En de reis duurde voort, de trein rolde, rolde steeds verder. Te
Sainte-Maure werden de misgebeden gezegd, te Saint-Pierre-des-Corps
het Credo gezongen. Maar de godsdienstige oefeningen werden niet meer
met zooveel liefde gedaan, de ijver verflauwde wat, na een zoo lange
zielsverrukking, in de toenemende vermoeienis van de terugreis. Zuster
Hyacinthe begreep dan ook, dat een voorlezing voor die arme overspannen
menschen een welkome afleiding zijn zou; zij beloofde, dat zij mijnheer
den abbé toe zou staan om hun het slot van Bernadette's leven voor te
lezen, waaruit hij hun reeds tweemaal zulke mooie gedeelten verteld
had. Maar ze moesten wachten tot ze in les Aubrais waren, dan hadden
zij vandaar tot Etampes den noodigen tijd om het verhaal uit te hooren,
zonder gestoord te worden.
Weer volgden de stations elkaar op in de eentonige herhaling van
den weg, dien men reeds op de heenreis naar Lourdes door dezelfde
vlakten afgelegd had. Te Amboise begon men weer aan den Rozenkrans
en werd het eerste Paternoster, de vijf blijde mysteriën, gebeden,
vervolgens, nadat te Blois het lied: "Zegen, o liefderijke Moeder"
gezongen was, te Beaugency het tweede, de vijf droeve mysteriën. De
zon had zich 's morgens reeds in een fijn dons van wolken gehuld,
het landschap vluchtte zacht en eenigszins droefgeestig in zijn
voortdurende waaierbeweging weg. Aan beide kanten van den weg verdwenen
de boomen en de huizen onder het grijze licht in een vage, droomachtige
lichtheid, terwijl verderop de in een nevel gehulde heuvelen zich
langzamer, met de kalme schommeling van een deining, aan de blikken
onttrokken. Tusschen Beaugency en les Aubrais scheen de trein, die
nog steeds met het koppige, rhythmische gedreun van zijn wielen, dat
de versufte pelgrims zelfs niet meer schenen te hooren, voortrolde,
zijn vaart te verminderen.
Eindelijk begon men, zoodra men les Aubrais verlaten had, aan het
middagmaal. Het was kwart vóór twaalf. En toen men het Angelus, de
driemaal herhaalde drie Ave's, gebeden had, nam Pierre uit Marie's
valies het kleine boekje, waarvan de blauwe omslag met een naïeve
afbeelding der Heilige Maagd versierd was. Zuster Hyacinthe had in haar
handen geklapt, om stilte te verkrijgen. De priester kon nu met zijn
mooie, doordringende stem zijn verhaal voortzetten te midden van de
nieuwsgierigheid van al die groote kinderen, welke door de geschiedenis
zoo geboeid werden. Nu vertelde hij Bernadette's verblijf te Nevers
en haar dood. Maar evenals de beide vorige malen, hield hij zich al
gauw niet meer aan den tekst van het boekje, voegde hij er bekoorlijke
bijzonderheden, die hij kende of bij intuïtie raadde, aan toe; en voor
hem rees weer de ware, de menschelijke, de deerniswaardige geschiedenis
op, die, welke nog niemand verteld had en die zijn hart deed bloeden.
8 Juli 1866 verliet Bernadette Lourdes om zich op te sluiten in
het klooster van St. Gildard, het moederhuis der zusters van het
ziekenhuis, waar zij had leeren lezen en acht jaar lang gewoond
had. Zij was toen twee-en-twintig, acht jaren waren reeds verstreken
na de laatste maal, dat de Heilige Maagd aan haar verschenen was. Haar
afscheid van de Grot, van de Basilica, van de geheele stad, die zij
liefhad, was in tranen gedrenkt. Maar zij kon daar niet blijven, want
steeds werd zij door de algemeene nieuwsgierigheid, door bezoeken, door
huldigingen en vereeringen lastig gevallen. Haar zwakke gezondheid
scheen er vreeselijk onder te lijden. Haar oprechte deemoed, haar
schuchtere liefde voor eenzaamheid en rust hadden ten slotte de vurige
begeerte doen ontstaan om te verdwijnen, ergens in een onbekende,
donkere plek haar overal weerklinkenden roem van uitverkorene, die de
wereld niet met rust wilde laten, te gaan verbergen. Zij droomde nog
slechts van eenvoud des geestes, van een kalmer leven, geheel gewijd
aan gebeden en kleine dagelijksche bezigheden. Zoo was haar vertrek
een verlichting voor haar zelf en voor de Grot, waarvoor zij met haar
groote onschuld en haar al te groot lijden hinderlijk begon te worden.
Het klooster St. Gildard te Nevers had een paradijs voor haar moeten
zijn. Zij vond er lucht, zon, reine vertrekken, een grooten, met mooie
boomen beplanten tuin. Toch smaakte zij niet den vrede, de volkomen
vergetelheid der wereld in de verre woestijn. Nauwlijks twintig dagen
na haar aankomst had zij onder den naam van zuster Marie-Bernard den
sluier aangenomen, hoewel zij zich nog slechts door gedeeltelijke
geloften verbonden had. Maar ondanks alles was de wereld met haar
medegegaan, begon de vervolging der menigte opnieuw. Tot zelfs in het
klooster verdrong men zich om haar heen uit een onbluschbare behoefte
genadebewijzen van haar heilige persoonlijkheid te verkrijgen. O,
haar te zien, haar aan te raken, zich geluk te verschaffen door
haar aanblik, door buiten haar weten een medaille tegen haar kleed
te wrijven.
Het was de lichtgeloovige hartstocht voor den fetisch! De vromen
stortten zich op haar, vervolgde dat arme tot Onze Lieve Heer geworden
schepseltje, waarvan zij allen hun deel aan hoop en hemelsche illusie
wilden medenemen. Zij weende erover van moeheid en ongeduldig verzet
en herhaalde steeds weer: "Wat hebben zij er toch aan mij zoo te
kwellen? Wat heb ik meer dan anderen hebben?" Op den langen duur
begon het haar werkelijk te verdrieten op die manier het "wonderdier"
te zijn, zooals zij zich ten slotte met een droefgeestig, pijnlijk
glimlachje was gaan noemen. Zij sloot zich zooveel mogelijk op en
weigerde iemand te ontvangen. Men eerbiedigde haar wensch en liet haar
slechts zien in zeer kleinen kring aan degenen, die daarvoor van den
bisschop verlof gekregen hadden. De deuren van het klooster bleven
gesloten, bijna alleen geestelijken forceerden den toegang. Maar dat
was nog te veel voor haar verlangen naar eenzaamheid, zij moet zich
dikwijls eigenzinnig getoond hebben en de priesters hebben laten
weggaan, uitgeput als zij zich reeds van te voren gevoelde door het
steeds weer vertellen van hetzelfde avontuur, door het steeds weer
zich onderwerpen aan dezelfde vragen. Zij voelde daarin een beleediging
voor de Heilige Maagd.
Maar dikwijls moest zij toegeven, wanneer de bisschop in persoon
met voorname personen, dignitarissen of prelaten, kwam; dan liet zij
zich met haar ernstig gezichtje zien, antwoordde zij beleefd, maar
zoo kort mogelijk; zij voelde zich echter eerst weer op haar gemak,
als men haar naar haar donker hoekje terugkeeren liet. Nooit had
goddelijkheid zoo zwaar op een levend wezen gedrukt. Toen men haar
eens vroeg of zij niet trotsch was op die voortdurende bezoeken van
haar bisschop, antwoordde zij zacht: "Monseigneur komt niet, om mij
te zien, maar om mij te laten zien."
