III.

Reeds om half drie stond de witte trein, die om tien minuten over

half vier van Lourdes zou vertrekken, langs het tweede perron. Hij

had drie dagen lang, geheel geformeerd, zóó als hij van Parijs gekomen

was, op een zijspoor staan wachten, en sedert men hem naar het tweede

perron gerangeerd had, wapperden witte vlaggen op het eerste en laatste

rijtuig, om hem kenbaar te maken voor de pelgrims. De veertien treinen

der nationale bedevaart zouden dien dag alle weer teruggaan. Om tien

uur was de groene trein vertrokken, daarna de rose en de gele, terwijl,

na den witten, de andere, de oranjekleurige, de grijze en de blauwe

volgen zouden. Het was voor het stationspersoneel een zware dag,

een lawaai en een gedrang, dat de beambten half gek maakte.

Het vertrek van den witten trein trok echter altijd de meeste

belangstelling, was de groote emotie van den dag, want deze voerde

de ernstigste zieken terug, die hij had meegebracht en onder dezen

bevonden zich natuurlijk de uitverkorenen der Heilige Maagd, de

wonderdadig genezenen. Een groote menigte verdrong zich dan ook onder

de overkapping en versperde den grooten overdekten, ongeveer honderd

meter langen hal. Alle banken waren bezet, volgepropt met pelgrims

en bagage, die reeds wachtten. In een der hoeken had men de kleine

tafeltjes van het buffet als in een stormaanval in bezit genomen;

mannen dronken bier, vrouwen limonade, terwijl aan het andere einde,

voor de deur van het bagage-bureau, brancarddragers de passage vrij

hielden, om een snel transport der zieken, die dadelijk gebracht zouden

worden, te verzekeren. Op het lange perron was het een voortdurend heen

en weer geloop van arme, zenuwachtige menschen, druk doende priesters,

nieuwsgierige en kalme heeren in overjas, kortom een opeenhooping,

zoo gemengd en zoo gemêleerd, als men ze zelfs op stations maar

weinig vindt.

Om drie uur was baron Suire buiten zichzelf van wanhoop, omdat er

gebrek was aan paarden; onverwachts was er een groot aantal touristen

gekomen, die bijna alle rijtuigen voor uitstapjes naar Barèges,

Cauterets en Gavarnie gehuurd hadden. Hij vloog naar Berthaud

en Gérard, die eindelijk, na de heele stad afgeloopen te hebben,

terugkwamen; maar alles liep uitstekend, verzekerden zij; zij hadden

paarden weten te bemachtigen en het transport der zieken geschiedde

zoo goed als men maar wenschen kon. Op het stationsplein stonden reeds

ploegen brancarddragers met hun baren en kleine wagentjes te wachten op

de bagage- en meubelwagens en alle andere soorten voertuigen, die men

voor de overbrenging gerecruteerd had. Tegen een lantaarnpaal was een

groote hoop reserve-matrassen en kussens opgestapeld. Toen de eerste

zieken aankwamen, verloor baron Suire opnieuw het hoofd, terwijl

Berthaud en Gérard zich naar het perron haastten. Zij hielden daar

toezicht en gaven bevelen te midden van het steeds toenemende gedrang.

Pater Fourcade, die aan den arm van pater Massias langs den trein

heen en weer liep, bleef staan, toen hij dr. Bonamy aan zag komen.

"O, dokter ik ben zoo gelukkig... Ik had het met pater Massias, die

zoo dadelijk vertrekt, juist over de buitengewone genade, die de

Heilige Maagd aan dat zoo interessante jonge meisje, mademoiselle

Marie de Guersaint bewezen heeft. In geen jaren hebben we een zoo

opvallend wonder gehad. Het is een groot geluk voor ons allen, een

zegen, die het succes van onze pogingen bevruchten moet... De geheele

Christenheid zal er door worden verrukt, vertroost, verrijkt."

Hij straalde van geluk, en ook de dokter met zijn gladgeschoren

gezicht, zijn grove, maar vriendelijke trekken en zijn gewoonlijk

zoo moede oogen, was in den zevenden hemel.

"Het is wonderbaar, wonderbaar, eerwaarde vader! Ik zal er een brochure

over schrijven, nog nooit heeft er op geloofwaardiger en authentieker

wijze een genezing langs bovennatuurlijken weg plaats gehad... Wat

een opzien zal het baren!"

Toen zij met hun drieën weer verder liepen, zag hij, dat pater Fourcade

nog meer dan gewoonlijk met zijn been trok en zwaar op den arm van

pater Massias leunde.

"Is de aanval van jicht weer erger geworden, eerwaarde?" vroeg hij. "U

schijnt nog al pijn te hebben."

"O praat me er niet van, ik heb vannacht geen oog dicht kunnen doen. En

dat die aanval nu juist hier in Lourdes moet komen... Hij had best

een tijdje kunnen wachten... Maar daar is nu eenmaal niets aan te

doen. Laten we er niet verder over spreken, ik ben veel te gelukkig

met de resultaten van dit jaar."

"Dat is zeker," zeide op zijn beurt pater Massias met een van

geloofsijver bevende stem; "wij kunnen trotsch zijn en met een van

geestdrift en dankbaarheid overvloeiend hart teruggaan. Hoeveel andere

wonderen nog behalve dat jonge meisje! Zij zijn niet meer te tellen:

dooven, die hooren, en stommen, die spreken; door wonden weggevreten

gezichten, die weer zoo gaaf als mijn hand geworden zijn, stervende

teringlijdsters, die, herleefd, nu weer eten en springen. Het is

geen ziekentrein meer, het is de trein der herrijzenis, een trein

van glorie, waarmede ik vertrek."

De zieken zag hij niet meer, hij verliet Lourdes in den vollen

triomf van het goddelijke, in de verblinding van zijn geloof. Met hun

drieën bleven zij langzaam voortwandelen langs de wagons, waarvan de

compartimenten zich langzamerhand begonnen te vullen, glimlachten tegen

de pelgrims, die hen groetten, terwijl zij nu en dan bleven staan,

om een arme vrouw, die bleek en rillend op een baar voorbijgedragen

werd, een paar bemoedigende troostwoorden toe te spreken. Heusch,

zij zag er al veel beter uit en zou zeker beter worden.

Maar de stationschef vloog haastig over het perron en riep:

"Geen verstopping op het perron, niet blijven stilstaan!"

Toen Berthaud hem echter onder het oog bracht, dat men toch eerst de

draagbaren moest neerzetten, voor men de zieken kon doen instappen,

werd hij boos.

"Maar zeg nu zelf, is dat nou verstandig? Kijk, daar laten ze

waarachtig midden op de baan een wagentje staan, terwijl ieder

oogenblik de trein uit Toulouse binnen kan komen... Wilt u dan uw

menschen laten verpletteren?"

Hij vloog al weer verder, om een paar menschen neer te zetten,

die de zenuwachtige kudde pelgrims, welke maar op goed geluk af

rondliep, van de rails te houden. Velen, voornamelijk oude en

eenvoudige lieden, herkenden niet eens de kleur van hun trein;

daarom droegen zij allen een kaart van overeenkomstige kleur om hun

hals, opdat men ze als gemerkt vee zou kunnen inladen. Maar wat een

voortdurende oplettendheid, wat een aanhoudende angst met die veertien

extra-treinen, zonder dat de gewone dienst erdoor gestoord werd!

