III.

Toen Pierre, van wien zich een niet te overwinnen weerzin om langer

te blijven had meester gemaakt, zich uit de Grot verwijderde, zag hij

vlak bij den uitgang mijnheer de Guersaint in een diep gebed, waarin

hij geheel zijn ziel legde, verzonken, op zijn knieën liggen. Hij

had hem sinds dien ochtend niet meer teruggezien, wist niet of het

gelukt was twee kamers te huren; zijn eerste opwelling was dan ook

naar hem toe te gaan. Doch dan aarzelde hij, wilde hem niet storen

in zijn stille overpeinzingen: hij vermoedde, dat hij bad voor zijn

dochter, van wie hij, ondanks de voortdurende verstrooidheid van zijn

onrustige phantasie, veel hield. Dan liep hij door en ging onder de

boomen loopen. Het sloeg negen uur; hij had dus nog twee uur voor zich.

Daar buiten had men van den woesten, hoogen oever, waarop vroeger

varkens weidden, ten koste van veel geld een prachtige avenue gemaakt,

die langs den Gave liep. Om terrein te winnen en een monumentalen dam

te kunnen bouwen met een door een borstwering afgezet trottoir, had

men het bed der rivier wat achteruit moeten leggen. De avenue liep een

twee of driehonderd meter verder dood tegen een heuvel, zoodat het een

afgesloten, met banken voorziene en door prachtige boomen beschaduwde

wandelweg geworden was. Niemand liep er thans; de menigte, die in de

Grot geen plaats vinden kon, lag er dichtopeen neergeknield. Er waren

nog enkele eenzame hoekjes tusschen den met gras begroeiden muur,

die de avenue in het Zuiden afscheidde, en de uitgestrekte velden,

die zich aan den anderen oever van den Gave uitbreidden, met bosch

bedekte hellingen, die door de witte gevels der kloosters opgevroolijkt

werden. In de warme Augustusdagen kon men daar in de schaduw op den

oever van het stroomende water genieten van een heerlijke koelte.

Onmiddellijk voelde Pierre zich kalmer als bij het ontwaken uit een

benauwenden droom. Hij ging zijn eigen gewaarwordingen na en maakte

er zich ongerust over. Was hij 's ochtends niet in Lourdes aangekomen

met den vurigen wensch om te gelooven, met de meening, dat hij reeds

weer begon te gelooven zooals in de volgzame jaren van zijn jeugd,

toen zijn moeder hem zijn handen deed vouwen en hem leerde God te

vreezen? En zie, zoodra hij voor de Grot gekomen was, hadden de

afgodische eeredienst, de verkrachting van het geloof, de stormloop

op zijn gezond verstand hem vervuld met zulk een walging en weerzin,

dat hij bijna flauw gevallen was. Wat moest er toch van hem worden? Zou

hij zelfs niet meer kunnen trachten zijn twijfel te bestrijden, door

zijn reis te benutten en te zien en zich te overtuigen? Het was een

ontmoedigend begin, dat hem wanhopig maakte; en hij had die mooie

boomen, dien helderen stroom, die zoo kalme en koele avenue noodig,

om zich van den schok te herstellen.

Toen Pierre aan het einde van de avenue kwam, had hij een onverwachte

ontmoeting. Reeds enkele oogenblikken was zijn aandacht getrokken door

een langen ouden heer, die in een getailleerde gekleede jas en met een

platgeranden hoed op, zijn richting uitliep. Hij trachtte dat bleeke

gezicht met den arendsneus en de donkere, doordringende oogen thuis

te brengen, maar de lange witte baard en de grijze haarlokken brachten

hem op een dwaalspoor. De oude heer, zelf ook verbaasd, bleef staan.

"Wat, Pierre, jij te Lourdes?"

En plotseling herkende de jonge priester dr. Chassaigne, den vriend

van zijn vader, zijn eigen ouden vriend, die hem genezen en daarna

getroost had in de vreeselijke lichamelijke en geestelijke crisis,

die hij na den dood van zijn moeder doorgemaakt had.

"Beste dokter, wat ben ik blij u te zien!"

Diep ontroerd omarmden zij elkaar. En nu bij het zien van die sneeuw

van haren en baard, van dien langzamen gang, van dat oneindig droevig

uiterlijk herinnerde Pierre zich het bittere ongeluk, dat dezen man

oud gemaakt had. Nauwelijks enkele jaren geleden was hij uit Parijs

vertrokken en nu vond hij hem, verpletterd door den bliksemstraal

van het noodlot, terug.

"Je wist niet, dat ik in Lourdes gebleven was, wel? Ja, jongen, ik

schrijf niet meer, ik behoor niet meer tot de levenden, want ik woon

in het land der dooden."

Tranen kwamen in zijn oogen en met gebroken stem ging hij voort:

"Kom, laten we wat op die bank gaan zitten; het zal me goed doen,

zooals vroeger, nog eens met je te praten."

Op zijn beurt voelde de priester een brok in zijn keel. Hij vond geen

antwoord, kon slechts stamelen:

"Beste dokter, oude vriend, ik heb zoo innig met je te doen gehad."

Een ramp was het, de schipbreuk van een leven. Dr. Chassaigne en

zijn dochter Marguerite, een lief meisje van twintig jaar, waren

met madame Chassaigne, hun aangebeden vrouw en moeder, over wier

gezondheid zij zich ongerust maakten, naar Cauterets gegaan. Na een

dag of veertien voelde zij zich al een boel beter en zij maakte

reeds plannen voor uitstapjes, toen men haar op een ochtend dood

in haar bed vond. Verpletterd onder dien vreeselijken slag, waren

vader en dochter als verdoofd door het verraad van het noodlot. De

dokter, die te Bartrès geboren was, had op het kerkhof te Lourdes een

familiegraf, waarin zijn ouders reeds rustten. Hij wilde dan ook,

dat het lijk van zijn vrouw rusten zou naast de ledige afdeeling,

waar hij hoopte weldra bij haar te liggen.