Vorsten der Kerk, groote strijders voor het Katholieke geloof wilden
haar zien, ontroerden en snikten in haar tegenwoordigheid; en in
haar afschuw om te kijk te staan, in de ergernis, die zij aan haar
eenvoud gaven, verliet zij hen weer, zonder hen begrepen te hebben,
heel moe en bedroefd.
Intusschen had zij zich aan haar leven in het klooster gewend,
zij leefde er een eentonig bestaan, had zich nu in de gewoonten,
die haar lief geworden waren, ingeleefd. Zij was zoo zwak, zoo
dikwijls ziek, dat men haar op de ziekenzaal werk gaf. Behalve dat
zij nu en dan verpleegde, deed zij handwerkjes, was zij langzamerhand
zoo'n knappe borduurster geworden, dat zij prachtige miskleeden en
altaar-voorhangsels kon maken. Maar dikwijls was zij zelfs zoo zwak,
dat zij ook die lichte werkjes niet doen kon. Wanneer zij dan niet
te bed lag, bracht zij geheele dagen door in een fauteuil zonder
eenige andere afleiding dan het bidden van haar rozenkrans of het
lezen van godvruchtige boeken. Sedert zij lezen kon, hield zij veel
van boeken, de mooie bekeeringsgeschiedenissen en legenden, waarin
heiligen voorkwamen, maar ook de verschrikkelijke drama's, waarin
de duivel bespot en weer in de hel teruggeslingerd werd. Maar haar
groote liefde, haar eeuwige verrukking bleef de Bijbel, dat wondermooie
Nieuwe Testament, welks heerlijke wonderen haar nooit vermoeiden.
Zij herinnerde zich den Bijbel van Bartrès, dat oude vergeelde boek,
dat reeds honderd jaar in haar familie was; zij zag haar voedstervader
weer, op iedere avondbijeenkomst, op goed geluk af er een speld in
steken, hoorde hem weer lezen, steeds beginnend op de achterzijde van
het geprikte blad, en in dien tijd kende zij die wonderbare verhalen
al zoo goed, dat zij, onverschillig na welken zin, uit haar hoofd
verder had kunnen gaan. Nu zij ze zelf las, vond zij er steeds een
nieuwe verrassing in, steeds weer een ongekende belooning. Vooral het
verhaal van Jezus' lijden ontroerde haar als een zeldzame en tragische
gebeurtenis, die pas geschied was. Zij snikte van medelijden, heel
haar arm lichaam beefde er nog uren lang van. Misschien lag in haar
tranen de onbewuste smart over haar eigen lijdensgeschiedenis, over
den troosteloozen lijdensweg, dien zij sedert haar jeugd beklom.
Wanneer zij geen pijn had en zich in de ziekenzaal verdienstelijk kon
maken, liep Bernadette af en aan en vulde het huis met haar levendige
kinder-vroolijkheid. Tot aan haar dood bleef zij het onschuldige,
kinderlijke wezentje, dat graag lachte, danste en speelde. Zij was heel
klein, de kleinste van alle nonnen, waardoor zij altijd een beetje als
een klein meisje behandeld werd. Haar gezichtje werd langer, er kwamen
rimpels in, het verloor den glans der jeugd, maar haar oogen behielden
hun reine en goddelijke schittering, haar mooie zieneresse-oogen,
waarin, als in helderen hemel, een vlucht van droomen ging. Naarmate
zij ouder werd en meer pijn leed, werd zij eenigszins prikkelbaar en
heftig, kwam haar onrustig en soms ruw karakter duidelijker aan den
dag; en juist over die kleine onvolmaaktheden had zij, na dergelijke
aanvallen, het meeste berouw, zij verootmoedigde zich, waande zich
verdoemd, vroeg iedereen vergiffenis. Maar over het algemeen, welk
een gehoorzame, goede dochter van God!
Zij was levendig, flink, slagvaardig, had opmerkingen, die iedereen
lachen deden, een aparte bekoring, waarom iedereen haar aanbad. Ondanks
haar groote vroomheid en hoewel zij heele dagen in gebed doorbracht,
was zij volstrekt geen kwezeltje, dwong zij anderen niet tot overdreven
geloofsijver; integendeel zij was verdraagzaam en medelijdend. Zelden
was een heilig meisje meer vrouw, met eigenaardige karaktertrekken,
met een eigen in haar kinderlijkheid zelf bekoorlijke persoonlijkheid.
En die gave der jeugd, die zij behield, die eenvoudige onschuld van
het kind, dat zij gebleven was, maakten nog, dat de kinderen dol op
haar waren, als herkenden zij in haar altijd een van de hunnen; allen
vlogen zij op haar af, sprongen op haar schoot, sloegen hun kleine
armpjes om haar hals; de tuin weergalmde dan van hun vroolijk spel,
van hun gevlieg, van hun geschreeuw; en zij sprong niet het minst, zij
maakte niet het minste lawaai, blij als zij was weer een arm, onbekend
meisje te worden, zooals in de lang vervlogen dagen te Bartrès.
Later vertelde men, dat een moeder haar verlamd kind naar het klooster
gebracht had, om het door de heilige te laten aanraken en genezen. Zij
snikte zoo wanhopig dat de moeder-overste ten slotte in de poging
toestemde. Maar daar Bernadette zich steeds vol verontwaardiging
verzette, wanneer men haar vroeg wonderen te doen, waarschuwde men
haar niet, riep men haar eenvoudig om het zieke kind naar de ziekenzaal
te dragen. En zij droeg het kind, en toen zij het op den grond zette,
liep het kind. Het was genezen.
O, hoe dikwijls moesten Bartrès, haar vrije kindsheid achter de
lammeren, en de jaren, die zij op de heuvels, in het hooge gras,
in de dichtbebladerde bosschen had doorgebracht, in haar herleven
op de oogenblikken, dat zij, moe van het bidden voor de zondaars,
droomde. Niemand daalde dan in haar ziel af, niemand kon zeggen of
een onwillekeurig verlangen niet haar arm gemarteld hart bloeden deed.
Eens sprak zij een woord, dat haar levensbeschrijvers met het doel,
om haar lijdensgeschiedenis nog treffender te maken, overgeleverd
hebben. Ver weg van haar bergen, gekluisterd aan een ziekbed, riep zij
uit: "Het schijnt, dat ik geboren werd om te leven, om te handelen,
om altijd in beweging te zijn, en God wil, dat ik onbeweeglijk ben!"
Welk een onthulling, welk een verschrikkelijke getuigenis van
eindelooze droefheid! Waarom wilde de Heer, dat dit vroolijke,
lieve, bekoorlijke schepsel zich niet bewoog? En zou zij, in plaats
van te bidden voor de zondaars, haar eeuwige, nuttelooze bezigheid,
niet meer aan de vermeerdering van het geluk der wereld er het hare
bijgedragen hebben, indien zij haar deel van liefde gegeven had aan
den man, die voor haar bestemd was, aan de kinderen, die uit haar
lichaam geboren zouden zijn.
Sommige avonden verviel zij, zoo zeide men, zij, die zoo vroolijk
en bedrijvig was, in een diepe neerslachtigheid. Zij werd dan
melancholiek en keerde, als door haar smart verpletterd, tot zichzelf
in. Ongetwijfeld werd de lijdenskelk ten slotte bitter, drukte de
gedachte, dat haar leven één lange verzaking was, haar te zwaar.