Toen Pierre met zijn valies in zijn hand in het station kwam, kostte

het hem ook heel wat moeite om het perron te bereiken. Hij was alleen:

Marie had den vurigen wensch te kennen gegeven nog eenmaal vóór de

Grot te mogen knielen, opdat haar ziel tot aan de laatste minuten aan

de voeten der Heilige Maagd van dankbaarheid zou gloeien; hij had haar

met mijnheer de Guersaint laten gaan, terwijl hij zelf de hotelrekening

betalen ging. Bovendien had hij hun doen beloven, dat zij een rijtuig

naar het station zouden nemen, zoodat zij binnen een kwartier terug

konden zijn. Terwijl hij op hen wachtte, was zijn eerste gedachte

hun wagon op te zoeken, om er zijn valies in te zetten. Maar dat

was zoo heel makkelijk niet; hij herkende hem eerst aan de kaart,

die drie dagen in de zon en in het onweer geschommeld had, een

vierkant stuk sterk karton met de namen van madame de Jonquière en

de zusters Hyacinthe en Claire des Anges. Dat was de wagon: hij zag

in zijn herinnering de met zijn reisgenooten gevulde compartimenten

terug; kussens wezen reeds het plaatsje van mijnheer Sabathier aan;

ja hij vond zelfs op de bank, waar Marie zoo geleden had, een diepe

kras terug, die het ijzeren beslag van den bak van het wagentje had

achtergelaten. Toen hij zijn valies op zijn plaats had neergezet,

bleef hij geduldig op het perron staan rondkijken, eenigszins verbaasd,

dat hij dr. Chassaigne niet zag, die vast beloofd had aan den trein

afscheid te komen nemen.

Nu Marie weer loopen kon, had Pierre zijn draagriemen afgedaan en droeg

hij nog slechts het groote kruis der pelgrims op zijn soutane. Het

station, dat hij bij aankomst slechts in het schemerachtige licht van

den aanbrekenden dag gezien had, verraste hem door zijn groote perrons,

zijn breede uitgangen, zijn lichte vroolijkheid. De bergen waren

niet zichtbaar, maar aan de andere zijde, tegenover de wachtkamers,

rezen in een heerlijke bekoring groenende heuvels op.

Dien middag was het heerlijk zacht weer, een fijn dons van wolken

had de zon omsluierd aan den melkwitten hemel, waaruit slechts een

mat licht viel als een stof van parelmoerkleur.

Het had drie uur geslagen en Pierre keek naar de groote stationsklok,

toen hij madame Désagneaux en madame Volmar, gevolgd door madame de

Jonquière en haar dochter zag aankomen. De dames hadden zich met een

rijtuig naar het station laten brengen en zochten nu dadelijk haar

wagon op. Raymonde herkende dadelijk het compartiment eerste klasse,

waarin zij gekomen was.

"Hier mama, hier is het!... Blijf nog een oogenblikje bij ons, u hebt

nog tijd genoeg, uw zieken zijn er nog niet eens."

Pierre stond vlak tegenover madame Volmar. Hun blikken ontmoetten

elkaar. Maar hij kende haar niet terug; nauwlijks knipte zij even met

haar oogwimpers. Weer was zij de in het zwart gekleede, langzame,

indolente vrouw, die zich het liefst bescheiden op den achtergrond

houdt. De gloed van haar groote oogen was dood, laaide slechts nu

en dan even in een vonk op onder hun sluier van onverschilligheid,

die ze scheen uit te dooven.

"O, een vreeselijke migraine," herhaalde zij tegen madame

Désagneaux. "U ziet zelf, ik weet nu nog niet, waar ik met mijn arm

hoofd blijven moet... Dat krijg ik van de reis. Het is ieder jaar zoo."

Levendiger en roser dan ooit, bewoog de andere zich zenuwachtig heen

en weer, terwijl de ondeugende nekhaartjes in den wind fladderden.

"Het is op het oogenblik met mij niet veel beter gesteld... Dat

heeft me vanavond plotseling overvallen, een barstende

zenuwhoofdpijn... Maar..."

Zij boog zich voorover en fluisterde verder:

"Maar ik geloof, dat het nu zoover is. Ja, de baby, waarnaar ik

zoo verlang en die maar niet komen wil... Ik heb de Heilige Maagd

gesmeekt, en ik ben zoo onpasselijk geweest, toen ik wakker werd,

zoo onpasselijk. Enfin, alle teekenen... Ik zie het gezicht van mijn

man al. Wat zal hij gelukkig zijn!"

Ernstig luisterde madame Volmar, die dan op kalmen toon zeide:

"Nu, ik ken iemand, die geen kinderen meer hebben wil... Zij is hier

gekomen en heeft ze niet meer gekregen ook..."

Intusschen hadden Gérard en Berthaud de dames gezien en kwamen nu

vlug naar haar toe. 's Ochtends hadden de beide heeren in het Hôpital

de Notre-Dame des Douleurs hun opwachting gemaakt, waar madame de

Jonquière hen in een klein kamertje naast de linnenkamer ontvangen

had. Daar had, na zich eerst met lachende opgewektheid voor den wel

wat overhaasten stap verontschuldigd te hebben, Berthaud volgens alle

regelen der etiquette, voor zijn neef Gérard de hand van Raymonde

gevraagd. Van het eerste oogenblik af hadden zij zich tegenover elkaar

op hun gemak gevoeld; de moeder had met ontroering in haar stem gezegd,

dat Lourdes het jonge paar geluk zou aanbrengen. Zoo was met enkele

woorden en tot algemeene voldoening het huwlijk beklonken. Zelfs

werd voor den vijftienden September een afspraak gemaakt op het

kasteel Berneville, dicht bij Caen, een landgoed van den oom, den

diplomaat, dien Berthaud kende en naar wien hij beloofde Gérard te

zullen vergezellen. Daarna was Raymonde binnengeroepen en had met

een blos van geluk haar beide handjes in die van haar aanstaanden

echtgenoot gelegd.

Deze laatste was één en al voorkomendheid en vroeg aan het jonge

meisje:

"Wil je soms een paar kussens voor vannacht? Geneer je maar niet,

ik heb er genoeg, ook voor de dames, met wie je reist."

Raymonde sloeg echter het aanbod op vroolijken toon af.

"Neen, hoor, zoo verwijfd zijn we niet. Die moeten we voor onze arme

zieken bewaren."

De dames spraken allen tegelijk. Madame de Jonquière zeide, dat ze zóó

moe was, zóó moe, dat zij haar beenen niet meer voelde; toch was zij

blijkbaar heel gelukkig, haar blikken rustten lachend op den jongen man

en haar dochter, die zoo opgewekt stonden te praten. Maar Berthaud

kon niet langer blijven; zijn dienst riep hem, evenals trouwens

Gérard. Beiden namen afscheid, na eerst nog aan de afspraak herinnerd

te hebben. Dus vijftien September, op het kasteel Berneville? Ja, ja,

dat was afgesproken! Dan nog wat gelach en handjes drukken, terwijl

de oogen, de oogen vol liefkoozing en verrukking, voltooiden wat men

elkaar te midden van die menigte niet hardop durfde zeggen.

"Wat!" riep de kleine madame Désagneaux uit; "gaat u den vijftienden

naar Berneville! Maar als wij, zooals mijn man wil, tot den twintigsten

in Trouville blijven, dan zouden we elkaar nog zien!"

En zich tot madame Volmar, die er zwijgend bij stond, wendend:

"Komt u ook, het zou zoo aardig zijn, als we elkaar daar weer

terugvonden."

De jonge vrouw maakte een langzaam gebaar en antwoordde op

moe-onverschilligen toon:

"O, voor mij is het pleizier nu uit. Ik ga naar huis terug."

Weer ontmoetten haar blikken die van Pierre, die bij de dames was

blijven staan; hij meende te zien, dat zij een oogenblik verlegen

werd, terwijl een uitdrukking van onuitsprekelijke smart op haar dood

gelaat kwam.

