IV.

Dr. Chassaigne wachtte Pierre vóór het bureau, waarin de genezingen

geneeskundig vastgesteld worden, op. Doch er stond daar een dichte,

koortsachtig opgewonden menigte, welke de zieken, die binnengingen,

afwachtte en ondervroeg, en ze, wanneer ze er weer uit kwamen,

toejuichte, als het nieuws van het wonder zich verspreidde: een blinde

die zag; een doove, die weer hoorde; een lamme, die weer loopen kon.

"Nu?" vroeg hij aan den dokter; "zullen we een wonder zien, maar een

echt, een onbetwistbaar?"

Toegeeflijk in zijn nieuw geloof, glimlachte de dokter.

"Wat zal ik je zeggen, vriendlief? Een wonder geschiedt niet maar

zoo op commando. God grijpt in, als Hij wil!"

Heeren der Hospitalité bewaakten streng de deur. Allen kenden den

dokter; zij gingen eerbiedig ter zijde en lieten hem met Pierre

binnengaan. Dit bureau, waarin de genezingen geconstateerd werden,

was zeer ongerieflijk ondergebracht in een jammerlijke planken hut

van twee vertrekken, een kleine voorkamer en een gewone, onvoldoend

ingerichte vergaderzaal. Er was sprake van dezen tak van dienst te

verbeteren, door hem onder te brengen in een groot lokaal onder een der

hellingen van de Rozenkranskerk, waar men reeds met de voorbereidende

maatregelen bezig was.

In de wachtkamer zag Pierre op de eenige houten bank twee zieken

zitten, die onder toezicht van een der heeren van de Hospitalité

haar beurt afwachtten. Doch toen hij in het groote vertrek kwam,

vond hij daar tot zijn verbazing een groot aantal personen bijeen,

terwijl de verstikkende hitte, die tusschen de houten muren, waarop de

zon stond te branden, opgehoopt was, hem op zijn keel sloeg. Het was

een vierkant, licht geel geschilderd, kaal vertrek met één venster,

waarvan de ruiten gewit waren, opdat de menigte, die zich buiten

verdrong, niet naar binnen zou kunnen zien. Men durfde zelfs het raam

niet openzetten, om wat versche lucht binnen te laten, want dan werden

onmiddellijk verschillende nieuwsgierige hoofden naar binnen gestoken.

Het meubilair was al even primitief als de rest: twee vuurhouten tafels

van ongelijke hoogte, die tegen elkaar aan geplaatst waren en die men

zelfs niet met een kleed had bedekt; een soort groote loketkast vol

slecht gerangschikte paperassen, dossiers, registers en brochures;

een dertig stoelen met stroozittingen, die ongeveer de geheele ruimte

innamen, en eindelijk twee oude versleten fauteuils voor de zieken.

Onmiddellijk ging dr. Bonamy dr. Chassaigne, die een der laatste

en roemrijkste veroveringen der Grot was, tegemoet. Hij haalde

onmiddellijk een stoel voor hem, en ook uit eerbied voor diens soutane,

voor Pierre. Dan zeide hij op zijn meest hoffelijken toon:

"U wilt me zeker wel vergunnen, door te gaan, waarde collega... We

waren juist bezig mademoiselle daar te onderzoeken."

Het betrof een doove, een boerenmeisje van twintig jaar, dat in

een der fauteuils zat. Maar in plaats van te luisteren, vergenoegde

Pierre, die doodmoe was en wiens ooren nog suisden, er zich mee rond

te kijken en te zien wie zich eigenlijk in dit vertrek bevonden. Er

waren er ongeveer een vijftig, waarvan er velen tegen den muur

stonden te leunen. Voor de twee tafels zaten vijf personen; in

het midden het hoofd van den dienst der vijvers, die over een dik

register gebogen zat; verder een pater van Maria Hemelvaart en drie

jonge seminaristen, die als secretarissen dienst deden, schreven,

de dossiers doorliepen en na ieder onderzoek weer ordenden. Pierre

keek een oogenblik belangstellend naar een pater der Onbevlekte

Ontvangenis, pater Dargelès, hoofdredacteur van den Journal de la

Grotte, dien men hem 's ochtends aangewezen had. Zijn klein mager

gezicht met de knippende oogen, den spitsen neus en den fijnbesneden

mond, glimlachte steeds. Hij zat bescheiden aan het laagste einde der

tafel aanteekeningen te maken voor zijn courant. Hij was de eenige van

zijn orde, die zich gedurende de drie dagen der nationale bedevaart

vertoonde. Maar achter hem voelde men de anderen, die als een langzaam

toegenomen en verborgen kracht, alles organiseerden en bijeenbrachten.

Verder bestond het gezelschap bijna uitsluitend uit nieuwsgierigen,

getuigen, een twintigtal doktoren en vier of vijf priesters. De

doktoren, die vrijwel uit alle deelen van Frankrijk gekomen waren,

bewaarden voor het grootste gedeelte een volkomen stilzwijgen;

sommigen waagden het vragen te stellen. Zij wisselden meer dan eens

wantrouwende blikken en letten meer op elkaar dan dat zij de aan hun

onderzoek onderworpen feiten vaststelden. Wie konden het zijn? Geheel

onbekende namen werden genoemd. Een enkele, die van een beroemd

professor van een Katholieke universiteit, had sensatie verwekt.

Dien dag bewaarde dr. Bonamy, die, wanneer hij de zitting leidde en de

zieken ondervroeg, nooit ging zitten, zijn hoffelijkheid voornamelijk

voor een klein blond heertje, een talentvol schrijver en invloedrijk

redacteur van een der meest gelezen Parijsche bladen, welk een toeval

dien ochtend naar Lourdes gebracht had. Was dat niet een ongeloovige,

om te bekeeren, een invloed en een publiciteit, om gebruik van te

maken? Dr. Bonamy had hem in den tweeden fauteuil laten plaats nemen,

was uiterst voorkomend en vriendelijk en verklaarde herhaaldelijk, dat

men niets te verbergen had daar alles in het volle daglicht geschiedde.

"We vragen slechts licht," herhaalde hij steeds weer. "Wij zien niets

liever dan dat menschen van goeden wil de feiten onderzoeken."

Daar het met de beweerde genezing der doove niet erg vlotten wilde,

sprak hij haar wat ruw toe:

"Kom, meisje, het is nog pas een begin van genezing... Je moet nog

maar eens terugkomen..."