Dacht Bernadette in St. Gildard dikwijls aan Lourdes? Wat wist zij
van den triomf der Grot, van de wonderen, die dagelijks dit land van
het wonder veranderde? De vraag is nooit ten volle opgelost. Men had
haar medezusters verboden over die dingen met haar te spreken, men
omringde haar met een voortdurend en volkomen zwijgen. Zij zelf praatte
er ook niet graag over, zweeg liever over het geheimzinnige verleden,
scheen volstrekt niet verlangend het heden, hoe triomphantelijk het
ook zijn mocht, te leeren kennen.
Maar vloog toch in haar phantasie haar hart niet naar dat tooverland,
waarin de haren woonden, waarin al de banden van haar leven geknoopt
waren, waar zij den meest buitengewonen droom achtergelaten had, dien
ooit door één menschelijk wezen gedroomd was? Ongetwijfeld maakte
zij in haar gedachte dikwijls de mooie reis van haar herinneringen,
moest zij in groote trekken de voornaamste gebeurtenissen van Lourdes
kennen. Maar zij schrikte er voor terug er persoonlijk heen te gaan
en zij weigerde dit steeds, daar zij heel goed begreep, dat zij er
niet onopgemerkt zou komen en angstig was voor de menigten, wier
vereering haar daar wachtte.
Welk een glorie, indien er in haar een eerzuchtige heerschersnatuur
gewoond had! Dan zou zij teruggekeerd zijn naar de heilige plaats van
haar visioenen, zou zij er wonderen gedaan hebben als priesteres, als
pausin, onfeilbaar en souvereine als de uitverkorene en de vriendin
der Heilige Maagd.
De paters waren daar nooit in ernst bang voor geweest, hoewel zij
uitdrukkelijk bevolen hadden haar ter wille van haar zieleheil van
de wereld af te snijden. Zij waren gerust, zij kenden haar zachtheid
en haar ootmoed; zij kenden haar vrees een goddelijk wezen te zijn;
zij kenden haar onwetendheid omtrent de kolossale machten, die zij
zelf in beweging gebracht had en wier exploitatie haar verschrikt
zou hebben doen terugdeinzen, indien zij het begrepen had. Neen,
dat land van drukte, van geweld en van geschacher was niet het hare
meer. Zij zou er te veel geleden, zich niet thuis gevoeld, zich
erover geschaamd hebben. En wanneer pelgrims zich daarheen begaven
en haar lachend vroegen: "Wilt gij met ons gaan?" dan doorhuiverde
haar een rilling en haastte zij zich te antwoorden: "Neen, neen,
maar hoe graag zou ik het doen, als ik een klein vogeltje was!"
Haar eenige droom was dit kleine trekvogeltje met snelle vlucht en stil
geklapwiek, dat telkens weer zijn bedevaart naar de Grot deed. Zij,
die nooit naar Lourdes gegaan was, noch voor den dood van haar
vader, noch voor dien van haar moeder, moest daar aanhoudend leven
in haar droom. Toch hield zij van de haren, zij had er voor gezorgd,
dat haar arm gebleven familie werk kreeg, had haar oudsten broer,
die naar Nevers gekomen was, om zich te beklagen en dien men voor
de deur van het klooster had laten staan, willen ontvangen. Maar
hij vond haar moe en berustend, zij vroeg hem zelfs niet naar het
nieuwe Lourdes, als was zij bang geweest voor die steeds grooter
wordende stad. In het jaar der Kroning van de Heilige Maagd had een
priester, dien zij opgedragen had te harer intentie voor de Grot
te bidden, haar bij zijn terugkeer verteld van de onvergetelijke
wonderen der plechtigheid, van de honderdduizenden toegestroomde
pelgrims, van de vijf-en-dertig in het goud gekleede bisschoppen in
de stralende Basilica. Zij rilde, een lichte huivering van verlangen
en onrust doorvoer haar. En toen de priester uitriep: "O, als gij
deze schittering gezien hadt!" antwoordde zij: "Ik? Ik had het hier
veel beter in mijn klein hoekje van de ziekenzaal!"
Men had haar haar wonder ontstolen, haar werk schitterde in een
voortdurend hosanna, en zij vond slechts geluk in haar vergetelheid,
in haar kloosterdonkerte, waarin de schatrijke eigenaars der Grot
haar vergaten. De luid weerklinkende plechtigheden gaven haar geen
aanleiding tot haar mysterieuze reizen, het kleine vogeltje van haar
ziel vloog slechts op dagen van eenzaamheid, op vreedzame uren, wanneer
niemand haar vrome oefeningen kon storen. Voor de oorspronkelijke
woeste Grot ging zij dan neerknielen tusschen de wilde rozelaars,
in den tijd, dat de Gave nog niet door een monumentale kade omgeven
was. Vervolgens bezocht zij de oude stad bij het vallen van den dag in
de geurige frischheid der bergen, bezocht zij de oude, beschilderde en
vergulde half-Spaansche kerk, waarin zij haar eerste communie gedaan
had, het oude Hospice, waarin zij gedurende acht jaar teruggetrokken
geleefd had, die geheele oude, arme en onschuldige stad, waarvan
iedere steen in haar ziel teedere, lieve herinneringen wekte.
En zette Bernadette nooit de bedevaart van haar droomen voort tot
Bartrès? Men moet aannemen, dat soms, wanneer zij, zittend in haar
fauteuil, het een of ander godvruchtig boek uit haar moede handen
vallen liet en haar oogen sloot, Bartrès voor haar verrees en den
nacht van haar oogen verlichtte. De oude kleine Romaansche kerk met
haar hemelkleurig schip, en haar bloedende altaarstukken stond dan te
midden van de graven van het kleine kerkhof voor haar. Vervolgens vond
zij zich terug in het huis der Lagües, in het groote vertrek links,
waar het vuur was en waar men 's winters zulke mooie verhalen vertelde,
terwijl de groote klok met ernstige slagen het uur aangaf. Daarna
strekte het geheele landschap zich voor haar uit, eindelooze vlakten,
reusachtige kastanjeboomen, waaronder bijna verdwaalde, eenzame
plateaux, vanwaar men de verre bergen zag, den Pic du Midi, den Pic
de Viscos, licht en rose als droomen, als het ware zich verliezend
in het paradijs der legenden.
En dan, dan rees haar vrije jeugd voor haar op, toen zij nog
rondliep, waar zij wilde; haar dertien eenzame en droomende jaren,
toen zij haar levenslust nog door de vrije natuur droeg. En zag zij
zich op zoo'n oogenblik niet terug langs de beken, te midden van de
hagedoornstruiken, in het hooge gras onder de warme Junizon? Zag zij
zich er niet terug aan den arm van een vrijer van haar leeftijd, dien
zij in al den eenvoud en al de teederheid van haar hart liefgehad zou
hebben? O, weer jong te worden, vrij nog te zijn, onbekend, gelukkig,
en weer, maar anders lief te hebben. Het visioen werd onduidelijk: een
man, die haar aanbad, kinderen, die vroolijk om haar heen opgroeiden,
het leven van iedereen, de vreugde en de droefheid, die haar ouders
gekend hadden, die haar kinderen op hun beurt ook zouden leeren
kennen. En langzamerhand verdween het visioen en vond zij zich weer
terug in haar ziekenfauteuil, opgesloten tusschen vier koude muren,
met niets dan het vurige verlangen, om maar gauw te sterven, omdat er
voor haar in het armzalige, gewone geluk van deze aarde geen plaats
was geweest.