De zusters van Maria Hemelvaart kwamen en de dames gingen naar haar

toe, toen ze bij den kantinewagen waren. Ferrand, die met haar mede

gereden had, stapte het eerste in en hielp dan zuster Saint-François

de hooge treeplank op. Hij bleef op den drempel van den wagen staan,

die in een keuken veranderd was, waarin zich de voorraden voor de reis

bevonden: brood, bouillon, melk, chocolade, terwijl zuster Hyacinthe

en zuster Claire des Anges, die op het perron waren blijven staan,

hem zijn apotheek en de verdere bagage aangaven.

"Hebt u alles?" vroeg zuster Hyacinthe hem. "Ja? Prachtig! Dan kunt

u nu in uw hoekje gaan liggen slapen, daar u zich toch beklaagt,

dat men uw diensten niet vraagt!"

Ferrand begon zachtjes te lachen.

"Zuster, ik zal zuster Saint-François helpen! Ik zal het petroleumstel

aansteken, de kopjes wasschen en, wanneer we op een tusschenstation

stil houden, de porties uitdeelen.... En voor het geval u een dokter

noodig mocht hebben, kunt u over mij beschikken."

Nu begon zuster Hyacinthe ook te lachen.

"Maar we hebben geen dokter meer noodig, daar al onze zieken genezen

zijn."

En met haar oogen in de zijne, voegde zij er op haar kalmen,

vriendschappelijken toon aan toe:

"Adieu, mijnheer Ferrand!"

Hij glimlachte nog, terwijl een groote ontroering zijn oogen

vochtig deed worden. De beving in zijn stem sprak zoo welsprekend

van de onvergetelijke reis, van zijn blijdschap haar weer ontmoet

te hebben, van de herinnering van eeuwige en hemelsche teederheid,

die hij medenam.

"Adieu, zuster!"

Madame de Jonquière wilde met zuster Claire des Anges en zuster

Hyacinthe naar haar wagon gaan. Maar deze verzekerde, dat het volstrekt

geen haast had; de zieken waren er nog niet. Zij ging met zuster Claire

weg en beloofde voor alles goed te zullen zorgen; ja zelfs wilde

zij met alle geweld het kleine handtaschje van madame de Jonquière

medenemen. Zoodoende konden de dames blijven wandelen en praten op

het breede perron, waar zoo'n heerlijke temperatuur heerschte.

Intusschen begon Pierre, die op de groote stationsklok de minuten maar

verder zag loopen, ongerust te worden, dat hij Marie en haar vader

niet komen zag. Als mijnheer de Guersaint zich maar niet in den weg

vergist had! Hij stond nog uit te kijken, toen hij zag hoe mijnheer

Vigneron woedend zijn vrouw en den kleinen Gustave voor zich uit joeg.

"O, mijnheer de abbé, zeg me toch als het u blieft, waar onze wagon

is, en help mij, om er de bagage en dat kind in te krijgen... Mijn

hoofd loopt om, ze hebben me heelemaal uit mijn gewone doen gebracht!"

Voor het compartiment tweede klasse barstte hij uit, terwijl hij de

handen van den priester greep, juist toen deze den kleine zieke wilde

helpen instappen.

"Kunt u zich zoo iets voorstellen? Zij willen, dat ik vertrek,

zij hebben me gezegd, dat, als ik tot morgen wachtte, mijn retour

niet meer geldig zou zijn... En of ik hun nu de reden al vertelde,

het gaf niets... Het is toch al zoo lollig niet met die doode te

blijven, om bij haar te waken, haar te kisten en haar morgen mede

te nemen... En nou beweren zij, dat dat hun niet aangaat, dat zij

al reductie genoeg op de pelgrimsbiljetten geven om zich nog in te

kunnen laten met verhalen van menschen, die dood gaan."

Madame Vigneron stond, bevend over al haar ledematen, naar hem te

luisteren, terwijl de kleine Gustave, heelemaal vergeten en moe op

zijn kruk leunend, nieuwsgierig toekeek.

"Enfin, ik heb hun op alle mogelijke manieren aan hun verstand

trachten te brengen, dat hier force majeure in het spel was... Wat

moet ik met dat lijk doen? Ik kan het toch moeilijk onder mijn arm

nemen en vandaag als bagage meenemen... Lieve God, wat zijn er toch

een stommelingen op de wereld!"

"Hebt u al met den stationschef gesproken?" vroeg Pierre.

"Ja zeker, de stationschef! Die is in al die drukte niet te vinden. Hoe

kan ook bij zoo'n janboel alles geregeld gaan?... Maar ik moet hem

vinden, ik zal hem zeggen, hoe ik erover denk."

En toen hij zijn vrouw onbeweeglijk als een paal zag staan:

"Wat moet jij daar? Stap toch in, dan kunnen we je de bagage en het

kind aangeven."

Het was een haast-je-rep-je; hij duwde haar het compartiment in, wierp

haar de pakjes toe, terwijl de priester Gustave in zijn armen nam. De

arme jongen, die zoo licht als een vogeltje was, scheen nog magerder

geworden te zijn, zijn wonden deden hem zoo'n pijn, dat hij even gilde.

"Heb ik je pijn gedaan, beste jongen?"

"Neen, mijnheer de abbé, maar ze hebben zoo met me rondgesjouwd,

en ik ben zoo moe!"

Hij glimlachte op zijn fijne, zoo droevige manier. Hij dook weg in

zijn hoekje en deed, uitgeput door die doodende reis, zijn oogen dicht.

"U begrijpt," begon mijnheer Vigneron weer, "dat ik het allesbehalve

lollig vind, om hier mijn tijd te verknoeien, terwijl mijn vrouw

en mijn zoon zonder mij naar Parijs teruggaan. Het moet echter wel,

het leven in het hotel is niet meer uit te houden, en bovendien zou

ik gedwongen zijn, nog eens drie plaatsbewijzen te nemen, als ze niet

naar rede willen luisteren... En dan is mijn vrouw zoo onhandig. Nooit

zal zij er zich alleen door heen weten te slaan."

Hij overstelpte madame Vigneron met een stortvloed van de

kinderachtigste aanwijzingen: wat zij gedurende de reis moest doen,

hoe zij naar huis moest gaan; hoe zij voor den kleinen Gustave moest

zorgen, als hij onverhoopt een aanval mocht krijgen.

Gedwee en een beetje angstig antwoordde zij op iederen zin:

"Zeker, manlief... Natuurlijk, manlief!"

Dan voelde hij de toorn weer in hem opkomen.

"En is mijn retour nu geldig of niet? Ik wil het weten... Ze moeten

den stationschef voor me halen."

Hij wilde zich weer een weg door de menigte banen, toen hij de kruk van

Gustave op het perron zag liggen. Dat was een ramp, waarover hij zijn

armen ten hemel moest heffen, als wilde hij God tot getuige roepen,

dat hij nooit uit al die verwikkelingen komen zou. Hij wierp het ding

zijn vrouw toe en verwijderde zich dan met de woorden:

"Jij vergeet ook alles!"

Nu kwamen de zieken aan; evenals bij de aankomst was het een eindeloos

gedrang en gedraaf langs de perrons en over de spoorbaan. Alle

afzichtelijke kwalen, alle open wonden, alle mismaaktheden trokken

nogmaals voorbij, zonder dat het aantal minder geworden scheen te zijn,

alsof de enkele genezingen slechts een zwak, nauwlijks waarneembaar

lichtpuntje waren te midden van den onmetelijken rouw. Men bracht ze

terug, zooals men ze meegebracht had. De kleine wagentjes met hun oude

machtelooze vrouwen, wier armzalige bagage aan het voeteneinde lag,

knarsten over de rails. De baren, waarop opgezwollen ledematen, en

bleeke gezichten met van koorts gloeiende oogen lagen, schommelden

met moeite door de menigte heen. Het was een dolzinnige, absoluut

noodelooze haast, een onverklaarbare verwarring, een gevraag,

een geroep, een heen en weer vliegen; in het kort het ronddraaien

van een kudde, die de deur van den stal niet meer vinden kan. De

brancarddragers verloren ten slotte het hoofd erbij, wisten bij het

waarschuwende gegil van de stationsbeambten, die ieder oogenblik den

menschen schrik aanjoegen, niet meer welken kant zij uit moesten.