En half luid voegde hij er aan toe:

"Als je ze gelooven wou, zouden ze allen genezen zijn. Maar wij

aanvaarden slechts de bewezen genezingen, die zoo helder zijn als

de zon... Let wel, ik zeg genezingen en niet wonderen; want wij,

doktoren, veroorloven ons geen interpretatie, wij zijn hier slechts

om te constateeren of de zieken, die aan ons onderzoek onderworpen

worden, geen spoor van ziekte meer vertoonen."

Hij zette een hooge borst op, zorgde wel, dat zijn rechtschapenheid

buiten spel bleef, en was geen grooter huichelaar of leugenaar dan een

ander; hij was geloovig, zonder te gelooven, wist dat de wetenschap

zóó duister, zóó vol verrassingen was, dat het onmogelijke steeds

werkelijkheid worden kon; en zoo had hij zich, in het laatst van

zijn geneeskundige loopbaan, in de Grot een positie verschaft, die

haar voor- en nadeelen had, maar over het geheel toch aangenaam en

prettig was.

Nu verklaarde hij op een vraag van den Parijschen journalist de

manier, waarop hij te werk ging. Iedere zieke der bedevaart kwam

met een dossier, waarin zich bijna altijd een certificaat van den

behandelenden geneesheer bevond; ja soms waren er zelfs verscheidene

certificaten van verschillende doktoren, rapporten van ziekenhuizen,

kortom een heele beschrijving van den loop der ziekte. Wanneer er nu

een genezing had plaats gehad en de genezene zich hier aanmeldde,

behoefde men slechts zijn dossier te vragen en de certificaten te

lezen, om de kwaal, waaraan hij leed, te kennen, en door een onderzoek

uit te maken, of die kwaal werkelijk verdwenen was.

Pierre luisterde aandachtig. Sedert hij daar zoo rustig zat, werd

hij wat kalmer, kreeg hij zijn denkvermogen terug. Alleen de warmte

hinderde hem. Geïnteresseerd als hij werd door de verklaringen en zich

gaarne een meening willende vormen, zou hij dan ook zeker, als hij

het geestelijke kleed niet gedragen had, vragen gesteld hebben. Die

soutane dwong hem zich steeds op den achtergrond te houden. Tot

zijn groote vreugde hoorde hij dan ook het kleine blonde heertje,

den invloedrijken schrijver, de tegenwerpingen ten berde brengen, die

onmiddellijk ook bij hem opgekomen waren. Was het niet een verkeerd

principe, dat de eene geneesheer de diagnose van een ziekte vaststelde

en de tweede de genezing constateerde? Dat was toch zeker een steeds

stroomende bron van mogelijke vergissingen. Het beste zou zijn,

dat een medische commissie alle zieken bij hun aankomst te Lourdes

onderzocht en daarvan processen verbaal opmaakte, waaraan dezelfde

commissie zich zou kunnen houden in geval van genezing.

Maar daar kwam dr. Bonamy tegen op; terecht zeide hij, dat geen enkele

commissie tegen zoo'n reusachtige taak opgewassen zou zijn: ga u zelf

eens na! Duizend verschillende gevallen op één ochtend onderzoeken! En

dan hoeveel verschillende opvattingen, hoeveel discussies, hoeveel

tegenstrijdige diagnoses, die de onzekerheid nog deden toenemen, zouden

er niet zijn! Het voorafgaande, bijna onmogelijk te verwezenlijken

onderzoek gaf inderdaad tot even groote vergissingen aanleiding. In

de praktijk moest men zich houden aan die door de doktoren afgegeven

certificaten, die dan een groot, beslissend gewicht kregen. Men

bladerde in de dossiers op een der tafels en liet den Parijschen

journalist certificaten lezen. Sommige waren akelig kort, andere, die

beter opgesteld waren, specificeerden de ziekte nauwkeurig. Enkele

handteekeningen van doktoren waren zelfs door de burgemeesters der

betreffende gemeenten gelegaliseerd. Doch er bleef genoeg twijfel over,

die niet ter zijde te zetten was: wie waren die geneesheeren? Bezaten

zij de noodige wetenschappelijke autoriteit? Hadden zij zich niet

laten beïnvloeden door onbekende omstandigheden of zuiver persoonlijke

belangen? Men zou geneigd zijn omtrent ieder van hen een onderzoek in

te stellen. Van af het oogenblik, dat alles zich baseerde op het door

den zieke medegebrachte dossier, was een zeer zorgvuldige controle der

daarin vervatte documenten noodig, want alles stortte in, wanneer niet

een strenge kritiek de absolute zekerheid der feiten vastgesteld had.

Met een kleur van opwinding en transpireerend liep dr. Bonamy heen

en weer.

"Maar dat doen we juist, dat doen we juist!... Zoodra een geval van

genezing ons langs natuurlijken weg onverklaarbaar voorkomt, gaan wij

over tot een minutieus onderzoek, verzoeken wij de genezene terug

te komen, om zich nogmaals te laten onderzoeken... En u ziet wel,

dat wij ons met deskundigen omringen. De heeren, die u hier ziet,

zijn bijna allen doktoren, die uit alle deelen van Frankrijk hierheen

gekomen zijn. Wij bezweren ze ons hun twijfel mede te deelen en de

gevallen met ons te bespreken. Bovendien wordt van iedere zitting

een gedetailleerd verslag opgemaakt... U begrijpt mij goed, niet waar

heeren? Protesteert wanneer er hier iets gebeurt, waarmede u het niet

eens kunt zijn."

Geen der aanwezigen echter zeide iets. Het meerendeel der doktoren was

Katholiek en boog zich natuurlijk voor de feiten. En wat de anderen,

de ongeloovigen, de geleerden betrof, zij kwamen slechts om te kijken,

interesseerden zich voor zekere verschijnselen, maar vermeden uit

beleefdheid in, trouwens nuttelooze, discussies te treden. Wanneer

het hun als verstandige menschen te bar werd en zij voelden boos te

zullen worden, gingen zij weg.

Nu niemand een woord zeide, triumpheerde dr. Bonamy. En toen de

journalist hem vroeg, of hij alleen voor zoo'n groote taak stond,

antwoordde hij:

"Absoluut alleen; trouwens mijn functie als geneesheer der Grot is

niet zoo heel ingewikkeld, want, ik herhaal het, ik heb niets anders

te doen dan de genezingen, die zich voordoen, te constateeren."

Doch dan verbeterde hij zich en voegde er lachend aan toe:

"Dat zou ik bijna vergeten. Ik heb Raboin, die me helpt de boel hier

wat in orde te brengen."