Met ieder jaar werd het lijden van Bernadette grooter. De
lijdensgeschiedenis begon, de lijdensgeschiedenis van dezen nieuwen
kind-Messias, die geboren was, om den ellendigen verlichting te
schenken, die de menschheid den godsdienst verkondigen moest van
goddelijke gerechtigheid, hun gelijkheid voor de wonderen, welke
spotten met de meedoogenlooze natuur. Zij stond nog slechts op
om zich gedurende enkele dagen van stoel tot stoel te sleepen en
dan weer genoodzaakt te zijn het bed te houden. Haar lijden werd
verschrikkelijk. Haar erfelijke nerveusiteit, haar asthma, dat door
de klooster-afzondering erger geworden was, scheen in tering ontaard
te zijn. Zij hoestte vreeselijk, aanvallen van hoest verscheurden
haar brandende borst. Tot overmaat van ramp kreeg zij een beeneter
in haar rechterknie, een wegvretende kwaal, waarvan het steken haar
kreten van pijn ontrukte. Haar arm lichaam was onder de voortdurende
verbanden niet veel meer dan een open wonde, die steeds geprikkeld
werd door de warmte van het bed, dat aanhoudende liggen tusschen de
lakens, waardoor haar huid op den langen duur geheel verteerd werd.
Allen waren met medelijden vervuld, de getuigen van haar martelaarschap
zeiden, dat men niet meer en ook niet heldhaftiger kon lijden. Zij
probeerde Lourdeswater, dat haar echter in het geheel geen verlichting
gaf. Heer, almachtig koning, waarom wel de genezing van anderen en niet
de hare? Om haar ziel te redden? Maar waarom redt gij dan de zielen
van de anderen niet? Welk een onverklaarbare keuze! Welk een absurde
noodzakelijkheid, dat dit arme schepseltje moet lijden, tegenover de
eeuwige evolutie der werelden! Zij snikte, zij herhaalde telkens weer,
om zich moed in te spreken: "De hemel is aan het einde van mijn lijden,
maar wat blijft het einde lang uit!" Steeds weer was het haar gedachte,
dat het lijden de smeltkroes is, dat men op aarde moet lijden, om
elders te triompheeren, dat lijden onmisbaar, benijdenswaardig, een
zegen was. Is dat geen godslastering, Heer? Hebt gij dan noch jeugd
noch vreugde geschapen? Wilt gij dan, dat uw schepselen niet genieten
van uw zon, noch van uw natuur in feestdos, noch van de menschelijke
liefde, waarmede gij hun lichaam hebt doen opbloeien? Zij was bang
voor den opstand, die haar dikwijls tot woede bracht, zij wilde zich
hardnekkig verzetten tegen de pijn, die haar lichaam schreeuwen deed,
en in gedachte kruisigde zij zichzelf, strekte zij haar armen in
kruisvorm uit, om één te worden met Jezus, haar ledematen tegen zijn
ledematen, haar mond tegen zijn mond, druipend van bloed als hij,
doordrenkt als hij met hartzeer. Jezus was in drie uur gestorven, zij,
die de verlossing door lijden hernieuwde, die ook stierf om anderen
het leven te brengen, had een nog langeren doodsstrijd. Wanneer haar
beenderen kraakten in doodspijn, stiet zij dikwijls jammerklachten
uit, die zij zich onmiddellijk daarna berouwde. "O, wat lijd ik, wat
lijd ik, maar wat ben ik gelukkig te mogen lijden!" Er bestaat geen
vreeselijker woord, geen afschuwelijker pessimisme. Gelukkig te mogen
lijden, o Heer! En waarom? Met welk onbekend en dwaas doel? Waartoe die
nuttelooze wreedheid, die schandelijke verheerlijking van het lijden,
terwijl uit de geheele menschheid slechts één vurig verlangen opstijgt
naar gezondheid en geluk?
En in die vreeselijke martelingen legde zuster Marie-Bernard den
22sten September 1878 haar kloostergelofte af. Twintig jaar was het
nu geleden, dat de Heilige Maagd haar verschenen was, haar bezocht,
zooals de Engel haar zelf bezocht had, haar uitverkoor, zooals
zij zelf uitverkoren was onder de ootmoedigsten en reinsten, om in
haar het geheim van koning Jezus te verbergen. Het was de mystieke
verklaring van de uitverkiezing door het lijden, de bestaansreden zelf
van dit arme wezen, dat zoo wreed van de andere gescheiden, door kwalen
bezocht, het deerniswaardige slagveld van alle menschensmarten geworden
was. Zij was de gesloten tuin, die de blikken van den Hemelschen
Bruidegom zoo bekoort; hij had haar uitverkoren en daarna in den
dood van haar verborgen leven begraven. Toen de ongelukkige onder de
zwaarte van haar kruis wankelde, vroegen haar medezusters haar dan ook:
"Ben je het dan vergeten? De Heilige Maagd heeft je beloofd, dat je
gelukkig zult zijn niet in deze wereld, maar in de andere." En als tot
nieuw leven gewekt en zich op het voorhoofd slaande, antwoordde zij:
"Zou ik dat vergeten? Neen, neen!" Zij vond nog slechts kracht en
steun in de illusie van een paradijs vol heerlijkheid, waarin zij,
voor eeuwig gelukkig en begeleid door seraphijnen, binnentreden zou.
De drie persoonlijke geheimen, die de Heilige Maagd haar had
toevertrouwd, om haar tegen het lijden te wapenen, waren blijkbaar
beloften van schoonheid, gelukzaligheid, onsterfelijkheid in den
hemel. Welk een monsterachtig bedrog, indien aan gene zijde van
het graf slechts de nacht der aarde geweest was, indien de Heilige
Maagd zich niet te midden van de wonderbare beloofde belooningen op
de afgesproken plaats bevonden had! Maar Bernadette twijfelde niet,
zij aanvaardde gaarne alle kleine opdrachten, die haar medezusters in
haar onschuld haar gaven voor den hemel: "Zuster Marie-Bernard, je moet
dit, je moet dat aan den goeden God zeggen"... "Zuster Marie-Bernard,
je moet mijn broer voor mij omhelzen, als je hem in het paradijs
ontmoet"... "Zuster Marie-Bernard, je moet een klein plaatsje naast
je bewaren voor mij, wanneer ik sterven zal." En allen antwoordde zij
welwillend: "Weest niet bevreesd, ik zal uw opdracht uitvoeren!" O,
almachtige illusie, zalige rust, eeuwige jonge en troostende kracht!
En de eindstrijd kwam, en de dood kwam. Vrijdag 20 Maart 1879
geloofde men, dat zij den nacht niet meer zou overleven. Zij had een
wanhopig verlangen naar het graf, om niet meer behoeven te lijden,
om in den hemel te kunnen opstaan. Halsstarrig weigerde zij dan ook
het Heilige Oliesel; immers reeds tweemaal, zoo meende zij, had het
Heilige Oliesel haar genezen. Zij wilde, dat God, eindelijk, haar
zou laten sterven, want het was te veel, God zou God niet geweest
zijn, indien hij van haar nog meer smart eischte. Toch stemde zij er
eindelijk in toe bediend te worden en haar doodsstrijd werd er bijna
drie weken door verlengd.
De priester, die haar bijstond, zeide dikwijls tot haar:
"Mijne dochter, men moet het offer van zijn leven brengen." Eens,
ongeduldig, antwoordde zij hem: "Maar, eerwaarde vader, dat is toch
geen offer!" Een vreeselijk woord, ook dit weer, want het was de
walging voor het leven, de woedende minachting voor het bestaan,
het onmiddellijk einde der menschheid, indien deze de macht had zich
met een gebaar te vernietigen. Het is waar, dat dit meisje niets
achterliet, waarnaar zij terugverlangen zou; men had alles uit haar
leven verwijderd, gezondheid, vreugde, liefde, opdat zij het zou
verlaten, zooals men een afgesleten en vuile lap linnen weggooit. Zij
had gelijk, zij verdoemde haar nutteloos, haar wreed leven, wanneer
zij zeide: "Mijn lijdensgeschiedenis zal pas eindigen bij mijn dood en
zal voor mij duren tot mijn ingaan in de eeuwigheid." En die gedachte
aan haar lijdensgeschiedenis vervolgde haar, klonk haar nog vaster
aan het kruis met haar goddelijken Meester. Zij had zich een groot
crucifix laten geven, drukte het heftig tegen haar maagdelijke borst
en schreeuwde, dat zij het in haar boezem wilde boren, opdat het daar
eeuwig zou blijven.