"Oppassen, oppassen!... Schiet toch wat op! Neen, neen, niet meer

oversteken! De trein van Toulouse! De trein van Toulouse!"

Pierre, die teruggegaan was, zag de dames, madame de Jonquière en

de anderen, nog vroolijk pratend heen en weer wandelen. Naast haar

hoorde hij, hoe pater Fourcade Berthaud, dien hij staande gehouden had,

geluk wenschte met de goede orde, die gedurende de geheele bedevaart

geheerscht had. Gevleid, maakte de vroegere magistraat een buiging.

"Nietwaar, eerwaarde vader, dat is een goede les, die hun republiek

daar gekregen heeft. Wanneer dergelijke menigten te Parijs den een

of anderen bloedigen datum uit hun vervloekte geschiedenis vieren,

dan vermoorden ze elkaar... Ze moeten hier maar eens komen leeren,

hoe ze het doen moeten."

Het denkbeeld, de regeering, die hem gedwongen had zijn ontslag te

nemen, onaangenaam te zijn, bracht hem in verrukking. Hij was in

Lourdes nooit zoo gelukkig als te midden van den grooten invloed van

geloovigen, wanneer het gedrang zóó was, dat vrouwen bijna doodgedrukt

werden. Toch scheen hij niet tevreden over het resultaat der politieke

propaganda, die hij er ieder jaar gedurende drie dagen kwam maken. Hij

werd ongeduldig, het ging niet vlug genoeg naar zijn zin. Wanneer

zou Notre-Dame de Lourdes de monarchie terug brengen?

"Ziet u, eerwaarde vader, het eenige middel, de ware triomf zou zijn

de werklieden der steden in massa hier te brengen. Ik wil in het

vervolg al mijn gedachten, al mijn tijd slechts daaraan wijden. O,

als we een Katholieke democratie konden stichten!"

Pater Fourcade was heel ernstig geworden. Zijn mooie, intelligente

oogen kregen een droomerige uitdrukking, staarden als in een ver

verschiet. Hoevele malen had hij zich de stichting van dat nieuwe

volk ten doel gesteld? Maar was daarvoor niet de adem van een nieuwen

Messias noodig?

"Ja, ja," prevelde hij, "een Katholieke democratie... De geschiedenis

der menschheid zou opnieuw beginnen!"

Pater Massias viel hem hartstochtelijk in de rede en zeide, dat alle

volkeren der aarde ten slotte zouden komen, terwijl dr. Bonamy, die

reeds voelde, dat er een zekere verkilling in den ijver der pelgrims

kwam, het hoofd schudde en als zijn meening te kennen gaf, dat alle

geloovigen der Grot hun ijver verdubbelen moesten. Hij verwachtte

vooral succes van de grootst mogelijke publiciteit, die men aan de

wonderen moest geven. Hij deed, alsof hij straalde van geluk, en

lachte welgevallig, terwijl hij naar het lawaaierige voorbijtrekken

der zieken wees.

"Kijk toch eens! Zien zij er niet veel beter uit nu zij weggaan? Velen

zijn nog niet genezen, maar dragen toch den kiem der genezing in zich,

daar kunt u zeker van zijn! Zij doen meer voor ons dan wij allen voor

den roem van Notre-Dame de Lourdes."

Maar hij moest zwijgen. Madame Dieulafay werd in haar met zijde

gecapitonneerde kist voorbijgedragen. Men zette haar neer voor

het portier van den wagon eerste klasse, waarin een kamermeisje

de bagage reeds opstapelde. Een diep medelijden maakte zich van

hen allen meester; de ongelukkige vrouw scheen in drie dagen van

haar verblijf te Lourdes niet uit haar gevoelloosheid ontwaakt te

zijn. Zooals de brancarddragers haar op den dag van aankomst te

midden van haar luxe uit den wagon gedragen hadden, zoo zouden zij

haar er nu weer in dragen, gekleed in kant, met juweelen bedekt, met

haar doodsch en onnoozel mummiegezicht, dat als het ware wegsmolt;

ja, men zou zelfs zeggen, dat zij er nog erger aan toe was, dat

men haar nog vermagerder terugbracht, nog meer ingekrompen door de

verschrikkelijke kwaal die, na haar beenderen verwoest te hebben,

nu ook de weeke deelen der spieren begon aan te tasten. Haar man

en haar zuster volgden haar ontroostbaar, met roodgeweende oogen,

verpletterd door het verlies van hun laatste hoop, met abbé Judaine,

zooals men op het kerkhof een lijk volgt.

"Neen, neen, niet dadelijk!" zeide de priester tegen de dragers en

belette hun haar in den wagen te dragen. "Zij moest daar nog lang

genoeg in rijden. Laat zij tenminste tot de laatste minuut den

vriendelijken hemel boven zich hebben!"

Toen hij Pierre in zijn nabijheid zag staan, nam hij dezen wat ter

zijde en ging toen met een door verdriet gebroken stem verder:

"Ik ben kapot... Vanochtend nog had ik hoop. Ik heb haar naar de Grot

laten brengen, ik heb de mis voor haar gelezen en toen nog tot elf uur

gebeden. Maar niets, de Heilige Maagd heeft mij niet verhoord... Ik,

dien zij genezen heeft, ik, een arme, tot niets meer nutte man,

ik heb van haar niet de genezing kunnen verkrijgen van die zoo

mooie, zoo jonge, zoo rijke vrouw, wier leven eigenlijk één feest

moest zijn!... Zeker, de Heilige Maagd weet beter dan wij allemaal

bij elkaar wat zij doen moet, en ik buig mijn hoofd en zegen haar

naam. Maar waarachtig, mijn ziel is vol vreeselijke droefheid."

Hij zeide niet alles, hij sprak niet de gedachte uit, die hem in zijn

kinderlijken eenvoud en in zijn eigenschap van braaf man, die nooit

door hartstocht of twijfel bezocht was, zoo van streek bracht. Het was

de gedachte, dat de beklagenswaardige menschen, die zoo weenden, de man

en de zuster, te veel millioenen hadden, dat zij te mooie geschenken

meegebracht hadden, dat zij te veel zilver aan de Basilica gegeven

hadden. Men koopt het wonder niet, de rijkdommen van deze wereld zijn

eerder een nadeel bij God. Zeker, de Heilige Maagd was slechts doof

gebleven voor hen, had hun slechts een koud en streng hart getoond

om meer te luisteren naar de zwakke stem der ongelukkigen, die met

ledige handen naar haar toe gekomen waren, maar rijk aan liefde;

dezen overstroomde zij met haar genade, met haar brandende liefde

van Moeder Gods. En die arme onverhoorde rijken, die zuster, die zoo

ongelukkige man, voelden zich te midden van de menigte vertrooste of

genezen armen paria's, zij schenen verlegen met hun luxe, weken terug,

schaamden zich, toen zij zagen, dat Notre-Dame de Lourdes bedelaressen

verlichting gegeven had, terwijl zij voor de mooie en machtige dame,

die daar in haar kant lag te zieltogen, geen blik over gehad had.