Een week lang bleef hij nog met Marguerite daar, toen deze plotseling

een koortsaanval kreeg, naar bed ging en twee dagen later stierf,

zonder dat haar tot wanhoop gebrachte vader zich rekenschap had kunnen

geven van haar ziekte. En nu werd de dochter in den bloei van haar

jeugd, stralend van schoonheid en gezondheid, op het kerkhof neergelegd

in het ledige vak naast haar moeder. De gelukkige man van gisteren,

de geliefde, aangebeden man, die twee dierbare wezens, wier liefde

zijn hart zoo verwarmde, de zijnen mocht noemen, was niet meer dan

een rampzalige, stotterende en verloren oude man, dien het alleen

zijn tot ijs verstarde. Al zijn levensvreugde was ineengestort; hij

benijdde de wegwerkers, die langs de wegen steenen bikten, wanneer

hij zag, hoe vrouwen en kinderen blootsvoets hun soep brachten. Hij

had Lourdes niet meer willen verlaten, had alles opgegeven, zijn

studies, zijn praktijk te Parijs, om dicht bij het graf te kunnen

leven, waarin zijn vrouw en zijn dochter haar laatsten slaap sliepen.

"Wat heb ik met u te doen gehad!" herhaalde Pierre. "Wat een

vreeselijke slag voor u! Maar waarom hebt u niet een beetje gerekend

op hen, die van u houden? Waarom u hier in uw verdriet opgesloten?"

De dokter maakte een gebaar, dat den horizont omvatte.

"Ik kan niet weg; de dooden zijn daar en houden mij vast... Het is uit,

ik wacht nu maar, tot ik naar haar toe gaan kan."

En weer viel een stilte in. Achter hen, in de struiken van het

grastaluud, fladderden de vogels, terwijl zij voor zich het luide

murmelen van den Gave hoorden. Op de hellingen der heuvels rustte traag

in haar goudachtig stof het zware zonlicht. Maar onder de mooie boomen,

op die afgezonderde bank, bleef het heerlijk koel; zij waren daar,

op tweehonderd pas van de menigte, als in een woestijn, zonder dat

iemand zich van de Grot losscheurde, om tot hen af te dwalen.

Langen tijd praatten zij. Pierre had hem verteld onder welke

omstandigheden hij 's ochtends te Lourdes met de nationale bedevaart

en in gezelschap van mijnheer de Guersaint en zijn dochter aangekomen

was. Bij sommige uitdrukkingen van den dokter had hij zijn verwondering

niet kunnen bedwingen.

"Wat, dokter, acht u thans het wonder mogelijk? U, groote God, u,

dien ik gekend heb als een ongeloovige, nu ja, in ieder geval als

volmaakt onverschillig!"

Hij keek hem aan, diep verwonderd over wat hij hem omtrent de Grot en

Bernadette hoorde zeggen. Hij, een zoo helderen kop, een geleerde met

zoo'n scherp verstand, wiens uitstekende analyseerende eigenschappen

hij vroeger had leeren kennen! Hoe was een geest van die kracht,

opgevoed op streng logische wijze en vrij van iederen geloofsdwang,

er toe kunnen komen de wonderbare genezingen, die bewerkt werden door

die goddelijke bron, welke de Heilige Maagd onder de vingers van een

kind had doen ontspringen, te aanvaarden?

"Maar, beste dokter, herinner u toch eens goed. U zelf hebt mijn vader

aanteekeningen over Bernadette, uw klein landgenootje, zooals u ze toen

noemde, verschaft; u hebt later, toen die heele geschiedenis mij een

oogenblik interesseerde, lang met mij over haar gesproken. Voor u was

zij slechts een zieke, die aan hallucinaties leed, een half-onbewust

kind, dat niet tot willen in staat was. Herinner u onze gesprekken,

mijn twijfel en dat u mij geholpen hebt mijn gezond verstand terug

te krijgen."

Hij geraakte in opwinding. Was dit niet het allerzonderlingste

avontuur? Hij, priester; die zich eens aan het geloof onderworpen

en het ten slotte weer verloren had door den omgang met dezen toen

ongeloovigen geneesheer, dien hij nu bekeerd en gewonnen voor het

bovennatuurlijke terugvond, terwijl hij zelf gefolterd werd door de

kwellende kwaal niet meer gelooven te kunnen.

"U, die slechts de exacte feiten aanvaardde, u, die alles baseerde op

de zinnelijke waarneming!... Is de wetenschap dan niets meer voor u?"

Toen maakte Chassaigne, die tot dat oogenblik met een droefgeestig

glimlachje geluisterd had, een ongeduldig gebaar van souvereine

minachting.

"Wetenschap! Weet ik iets? Kan ik iets?... Daareven heb je me gevraagd,

waaraan mijn arme Marguerite gestorven is. Maar ik weet er niets

van. Ik, dien men voor zoo geleerd aanziet, voor zoo goed gewapend

tegen den dood, ik heb er niets van begrepen, ik heb niets gekund,

zelfs het leven van mijn dochter niet met één uur kunnen verlengen. En

mijn vrouw, die ik reeds koud in haar bed gevonden heb, terwijl zij

zich den vorigen avond zooveel beter voelde en zoo opgewekt was,

ben ik ook maar in staat geweest om te voorzien wat er had moeten

gebeuren?... Neen, voor mij heeft de wetenschap bankroet geslagen. Ik

wil niets meer weten, ik ben maar een dom mensch en een arme kerel."

Hij zeide het in een hartstochtelijken opstand tegen zijn geheele

verleden van trots en geluk. Toen hij wat kalmer geworden was, ging

hij voort:

"Ik heb nog slechts één verschrikkelijke gewetenswroeging. Ja, die

laat mij niet los en drijft mij steeds weer hierheen, om rond te

dwalen tusschen al die biddende menschen... En die is, dat ik mij

niet eerst ben komen vernederen voor deze Grot door er mijn twee

lievelingen heen te brengen. Zij zouden dan op haar knieën gevallen

zijn, zooals al de vrouwen, die je daar ziet, en ik zou hetzelfde

gedaan hebben, en de Heilige Maagd zou ze misschien genezen en voor

mij gespaard hebben... Ik, zwakkop, heb niet anders gekund dan ze

voor goed verliezen. Het is mijn schuld."

Tranen stroomden nu over zijn wangen.