Tegen het einde begaven haar krachten haar, kon zij het niet meer in
haar bevende handen houden. "Bind het aan mij vast, goed, stevig vast,
opdat ik het tot in mijn laatsten ademtocht voel." Dit was de eenige
man, die haar maagdelijkheid zou kennen, de eenige kus, die aan haar
onnut, van den natuurlijken weg afgeleid moederschap gegeven werd. De
nonnen namen touwen, deden die om haar pijnlijke lendenen, bonden ze
om haar onvruchtbaren schoot, trokken het crucifix zoo sterk aan op
haar boezem, dat het erin drong.
Eindelijk had de dood medelijden, Paaschmaandag kreeg zij vreeselijke
rillingen. Hallucinaties kwelden haar, zij klappertandde van angst,
zag den duivel grijnslachen en om haar rondsluipen. "Ga weg van mij,
Satan, raak mij niet aan, neem mij niet mede!" Dan vertelde zij in
haar ijlen, dat de duivel zich op haar had willen werpen, dat zijn
mond alle vlammen der hel op haar geblazen had. De duivel in dit zoo
reine leven, in deze zondelooze en smettelooze ziel! Waarom toch, o
Heer? En nogmaals, waarom dit lijden zonder genade, dit tot het einde
toe op de spits gedreven lijden, waarom dit einde in booze droomen,
waarom deze dood, gekweld door afschuwelijke waanvoorstellingen,
na een zoo mooi, zoo rein, zoo schuldeloos leven?
Kon zij niet kalm, in den vrede van haar kuische ziel
inslapen? Ongetwijfeld moest haar, zoolang zij nog één ademtocht
bezat, bijblijven de haat en de vrees van het leven, dat de duivel
is. Het was het leven, dat haar bedreigde, het was het leven, dat
zij van zich joeg, evenals zij het leven verloochend had door haar
gemartelde, aan het kruis geklonken maagdelijkheid te bewaren voor
den Hemelschen Bruidegom. Dat dogma der Onbevlekte Ontvangenis,
dat haar droom van ziekelijk meisje was komen versterken en komen
bekrachtigen, geeselde de vrouw, echtgenoote en moeder. Te decreteeren,
dat de vrouw slechts de vereering waard is, wanneer zij maagd blijft,
een vrouw uit te denken, die maagd blijft, terwijl zij moeder wordt,
en die zelf zonder zonde geboren is, is dat niet het honen van de
natuur, het verdoemen van het leven, het verloochenen en miskennen
van de vrouw, haar prijs geven aan den ondergang, haar, die slechts
groot is, als zij bevrucht is en het leven voortplant. "Ga weg van
mij, Satan, ga weg van mij, laat mij onvruchtbaar sterven!" En zij
verjoeg de zon uit de zaal, en zij verjoeg de frissche lucht, die
door het raam binnenstroomde, de lucht, doorbalsemd van bloemengeur,
zwaar van kiemen, die de liefde door de wijde wereld dragen.
Den Woensdag na Paschen, den 16den April, begon de laatste
doodsstrijd. Men vertelt, dat op den ochtend van dien dag een
medezuster van Bernadette, een non, die, door een doodelijke ziekte
aangetast, in een bed naast haar op de ziekenzaal lag, plotseling
genezen werd, na een glas Lourdeswater gedronken te hebben. Zij,
de uitverkorene, had het zonder baat gedronken. God verleende haar
eindelijk de groote gunst haar wensch te verhooren door haar in
te doen slapen in den goeden slaap der aarde, waarin men niet meer
lijdt. Zij vroeg vergiffenis aan iedereen. Haar lijden was volbracht,
zij had evenals de Verlosser, spijkers en de doornenkroon, gegeeselde
ledematen en open lendenen. Evenals hij, sloeg zij haar oogen ten
hemel, strekte zij haar armen uit in den vorm van een kruis en stiet
een grooten kreet uit: "Mijn God!" En evenals hij, zeide zij tegen
drie uur: "Mij dorst!" Zij bevochtigde haar lippen in het glas,
boog het hoofd en stierf.
Zoo stierf, glorierijk en heilig, de zieneres van Lourdes, Bernadette
Soubirous, zuster Marie-Bernard van de barmhartige zusters van
Nevers. Haar lijk bleef drie dagen lang op een praalbed liggen,
ontelbare scharen liepen er langs, de eindelooze menigte vromen,
die hongerden en dorstten naar hoop en tegen het kleed der doode
munten, rozenkransen, plaatjes, misboeken wreven, om nog een genade
van haar te verkrijgen, een fetisch, die geluk aanbracht. Zelfs
in den dood kon men haar niet met rust laten; de drom ellendigen
van deze wereld drong om haar heen, dronk om haar kist de illusie
in. Men bemerkte, dat haar linkeroog steeds open gebleven was, het
oog, dat zich gedurende de verschijningen aan de zijde der Heilige
Maagd bevond. Een laatste wonder deed het klooster verbaasd staan,
het lijk veranderde niet, men begroef het den derden dag nog lenig,
warm, met rose lippen en witblanke huid, als verjongd en geurig. Thans
slaapt Bernadette Soubirous, de groote bannelinge van Lourdes, terwijl
de Grot schittert en triompheert, haar laatsten slaap in het klooster
St. Gildard onder den steen van een kleine kapel, in de schaduw en
de stilte der oude boomen van den tuin.
Pierre hield op met spreken, het mooie wonderverhaal was uit. De
geheele wagon luisterde nog steeds in de hartstochtelijke ontroering
van dit zoo tragische en treffende einde. Tranen van medelijden
vloeiden uit Marie's oogen, terwijl de anderen, Elise Rouquet,
ja zelfs la Grivotte, die een weinig kalmer geworden was, haar
handen vouwden en haar, die bij den goeden God was, baden om haar
bemiddeling voor haar verder herstel. Mijnheer Sabathier maakte het
teeken des kruises en at dan de koek, die zijn vrouw te Poitiers
voor hem gekocht had. Mijnheer de Guersaint, die niet van treurige
verhalen hield, was weer in slaap gevallen. Slechts madame Vincent,
die haar hoofd in het kussen gedrukt had, was onbeweeglijk blijven
liggen, als had zij, doof en blind, niets willen hooren of zien.
De trein rolde nog voort, nog steeds voort. Madame de Jonquière,
die even haar hoofd buiten het raampje gestoken had, zeide dat ze
Etampes naderden. Toen men dit station verlaten had, werd het derde
Paternoster gebeden, de vijf glorierijke mysteriën: de Opstanding
van Jezus Christus, de Hemelvaart van Jezus Christus, de uitstorting
van den Heiligen Geest, Maria Hemelvaart en de Kroning der Heilige
Maagd. Vervolgens zong men het lied: "Ik stel mijn vertrouwen in Uw
hulp, o Heilige Maagd..."