Plotseling kwam Pierre op de gedachte, dat hij mogelijk mijnheer de

Guersaint en Marie niet had zien komen en dat zij misschien reeds

in den wagon waren. Hij ging erheen, maar zag nog steeds niets dan

zijn valies op de bank staan. Zuster Hyacinthe en zuster Claire des

Anges begonnen in afwachting van de zieken den wagon in te richten;

en toen Gérard met mijnheer Sabathier in een klein wagentje kwam

aanrijden, hielp Pierre, om hem in zijn compartiment te hijschen,

een zwaar werkje, waarvan zij transpireerden. Terneergeslagen, maar

toch kalm en berustend, ging hij dadelijk in zijn hoekje zitten.

"Dank u, heeren!... We zijn er nu, gelukkig! Nu behoeven ze me alleen

te Parijs nog maar uit te laden."

Na zijn beenen in een deken gewikkeld te hebben, stapte madame

Sabathier weer uit en bleef bij het open portier van den wagon

staan. Zij ging met Pierre praten, toen zij zichzelf in de rede viel,

om te zeggen:

"Kijk, daar komt madame Maze weer op haar plaatsje zitten... Zij

heeft mij dezer dagen het een en ander verteld... Een ongelukkig

schepseltje!"

Vriendelijk sprak zij haar aan, vroeg haar of zij op haar bagage

wilde letten. Maar madame Maze protesteerde, lachte, deed druk en

zenuwachtig als was zij niet goed bij haar hoofd.

"Neen, neen, ik ga niet weg."

"Wat, gaat u niet mede?"

"Neen, neen, ik ga niet weg... Dat wil zeggen, ik ga wel weg, maar

niet met u, niet met u!"

Zij zag er zoo vreemd, zoo verrukt uit, dat Pierre en madame

Sabathier moeite hadden haar te herkennen. Haar gezicht van vóór den

tijd verlepte blondine straalde, zij scheen wel tien jaar jonger,

nu zij plotseling uit de oneindige triestheid van haar eenzaamheid

getrokken was.

Zij stiet een kreet van overvloeiende vreugde uit:

"Ik ga met hem weg... Ja, hij is mij komen halen en hij neemt me

mee... Ja we gaan samen naar Luchon, samen!"

En met een verrukten blik wees zij naar een flinken, bruinen,

opgewekten, gezonden jongen man, die aan een kiosk couranten stond

te koopen.

"Kijk, dat is mijn man, die mooie kerel, die met de juffrouw van

de kiosk grapjes staat te maken... Vanochtend is hij plotseling uit

den hemel komen vallen, en nou neemt hij mij mee, we gaan over twee

minuten met den trein naar Toulouse... O, madame, u, voor wie ik mijn

hart gelucht hebt, u zult wel begrijpen, hoe gelukkig ik ben."

Maar zij kon niet zwijgen, zij begon weer over den vreeselijken brief,

dien zij Zondag gekregen had, een brief, waarin hij haar beduidde,

dat hij, wanneer zij soms van haar verblijf te Lourdes gebruik zou

willen maken, om naar hem in Luchon te komen, hij haar gewoon de deur

zou wijzen. Een man, met wien zij uit liefde getrouwd was! Een man,

die haar tien jaar veronachtzaamde, die van zijn voortdurend heen en

weer trekken als handelsreiziger profiteerde, om van het eene einde

van Frankrijk naar het andere sletten mede te nemen! Nu echter was

het uit, zij had den hemel gesmeekt haar te laten sterven, want zij

wist heel goed, dat de trouwelooze op dat oogenblik met twee dames,

twee zusters, die zijn maîtressen waren, in Luchon logeerde. Wat was

er dan toch gebeurd, lieve God? Het was blijkbaar ingeslagen als de

bliksem! De twee dames schenen een ingeving uit den hooge gekregen

te hebben, een plotseling besef van haar zonde, een droom misschien,

waarin zij zichzelf in de hel zagen. Zonder eenige verklaring hadden

zij op een avond heimelijk het hotel verlaten en hem laten zitten,

terwijl hij, die niet alleen kon leven, zich zóó gestraft gevoeld had,

dat hij eensklaps op het denkbeeld gekomen was, zijn vrouw te gaan

halen en een weekje bij zich te houden. Hij zeide het niet, maar

ongetwijfeld had de goddelijke genade hem aangeraakt, en zij vond

hem veel te lief, om niet aan een echt begin van bekeering te gelooven.

"O, hoe dankbaar ben ik de Heilige Maagd! Van haar komt dit alles,

ik heb het gisterenavond wel begrepen. Het kwam mij voor, alsof

zij mij een teeken gaf, juist op het oogenblik, dat mijn man het

besluit nam mij te gaan halen. Ik heb hem het juiste uur gevraagd,

en het klopt precies... Ziet u, er bestaat geen grooter wonder; om die

andere, die herstelde beenen, die verdwenen wonden moet ik lachen. O,

Notre-Dame de Lourdes zij gezegend, dat zij mijn hart genezen heeft!"

De groote, donkere man keerde zich om, zij vloog naar hem toe en vergat

daardoor afscheid te nemen. Dit onverwachte liefde-buitenkansje, deze

verlate terugkeer van de wittebroodsweken, die heele week, die zij met

haar man, naar wien zij zoo verlangd had, te Luchon ging doorbrengen,

maakte haar werkelijk dol van vreugde. Hij, een goedmoedige kerel,

die in een oogenblik, dat hij boos was en zich eenzaam voelde, haar

weer tot zich genomen had, kwam er ook even van onder den indruk;

het avontuur amuseerde hem en hij vond haar veel knapper dan hij

gedacht had.

Op dat oogenblik kwam, terwijl de stroom van zieken, die naar

hun wagons gebracht werden, steeds aanwies, de trein van Toulouse

in zicht. Dat gaf een verdubbeling van lawaai, een buitengewone

verwarring. Overal rinkelden signaalklokjes, werden seinen gegeven. Men

zag den stationschef toesnellen en hoorde hem zoo hard als hij

kon roepen:

"Oppassen daar... Maakt den weg toch vrij!"

Een stationsbeambte moest nog op het laatste oogenblik een wagentje

met een oude vrouw, dat daar vergeten was, van de rails duwen. Een

verschrikte troep pelgrims stak nog over, ongeveer dertig meter voor

de locomotief, die langzaam, puffend en snuivend naderde. Anderen,

die heelemaal hun hoofd verloren, zouden onder de wielen gekomen zijn,

indien de stationsbeambten hen niet ruw bij den schouders hadden

gepakt. Eindelijk stond de trein, zonder iemand overreden te hebben,

stil te midden van matrassen en kussens, die rondslingerden, een golf

van reizigers stapte uit, terwijl een andere golf instapte, in een

dubbelen stroom en tegenstroom, zoodat het gedrang nog erger werd

en het tumult zijn toppunt bereikte. Voor de raampjes der gesloten

portieren waren hoofden verschenen, eerst nieuwsgierig, doch dan

stom-verbaasd door het verwonderlijke schouwspel; in het bijzonder

vielen twee aanbiddelijk mooie jongemeisjeskopjes op, wier groote,

trouwhartige oogen ten slotte het smartelijkste medelijden uitdrukten.

Madame Maze was, door haar man gevolgd, in een wagon gestapt,

zoo gelukkig en zoo lenig, alsof zij pas twintig was, zooals op

den avond van haar huwlijksreis. De portieren werden weer gesloten,

de locomotief liet een scherp gefluit hooren, zette zich langzaam en

dreunende in beweging tusschen de menigte, die achter den trein weer

samenvloeide als het water uit een geopende sluis.

"Sluit het perron af!" riep de stationschef tegen de beambten;

"en let goed op, als de machine voorkomt!"