En hij wees op een gezetten, reeds grijzenden veertiger met een dik

buldoggengezicht. Hij was een fanatieke geloovige, een geëxalteerde,

die niet dulden kon, dat men de wonderen in twijfel trok, waardoor hij

leed onder zijn functie aan het bureau der medische constateeringen

en steeds van woede knorde, zoodra men deze betwistte. Het beroep

op de doktoren had hem dan ook razend gemaakt, zoodat dr. Bonamy hem

kalmeeren moest.

"Kom, Raboin, houd je toch kalm en zwijg! Alle oprechte meeningen

hebben het recht zich te laten hooren."

Maar de zieken kwamen weer. Er werd een man gebracht, wiens geheele

rug door een eczeem bedekt was; en toen hij zijn hemd uittrok,

vielen er grijze schilfers van zijn huid. Hij was niet genezen,

hij beweerde alleen, dat hij ieder jaar naar Lourdes kwam en het

ieder jaar verlicht verliet. Dan volgde een dame, een afschuwlijk

magere gravin met een buitengewoon ziektegeval: zeven jaar geleden

voor de eerste maal door de Heilige Maagd genezen van tuberculose,

had zij vier kinderen gehad, daarop had zij weer tering gekregen en

was zij verslaafd aan morphine geraakt; het eerste bad had haar echter

reeds zooveel goed gedaan, dat zij zich sterk genoeg voelde, om met

de zeven-en-twintig familieleden, die zij medegebracht had, deel te

nemen aan de fakkelprocessie. Vervolgens kwam er een vrouw, die aan

een nerveus spraakverlies leed en nu, na maanden lang absoluut stom

geweest te zijn, plotseling bij de processie van vier uur, toen het

Heilige Sacrament voorbijgedragen werd, haar stem teruggekregen had.

"Heeren," zeide dr. Bonamy met zijn geaffecteerde stem van geleerde met

breede opvattingen, "u weet, dat wij gevallen, die met zenuwstoringen

gepaard gaan, ter zijde laten. Toch wil ik er u op wijzen, dat deze

vrouw zes maanden in de Salpétrière verpleegd is en dat zij hier is

moeten komen, om het gebruik van haar tong weer terug te krijgen."

Inmiddels begon hij toch eenig ongeduld te toonen, want hij had

gaarne den mijnheer uit Parijs een mooi geval willen laten zien,

zooals die soms voorkwamen gedurende die processie van vier uur,

het oogenblik van genade en extase, waarop de Heilige Maagd ingreep

voor haar uitverkorenen. Tot nu toe waren de genezingen, die hier

onderzocht waren, twijfelachtig of onbeteekenend geweest. Buiten

hoorde men het getrappel en gebrom der menigte, die, opgezweept door

lofliederen en in koortsachtig verlangen naar het wonder, door dat

wachten steeds opgewondener werd.

Maar toen duwde glimlachend en bescheiden, een meisje met heldere en

verstandige oogen de deur open.

"Ha," riep de dokter vroolijk uit, "daar heb je onze kleine

Sophie... Een merkwaardige genezing, mijne heeren, die verleden jaar

heeft plaats gehad en waarvan ik u gaarne de resultaten zou willen

laten zien."

Pierre had Sophie Couteau, de begenadigde, die te Poitiers in zijn

compartiment gekomen was, herkend. En hij woonde een herhaling

bij van het tooneel, dat reeds voor hem afgespeeld was. Dr. Bonamy

gaf nu aan het blonde heertje, dat zeer aandachtig luisterde, de

meest uitvoerige inlichtingen: een beeneter aan den linkerhiel,

een begin van beenderversterf, dat afzetting noodzakelijk maakte,

een afzichtelijke, etterende wond, die in een minuut bij de eerste

onderdompeling in den vijver genezen was.

"Vertel het eens aan mijnheer, Sophie."

Het meisje maakte haar vriendelijk gebaartje, dat de aandacht vroeg.

"Nu dan, mijn voet was zoo ziek, dat ik niet eens meer naar de kerk

kon gaan, en ik moest hem altijd in verband hebben, omdat er iets,

dat minder frisch was, uitvloeide... Dr. Rivoire, die erin gesneden

had, om beter te kunnen zien wat het was, zeide, dat hij genoodzaakt

zou zijn een stuk van het been weg te nemen, waardoor ik heelemaal

kreupel geworden zou zijn. En toen heb ik de Heilige Maagd innig

gebeden en heb ik mijn voet in het water gestoken met zoo'n innig

verlangen om beter te worden, dat ik zelfs den tijd niet genomen heb,

om het verband eraf te doen... En toen is alles in het water gebleven,

mijn voet had niets meer, toen ik hem eruit haalde."

Dr. Bonamy knikte goedkeurend bij ieder woord.

"En vertel nu nog eens wat de dokter gezegd heeft."

"Toen dr. Rivoire thuis mijn voet weer zag, zeide hij: "Of het de

Goede God of de duivel is, die het kind genezen heeft, laat mij koud,

maar genezen is zij.""

Er werd om gelachen; de woorden van den dokter misten hun uitwerking

nooit.

"En wat je tegen de gravin, de directrice van je zaal, gezegd hebt."

"O, ja, dat is waar ook... Ik had niet veel linnen voor mijn voet

meegebracht en toen heb ik tegen haar gezegd: "De Heilige Maagd is

wel goed geweest, om mij dadelijk den eersten dag te genezen, want

morgen zou mijn voorraad al op geweest zijn.""

Weer werd er gelachen, allen vonden het een aardig meisje, dat

weliswaar haar verhaal, dat zij van buiten kende, wat te veel

reciteerde, maar toch onmiskenbaar de waarheid sprak.

"Sophie, trek je schoenen en kousen eens uit en laat je voet eens

aan de heeren zien... Men moet hem aanraken, niemand mag twijfelen."

Vlug kwam het zindelijke, slanke, ja zelfs gesoigneerde voetje met het

litteeken boven den enkel te voorschijn, welks witachtige, duidelijk

zichtbare naad bewees hoe ernstig de ziekte geweest was. Enkele

doktoren waren dichterbij gekomen en keken zwijgend. Anderen, wier

overtuiging ongetwijfeld reeds vast stond, vonden het blijkbaar

de moeite niet waard. Een van de eersten, iemand met een zeer

beleefd uiterlijk, vroeg waarom de Heilige Maagd, nu zij zich

toch met het geval bemoeid had, haar niet een geheel nieuwen voet

gegeven had, wat haar toch niet meer moeite gekost zou hebben. Maar

dr. Bonamy antwoordde onmiddellijk, dat de Heilige Maagd dat litteeken

ongetwijfeld achtergelaten had, opdat er een bewijs van het wonder zou

zijn. Daarop ging hij nog op technische bijzonderheden in en toonde

aan, dat een deel van het been en van het vleesch in een allerkortst

oogenblik nieuw gemaakt moest zijn, iets wat langs natuurlijken weg

onverklaarbaar bleef.