Nu verzonk Pierre in een diep gepeins. Zijn blikken hadden zich op
het thans bezonde landschap gericht, welker voortdurende vlucht zijn
gedachten scheen te wiegen. Het dreunen der wielen bracht hem in een
zekere verdooving, hij onderscheidde niet duidelijk meer de hem zoo
vertrouwde horizonten van dit groote buitengebied, dat hij vroeger
zoo goed gekend had. Nu nog Brétigny, dan Juvisy, en eindelijk na nog
anderhalf uur Parijs. Zij was dus ten einde, deze groote reis! Zij
waren dus achter den rug, dat zoo vurig verlangde onderzoek, die zoo
hartstochtelijk beproefde poging! Hij had zekerheid voor zichzelf
willen hebben, had ter plaatse het geval van Bernadette willen
bestudeeren, had willen zien of niet de genade als in een donderslag
tot hem terugkeeren en hem zijn geloof hergeven zou. En nu had hij
zekerheid. Bernadette had in de voortdurende marteling van haar vleesch
gedroomd, en hij zelf zou nooit meer gelooven. Dat drong zich aan hem
op met de brutaliteit van een feit: het naïeve geloof van het kind,
dat neerknielt en bidt, het primitieve geloof van jonge volken, gebukt
onder de heilige vrees van hun onwetendheid, was gestorven. Duizenden
pelgrims mochten zich jaarlijks naar Lourdes begeven, de volkeren
waren niet meer met hen, de poging, om het ongeschokte geloof, het
geloof van de gestorven eeuwen, het geloof zonder verzet en zonder
onderzoek te doen herleven, was tot mislukking gedoemd.
De geschiedenis beweegt zich niet achterwaarts, de menschheid kan niet
terugkeeren tot haar kindsheid, de tijden zijn te zeer veranderd, te
veel nieuw zaad is gestrooid, te nieuwe oogsten zijn binnengehaald,
dan dat de menschen van heden kunnen opgroeien als de menschen van
vroeger. Het was beslist: Lourdes was een zeer goed te verklaren
bijkomende omstandigheid, wier heftige reactie een nieuw bewijs leverde
voor den laatsten doodsstrijd, waarin zich het geloof in den antieken
vorm van het Katholicisme samenkromp. Nooit zou de geheele natie,
zooals de oude geloovige natie in de kathedralen der twaalfde eeuw,
meer neerknielen als een onder de handen van den Meester gedweeë
kudde. Dit met alle geweld te willen zou zijn zich te pletter loopen
tegen het onmogelijke, zou de grootste moreele catastrophe ten gevolge
kunnen hebben.
Van zijn reis hield Pierre niets over dan een eindeloos
medelijden. Zijn hart stroomde ervan over, gemarteld keerde zijn arm
hart ervan terug. Hij herinnerde zich de woorden van dien goeden
abbé Judaine; hij had die duizenden ongelukkigen zien bidden en
snikken, God zien smeeken erbarmen te hebben met hun marteling; hij
had met hen gesnikt en als een open wonde bewaarde hij in zich het
broederlijk medelijden met al hun smarten. Hij kon dan ook niet aan
die arme menschen denken zonder het brandend verlangen in zich te
voelen opkomen hun verlichting te schenken. Wanneer het geloof der
eenvoudigen van geest niet voldoende meer was, wanneer men gevaar
liep te verdwalen, als men achterwaarts wilde, zou men dan de Grot
moeten sluiten, een nieuwe krachtsinspanning, een nieuw geduld moeten
prediken? Maar daar verzette zijn medelijden zich tegen. Neen, neen,
het zou een misdaad zijn den droom van hun hemel te sluiten voor deze
lijdenden naar ziel en lichaam, wier eenige verlichting daarin bestond,
dat zij daar konden neerknielen in den gloed der kaarsen, in de rust
gevende tonen der koralen. Hij zelf had niet den moord gepleegd om
Marie van haar dwaling te genezen, hij had zich opgeofferd om haar
de vreugde van haar waan, den goddelijken steun te laten, genezen
te zijn door de Heilige Maagd. Waar was de hardvochtige man, die de
wreedheid bezitten zou om de armen te beletten te gelooven, om in hen
de vertroosting van het bovennatuurlijke, de hoop, dat God zich met hen
inliet, een beter leven voor hen in zijn paradijs bewaarde, te dooden?
De geheele menschheid weende, radeloos gelijk aan een ten doode
gedoemde zieke, die alleen het wonder zou kunnen redden. Hij voelde,
hoe ongelukkig zij was, hij huiverde van broederlijk en liefdevol
medelijden tegenover dat jammerlijke Christendom, den ootmoed, de
onwetendheid, de armoede met haar lompen, de ziekte met haar wonden
en haar muffen stank, dat heele volk van lijders in het ziekenhuis,
in het klooster, in de krotten, het ongedierte, de onreinheid, de
leelijkheid, de stompzinnigheid der gezichten, wat alles te zamen in
den triomphantelijken naam van rechtvaardigheid, gelijkheid en goedheid
één ontzaglijk protest vormde tegen gezondheid, leven en natuur. Neen,
neen, men mocht de ongelukkigen niet tot wanhoop brengen, men moest
Lourdes dulden, zooals men den leugen duldt, die helpt om te leven. En
zooals hij het in de kamer van Bernadette gezegd had, zij bleef de
martelares, zij openbaarde hem den eenigen godsdienst, waarvan zijn
hart nog vol was, den godsdienst der lijdende menschheid. O, goed zijn,
alle wonden verbinden, den smart in een droom wiegen, liegen zelfs,
opdat niemand meer lijden zou!
In volle vaart reden zij een dorp door en Pierre zag als in een
schim te midden van groote appelboomen een kerk. Alle pelgrims
maakten het teeken des kruises. Maar hij werd door een gevoel
van onrust aangegrepen, wroeging bracht iets als angst in zijn
overpeinzing. Was die godsdienst van het menschelijk lijden, die
verlossing door lijden ook geen bedriegelijk lokaas, een voortgezette
verergering van de smart en van de ellende. Het is laf en gevaarlijk
het bijgeloof te laten leven. Het te dulden, het te aanvaarden staat
gelijk met telkens opnieuw de slechte eeuwen weer te beginnen. Het
maakt zwak, maakt dom, de vrome gebreken, die overerfelijk zijn,
verwekken vernederde en vreesachtige geslachten, ontaarde en gedweeë
volkeren, een makkelijke buit voor de machtigen dezer aarde. Men buit
de volkeren uit, men besteelt ze, men verslindt ze, wanneer zij de
inspanning van hun wilskracht alleen richten op de verovering van het
leven hiernamaals. Was het dan maar niet beter onmiddellijk den moed
te hebben het mes te zetten in de wonde der menschheid, de Grotten
te sluiten, waarin zij gaat snikken, en haar aldus den moed te geven
het werkelijke leven te leven, al moet het dan in tranen zijn? En dat
bidden, die vloed van aanhoudende gebeden, welke uit Lourdes opstegen,
het eindeloos smeeken, dat daar zijn oogen vochtig had doen worden
en week gemaakt had, was dat misschien iets anders dan een kinderlijk
in slaap wiegen, dan een verbasteren van alle energie?
De wilskracht sliep erin, het wezen zelf loste er zich op,
kreeg er een walg van het leven, van de daad. Waarom te willen,
waarom te handelen, wanneer men zich geheel verlaat op de luim
van een onbekende almacht? En aan den anderen kant hoe zonderling
dat krankzinnig verlangen naar wonderen, die drang om God te
dwingen de natuurwetten, die hij zelf in zijn oneindige wijsheid
vastgesteld heeft, te overschrijden! Daarin lag het groote gevaar en
het onverstand; men mocht bij den mensch, en vooral bij het kind,
slechts de persoonlijke energie en den moed, om de waarheid onder
de oogen te zien, ontwikkelen, op gevaar af daardoor de illusie,
de goddelijke troosteresse, te verliezen.