"Ik herinner me nog, dat mijn moeder, een eenvoudige boerin, mij in

mijn jeugd te Bartrès mijn handen liet vouwen, om iederen ochtend Gods

hulp te vragen. Dat gebed is, toen ik weer zoo heelemaal alleen, zoo

zwak en hulpeloos als een kind was, in mijn geheugen teruggekomen. Wat

zal ik je zeggen, vriendlief, mijn handen hebben zich weer gevouwen

als vroeger; ik was te rampzalig, te verlaten, ik voelde te zeer de

behoefte aan een bovenmenschelijke hulp, aan een goddelijke macht, die

voor mij dacht en wilde, die me wiegen en in haar eeuwige voorkennis

van deze aarde wegnemen zou. O, die eerste dagen, wat een verwarring

en verbijstering in mijn arm hoofd onder den zwaren slag, dien erop

neergekomen was. Twintig nachten achter elkaar heb ik niet geslapen

in de hoop, dat ik op die manier gek zou worden. Allerlei gedachten

streden in mijn hoofd; ik had oogenblikken van opstand en verzet,

waarin ik mijn vuist balde tegen den hemel, dan weer vernederde ik

mij voor God en smeekte hem mij op mijn beurt tot zich te nemen...

"Ten slotte heeft de zekerheid, dat er een gerechtigheid, dat er

een liefde heerschen moest, mij rust geschonken en mij het geloof

teruggegeven. Kijk eens, je hebt mijn dochter gekend, was ze niet

mooi en heerlijk en stralend van jeugd en leven: welnu, zou het niet

de meest schreeuwende onrechtvaardigheid zijn, als er voor haar,

die het leven niet genoten heeft, niets was aan gene zijde van het

graf? Zij moet opnieuw herleven, daar ben ik tot in het diepst van

mijn ziel van overtuigd, want soms hoor ik haar nog, en zegt ze mij,

dat we elkaar zullen terugvinden, elkaar zullen terugzien. O degenen,

die je verloren hebt--mijn lieve dochter, mijn lieve vrouw weer terug

zien, elders weer met haar verder teven, dat is de eenige hoop,

dat is de eenige troost van al de smarten dezer wereld!... Ik heb

mij aan God gewijd, omdat God alleen ze me teruggeven kan."

Een rilling als van een zwak, krachteloos grijsaard doorhuiverde

hem, en eindelijk begreep Pierre deze bekeering: de geleerde, de oud

geworden intellectueel, die, onder de heerschappij van het gevoel tot

het geloof terugkeerde. In de eerste plaats ontdekte hij, wat hij tot

dat oogenblik niet had kunnen vermoeden, een soort geloofsatavisme bij

dezen zoon der Pyrenaeën, den afstammeling van bergboeren, opgevoed

in het geloof van legenden en die nu door de legenden weer ingepalmd

werd, zelfs nadat vijftig jaren van positieve studiën verloopen

waren. Daarbij kwam de menschelijke moeheid, de moeheid van den

man, wien de wetenschap het geluk niet gegeven heeft en die tegen

de wetenschap in opstand komt, zoodra zij hem beperkt, onmachtig om

tranen te verhinderen, voorkomt. En ten slotte nog de ontmoediging,

een twijfel aan alle dingen, die bij een oud, door het leven murw

gemaakt man, uitloopt op een behoefte aan zekerheid, waardoor hij

het geluk vindt in te slapen in zijn geloof.

Pierre dacht er niet aan hem tegen te spreken of hem te bespotten,

want de aanblik van dien grooten, door het lot zoo zwaar getroffen

grijsaard met zijn smartelijke kindschheid, verscheurde zijn hart. Is

het niet treurig de sterkste en knapste mannen onder dergelijke slagen

weer kinderen te zien worden?

"Ach!" zuchtte hij, "mocht ik ook maar zooveel lijden, om ook mijn

verstand het zwijgen op te leggen, op mijn knieën te vallen en aan

al die sprookjes te gelooven!"

Het glimlachje, dat soms nog om dr. Chassaigne's lippen speelde,

verscheen weer.

"De wonderen bedoel je zeker, hè? Jij bent priester, beste jongen,

en ik ken je lijden... Wonderen schijnen jou onmogelijk. Wat weet je

ervan? Zeg toch tegen jezelf, dat je niets weet en dat het volgens

ons oordeel onmogelijke zich iedere minuut verwezenlijkt... Maar kom,

we hebben al zoo lang gepraat, het zal dadelijk elf uur zijn en je

moet naar de Grot terug. Maar ik verwacht je om half vier, dan zal

ik je meenemen naar het bureau van medische constateeringen, waar ik

je dingen hoop te laten zien, waarover je je handen in elkaar zult

slaan... Vergeet het niet, om half vier!"

Hij liet hem gaan en bleef alleen op de bank zitten. De warmte was

nog toegenomen, de heuvels in de verte brandden in den ovengloed der

zon. En hij gaf zich over aan zijn gepeinzen, droomde in het groene

schemerlicht der schaduw, luisterde naar het aanhoudend gemurmel van

den Gave, alsof een stem uit het hiernamaals, een dierbare stem tot

hem sprak.

Pierre haastte zich naar Marie. Het kostte hem niet al te veel moeite:

de menigte was zoo groot niet meer; velen gingen reeds dejeuneeren. Hij

vond bij het meisje haar vader, die hem dadelijk zijn lange afwezigheid

willen uitleggen. Meer dan twee uur had hij 's ochtends heel Lourdes

afgeloopen, wel in twintig hotels kamers gevraagd, zonder ook maar

het kleinste slaapvertrekje te kunnen vinden: de dienstbodenkamers

zelf waren verhuurd; je kon zelfs geen matras machtig worden, om

in de gang op te slapen. Toen hij de wanhoop al nabij was, had hij

nog twee kamertjes ontdekt, heel kleine wel, maar in een goed hotel,

het Hôtel des Apparitions, een der drukste van de stad. De menschen,

die de kamertjes besproken hadden, hadden juist getelegrapheerd,

dat haar zieke gestorven was. In het kort een groot buitenkansje,

waarover hij erg in zijn schik scheen.