Te midden van al dat lawaai kwamen eindelijk de pelgrims, die zich

verlaat hadden, aan. La Grivotte met haar koortsachtig schitterende

oogen liep met haar dansenden gang voorbij, gevolgd door Elise Rouquet

en Sophie Couteau, die buiten adem waren van het harde loopen. Alle

drie haastten zij zich naar haar wagon, waar zij een standje van

zuster Hyacinthe kregen. Zij waren bijna in de Grot gebleven, waar

pelgrims, die zich niet los konden rukken en maar steeds de Heilige

Maagd smeekten of dankten, dikwijls achterbleven, terwijl de trein

aan het station op hen stond te wachten.

Plotseling zag Pierre, zelf ook ongerust en niet meer wetend wat hij

ervan denken moest, mijnheer de Guersaint en Marie heel kalm onder

de marquise staan praten met abbé Judaine. Hij snelde naar hen toe.

"Wat hebben jullie toch uitgevoerd? Ik begon de hoop reeds op te

geven."

"Wat we gedaan hebben?" antwoordde mijnheer de Guersaint verbaasd. "We

waren naar de Grot, dat weet je toch zelf ook wel... Een priester

heeft er schitterend gepreekt. We zouden er nog zijn, indien ik mij

niet bijtijds herinnerd had, dat we weg moesten... Wij hebben zelfs

een rijtuig genomen, zooals we je beloofd hadden."

Hij hield even op om op de klok te kijken.

"We hebben niets geen haast. De trein vertrekt pas over een kwartier."

Dat was zoo, en om Marie's lippen speelde een glimlach van hemelsche

vreugde.

"O, Pierre, als je eens wist, hoe gelukkig dat laatste bezoek aan de

Heilige Maagd mij gemaakt heeft. Ik heb gezien, hoe zij mij toelachte,

ik heb gevoeld, hoe zij mij kracht tot leven gaf... Heusch, het was

een verrukkelijk afscheid, en je moet niet boos op ons zijn, Pierre!"

Hij zelf was ook begonnen te lachen, een weinig verlegen over zijn

zenuwachtigen angst. Had hij dan zoo'n vurig verlangen om ver van

Lourdes te zijn? Was hij bang, dat Marie door de Grot achtergehouden

worden en niet meer terugkomen zou? Nu zij er was, verwonderde hij

zich over zichzelf en voelde hij zich weer kalm.

Toen hij hun echter aanried toch maar naar den wagon te gaan, zag

hij dr. Chassaigne naar hen toekomen.

"O, beste dokter, ik had het wel gedacht, dat u komen zoudt. Het zou

mij zoo vreeselijk gespeten hebben, wanneer ik u niet meer gezien had!"

Maar de oude dokter, die van aandoening beefde, viel hem in de rede.

"Ja, ja, ik heb me verlaat... Stel je voor, toen ik tien minuten

geleden hier aankwam, stond ik even met den Commandeur, je weet

wel dat origineele type, te praten. Hij grinnikte bij het zien van

al die zieken, die weer naar den trein gingen, om, zooals hij zich

uitdrukte, thuis te gaan sterven, waar zij eigenlijk mede hadden

moeten beginnen... En toen sloeg hij plotseling, als door den

bliksem getroffen, tegen den grond... Het was de derde beroerte,

die hij verwachtte."

"Lieve hemel," prevelde abbé Judaine, die het gehoord had, "hij

lasterde God, de hemel heeft hem gestraft!"

Mijnheer de Guersaint en Marie luisterden gespannen en ontroerd.

"Ik heb hem in de loods laten brengen," ging de dokter voort. "Het

zal nu wel uit zijn, ik kon er niets meer aan doen, ongetwijfeld zal

hij binnen een kwartier dood zijn... Toen heb ik aan een priester

gedacht en ben hierheen geloopen..."

En zich tot abbé Judaine wendend:

"Mijnheer de abbé, u kent hem, u wilt zeker wel met me meegaan. Men

kan een Christen toch zoo niet laten sterven. Misschien erkent hij

nog zijn dwaling, wil hij zich met God verzoenen."

Vlug volgde abbé Judaine hem, terwijl mijnheer de Guersaint, Marie

en Pierre, die door de gedachte aan dit drama zeer ontroerd waren,

ook mede gingen. Alle vijf gingen zij de goederenloods binnen op

twintig pas afstands van de menigte, die lawaai bleef maken, zonder

te vermoeden, dat zoo vlak bij een mensch lag te zieltogen.

Daar in een stil hoekje, tusschen twee zakken haver, lag de Commandeur

op een matras, die men van den reserve-voorraad genomen had. Hij had

zijn eeuwige overjas aan met het breede, roode lint in het knoopsgat;

iemand, die zoo voorzichtig geweest was, om zijn wandelstok met den

zilveren knop op te rapen, had dezen zorgvuldig naast de matras gelegd.

Dadelijk boog abbé Judaine zich over hem heen.

"Je herkent me toch, je hoort me toch, arme kerel?"

Aan den Commandeur schenen nog slechts zijn oogen te leven; maar

zij leefden en schitterden dan ook met een vlam van hardnekkige

energie. De beroerte, die blijkbaar ditmaal de rechterzijde van

zijn lichaam getroffen had, scheen zijn tong verlamd te hebben. Toch

stamelde hij nog enkele woorden, slaagde hij erin zich in zooverre

verstaanbaar te maken, dat zij begrepen, dat hij daar wilde sterven,

zonder dat ze hem verder lastig vielen. Hij had geen bloedverwant te

Lourdes, waar niemand iets van zijn verleden of zijn familie wist;

hij leefde er sinds drie jaar van zijn onaanzienlijk baantje aan het

station, en zag nu, volmaakt gelukkig, eindelijk zijn vurigen wensch,

zijn eenigen wensch, namelijk om heen te gaan en in den eeuwigen slaap,

het heelende Niet weg te zinken, werkelijkheid worden.

"Heeft u nog een wensch uit te spreken?" vroeg abbé Judaine

verder. "Kunnen wij op de een of andere wijze nog iets voor u doen?"

Neen, neen; zijn oogen antwoordden, dat hij zich goed voelde, dat hij

tevreden was. Al drie jaar lang was hij geen ochtend opgestaan zonder

den wensch, dat hij 's avonds op het kerkhof zou slapen. Wanneer de

zon scheen, placht hij met iets als verlangen in zijn stem te zeggen:

"Wat een prachtige dag, om te sterven." En de dood, die hem van dit

verfoeilijk leven verlossen kwam, was hartelijk welkom.

Dr. Chassaigne kon den priester, die hem smeekte nog iets te beproeven,

slechts op eenigszins bitteren toon zeggen:

"Ik kan niets, de wetenschap is onmachtig; hij is ten doode

opgeschreven."

Op dat oogenblik kwam een oude vrouw, een tachtigjarige pelgrim, die

verdwaald was en niet meer wist, waar zij liep, de loods binnen. Lam

en gebocheld, niet grooter dan een kind en behept met alle kwalen

van den ouderdom, sleepte zij zich op een stok voort; aan een

riem had zij een kruik Lourdeswater hangen, om haar leven ondanks

den verschrikkelijken toestand van verval, waarin zij verkeerde,

nog te verlengen. Een oogenblik keek zij verschrikt naar den man,

die daar lag te sterven. Dan kwam een grootmoederlijke goedheid in

haar troebele oogen, deed een gevoel van menschenliefde haar een

paar stappen dichterbij komen. Met haar voortdurend bevende handen

nam zij haar kruik en gaf dien aan den man.

