijden, verheugde hij zich en

zeide op een toon van volkomen zekerheid tegen mijnheer de Guersaint:

"O, mijnheer, ik ga geheel gerustgesteld naar Parijs terug... Het

volgend jaar zal ik genezen worden... Ja, ja, zooals het lieve kind

daareven zoo hartelijk riep: Tot het volgend jaar! Tot het volgend

jaar!"

Het was de onverwoestbare, overwinnende illusie der zekerheid,

de eeuwige hoop, die niet sterven wilde, die, na iedere nederlaag,

op de ruïnes van alle verwachtingen, nog krachtiger opbloeide.

Te Châtellerault liet zuster Hyacinthe het ochtendgebed uitspreken,

het Pater, het Ave, het Credo, een smeekbede tot God, om hun het

geluk van een glorierijken dag te geven. O, mijn God, geef mij genoeg

kracht, om al het kwade te vermijden, om al het goede te doen, om al

het lijden te dulden!

De drie steden: Lourdes · 第 38 / 41 题