Het sloeg elf uur; de jammerlijke stoet zette zich weer in beweging

over de pleinen en door de bezonde straten. Toen zij bij het Hôpital

de Notre-Dame des Douleurs was, drong Marie er bij haar vader en

den jongen priester op aan, dat zij kalm in het hotel zouden gaan

dejeuneeren en dan verder wat rust nemen, alvorens haar om twee uur,

wanneer men de zieken naar de Grot zou brengen, weer te komen halen. Na

het dejeuner in het hotel gingen de beide mannen naar hun kamer,

waar mijnheer de Guersaint, uitgeput van moeheid, onmiddellijk in

zoo'n diepen slaap viel, dat Pierre niet over zich kon verkrijgen

hem wakker te maken. Waartoe ook eigenlijk? Zijn aanwezigheid was

niet bepaald noodzakelijk. Zoo ging hij alleen naar het Hôpital

terug, de stoet ging de avenue de la Grotte weer af, het plateau de

la Merlasse langs, de place du Rosaire over te midden van de steeds

grooter wordende menigte, die rillend het teeken des kruises maakte in

de vreugde van den heerlijken Augustusmiddag. Het was het glorierijke

uur van een mooien middag.

Nadat Marie weer voor de Grot gebracht was, vroeg zij:

"Komt vader dadelijk?"

"Ja, hij rust wat uit."

Zij maakte een gebaar als om te kennen te geven, dat hij gelijk

had. En met bevende stem zeide zij:

"Luister eens Pierre, je moet me niet voor over een uur komen halen,

om me naar den vijver te brengen. Ik ben nog niet in een toestand om

de genade Gods deelachtig te worden, ik wil bidden, bidden nog."

Nadat zij zoo vurig verlangd had daar te zijn, werd zij op het

oogenblik, dat zij het wonder wilde beproeven, door een angst bevangen,

maakten gewetensbezwaren haar aarzelend; en toen zij vertelde, dat

zij niets had kunnen eten, kwam een jong meisje naar haar toe.

"Wanneer u u te zwak voelt, mademoiselle, dan hebben we hier bouillon."

Zij herkende Raymonde. In de Grot waren n.l. jonge meisjes aangewezen,

om koppen bouillon en melk onder de zieken uit te deelen. De

vorige jaren hadden echter sommigen haar coquetterie met fijne

zijden, met kant afgezette schorten zoo ver gedreven, dat er thans

een uniform-schort van blauw en wit geruit linnen voorgeschreven

was. Desniettemin zag Raymonde er in al dien eenvoud met haar jeugd

en haar druk als een jong huisvrouwtje in de weer zijn bekoorlijk uit.

"U geeft me maar even een wenk, dan breng ik u wat."

Marie bedankte echter, zeide, dat zij zeker niets gebruiken zou;

dan wendde zij zich tot den priester:

"Een uur, een uur nog, lieve vriend!"

Pierre wilde bij haar blijven. Maar het geheele plein moest

gereserveerd blijven voor de zieken; zelfs dragers werden er niet

toegelaten. Meegevoerd door den beweeglijken stroom der menigte,

kwam Pierre bij den vijver, waar een buitengewoon schouwspel hem

staande hield. Vóór de drie als hostiekastjes gebouwde kapelletjes,

in ieder waarvan zich drie badkuipen bevonden, drie voor mannen en

zes voor vrouwen, was onder de boomen een groote ruimte, die door

een aan de takken vastgemaakt touw afgesloten en geopend werd; daar

wachtten in kleine rijtuigjes of op draagbaren de zieken in een rij

hun beurt af, terwijl aan den anderen kant zich een ontzaglijke,

tot extase opgezweepte menigte bevond. Op dat oogenblik leidde een

capucijner, die midden in de vrije ruimte stond, de gebeden. De Ave's,

die de menigte in een luid verward geprevel herhaalden, volgden

elkaar op. Plotseling, juist toen madame Vincent, die sedert langen

tijd vol angst stond te wachten, eindelijk met haar dierbaren last,

haar op een Jezus van was gelijkend dochtertje, naar binnen ging,

liet de capucijner zich op de knieën vallen en riep, zijn armen in

den vorm van een kruis ten hemel geheven:

"Heer, genees onze zieken!" En hij herhaalde dien kreet tien,

twintigmaal in steeds stijgende geestvervoering, terwijl de menigte,

zich bij iederen kreet meer opwindend, dien herhaalde, in snikken

uitbarstte en de aarde kuste. Als een storm van waanzin gierde het over

allen heen. Pierre bleef staan, geheel van streek door het snikken van

lijden, dat uit het diepst der ziel van dat volk omhoog rees, eerst een

gebed, dat steeds luider werd, doch waarin weldra een eisch doorklonk,

een klank van ongeduld, van verdoovende en verbitterde woede, als om

den hemel geweld aan te doen, te willen dwingen. "Heer, genees onze

zieken... Heer, genees onze zieken!..." De kreet hield niet op.

Doch er deed zich een incident voor. La Grivotte weende heete tranen,

omdat men haar niet wilde laten baden.

"Zij zeggen, dat ik een teringlijdster ben, en dat zij teringachtigen

niet in het koude water kunnen dompelen... Maar vanochtend hebben

ze het wel gedaan, ik heb het zelf gezien. Waarom ik dan niet? Ik

bezweer ze nu al een half uur lang, dat ze de Heilige Maagd verdriet

doen. Ik zal genezen worden, ik voel het, ik zal genezen worden..."

Daar het er op ging lijken alsof zij een schandaal wilde maken, ging

een der geestelijken naar haar toe, trachtte haar te kalmeeren. Ze

zouden dadelijk wel eens zien, ze zouden het oordeel der eerwaarde

paters vragen. Als zij zich nu kalm hield, zou men haar misschien

wel laten baden.

De kreet: "Heer, genees onze zieken!... Heer, genees onze

zieken!..." bleef doorklinken. Pierre zag nu ook madame Vêtu voor

den vijver wachten en hij kon zijn blikken niet meer afwenden van dit

door angstige hoop vertrokken gezicht met de op de deur, waaruit de

uitverkorenen genezen terugkwamen, starende oogen.