Dat was voor abbé Judaine een plotselinge lichtstraal, als een

ingeving uit den hooge. Hij, die zoo vurig gebeden had voor de

genezing van madame Dieulafay en dien de Heilige Maagd niet verhoord

had, voelde zich door een nieuw geloof doorgloeien en was overtuigd,

dat de Commandeur, als hij dronk, genezen zou worden. Hij viel naast

de matras op zijn knieën.

"Broeder, God zendt u deze vrouw... Verzoen u met God, drink en bid,

terwijl wij met geheel onze ziel de goddelijke barmhartigheid voor

u zullen afsmeeken... God zal u zijn macht willen bewijzen, God zal

het groote wonder doen u op te richten, opdat gij nog lange jaren op

deze aarde verblijven kunt, om hem lief te hebben en te prijzen."

"Neen, neen!" riepen de fonkelende oogen van den Commandeur;

"neen!" Hij zou even laf zijn als die kudden pelgrims, die van zoo

verre en onder zoo groote inspanning hier kwamen, om zich op den grond

te werpen en snikkend den hemel te smeeken hen nog een maand, een jaar,

tien jaar te laten leven! Het was zoo goed, zoo eenvoudig rustig in

je bed te sterven. Je keert je gezicht naar den muur en je sterft.

"Drink, broeder, drink, ik bezweer het u... Het is het leven,

dat gij drinken zult, de kracht, de gezondheid en ook de

levensvreugde... Drink, om weer jong te worden, om een nieuw en

vroom leven te beginnen! Drink, om den lof te zingen van de Moeder

Gods, die uw lichaam en uw ziel redden zal... Zij spreekt tot mij,

uw herrijzenis is zeker!"

"Neen! Neen!" De oogen weigerden en stieten het leven met een steeds

grooter wordende hardnekkigheid weg, waarbij zich nu nog een doffe

vrees voor het wonder voegde. De Commandeur geloofde niet, haalde nu al

drie jaar lang zijn schouders op voor die zoogenaamde wonderen. Maar

je kan in deze idiote wereld alles verwachten. Er gebeurden soms

van die vreemde dingen! En indien bij toeval hun water werkelijk een

bovennatuurlijke kracht had en zij hem dit met geweld lieten drinken,

het zou vreeselijk zijn weer op te leven, weer zijn bagno-tijd te

moeten beginnen, het gruwlijke lijden door te maken, dat Lazarus,

de deerniswaardige uitverkorene van het wonder, tweemaal doorgemaakt

had. Neen, neen, hij wilde niet drinken, hij wilde de afschuwlijke

kans der herrijzenis niet loopen.

"Drink, drink, broeder," herhaalde de oude priester met tranen in

zijn oogen, "verhard niet in uw afwijzing der hemelsche genaden!"

En nu zag men het verschrikkelijke, dat deze reeds half doode man zich

oprichtte, de benauwend-knellende banden der verlamming afschudde,

voor een seconde zijn geketende tong losmaakte en met een heesche

bromstem schreeuwde: "Neen, neen, neen!"

Pierre moest de verschrikte oude vrouw wegbrengen. Zij had deze

weigering van het water, dat zij als een onschatbaar goed, als het

geschenk zelf van den eeuwigen God aan de armen, die niet sterven

willen, niet begrepen. Hinkend, gebocheld, op haar stok het droevig

overschot van haar tachtig jaar voortslepend, verdween zij tusschen

de rondtrappelende menigte, verteerd door haar hartstocht om te leven,

snakkend naar lucht, zon en drukte.

Marie en haar vader hadden gehuiverd voor dit vurige verlangen naar den

dood, dien gulzigen honger naar het Niet, die zich bij den Commandeur

openbaarden. O, slapen, zonder droom slapen, in het oneindige donker,

eeuwig, niets kon ter wereld zoo heerlijk zijn! Het was niet de hoop

op een beter leven, niet het verlangen om eindelijk gelukkig te zijn

in een paradijs van gelijkheid en gerechtigheid; het was alleen het

verlangen naar den donkeren nacht, naar den eindeloozen slaap, naar

het genot om voor eeuwig niet meer te zijn. Ook dr. Chassaigne had

gehuiverd, want ook hij koesterde slechts één gedachte, die van de

gelukzaligheid van het oogenblik, waarin hij sterven zou. Maar aan

gene zijde van dit aardsche bestaan wachtten hem zijn dierbare dooden,

zijn vrouw en zijn dochter, op den drempel van het eeuwige leven. Als

een ijskoud stortbad zou het voor hem zijn, als hij een enkel oogenblik

tegen zichzelf had moeten zeggen, dat hij haar niet zou terugvinden!

Moeilijk stond abbé Judaine weer op. Hij had meenen op te merken,

dat de Commandeur nu zijn oogen op Marie gevestigd hield. Wanhopig,

dat zijn smeekbeden niet helpen mochten, wilde hij hem een voorbeeld

geven van die goedheid Gods, welke hij afwees.

"U herkent haar, niet waar? Ja, het is het jonge meisje, dat Zaterdag

zoo ziek en verlamd aan beide beenen hier gekomen is. En nu ziet u

haar zoo gezond, zoo sterk, zoo mooi... De hemel heeft haar genade

geschonken, zie, zij is herboren voor haar jeugd, voor het lange leven,

waarvoor zij bestemd is... Voelt u geen verlangen naar het leven,

nu u haar ziet? Zoudt u misschien dit kind ook dood gewenscht hebben,

haar hebben aangeraden niet te drinken?"

De Commandeur kon niet antwoorden; maar zijn oogen waren niet meer

af van het gelaat van Marie, waarop een zoo groote blijdschap over

haar herrijzenis, een zoo vaste hoop op tallooze komende dagen te

lezen was; en tranen kwamen, maakten zijn oogleden dik, rolden langs

zijn reeds koude wangen. Hij weende ongetwijfeld over haar, hij dacht

ongetwijfeld aan het andere wonder, dat hij voor haar gewenscht had,

als zij genas, n.l. gelukkig te zijn. Het was de ontroering van een

oud man, die de ellende van deze wereld kent, en dien al de smarten,

welke dit arme schepseltje nog wachtten, met medelijden vervulde.

Het beklagenswaardige kind! Hoe dikwijls zou zij het later niet

betreuren, dat zij op haar twintigste jaar niet gestorven was.

Toen kwam een sluier voor de oogen van den Commandeur, alsof die

laatste tranen van medelijden ze hadden gebluscht. Dat was het einde,

het coma [20] kwam, het besef verdween met de ademhaling. Hij draaide

zich om en was dood.

Onmiddellijk trok dr. Chassaigne Marie ter zijde.

"De trein vertrekt, haast u, haast u!"

Inderdaad drong door het steeds grooter wordende tumult van de

menigte het slaan op een bel tot hen door. De dokter, die twee

brancarddragers opdroeg te blijven waken bij het lijk, dat straks,

als de trein vertrokken was, weggebracht kon worden, wilde zijn

vrienden tot hun wagon brengen.

Allen haastten zich. Abbé Judaine volgde hen, na een kort gebed gezegd

te hebben voor de rust van deze opstandige ziel. Doch toen Marie,

gevolgd door Pierre en mijnheer de Guersaint, over het perron liep,

werd zij nog staande gehouden door dr. Bonamy, die haar triomphantelijk

aan pater Fourcade voorstelde.

"Eerwaarde vader, mademoiselle de Guersaint, het jonge meisje, dat

gisteren zoo wonderdadig genezen is!"

De pater had den stralenden glimlach van een generaal, aan wien men

zijn schitterendste overwinning in herinnering brengt.

"Ik weet het, ik weet het, ik was erbij... Geliefde dochter, God

heeft u onder allen gezegend, ga heen en prijs zijn naam!"