"Lieve hemel!" viel het kleine, blonde heertje hem in de rede;

"zooveel omslag is niet noodig. Laat men mij alleen maar een vinger

laten zien, waarin een zakmesje een diepe snede gegeven heeft en die

met een litteeken uit het water komt. Het wonder is dan even groot

en ik zal mij er voor buigen."

En dan voegde hij er aan toe:

"Als ik een bron bezat, welke op die wijze wonden sloot, dan zou

ik de wereld ondersteboven keeren. Ik weet niet precies, hoe ik

het doen zou; maar ik zou de volkeren roepen en de volkeren zouden

komen. Ik zou de wonderen met zulk een onomstootelijke zekerheid laten

vaststellen, dat ik de meester der wereld werd. Denk slechts aan die

souvereine, waarachtig goddelijke macht!... Maar er zou geen twijfel

mogen overblijven, de waarheid zou even helder moeten stralen als de

zon. De geheele aarde zou zien en gelooven."

En met den dokter besprak hij de controlemiddelen. Hij had

toegegeven, dat het onmogelijk was alle zieken bij hun aankomst

te onderzoeken. Maar waarom zou men niet aan het Hôpital een

afzonderlijke, voor de open wonden gereserveerde afdeeling kunnen

verbinden? Men zou daar hoogstens een dertig gevallen krijgen,

die aan het voorafgaand onderzoek van een commissie zouden worden

onderworpen. Processen-verbaal moest men opmaken, ja zelfs de wonden

photographeeren. En in al die gevallen zou het niet meer gaan om

een inwendige ziekte, waarvan de diagnose toch altijd moeilijk en

betwistbaar is. Dan zou het bewijs geleverd zijn.

Eenigszins van zijn stuk gebracht, herhaalde dr. Bonamy:

"Ongetwijfeld, ongetwijfeld! Wij willen niets liever dan licht... De

grootste moeilijkheid zou echter zijn die commissie samen te

stellen... U weet niet, hoe weinig men het eens is... Maar het is in

ieder geval een denkbeeld..."

De binnenkomst van een nieuwe zieke hielp hem uit zijn

verlegenheid. Terwijl de kleine Sophie, reeds vergeten, haar kousen en

schoenen weer aantrok, verscheen Elise Rouquet met haar monsterachtig

gezicht, dat zij door haar sluier weg te slaan, liet zien. Sedert

den ochtend waschte zij zich aan de bron met linnen doeken, en zij

meende, naar zij zeide, op te merken, dat haar wond wat opdroogde

en samentrok. En inderdaad moest Pierre tot zijn groote verbazing

constateeren, dat de wond niet zoo afzichtelijk meer was. Het geval

gaf nieuw voedsel aan de discussie over open wonden, want het blonde

heertje was niet af te brengen van zijn denkbeeld, om daarvoor

een afzonderlijke afdeeling op te richten: immers, welk een triomf

zou het voor de Grot zijn een lupus genezen te hebben, indien men

's ochtends den toestand van het meisje geconstateerd had en zij

genas! Het wonder zou dan niet meer te ontkennen zijn.

Tot dat oogenblik had dr. Chassaigne zich onbeweeglijk en zwijgend

op den achtergrond gehouden, alsof hij de feiten alleen op Pierre

wilde doen inwerken. Nu boog hij zich plotseling naar hem voorover

en zeide zacht:

"Open wonden, open wonden. Die mijnheer schijnt absoluut niet te

weten, dat tegenwoordig onze grootste geleerden van oordeel zijn,

dat vele van die wonden van nerveusen oorsprong zijn. Ja zeker, men

heeft ontdekt, dat het niets anders zijn zou dan een slechte voeding

der huid. Die voedingsquaesties zijn nog zoo slecht onderzocht!... En

men komt tot de slotsom, dat het geloof, dat genezingen bewerkt,

zeer goed open wonden, o. a. zekere schijnbare lupusgevallen genezen

kan. Nu vraag ik je, welke zekerheid die mijnheer met zijn afdeeling

voor open wonden krijgen zou! Een beetje meer verwarring en ruzie

nog in de eeuwige twist... Neen, neen, de wetenschap is niets, dat

is een zee van onzekerheid!"

Hij glimlachte pijnlijk, terwijl dr. Bonamy Elise Rouquet aanried

de wasschingen voort te zetten en zich iederen dag te laten

onderzoeken. Dan zeide hij op zijn voorzichtige manier:

"Enfin, heeren, er is een begin, daaraan valt niet te twijfelen."

Maar nu werd het bureau in opschudding gebracht. Als een wervelwind

stormde la Grivotte naar binnen en schreeuwde:

"Ik ben genezen... Ik ben genezen..."

Zij vertelde, dat men haar eerst niet had willen baden, dat zij had

moeten bidden en smeeken, dat men het eindelijk na formeele toestemming

van pater Fourcade gedaan had. En zij had het van te voren wel gezegd:

nog geen drie minuten was zij, zweetend en reutelend, in het water

geweest, of zij had haar krachten voelen terugkomen als onder een

zwaren zweepslag, die haar geheele lichaam striemde. Zij was door zoo'n

geestdriftige opwinding bezield, dat zij, van blijdschap stralend,

geen seconde stil kon staan.

"Ik ben genezen, lieve heeren, ik ben genezen."

Stom van verbazing keek Pierre haar aan. Was dat het meisje, dat hij,

vannacht nog, uitgeput op de bank van den wagon had zien liggen,

hoestend en bloed opgevend? Hij herkende haar niet meer, zooals zij

daar recht en flink stond met een blos op haar wangen en schitterende

oogen, één levenskracht en levensgeest.

"Heeren," zeide dr. Bonamy, "het geval lijkt mij zeer

interessant... Wij zullen zien..."

Hij vroeg het dossier van la Grivotte. Maar het was onder de

paperassen op de twee tafels niet te vinden. De secretarissen,

de jonge seminaristen, doorzochten alles; het hoofd van den dienst

der vijvers, die in het midden zat, moest ten slotte opstaan en in

de loketkast gaan kijken. Toen hij weer was gaan zitten, vond hij

het eindelijk onder het groote register, dat hij opengeslagen voor

zich had. Het bevatte drie geneeskundige verklaringen, die hij zelf

voorlas. Alle drie concludeerden tuberculose in een vergevorderd

stadium, die gepaard ging met zenuwtoevallen.