Nu rees een groot licht in Pierre op en verblindde hem. Hij was de
rede, het verstand, hij protesteerde tegen de verheerlijking van het
absurde en de ontaarding van het gezonde menschenverstand. O, hij leed
door zijn rede, maar was ook alleen door zijn rede gelukkig. Zooals hij
tegen dr. Chassaigne gezegd had, hij brandde slechts van verlangen
om haar steeds meer te bevredigen, zelfs al kostte het hem zijn
geluk. Zij was het, hij zag het nu duidelijk in, zij was het, wier
voortdurend verzet in de Grot, in de Basilica, in geheel Lourdes hem
belet had te gelooven. Hij had haar niet kunnen dooden, hij had zich
niet kunnen verootmoedigen en in het stof werpen, zooals zijn oude
vriend, de tegen den grond geslingerde grijsaard, die in het ongeluk
van zijn hart weer kind geworden was. Zij was de opperste meesteres,
zij hield hem staande zelfs te midden van de duisternissen en de
mislukkingen der wetenschap. Wanneer hij zich iets niet verklaren
kon, fluisterde zij hem in: "Er bestaat ongetwijfeld een natuurlijke
verklaring, doch die u thans ontgaat!"
Hij herhaalde telkens weer voor zichzelf, dat men geen werkelijk
gezond ideaal kan hebben buiten de langzame overwinning der rede
te midden van de ellenden van lichaam en geest. Hij, de priester,
was in staat zijn leven te verwoesten, om in den strijd van zijn
herediteit--zijn vader geheel hersens, zijn moeder geheel geloof--zijn
eed te houden. Hij had de kracht gehad zijn vleesch in toom te houden,
af te zien van de vrouw, maar hij voelde heel goed, dat zijn vader
ten slotte de overwinning behalen zou, want het was hem van nu af aan
onmogelijk zijn rede ten offer te brengen; daarvan zou hij niet afzien,
die zou hij niet in toom kunnen houden. Neen, neen, het menschelijk
lijden zelf, het heilige lijden der armen mocht geen hinderpaal zijn,
mocht geen noodzakelijkheid voor onwetendheid en dwaasheid vormen. De
rede voor alles, er was geen heil, geen redding dan in haar. Als hij,
badend in tranen, en week gemaakt door zooveel lijden, te Lourdes
gezegd had, dat het onvoldoende was te vreezen en lief te hebben,
dan had hij zich gevaarlijk vergist. Het medelijden was slechts een
makkelijk hulpmiddeltje. Men moest leven, men moest handelen, de rede
moest het lijden bestrijden, als men dat niet eeuwig bestendigen wilde.
Weer rees in de snelle vlucht van het landschap een kerk op, ditmaal
aan den horizont van den hemel, de een of andere geloftekapel, waarop
een hoog beeld der Heilige Maagd stond. En weer maakten de pelgrims
het teeken des kruises. En weer kwamen de overpeinzingen van Pierre
op een andere baan, gaf een nieuwe vloed van gedachten hem terug aan
zijn angst. Wat was toch dat dringende verlangen naar het hiernamaals,
dat de lijdende menschheid martelde? Vanwaar kwam het? Waarom wilde
men gelijkheid, rechtvaardigheid, daar die dingen toch niet schenen te
behooren bij de ongevoelige natuur? De mensch had ze gebracht in het
onbekende van het mysterie, in het bovennatuurlijke van religieuze
paradijzen, en daar leschte hij zijn brandenden dorst. Steeds had
de onleschbare dorst naar geluk hem gekweld, steeds zou hij hem
blijven kwellen.
Dat de paters van de Grot zulke schitterende zaken maakten, kwam
alleen, omdat zij iets van het goddelijke verkochten. Die dorst naar
het goddelijke, welke in den loop der eeuwen door niets gelescht
had kunnen worden, scheen aan het einde van onze wetenschappelijke
eeuw met nieuwe kracht op te komen. Lourdes was het luid sprekende,
het onloochenbare voorbeeld, dat de mensch misschien nooit den droom
van een almachtig God, die de gelijkheid herstelt en door wonderen
het geluk opnieuw schept, zou kunnen ontberen. Wanneer de mensch den
bodem van het ongeluk, om te leven, bereikt heeft, keert hij weer terug
tot de goddelijke illusie; hierop immers rust de grondslag van alle
godsdiensten, dat de zwakke en naakte mensch niet de kracht heeft
zijn aardsche ellende zonder den eeuwigen leugen van een paradijs
te doorstaan. Thans was de proef genomen: de wetenschap alleen was
blijkbaar niet voldoende, men zou een deur moeten open laten voor
het mysterie.
Plotseling klonk het groote woord in de hersens van den in diep gepeins
verzonken Pierre. Een nieuwe godsdienst! Die deur, welke men voor het
mysterie had moeten openlaten, was, alles bij elkaar genomen, een
nieuwe godsdienst. De menschheid ruwweg van haar droom te genezen,
haar met geweld het wonderbare, waaraan zij evenveel behoefte had
als aan brood, om te kunnen leven, te ontnemen zou misschien gelijk
staan met haar te dooden. Zou zij ooit den wijsgeerigen moed hebben
het leven zóó op te vatten als het is, het voor zichzelf te leven
zonder het denkbeeld van toekomstige straffen en belooningen? Het
scheen wel, als zouden eeuwen verloopen, voordat de maatschappij
verstandig genoeg zou zijn, om zonder de moreele politie van den een
of anderen eeredienst, zonder een troost van een bovenmenschelijke
gelijkheid en rechtvaardigheid te leven. Ja een nieuwe godsdienst,
het klonk en weerklonk in hem als de kreet zelf der volkeren, als
de begeerige en wanhopige behoefte der moderne ziel. De troost,
de hoop, die het Katholicisme aan de wereld gegeven had, scheen na
achttien eeuwen van geschiedenis, na zooveel tranen, zooveel bloed,
zooveel barbaarsche beroeringen uitgeput te zijn. Het was een illusie,
die wegging, en men moest er tenminste een illusie voor in de plaats
geven. Dat men zich eens in het Christelijk paradijs geworpen had, kwam
alleen, omdat het zich toen opende als de jonge hoop en verwachting.
Een nieuwe godsdienst, een nieuwe hoop, een nieuw paradijs, ja,
daarnaar dorstte de wereld in de ellende, waaronder zij samenkromp. En
pater Fourcade voelde dat heel goed, hij bedoelde niets anders, toen
hij in zijn onrust smeekte, dat men het volk der groote steden, de
groote massa van het volk, dat de natie vormt, naar Lourdes brengen
zou. Honderdduizend, tweehonderdduizend pelgrims per jaar te Lourdes,
was nog niet meer dan een zandkorreltje. Het volk, het geheele volk
zou moeten komen. Maar het volk had de kerken voor altijd verlaten,
het legt zelfs zijn ziel niet meer in de Heilige Maagden, die het
vervaardigt, niets zou het zijn verloren geloof kunnen teruggeven. Een
Katholieke democratie, o, de geschiedenis zou opnieuw beginnen. Maar
zou die stichting van een nieuw Christelijk volk mogelijk zijn? Zou
daarvoor niet de komst van een nieuwen Verlosser, de levenwekkende
adem van een tweeden Messias noodig zijn?