Dan wenschte hij mijnheer de Guersaint geluk, wiens vadertrots

genoot. De ovatie begon opnieuw; een concert van liefdevolle woorden,

van verwonderde blikken, die het jonge meisje 's ochtends door de

straten van Lourdes gevolgd waren, en die haar in de laatste minuut

vóór het vertrek weer omringden. Al luidde de bel weer, een kring van

verrukte pelgrims had zich om haar heen gevormd; het scheen, alsof zij

in haar persoon de glorie der bedevaart, den triomf van den godsdienst,

die van nu af aan in alle hoeken der wereld zou weerklinken, in haar

persoon belichaamde.

Pierre werd diep ontroerd, toen hij de smartelijke groep zag, die

dicht daarbij mijnheer Dieulafay en madame Jousseur vormden. Hun

blikken hadden zich op Marie gevestigd; zij verbaasden zich evenals

de anderen over de wonderdadige herrijzenis van dit zoo mooie jonge

meisje, dat zij zoo krachteloos, zoo mager, zoo lijkkleurig gezien

hadden. Waarom niet de jonge vrouw, de hun zoo dierbare vrouw, die

zij stervend mee naar huis namen? Hun verlegenheid, hun schaamtegevoel

scheen grooter te worden: zij weken terug in hun onbehaaglijk gevoel

van te rijke paria's; en het was voor hen een opluchting, toen zij,

nadat drie brancarddragers met groote moeite madame Dieulafay in het

compartiment eerste klasse gedragen hadden, op hun beurt ook met abbé

Judaine verdwijnen konden.

Maar reeds riepen de conducteurs: "Instappen! Instappen!" Pater

Massias, die met de geestelijke leiding van den trein belast was, had

zijn plaats weer ingenomen en pater Fourcade, die nu op den schouder

van dr. Bonamy leunde, op het perron laten staan. Gérard en Berthaud

groetten nog eenmaal de dames, terwijl Raymonde zich bij madame

Désagneaux en madame Volmar voegde, die het zich in haar hoekje reeds

makkelijk gemaakt hadden. Madame de Jonquière begaf zich naar haar

wagon, waar zij tegelijk met de Guersaints kwam. Men verdrong zich,

het was een geschreeuw, een zenuwachtig heen en weer geloop langs

den eindeloozen trein, waaraan men nu de locomotief gekoppeld had,

een geheel koperen machine, stralend als een ster.

Pierre liet Marie voorgaan, toen mijnheer Vigneron kwam aanrennen en

hem toeschreeuwde:

"Het is geldig! Het is geldig!"

Rood van opwinding liet hij zijn biljet zien, zwaaide het heen en

weer. Hij galoppeerde tot den coupé, waarin zijn vrouw en zijn zoon

zaten, om hun de goede tijding mede te deelen.

Toen Marie en haar vader zaten, bleef Pierre nog even op het perron

staan, om afscheid te nemen van dr. Chassaigne, die hem vaderlijk

omarmde. Hij wilde hem doen beloven naar Parijs terug te komen, om

in zijn leven wat meer vroolijkheid te brengen. Maar de oude dokter

schudde het hoofd.

"Neen, neen, beste jongen, ik blijf... Zij zijn hier en houden

mij hier."

Hij bedoelde zijn lieve dooden. Dan zacht en ontroerd:

"Vaarwel!"

"Neen, niet vaarwel dokter, tot wederziens!"

"Ja, ja, vaarwel... Want zie je, de Commandeur had gelijk. Er is

niets zoo heerlijk als sterven, maar sterven, om te herleven."

Baron Suire gaf order de witte vlaggen aan den kop en aan het eind van

den trein weg te nemen. Dringender klonk het geroep der conducteurs:

"Instappen, instappen!" Nu volgde een nog grooter gedrang: de stroom

van laatkomers, die nu bezweet en buiten adem kwamen aanvliegen. In den

wagon telden madame de Jonquière en zuster Hyacinthe haar patienten. La

Grivotte, Elise Rouquet, Sophie Couteau waren er. Madame Sabathier

zat op haar plaats tegenover haar man, die met half gesloten oogen

geduldig op het vertrek van den trein wachtte.

Dan vroeg er een:

"Gaat madame Vincent niet met ons mee?"

Zuster Hyacinthe, die uit het raampje keek en nog een glimlach wisselde

met Ferrand, die op den drempel van den kantinewagen stond, riep:

"Daar is zij!"

Madame Vincent liep de rails over en kwam als laatste, buiten adem

en hevig verschrikt, aanvliegen. Onwillekeurig keek Pierre dadelijk

naar haar armen. Zij waren leeg.

Alle portieren werden nu gesloten, sloegen het een na het ander

dicht. De wagons waren vol, het signaal van vertrek behoefde nog

slechts gegeven te worden. Hijgend en puffend, liet de locomotief een

eerste schel jubel-gefluit hooren; op dat oogenblik verjoeg de tot

dusver omsluierde zon het dichte wolkendons en deed den trein met zijn

nu geheel gouden machine, die naar het paradijs der legenden scheen te

vertrekken, schitteren. Het was een vertrek vol kinderlijke, hemelsche

vroolijkheid, zonder eenige bitterheid. Alle zieken schenen genezen

te zijn. Al nam men ze ook weer mee terug zooals men ze gebracht had,

zij schenen verlicht, gelukkig, voor een uur tenminste. Niet de minste

afgunst bedierf hun eendrachtige liefde: zij, die niet genezen waren,

verheugden zich over, triompheerden met de genezing der anderen. Hun

beurt zou ook zeker komen, het wonder van heden was de uitdrukkelijke

belofte voor het wonder van morgen. Na die drie dagen van vurige

smeekbeden hield de koorts van het verlangen onverminderd aan,

bleef het geloofsvertrouwen der niet-verhoorden even groot in de

zekerheid, dat de Heilige Maagd hen voor hun zieleheil eenvoudig tot

later bewaard had. In hun binnenste brandden bij al deze ongelukkige

hongerenden en dorstenden naar het leven, de onuitbluschbare liefde,

de onverwoestbare hoop. Een laatste uitbarsting van vreugde dreunde

dan ook uit de overvolle wagons, een uitgelatenheid van geluk,

van gelach, van geroep. "Tot het volgend jaar. Wij komen terug. Wij

komen terug!" De kleine, zoo vroolijke zusters van Maria Hemelvaart

klapten in haar handen, en, aangeheven door de achthonderd pelgrims,

steeg het danklied omhoog:

"Magnificat anima mea Dominum..."

Toen gaf de chef, die eindelijk tot kalmte gekomen was, het signaal

tot vertrek. Weer floot de locomotief, zette zich dan in beweging,

rolde voort in de stralende zon, als in een glorie. Op het perron

glimlachte pater Fourcade, leunend op den schouder van dr. Bonamy,

hoewel zijn been hem vreeselijk pijn deed, tegen zijn lieve kinderen,

terwijl Berthaud, Gérard en baron Suire een andere groep vormden en

dicht bij hen dr. Chassaigne en mijnheer Vigneron met hun zakdoeken

wuifden. Uit de portieren der voortsnellende wagons hingen vroolijk

lachende hoofden, wapperden zakdoeken in de snelle vaart. Madame

Vigneron dwong den kleinen Gustave zijn bleek gezichtje nog even te

laten zien. Lang kon men het mollige handje van Raymonde groetend

zien zwaaien. Maar Marie bleef het langst kijken naar het tusschen

het groen steeds kleiner wordende Lourdes.

Triomphantelijk, glanzend, dreunend verdween in de lichte vlakte de

trein, die uit volle borst zong:

"Et exsultavit spiritus meus in Deo salutari meo."

De drie steden: Lourdes · 第 37 / 41 题