Dr. Bonamy maakte een gebaar als om te kennen te geven, dat zulk een

overeenstemming allen twijfel buitensloot. Dan beluisterde hij de

zieke lang en prevelde:

"Ik hoor niets... ik hoor niets..."

Dan verbeterde hij zichzelf:

"Of zoo goed als niets..."

Eindelijk wendde hij zich tot de vijf-en-twintig of dertig doctoren,

die zwijgend toekeken:

"Als enkelen van de heeren mij met hun wetenschap zouden willen

bijstaan... We zijn hier om te bestudeeren en te onderzoeken."

Eerst bleven zij allen roerloos staan. Dan kwam er eindelijk een naar

voren. Op zijn beurt ausculteerde hij de jonge vrouw, maar zeide niets,

schudde nadenkend en twijfelend zijn hoofd. Eindelijk stotterde hij,

dat men, volgens zijn oordeel, moest afwachten. Een andere nam dadelijk

zijn plaats in; deze was zeer positief in zijn verklaring: hij hoorde

niets, deze vrouw was nooit tuberculeus geweest. Nog anderen volgden,

eindelijk waren allen aan de beurt geweest op vier of vijf na, die met

een fijn glimlachje een afwachtende houding aannamen. De verwarring

bereikte haar toppunt; ieder gaf zijn sterk afwijkende meening te

kennen, zoodat men in het geroezemoes der stemmen zijn eigen stem

niet meer hoorde.

Alleen pater Dargelès bleef zijn uiterlijke kalmte bewaren, want hij

had een van die gevallen geroken, welke de hartstochten opwekken en

den roem van Notre-Dame de Lourdes uitmaken. Op een hoekje van de

tafel maakte hij reeds zijn aanteekeningen.

Dank zij het luide stemmengegons konden eindelijk Pierre en

dr. Chassaigne praten, zonder dat men ze hoorde.

"O, die vijvers, die ik zooeven gezien heb!" zeide de jonge

priester. "Die vijvers, waarvan het water zoo zelden ververscht

wordt! Wat een smerigheid, wat een kweekplaats voor microben! De manie,

die we tegenwoordig hebben voor antiseptische voorzorgsmaatregelen,

krijgt een leelijke klap in haar gezicht. Hoe is het mogelijk, dat

een zelfde pest al die zieken niet wegrukt? De tegenstanders der

microbentheorie zullen wel in hun vuistje lachen!"

De dokter viel hem in de rede.

"Geen quaestie van, jongen... Al zijn de baden niet erg zindelijk,

gevaar leveren zij niet op. Bedenk, dat het water nooit warmer

wordt dan tien graden en eerst bij vijf-en-twintig microben gekweekt

kunnen worden. Bovendien komen er geen besmettelijke ziekten naar

Lourdes, geen cholera, geen typhus, geen pokken, geen mazelen,

geen roodvonk. Wij zien hier slechts bepaalde organische ziekten:

verlammingen, klieren, tumoren, gezwellen, abcessen, kanker, tering;

en deze laatste wordt door het water der baden niet overgebracht. De

oude wonden, die erin gebaad worden, leveren geen gevaar op voor

besmetting... Ik verzeker je, dat, wat dit betreft, de Heilige Maagd

niet behoeft in te grijpen."

"Maar dokter, u zoudt toch, toen u nog praktijk uitoefende, al uw

zieken, vrouwen in ieder gedeelte van de maand, jichtlijders, menschen

met een hartkwaal en teringlijders niet zoo in ijskoud water gestopt

hebben... Zoudt u dat ongelukkige, half doode, transpireerende meisje

hebben laten baden?"

"Zeer zeker niet!... Er zijn van die paardenmiddelen, die je gewoonlijk

niet durft toe te passen. Een ijskoud bad kan ongetwijfeld een

teringlijder dooden, maar weten wij, of het, in sommige omstandigheden,

hem niet genezen kan?... Ik, die er ten slotte toe gekomen ben aan te

nemen, dat hier een bovennatuurlijke kracht werkzaam is, ik geef heel

graag toe, dat er genezingen zijn, die dank zij die onderdompeling

in koud water, welke ons dwaas en barbaarsch toeschijnt, langs

natuurlijken weg geschieden... O, er is zooveel, dat wij nog niet

weten... zooveel, dat we nog niet weten."

De haat tegen de wetenschap, die hij verachtte, sedert zij hem

tegenover den dood van zijn vrouw en van zijn dochter in den steek

gelaten had, maakte zich weer van hem meester.

"Je verlangt zekerheid; nu, de geneeskunde zal je die zeker niet

geven... Luister een oogenblik naar die heeren en je zal gesticht

worden!... Is zoo'n volkomen verwarring, waarin de eene meening

lijnrecht in strijd is met de andere, niet uiterst leerzaam? Zeker, er

zijn ziekten, die men uitstekend kent, tot in de kleinste phasen van

haar ontwikkeling; er zijn geneesmiddelen, waarvan men de uitwerking

met de zorgvuldigste nauwgezetheid bestudeerd heeft; maar wat men

niet weet, wat men nooit weten kan, is de verhouding, de betrekking

van het middel tot den zieke; want zooveel zieken, zooveel gevallen,

en iederen keer moet weer een nieuwe proef genomen worden. Dat is de

reden, waarom de geneeskunde een kunst blijft: zij kan geen op strenge

ervaring berustenden regel bezitten; steeds weer hangt de genezing van

een toeval, van een gelukkige omstandigheid, of van een talentvolle

vondst van den geneesheer af... En dan kan je wel begrijpen hoe ik

lachen moet om al die menschen, die hier komen discussieeren, wanneer

zij spreken in naam van de absolute wetten der wetenschap. Waar zijn

die wetten in de geneeskunde? Ik wou, dat ze ze mij eens lieten zien."

Hij wilde er niet verder over praten, maar zijn geestdrift sleepte

hem mee.