Te midden van de steeds luider opstijgende gebeden en de tot waanzin

aanwakkerende geestvervoering, kwam madame Vincent terug met haar kind

op de armen, haar jammerlijk, aangebeden kind, dat men bewusteloos in

het koude water ondergedompeld had en welks nog niet geheel afgedroogd

gezichtje met de gesloten oogen even bleek, even pijnlijk, even

lijkkleurig bleef. De moeder, gemarteld door dien langen doodsstrijd,

wanhopig door de weigering der Heilige Maagd, die ongevoelig was voor

het lijden van haar kind, snikte. En toen op haar beurt madame Vêtu

met de opgewonden haast van een stervende, die het leven drinken wil,

binnenging, barstte weer, zonder ontmoediging en zonder moeheid, de

kreet uit: "Heer, genees onze zieken!... Heer, genees onze zieken!..."

De capucijner was met zijn gezicht op den grond gevallen, en de

menigte brulde, de armen in den vorm van een kruis ten hemel geheven,

en verslond de aarde met kussen.

Pierre wilde naar madame Vincent gaan, om haar moed in te spreken,

maar een nieuwe stroom van pelgrims belette hem door te loopen en

wierp hem terug naar de bron, die een andere menigte belegerde. De

bron bestond uit een laag bouwwerk, een langen, steenen muur met

een uitgehouwen kapversiering; niettegenstaande de twaalf kranen,

die het water in het kleine bassin vloeien deden, had men ook daar

een queue moeten vormen. Velen vulden daar hun flesschen, kruiken

van tin of van aardewerk. Om te groot waterverlies te voorkomen, werd

iedere kraan slechts opengezet, wanneer men op een knop drukte. Zij,

die geen kruiken te vullen hadden, kwamen drinken of haar gezicht

wasschen. Pierre zag een jongen man, die zeven kleine glaasjes dronk

en zevenmaal zijn oogen bette, zonder zich af te drogen. Anderen weer

dronken uit schelpen, tinnen bekers of lederen zakken.

Vooral werd zijn aandacht getrokken door Elise Rouquet, die het niet

noodig oordeelde voor de vreeselijke wonde, waardoor haar gezicht

weggevreten werd, naar de vijvers te gaan en zich er sinds den ochtend

mee vergenoegde, zich ieder uur aan de bron te wasschen. Zij knielde

neer, sloeg den sluier weg en drukte lang op de wond een zakdoek,

die zij als een spons met het wonderbare water drenkte; om haar

heen verdrong de menigte zich in zoo koortsachtige opwinding, dat

de menschen haar gezicht niet meer zagen en zich waschten en dronken

aan dezelfde kraan, waaraan zij haar zakdoek bevochtigde.

Op dat oogenblik kwam Gérard voorbij, die mijnheer Sabathier naar den

vijver sleepte en, nu hij Pierre daar zag staan, dezen riep. Hij vroeg

hem met hem mede te gaan, om hem wat te helpen; want het zou niet

makkelijk zijn dezen verlamden zieke in het water te krijgen. Zoo

bleef Pierre bijna een half uur bij den vijver der mannen, terwijl

Gérard in de Grot een andere ging halen.

Pierre vond de inrichting van dezen vijver uitstekend. Er waren drie

afdeelingen, drie hokjes, waaruit men met trapjes naar beneden ging en

die door tusschenschotten van elkaar gescheiden waren: de ingang tot

iedere afdeeling was voorzien met een klein gordijn, dat men dicht

kon trekken, om den zieke af te zonderen. Van voren bevond zich een

gemeenschappelijke zaal, een met tegels voorziene ruimte, waarin een

bank en twee stoelen stonden en die als wachtkamer diende; de zieken

kleedden zich daar aan en uit met een onbeholpen haast en een onrustig

gevoel van schaamte. Er was op het oogenblik een nog ontkleed man,

die zich half in het gordijn gewikkeld had en met bevende handen zijn

verband weer aanlegde. Een andere, een ontzettend magere teringlijder,

rilde en reutelde; zijn huid was met violette vlekken beplekt. Pierre

doorhuiverde een rilling, toen hij broeder Isidore uit een der vijvers

zag halen; hij was bewusteloos, men dacht reeds, dat hij dood was,

maar dan begon hij weer te kreunen: het was om diep medelijden te

krijgen met dat groote, door het lijden uitgeteerde lichaam, dat denken

deed aan een op een slagershakblok geworpen stuk menschenvleesch,

waarin een wonde aan de zijde een groot gat vormde. Het kostte den

twee mannen, die hem gebaad hadden, de grootste moeite, om hem zijn

hemd aan te trekken, bang als zij waren, dat hij een te plotselingen

schok niet zou kunnen doorstaan.

"U wilt mij zeker wel even helpen, mijnheer de abbé?" vroeg de helper,

die mijnheer Sabathier uitkleedde.

Onmiddellijk was Pierre bereid; en toen hij den verpleger, die deze

zoo nederige functies vervulde, eens aankeek, herkende hij in hem

markies de Salmon-Roquebert, dien mijnheer de Guersaint hem bij

het verlaten van het station aangewezen had. Het was een veertiger

met een grooten neus en een lang gezicht. Als laatste afstammeling

van een der oudste en aanzienlijkste Fransche families bezat hij

een reusachtig fortuin, een koninklijk paleis in de rue de Lille te

Parijs en uitgestrekte goederen in Normandië. Ieder jaar kwam hij zoo

uit Christelijke liefde, maar zonder godsdienstig fanatisme, want hij

nam zijn plichten slechts waar, omdat het een man van de wereld paste,

gedurende de drie dagen van de nationale bedevaart naar Lourdes. Hij

wilde volstrekt niets bijzonders zijn, slechts een gewoon helper,

die dit jaar met van moeheid geradbraakte armen de zieken hielp baden,

terwijl zijn handen van den vroegen ochtend tot den laten avond bezig

waren lompen op te rapen, verbanden af te nemen en weer aan te leggen.

"Pas op!" zeide hij, "trek zijn kousen langzaam uit. Bij den armen

kerel, dien ze daar weer aan het aankleeden zijn, hebben ze de huid

meegetrokken."

En toen hij een oogenblik mijnheer Sabathier verliet, om den

ongelukkige zijn schoenen aan te trekken, voelde hij met zijn vingers,

dat de linkerschoen van binnen nat was. Hij keek en zag dat er etter

in de neus van den schoen geloopen was; hij moest die eerst gaan

leeggooien, voor hij hem den zieke weer kon aantrekken, waarbij hij

zeer zorgvuldig vermeed het been aan te raken, dat door een gezwel

weggevreten werd.