De woorden klonken luider, klonken steeds luider als was het
klokgelui, in Pierre's overpeinzingen. Een nieuwe godsdienst! Een
nieuwe godsdienst! Hij moest natuurlijk dichter bij het leven
staan, een grootere plaats inruimen aan de aarde, zich aanpassen
bij de verkregen waarheden. En vooral een godsdienst, die geen
verlangen naar den dood kweekte. Bernadette, die slechts leefde,
om te sterven, dr. Chassaigne, die naar den dood snakte als naar
het eenige geluk, die geheele spiritualistische overgave was niets
dan één aanhoudende desorganisatie van den wil om te leven. Aan het
einde daarvan was de levenshaat, de walging voor, de verlamming
van de daad. Iedere godsdienst is ontegenzeggelijk slechts een
belofte van onsterfelijkheid, een vermooiïng van het hiernamaals,
de toovertuin van den dag naar den dood. Zou een nieuwe godsdienst
ooit dien tuin van eeuwig geluk op de aarde kunnen brengen? Waar was
dan de formule, waar was het dogma, dat de hoop der tegenwoordige
menschen in vervulling zou doen gaan? Welk geloof moest men zaaien,
dat het zou opschieten tot een oogst van kracht en vrede? Hoe zou
men den algemeenen twijfel kunnen bevruchten, opdat hij het leven
zou kunnen geven aan een nieuw geloof, en welk soort illusie, welke
goddelijke leugen zou nog kunnen kiemen in de tegenwoordige, aan alle
kanten verwoeste, door een eeuw van wetenschap omgespitte aarde?
Op dat oogenblik zag Pierre, zonder eenigen zichtbaren overgang, op
den onduidelijken achtergrond van zijn overpeinzingen de gestalte van
zijn broer Guillaume oprijzen. Hij was er echter niet door verbaasd,
een geheime band bracht hem schijnbaar hierheen. Hoe hadden zij
elkaar niet liefgehad, en wat een goede en vriendelijke broer was hij
geweest! Daarna was een volkomen breuk gevolgd, hij had hem niet meer
gezien, sinds hij zich opgesloten had in zijn scheikundige studiën
en afgezonderd in een klein huisje in de voorstad met een maîtresse
en twee groote honden leefde. Dan nam zijn gepeins nog een andere
richting; hij dacht aan het proces, waarin de naam van Guillaume
genoemd was als verdacht vriendschappelijke betrekkingen te onderhouden
met de revolutionnairen. Men vertelde, dat hij na lange onderzoekingen
de formule ontdekt had van een vreeselijke springstof, waarvan één pond
voldoende zou zijn om een kathedraal in de lucht te doen vliegen. En
nu dacht Pierre aan die anarchisten, welke de wereld wilden hernieuwen
en redden, door haar te verwoesten. Het waren slechts droomers, en
weliswaar vreeselijke droomers, maar droomers, zooals de onschuldige
pelgrims, wier extatischen troep hij voor de Grot had zien neerknielen.
Als de anarchisten en de uiterste socialisten gewelddadig de gelijkheid
in rijkdom, de gemeenschappelijke verdeeling van de goederen dezer
wereld vroegen, de pelgrims eischten met tranen de gelijkheid in
gezondheid, een rechtvaardige verdeeling van moreelen en physieken
vrede. Dezen rekenden op het wonder, de anderen namen hun toevlucht
tot ruw geweld. In den grond der zaak was het dezelfde overprikkelde
droom van broederschap en gerechtigheid, het eeuwige verlangen naar
geluk, geen armen meer, geen zieken meer, allen gelukkig. Waren
in de oude tijden de eerste Christenen ook geen revolutionnairen
geweest voor de heidensche wereld, die zij bedreigden en ten slotte
verwoest hebben? Zij, die men toen vervolgd heeft, die men getracht
heeft uit te roeien, zijn thans ongevaarlijk, omdat zij het verleden
geworden zijn. De angstaanjagende toekomst is steeds de mensch, die
van de komende maatschappij droomt; thans is het de in den waan der
maatschappelijke hernieuwing bevangene, die den grootschen, donkeren
droom droomt alles door de vlam van branden te kunnen reinigen. Dat
was monsterachtig. En toch, wie kon zeggen, of daarin niet de verjongde
wereld van morgen lag?
En verdoofd, in onzekerheid wegzinkend, maakte Pierre, ondanks
zijn afschuw voor geweld, gemeene zaak met de oude maatschappij,
die zich verdedigde, zonder te kunnen zeggen, wanneer de Messias van
zachtmoedigheid komen zou, in wiens handen hij met gerustheid de arme,
zieke menschheid zou durven leggen. Een nieuwe godsdienst, ja, een
nieuwe godsdienst! Maar het is niet makkelijk er een uit te denken;
hij bleef in onzekerheid wat hij kiezen moest: het oude geloof, dat
gestorven was, of het jonge geloof van morgen, dat nog geboren moest
worden. In zijn diepe droefheid was hij er voor zichzelf niet zeker
van, of hij zijn eed zou kunnen houden, hij, priester zonder geloof,
die waken moest over het geloof van anderen, die kuisch en eerlijk
zijn ambt vervult in den droeven trots, dat hij geen afstand had
kunnen doen van zijn rede, zooals hij afstand gedaan had van zijn
vleesch. Hij zou afwachten.
De trein rolde voort tusschen groote parken, de locomotief floot
met een lange fanfare van jubel, die Pierre uit zijn overpeinzingen
rukte. Om hem kwam de wagon in beweging en opwinding. Men had Juvisy
achter den rug, nog een half uur en zij waren in Parijs. Toen zuster
Hyacinthe in haar handen geklapt had, hief de geheele wagon het
Te Deum, het dank- en loflied aan: "Te Deum laudamus, te Dominum
confitemur..." De stemmen klonken op met een laatste oplaaiïng
van geloofsijver, al deze gloeiende zielen dankten God voor de
wonderbare reis, voor de heerlijke bewijzen van genade, waarmede hij
hen overstelpt had en nog overstelpen zou.
De fortificaties! In den wijden, reinen, helder-warmen hemel daalde
langzaam de twee-uur-zon. Boven het reusachtige Parijs verhieven
zich fijne, roodachtige dampen in lichte wolken, een dikke, golvende
adem van een aan het werk zijnden kolos. Het was Parijs met zijn
werkplaatsen, Parijs met zijn hartstochten, zijn strijd, zijn steeds
rommelenden donder, zijn gloeiend leven, dat steeds nieuw leven
wekt. En de witte trein, de jammerlijke trein van lijden en ellende,
reed er in volle vaart binnen met de steeds luider klinkende, steeds
meer de lucht verscheurende fanfare van zijn gefluit. De vijfhonderd
pelgrims en de driehonderd zieken zouden er zich verspreiden en weer
neervallen op het harde plaveisel van hun bestaan; zij ontwaakten dan
uit den wonderbaren droom, dien zij gedroomd hadden, tot den dag,
waarop het troostende verlangen van een nieuwen droom hen dwingen
zou de eeuwige bedevaart naar het mysterie en naar de vergetelheid
opnieuw te beginnen.
O, treurige menschen, arme zieke, naar illusie hongerende menschheid,
die, in de verslapping van deze ten einde spoedende eeuw, radeloos
en ziek, omdat zij te gulzig te veel wetenschap verslonden heeft,
zich opgegeven acht door de geneesheeren van ziel en lichaam en in
groot gevaar verkeert om te bezwijken aan de ongeneeslijke kwaal,
en nu achteruit wil en het wonder van haar genezing vraagt aan
de mystieke Lourdes van een voor altijd gestorven verleden! Daar
ginds is Bernadette, de nieuwe Messias van het lijden, Bernadette,
zoo roerend in haar menschelijke werkelijkheid, de vreeselijke les,
het van de wereld afgesneden, het tot verzaking en tot eenzaamheid
gedoemde slachtoffer, de ten dood gewijde, aan wie het recht ontzegd
was vrouw, echtgenoote en moeder te zijn, omdat door haar was gezien
de Heilige Maagd.