"Ik heb je verteld, dat ik geloovig geworden ben... Maar ik begrijp

heel goed, dat die brave dr. Bonamy zich volstrekt niet opwindt en

dat hij de geneesheeren uit de heele wereld samenroept, om de wonden

te bestudeeren. Hoe meer geneesheeren, des te minder komt bij dezen

strijd over diagnoses en behandelingswijzen, de waarheid aan het

licht. Als ze het al niet eens zijn over een open wond, hoe kan je

dan overeenstemming verwachten omtrent een inwendige afwijking, die

sommigen ontkennen, terwijl de anderen haar bevestigen? En waarom

zou dan per slot van rekening niet alles een wonder worden? Want

in den grond der zaak staan de geneesheeren, hetzij dan dat de

natuur of een bovennatuurlijke macht werkzaam is, meestal perplex

bij het zien van den afloop eener ziekte, dien zij zelden voorzien

hebben... Ongetwijfeld zijn de dingen hier slecht georganiseerd. Die

certificaten van doktoren, welke men niet kent, hebben geen waarde. Een

zeer strenge controle der documenten zou noodig zijn. Maar zelfs

aangenomen, dat er een absolute wetenschappelijk-strenge regel te

stellen was, dan nog zou het heel naïef zijn te gelooven, dat er

een voor allen geldende overtuiging mogelijk zou zijn. Dwaling is

nu eenmaal het kenmerk der menschen, en er bestaat geen heldhaftiger

werk dan het vaststellen van ook maar de kleinste waarheid."

Toen begon Pierre te begrijpen wat Lourdes eigenlijk was, Lourdes,

het buitengewone schouwspel, dat de wereld sedert jaren te midden

van de vrome aanbidding van sommigen en den beleedigenden spot van

anderen aanschouwde. Blijkbaar waren hier nog slecht bestudeerde,

ja zelfs ongekende krachten werkzaam: auto-suggestie, lang van te

voren voorbereide schokken, de overspanning der reis, der gebeden

en der liederen, een toenemende extase, en vooral de genezende

adem, de ongekende kracht, welke in die hevige geloofscrisis van

de menigte uitstroomde. Het scheen hem ook dan van dat oogenblik

af zeer onredelijk toe aan bedrog te gelooven. De feiten waren van

veel hooger orde en eenvoudiger tevens. De paters der Grot behoefden

hun geweten niet te bezwaren met leugens, zij behoefden slechts de

verwarring wat in de hand te werken, gebruik te maken van de algemeene

onwetendheid. Zelfs kon men aannemen, dat allen te goeder trouw waren:

de doktoren, die de geneeskundige verklaringen afgaven; de getrooste

zieken, die zich genezen waanden; de hartstochtelijk opgewonden

getuigen, die meenden gezien te hebben. En uit dat alles rees zeer

duidelijk de onmogelijkheid op om te bewijzen dat het wonder bestond

of niet bestond. Werd van dat oogenblik af voor de meesten, voor allen,

die leden en behoefte hadden aan hoop, het wonder geen werkelijkheid?

Toen dr. Bonamy, die hen in een hoekje zag praten, naar hen toekwam,

vroeg Pierre:

"Hoeveel percent genezingen komen er voor?"

"Ongeveer tien," antwoordde de dokter.

En toen hij verbazing in Pierre's oogen zag, voegde hij eraan toe:

"O, wij zullen wel meer krijgen... Maar u moet goed begrijpen, ik

ben hier eigenlijk alleen maar om als het ware politietoezicht op de

wonderen te houden. Mijn werk is al te grooten ijver wat te temmen,

te beletten, dat heilige dingen belachelijk gemaakt worden... Per

slot van rekening is mijn bureau slechts een afstempelingsbureau,

wanneer de geconstateerde genezingen inderdaad belangrijk schijnen."

Een dof gebrom van Raboin, die boos begon te worden, viel hem in

de rede.

"Geconstateerde genezingen, geconstateerde genezingen... Wat is dat

allemaal voor onzin? Het wonder duurt ononderbroken voort. Waartoe

dient het voor geloovigen te constateeren? Zij hebben hun hoofd te

buigen en te gelooven. En voor de ongeloovigen? Die overtuig je toch

niet... Het zijn niets dan dwaasheden, die we hier uithalen!"

Streng beval dr. Bonamy hem te zwijgen.

"Raboin, je bent een rebel... Ik zal aan pater Capdebarthe zeggen,

dat ik niets meer van je weten wil, daar je ongehoorzaamheid zaait."

En toch had hij gelijk, die jongen, die zijn tanden liet zien en steeds

gereed was om te bijten, als men aan zijn geloof raakte. Pierre voelde

dan ook sympathie voor hem. Al dat werk van het constateeringsbureau,

dat bovendien nog slecht gedaan werd ook, was nutteloos: beleedigend

voor de geloovigen, onvoldoende voor de ongeloovigen. Is het wonder te

bewijzen? Men moet eraan gelooven. Er valt niets te begrijpen, wanneer

God ingrijpt. In de eeuwen van waar en oprecht geloof gaf de wetenschap

zich geen moeite God te verklaren. Wat kwam zij hier doen? Zij

legde het geloof kluisters aan en verlaagde zichzelf. Neen, neen,

zich ter aarde werpen, den grond kussen en gelooven. Of weggaan. Een

compromis was niet mogelijk. Zoodra men met onderzoekingen begon,

kon men daarmede niet ophouden, eindigden ze onvermijdelijk in twijfel.

Maar vooral hinderden Pierre de gesprekken, die hij om zich heen

hoorde. De geloovigen, die in het vertrek waren, spraken met een

ongehoord gemak en een ongehoorde kalmte over de wonderen. De

verbijsterende feiten lieten hen eigenlijk volkomen koud. Nog

een wonder, nog een wonder! En met een glimlach vertelden zij de

waanzinnigste phantasieën zonder dat hun verstand er maar ook even

tegen in verzet kwam. Zij leefden blijkbaar in een milieu van zoo

visionaire opwinding, dat zij zich over niets meer verwonderden. En

dat waren niet alleen de eenvoudigen van geest, de kinderlijken, de

ongeletterden, de aan hallucinaties lijdenden, zooals Raboin, maar

ook intellectueelen en geleerden, zooals dr. Bonamy en anderen. Het

was onbegrijpelijk. Pierre voelde dan ook een steeds sterker wordend

gevoel van onbehagen in zich opkomen, een doffe woede, die ten

slotte tot uitbarsting gekomen zou zijn. Zijn verstand verzette zich,

spartelde tegen als een arm kind, dat men in het water gegooid heeft

en dat voelt, hoe de golven het bijna doen stikken. En hij dacht, dat

heldere koppen, als van dr. Chassaigne bijvoorbeeld, die tot blind

geloof overgaan, eerst toch dien strijd en dat gevoel van onbehagen

moeten doormaken, voor zij voor goed schipbreuk lijden.