"Laten we nu samen de onderbroek uittrekken," zeide hij tegen

Pierre, toen hij weer naar mijnheer Sabathier terugkwam; "dan gaat

het makkelijker."

In het kleine vertrek waren alleen de zieken en de met den dienst

belaste verplegers. Ook was er een geestelijke, die steeds door Pater's

en Ave's bad, want het bidden mocht geen oogenblik ophouden. Een

eenvoudig, fladderend gordijn sloot de deur, welke uitkwam op de

breede, door touwen beschermde ruimte; het vurige bidden der menigte

drong er in een aanhoudend geprevel door, terwijl men de doordringende

stem van den capucijner zonder onderbreking hoorde herhalen: "Heer,

genees onze zieken!... Heer, genees onze zieken!..." Door hooge ramen

viel een koud licht binnen; er hing steeds een vochtige atmospheer,

een muffe, vieze kelderlucht.

Eindelijk was mijnheer Sabathier ontkleed; voor de welvoeglijkheid

had men hem een smal schortje om zijn buik gebonden.

"Dompel mij langzamerhand onder, wat ik u verzoeken mag," zeide hij.

Hij was bang voor het koude water. Hij vertelde nog, dat hij de

eerste maal zoo'n vreeselijke rilling gekregen had, dat hij zich

plechtig voorgenomen had niet weer te beginnen. Als men hem hoorde,

was er geen erger marteling denkbaar. Verder, zeide hij, had het water

niets aantrekkelijks; want uit vrees, dat het door de bron geleverde

water niet voldoende zijn zou, laten de paters der Grot het water

slechts tweemaal per dag ververschen; en daar er in hetzelfde water

meer dan honderd zieken gingen, kan men zich voorstellen, welk een

verschrikkelijke brei het ten slotte werd.

Alles vond men erin, bloeddraden, stukken huid, korsten, pluksel en

verbanden, een afschuwlijk consommé van alle kwalen, alle wonden,

alle besmetting: een echte kweekplaats van vergiftigende kiemen;

een essence van de vreeselijkste giffen; het wonder scheen daarin te

bestaan, dat men levend uit die menschelijke modder kwam.

"Zachtjes aan, zachtjes aan!" herhaalde mijnheer Sabathier tegen

Pierre en den markies, die hem onder de dijen genomen hadden, om hem

naar het bad te dragen.

Hij keek met kinderlijken angst naar het water, dat dikke, loodkleurige

water, waarop verdacht glimmende plekken dreven. Links aan den rand

lag een roode bloedklonter, alsof een abces op die plek doorgebroken

was. Stukken linnen zwommen rond als dood vleesch. Maar zijn schrik

voor het koude water was zoo groot, dat hij toch die vuile baden

van den namiddag liever had, omdat alle lichamen, die er zich in

onderdompelden, het water ten slotte wat warmer maakten.

"Wij zullen u langs de treden laten afglijden," fluisterde de markies.

Dan verzocht hij Pierre hem stevig onder de oksels vast te houden.

"Wees maar niet bang," zeide de priester; "ik zal hem niet loslaten."

Langzaam werd mijnheer Sabathier neergelaten. Men zag nog slechts

zijn rug, een armzaligen, pijnlijken rug, die slingerde en opzwol en

vlammende kleuren kreeg. Toen hij ondergedompeld werd, viel zijn hoofd

krampachtig achterover, hoorde men iets als het kraken van beenderen,

terwijl hij benauwd adem haalde, als zou hij stikken.

De geestelijke, die voor het bad stond, begon weer met nieuwen

geestdrift:

"Heer, genees onze zieken!... Heer, genees onze zieken!"...

Mijnheer de Salmon-Roquebert herhaalde het gebed, dat voor de helpers

bij iedere onderdompeling voorgeschreven was. Pierre moest het ook

doen en zijn medelijden bij het zien van al dat lijden was zóó groot,

dat hij iets van zijn geloof terugvond; in langen tijd had hij niet zoo

gebeden; hij wenschte vurig, dat er een God in den hemel was, wiens

almacht de lijdende menschheid verlichting zou kunnen schenken. Maar

toen zij na drie of vier minuten mijnheer Sabathier doodsbleek

en rillend van koude uit het bad optrokken, overviel hem een nog

troosteloozer droefheid bij het zien van dien ongelukkigen verlamde,

die geen enkele verlichting voelde: nog een nuttelooze poging! De

Heilige Maagd had zich ook de zevende maal niet verwaardigd hem te

verhooren. Hij sloot de oogen, twee dikke tranen druppelden uit zijn

oogleden, terwijl men hem weer aankleedde.

Daarna zag Pierre den kleinen Gustave Vigneron, die met zijn kruk

binnenkwam, om zijn eerste bad te nemen. Bij de deur waren zijn vader,

zijn moeder en zijn tante, madame Chaise, op hun knieën gevallen. In

de menigte werd gemompeld; men fluisterde, dat het een hoofdambtenaar

van het ministerie van Financiën was. Juist toen het kind zich begon

te ontkleeden, ontstond er een opwindende beweging; pater Fourcade en

pater Massias kwamen aanloopen en gaven bevel de onderdompelingen te

staken. Het groote wonder zou beproefd worden, de buitengewone genade,

waarom sedert den ochtend zoo vurig gesmeekt werd, de herrijzenis

van den man.

Buiten bleef het bidden aanhouden, een razend aanroepen van

stemmen, die zich, in den warmen zomermiddag, in den hemel

verloren. Een overdekte baar werd binnengedragen en midden in het

vertrek neergezet. Baron Suire, de voorzitter der Hospitalité, en

Berthaud volgden, want het avontuur bracht het geheele personeel in

beweging. Tusschen deze twee en de beide paters van Maria Hemelvaart

werd een fluisterend gesprek gevoerd. Dan vielen dezen op hun knieën,

met hun armen in den vorm van een kruis ten hemel geheven, en baden,

hun gezicht straalde, verheerlijkt door hun vurigen wensch om Gods

almacht zich te zien openbaren.

"Heer, verhoor ons!... Heer, verhoor ons!"

Men had mijnheer Sabathier weggevoerd; er waren geen andere zieken

meer dan de kleine Gustave, die half ontkleed op een stoel vergeten

was. De lakens van de baar werden weggetrokken, het lijk van den

man werd zichtbaar, stijf reeds, als ingeschrompeld en vermagerd,

de groote oogen, die zich niet sluiten wilden, wijd open. Maar

men moest hem ontkleeden, want hij had zijn kleeren nog aan: dit

vreeselijke werk deed de helpers een oogenblik aarzelen. Pierre zag,

dat markies de Salmon-Roquebert, die zich met zooveel toewijding aan

de levenden gaf, ter zijde was gaan staan en ook neerknielde, om het

lijk niet aan behoeven te raken. Hij volgde zijn voorbeeld en knielde,

om zich een houding te geven, naast hem neer.

Langzamerhand geraakte pater Massias in geestdrift en bad met zoo

luide stem, dat zij die van zijn superieur, pater Fourcade, overstemde.

"Heer, geef ons onzen broeder terug!... Heer, doe het tot Uw roem!"

Reeds had een der helpers zich vermand de broek van den man uit te

trekken, maar de beenen gaven niet mede, het lijk moest opgelicht

worden; de andere helper, die de oude jas losknoopte, maakte half

fluisterend de opmerking, dat het eenvoudiger zou zijn alles met een

schaar los te knippen, anders zou men nooit klaar komen.

Berthaud kwam vlug naar hem toe. Hij had even baron Suire

geraadpleegd. In den grond van zijn hart keurde hij, als ervaren man,

het af, dat pater Fourcade een dergelijk avontuur beproefd had. Maar

het was nu niet mogelijk meer de zaak geen voortgang te doen hebben;

de menigte wachtte, smeekte sedert den ochtend den hemel. Het was

het verstandigst de zaak zoo spoedig mogelijk en met den grootst

mogelijken eerbied voor den doode tot een einde te brengen. Berthaud

vond het dan ook beter, om hem geheel gekleed onder te dompelen dan

met hem te sollen tot hij ontkleed zou zijn. Het zou nog altijd vroeg

genoeg zijn om hem van kleeren te doen verwisselen, wanneer hij tot

het leven terugkeerde; was dat niet het geval, wat kwam het er dan

eigenlijk op aan? Vlug zeide hij dat alles tegen de mannen, waarna hij

hen hielp riemen onder de dijen en de schouders van den man te doen.

Pater Fourcade had met een hoofdknikje zijn toestemming gegeven,

terwijl pater Massias zijn gebeden nog hartstochtelijker ten hemel

zond:

"Heer, blaas op hem en hij zal herleven!... Heer, geef hem zijn ziel

terug, opdat hij u love!"

De twee helpers lichtten den man aan de riemen op, droegen hem boven

het bad en lieten hem dan, gekweld door vrees, dat hij uit de riemen

schieten zou, langzaam in het water neer. En Pierre, door afschuw

aangegrepen, zag hoe het lijk onderdompelde met zijn afgedragen

kleeren, die tegen het lichaam plakten en het geraamte duidelijk

afteekenden. Hij bleef drijven als een verdronken drenkeling. Het

afschuwlijkste was, dat het hoofd, ondanks de stijfheid, achterover

viel; het bleef onder water, hoezeer de helpers ook trachtten den riem

van de schouders op te trekken. Een oogenblik scheelde het weinig of

de man was uit de riemen gegleden. Hoe zou hij zijn adem terug kunnen

krijgen, nu hij zijn mond onder water had, terwijl zijn groote open

oogen onder dezen sluier voor de tweede maal schenen te breken.

Gedurende de drie eindelooze minuten, die men hem onder hield,

trachtten de twee paters van Maria Hemelvaart en de andere geestelijke,

in een paroxysme van hoop en geloof, den hemel als het ware te dwingen.

"Heer, zie hem slechts aan, en hij zal uit den doode herrijzen!...

Heer, dat hij opsta op Uw woord, om de wereld te bekeeren!... Heer,

U hebt slechts één woord te zeggen, en de geheele wereld zal Uw lof

verkondigen!"

Alsof een bloedvat in zijn keel gesprongen was, viel pater Massias

rochelend op zijn ellebogen, had nog slechts de kracht, om de tegels te

kussen. En van buiten drong nog steeds het geschreeuw der menigte, de

steeds weer herhaalde kreet, dien de capucijner nog altijd uitstiet:

"Heer, genees onze zieken!..." Het klonk zoo vreemd, dat Pierre

een kreet van verzet moest onderdrukken. Naast zich voelde hij den

markies beven. Het was dan ook een algemeene opluchting, toen Berthaud,

die beslist boos was over dit avontuur, met iets barsch in zijn stem

tegen de helpers zeide:

"Haalt hem eruit! Haalt hem er toch uit!"

Ze haalden den man op en legden hem in de lompen, welke als die

van een drenkeling aan zijn ledematen plakten, op de baar. Uit zijn

haren dropen kleine beekjes, die den vloer overstroomden. En de doode

bleef dood.

Allen waren opgestaan en keken te midden van een benauwende stilte

naar hem. Toen men hem weer bedekte en hem wegdroeg, volgde pater

Fourcade hem, leunend op den schouder van pater Massias, trekkend met

zijn jichtig been, waarvan hij de pijnlijke stijfheid een oogenblik

vergeten had. Hij vond onmiddellijk zijn kalme sterkte terug en

tijdens een stilte hoorde men hem tegen de menigte zeggen:

"Geliefde broeders en zusters, God heeft hem ons niet terug willen

geven. Zeker omdat Hij hem in Zijn oneindige goedheid onder Zijn

uitverkorenen heeft opgenomen."

Dat was alles; van den man was geen sprake meer. Weer werden zieken

aangebracht, de twee andere hokjes waren nu ook bezet. Intusschen

kleedde de kleine Gustave, die het tooneel zonder angst, met

nieuwsgierig-scherpen blik gevolgd had, zich verder uit. Zijn

jammerlijk, klierachtig kinderlichaam met zijn vooruitspringende

ribben en den doornvormigen ruggegraat, kwam bloot. Het was zoo mager,

dat zijn beenen op stokken geleken, het linker vooral, dat heelemaal

uitgeteerd, de beenderen liet zien; bovendien had hij twee wonden,

een aan de dij en een aan de heup, deze laatste afzichtelijk met het

vleesch, dat geheel bloot lag.