Hij keek hem aan en zag, hoe oneindig triest hij was, verpletterd

door het noodlot, zwak als een huilend kind, nu hij voor zijn verder

leven alleen was. En toch kon hij den kreet van verzet, die naar zijn

lippen drong, niet onderdrukken.

"Neen, neen; indien men niet alles weet, zelfs indien men nooit alles

weten kan, dan is dat nog geen reden, dat men ophoudt met leeren. Het

zou verkeerd zijn, dat het ongekende alleen dáárdoor, dat wij niet

weten, ongekend zou blijven. Integendeel, onze eeuwige hoop moet zijn

eens het onverklaarde te verklaren, en redelijkerwijze zouden wij

geen ander ideaal mogen hebben dan die opmarsch naar het ongekende,

om het te leeren kennen, dan die langzame overwinning van ons verstand

te midden van de zwakheden van ons lichaam en van onzen geest... O,

door mijn verstand lijd ik het meest, maar daarvan verwacht ik ook

al mijn kracht. Als dat ten gronde gaat, gaat het geheele wezen

ten gronde. En al moge het ook de genadeslag zijn voor mijn geluk,

ik heb slechts de brandende begeerte om dat steeds meer te bevredigen."

Tranen kwamen in dr. Chassaigne's oogen. Ongetwijfeld kwam de

herinnering aan zijn lieve dochter bij hem boven. En op zijn beurt

fluisterde hij:

"Het verstand, het verstand! Ja, zeker is dat een trotsch en verheven

iets, ja zelfs iets, dat het leven het leven waard maakt... Maar

de almachtige kracht des levens is de liefde, het eenige, dat men

heroveren wil, als men het verloren heeft."

Zijn stem brak af in een verstikt snikken. Hij bladerde onwillekeurig

in de dossiers op de tafel en vond daarbij dat, hetwelk in groote

letters den naam: Marie de Guersaint droeg. Hij sloeg het open en

las de certificaten der twee geneesheeren, die tot een verlamming

van het ruggemerg concludeerden. En hij ging voort:

"Je weet, jongen, dat ik een groote genegenheid voel voor mademoiselle

de Guersaint... Wat zou jij zeggen, als zij hier genezen werd? Ik

zie daar certificaten, die door zeer eervolle namen geteekend zijn,

en je weet, dat dergelijke verlammingen ongeneeslijk zijn... Welnu,

wanneer dat jonge meisje plotseling sprong en danste, zooals ik dat

van zooveel anderen gezien heb, zou je dan niet heel gelukkig zijn,

zou je dan niet eindelijk het ingrijpen van een bovennatuurlijke

macht moeten toegeven?"

Pierre wilde antwoorden, toen hij zich plotseling het consult met

zijn neef Beauclair herinnerde, die het wonder voorspeld had, dat

als een bliksemstraal door een exaltatie van het geheele wezen zou

plaats grijpen. Hij voelde zijn onbehaaglijke stemming sterker worden

en zeide slechts:

"Dat zou mij inderdaad zeer gelukkig maken... En ik ben het volkomen

eens, dat al de onrust van deze wereld niets anders dan wil is om

gelukkig te zijn."

Maar hij kon daar niet langer blijven. De hitte werd zoo, dat het

zweet van de gezichten stroomde. Dr. Bonamy dicteerde aan een der

seminaristen het resultaat van het onderzoek van la Grivotte, terwijl

pater Dargelès, die op de uitdrukkingen lette, hem tusschenbeide

iets influisterde, om hem een zin te laten veranderen. Het lawaai

om hen heen bleef aanhouden, de discussie der doktoren liep nu over

technische punten, die voor het onderhavige geval van geen enkel belang

waren. Men kon tusschen die planken muren geen adem meer halen. Het

kleine blonde heertje uit Parijs, de invloedrijke schrijver, was

weggegaan, ontevreden geen echt wonder gezien te hebben.

"Laten we gaan, ik kan het hier niet meer uithouden, ik word

onpasselijk," zeide Pierre tegen dr. Chassaigne.

Zij gingen tegelijk met la Grivotte, die door dr. Bonamy weggezonden

werd. Dadelijk bij de deur stieten zij op een dichte menigte, die zich

verdrong, om de door het wonder genezene te zien. Het nieuws van het

wonder had zich blijkbaar reeds verbreid, het was een strijd wie de

uitverkorene het eerst zou naderen, vragen, aanraken. En zij kon met

haar vuurroode wangen, haar fonkelende oogen en haar dansenden gang

niet anders antwoorden dan:

"Ik ben genezen... Ik ben genezen..."

Geroep overstemde haar; zij werd in den wervelstroom der menigte

opgenomen en medegevoerd. Een oogenblik verloor men haar uit het

oog, alsof zij onder water geraakt was, doch dan kwam zij plotseling

weer boven, vlak bij Pierre en den dokter, die zich uit het gedrang

trachtten te bevrijden. Zij hadden den Commandeur gevonden, van wien

het een manie geworden was naar den vijver en naar de Grot te gaan,

om zich boos te kunnen maken. In een nauwsluitende jas leunde hij

op zijn wandelstok met zilveren knop, terwijl hij een weinig trok

met zijn linkerbeen, dat na zijn tweede beroerte wat stijf gebleven

was. Zijn gezicht werd vuurrood en zijn oogen schoten vlammen,

toen la Grivotte hem op zij stiet en te midden van het ontketende

enthousiasme der menigte uitriep:

"Ik ben genezen!... Ik ben genezen!"

Door een plotselinge woede aangegrepen, schreeuwde hij: "Des te erger

voor jou, meid!"

De woorden verwekten een luid gelach, want men kende hem, vergaf hem

zijn maniak-achtigen hartstocht voor den dood. Maar toen hij verward

begon te stamelen en zeide, dat het om medelijden mede te krijgen was,

wanneer je nog langer wilde leven, als je niet mooi was en geen fortuin

hadt, en dat het meisje liever had moeten bidden dadelijk te sterven,

toen begon men toch een vijandige houding tegen hem aan te nemen. Tot

zijn geluk kwam juist abbé Judaine voorbij, die hem uit zijn minder

aangename positie redde door hem mede te nemen.

"Houd je mond toch! Het is een schandaal... Waarom kom je toch in

opstand tegen de goedheid van God, die zich dikwijls zoo genadig

betoont voor onze ellenden, door ze te verlichten?... Je moest zelf

op je knieën vallen en hem smeeken je je been terug te geven en je

nog tien jaar te laten leven."

Toen stikte de Commandeur bijna van woede.

"Wat, ik vragen mij nog tien jaar te laten leven, ik, die den dag,

dat ik in mijn kist lig, als den mooisten van mijn leven beschouw! Ik

even gemeen, even laf zijn als die duizenden zieken, die ik hier in

een minne vrees voor den dood zie voorbijtrekken, in hun zwakheid hun

schandelijken hartstocht voor het leven uitbrullend! Neen, dan zou

ik op mezelf moeten spuwen!... Laat mij maar crepeeren, en direct

ook! Het zal zoo heerlijk zijn niet meer te bestaan!"

Hij was nu weer dicht bij dr. Chassaigne en Pierre, die zich eindelijk

bij den oever van den Gave uit het gedrang hadden kunnen vrijmaken. Hij

begon tegen den dokter, dien hij dikwijls sprak:

"Hebben ze zooeven niet geprobeerd een man in het leven terug te

roepen! Ze hebben het me daarnet verteld, ik dacht dat ik stikken

zou... Begrijpt u nu zoo iets, dokter? Een man, die het geluk had dood

te zijn en dien zij zich de vrijheid genomen hebben in hun water te

dompelen in de misdadige hoop hem te doen herleven! Maar als het hun

gelukt was, als hun water dien ongelukkige weer in het leven geroepen

had--je weet immers nooit wat er in deze potsierlijke wereld gebeuren

kan--gelooft u dan niet, dat de man groot gelijk zou hebben, als hij

dien lijken-opflikkers zijn woede in hun gezicht gespuwd had?... Had

die doode hun gevraagd hem weer op te wekken? Het minste wat je toch

doet in zulke gevallen is de menschen raadplegen... Stel je voor,

dat ze met mij zoo'n grap zouden uithalen, als ik eenmaal eindelijk

mijn langen slaap slaap! Ik zou ze leeren. "Bemoei je met je eigen

bemoeisels!" Wat zou ik een haast maken, om weer uit te knijpen."

Hij was in zijn opwinding zoo komisch, dat abt Judaine en de dokter

een glimlach niet konden onderdrukken. Maar Pierre bleef ernstig. De

rilling, die hem doorhuiverde, maakte hem koud. Waren het niet de

radelooze verwenschingen van Lazarus, die hij daareven gehoord

had? Dikwijls had hij zich ingebeeld, dat Lazarus, toen hij uit

het graf verrees, Jezus toeriep: "O, Heer, waarom hebt gij mij in

dit verschrikkelijke leven teruggeroepen? Ik sliep zoo heerlijk den

eeuwigen, droomloozen slaap, ik genoot eindelijk in de verrukkingen

van het niet zoo'n heerlijke rust. Ik had al de ellenden en al de

smarten gekend, de ontrouw en de valsche hoop, rampen en ziekten; ik

had aan het lijden mijn vreeselijke schuld van een levende betaald,

want ik was geboren zonder te weten waarom, ik had geleefd zonder te

weten waarom; en nu, Heer, laat gij mij mijn schuld dubbel betalen door

mij te veroordeelen mijn straftijd nog eens te beginnen... Heb ik dan

zoo'n onverzoenbare zonde begaan, dat u mij zoo wreed straft? Wat toch

is dat herleven anders dan iederen dag weer iets van zijn vleesch

te voelen afsterven, dan verstand te bezitten, alleen maar om te

twijfelen, dan een wil te hebben, alleen om niets te vermogen, dan een

liefderijk gemoed te bezitten, alleen om zijn smarten te beweenen? En

het was uit; ik had den moeilijken stap naar den dood gedaan, ik had

die zóó vreeselijke seconde, dat zij voldoende is om het heele leven

te vergiftigen, achter den rug. Ik had gevoeld, hoe het zweet van den

doodsstrijd mijn voorhoofd nat maakte, hoe het bloed uit mijn aderen

wegvloeide, hoe de adem in een laatsten hik mij ontvlood. Wilt u dan,

dat ik die verschrikking tweemaal leer kennen; wilt u dan, dat ik

tweemaal sterf en dat mijn menschelijke ellende die van alle anderen

overtreft?... O, Heer, laat het dan dadelijk gebeuren. O, ik smeek u,

doe dat andere groote wonder, leg mij weer in dat graf en laat mij

weer insluimeren, zonder dat ik in mijn eeuwigen onderbroken slaap

lijden moet. O, heb genade en leg mij niet de kwelling op nogmaals

te moeten leven, die vreeselijke kwelling, waartoe u nog geen een

enkel ander wezen hebt durven veroordeelen. Ik heb u altijd liefgehad

en gediend, maak van mij nu niet het vreeselijkste voorbeeld van uw

toorn, dat alle geslachten schrik zou aanjagen. Wees goed en genadig,

Heer, geef mij den slaap terug, dien ik zoo ruimschoots verdiend heb,

laat mij weer insluimeren in de zaligheid van uw niets."

Intusschen had abbé Judaine den Commandeur, dien hij eindelijk wat had

kunnen kalmeeren, meegetroond; Pierre drukte dr. Chassaigne de hand,

daar hij zich herinnerde, dat hij Marie beloofd had haar om vijf uur

te zullen halen. Toen hij eindelijk naar de Grot terugkeerde, zag hij

abbé des Hermoises in een druk gesprek met mijnheer de Guersaint,

die, opgeknapt door een goeden slaap, pas uit zijn hotel gekomen

was. Beiden bewonderden de buitengewone schoonheid, die de extase

van het geloof aan sommige vrouwen geeft, en praatten over hun plan,

om een uitstapje naar het keteldal van Gavarnie te maken.

Zoodra mijnheer de Guersaint echter vernam, dat Marie zonder resultaat

een eerste bad genomen had, ging hij onmiddellijk met Pierre mede. Zij

vonden het jonge meisje nog steeds in dezelfde pijnlijke verdooving,

strak starend naar de Heilige Maagd, die haar niet verhoord had. Zij

antwoordde niet op de liefdevolle woorden van haar vader; zij keek hem

alleen maar aan met haar groote, diep-droeve oogen, die zij dan weer

richtte op het marmeren, in den glans der kaarsen witte beeld. En

terwijl Pierre stond te wachten, om haar naar het Hôpital terug te

rijden, was mijnheer de Guersaint neergeknield. Eerst bad hij vurig

voor het herstel van zijn dochter. Dan smeekte hij voor zichzelf de

genade af een compagnon te vinden, die hem het millioen zou geven,

dat noodig was voor zijn studies over bestuurbare ballons.

De drie steden: Lourdes · 第 20 / 41 题