Toch glimlachte hij: het lijden had hem zóó gelouterd, dat hij

ondanks zijn vijftien jaar, die hem nauwlijks tien deden schijnen,

het verstand en de dappere philosophie van een man scheen te hebben.

Markies de Salmon-Roquebert, die hem voorzichtig in zijn armen genomen

had, weigerde Pierre's hulp.

"Dank u, hij is niet zwaarder dan een vogeltje... Wees maar niet bang,

jongen, ik zal het langzaam aan doen."

"O, mijnheer, ik ben niet bang voor koud water, u kunt me gerust

kopje onder doen."

Zoo werd hij in het bad gebracht, waarin men het lijk gedompeld

had. Bij de deur waren madame Vigneron en madame Chaise, die niet

konden binnenkomen, weer neergeknield en baden vurig, terwijl de

vader, die in het vertrek toegelaten was, telkens weer het teeken

des kruises maakte.

Pierre ging, nu hij niet meer helpen kon, weg. De plotseling in

hem opkomende gedachte, dat het reeds lang drie uur geslagen had en

Marie dus op hem wachten moest, deed hem zich haasten. Maar terwijl

hij trachtte door de menigte heen te komen, zag hij het jonge meisje

reeds komen, voortgereden door Gérard, die steeds meer zieken naar

de vijvers bracht. Zij was ongeduldig geworden; plotseling had zij

de zekerheid gekregen, dat zij zich nu in een staat, waarin zij de

genade waardig was, verkeerde. Vriendelijk verwijtend zeide zij:

"Hadt je me vergeten, vriendlief?"

Hij wist niet wat te antwoorden, zag haar in den ingang van

den vrouwenvijver verdwijnen en viel doodelijk bedroefd op zijn

knieën. Zóó, in die houding, wilde hij op haar wachten, om haar,

ongetwijfeld genezen en lofzangen zingend, naar de Grot terug

te brengen. Moest zij, nu zij zeker was van haar genezing, niet

genezen worden? Maar vergeefs zocht hij naar woorden des gebeds in

het diepst van zijn geschokt gemoed. Hij bleef onder den indruk

der verschrikkelijke dingen, die hij gezien had. Hij voelde zich

uitgeput van physieke vermoeidheid en zoo geestelijk terneergedrukt,

dat hij niet meer wist, wat hij zag of geloofde. Alleen zijn overgroote

teedere liefde voor Marie bleef, deze liefde, die in hem een behoefte

wakker riep aan smeeken en vernedering, overtuigd als hij was, dat de

kleinen, wanneer zij werkelijk lief hadden en de machtigen smeeken,

ten slotte genade verkrijgen. En tot zijn eigen verbazing hoorde hij

zichzelf met een door angst beklemde stem, die uit het diepst van

zijn wezen kwam, met de menigte instemmen:

"Heer, genees onze zieken!... Heer, genees onze zieken!..."

Dat duurde tien minuten, een kwartier misschien. Toen kwam Marie

in haar wagentje terug. De wanhoop stond op haar bleek gelaat;

haar mooie haren waren opgenomen in een zwaren, gouden wrong, dien

het water niet aangeraakt had. Zij was niet genezen. Eene ontzetting

van oneindige moedeloosheid sloot haar mond, terwijl haar oogen zich

afwendden als om niet de blikken te ontmoeten van den priester, die,

diep ontroerd en met een tot ijs verstijfd hart zich vermande om haar

weer voor de Grot terug te rijden.

En de kreet der geloovigen, die, hun armen in den vorm van een kruis

ten hemel heffend, den grond kusten, rees weer op in den toenemenden

waanzin, die door de scherpe stem van den capucijner aangezweept werd.

"Heer, genees onze zieken!... Heer, genees onze zieken!..."

Toen Pierre weer met haar voor de Grot stilhield, kreeg zij een

flauwte. Gérard, die er ook bij was, zag Raymonde met een kop bouillon

toeschieten; en van dat oogenblik af was het tusschen die twee als

het ware een wedstrijd, om de zieke te helpen. Raymonde deed al het

mogelijke om haar den bouillon te doen drinken: vriendelijk en met de

liefkoozende gebaartjes van een verpleegster hield zij haar den kop

voor, zoodat Gérard dit meisje zonder vermogen, dat reeds zoo ervaren

in de dingen des levens was en geheel voorbereid scheen te zijn

met krachtige en toch liefderijke hand een huishouden te besturen,

wel bekoorlijk vinden moest. Berthaud had gelijk: dit was de vrouw,

die hij noodig had.

"Wil ik haar misschien wat oprichten, mademoiselle?" vroeg hij.

"Dank u, mijnheer, ik ben sterk genoeg... Trouwens ik zal haar met

den lepel wat ingieten, dat gaat makkelijker."

Maar Marie, die in haar schuw zwijgen volhardde, kwam weer bij en

weigerde met een gebaar den bouillon. Zij wilde dat men haar met

rust laten en niet tegen haar spreken zou. Eerst toen de anderen,

tegen elkaar glimlachend, zich verwijderden, zeide zij met doffe stem

tegen den priester:

"Vader is dus niet gekomen?"

Pierre aarzelde even, doch moest dan de waarheid bekennen:

"Ik heb je vader laten slapen; hij zal niet wakker geworden zijn."

Toen viel Marie in haar moedeloosheid terug en zond ook hem met een

gebaar, waarmede zij alle hulp afwees, weg. Onbeweeglijk bleef zij

liggen, zij bad niet meer, staarde slechts met haar groote strakke

oogen naar de marmeren Maagd, het witte beeld in den lichtglans der

Grot. En daar het vier uur sloeg, ging Pierre, die zich zijn afspraak

met dr. Chassaigne herinnerde, diep bedroefd naar het bureau, waar

de wonderen geconstateerd worden.

De drie steden: Lourdes · 第 19 / 41 题