's Avonds tegen elf uur kwam Pierre, die mijnheer de Guersaint in zijn
kamer in het Hôtel des Apparitions alleen liet, op het denkbeeld,
alvorens zelf zich ter ruste te begeven, nog even naar het Hôpital
de Notre-Dame des Douleurs te gaan. Hij had Marie zoo wanhopig en zoo
volhardend in een schuw zwijgen achtergelaten, dat hij zich ongerust
maakte. En nadat hij madame de Jonquière even aan de deur van de zaal
Sainte-Honorine had laten komen, werd zijn ongerustheid nog grooter,
want de berichten waren allesbehalve goed: de directrice vertelde
hem, dat het jonge meisje nog geen woord gezegd had, niemand wilde
antwoorden en zelfs weigerde te eten. Zij stond er dan ook op, dat
Pierre binnenkwam. De vrouwenzalen waren 's nachts wel voor mannen
gesloten; maar een priester is geen man.
"Zij houdt slechts van u, zij zal slechts naar u luisteren. Kom toch
binnen, ga bij haar bed zitten en wacht hier op abbé Judaine. Die
zou tegen één uur de communie komen toedienen aan de ergste zieken,
die niet meer getransporteerd kunnen worden en zoodra het dag is,
eten. U zoudt hem kunnen helpen."
Pierre volgde madame de Jonquière en ging aan het bed van Marie zitten.
"Kindlief, ik breng iemand mee, die veel van je houdt... Je zult nu
zeker wel verstandig worden en eens met hem praten."
Toen de zieke Pierre zag, keek zij hem echter met een uitdrukking
van verbitterd lijden aan; haar trekken waren hard.
"Wil je, dat hij je wat voorleest, één van die mooie verhalen, die
troost geven, zooals hij er een in den wagon gedaan heeft? Maar daar
heb je misschien nu geen lust in. Enfin, straks zullen we wel verder
zien... Ik laat je nu maar met hem alleen, en ik weet zeker, dat je
dadelijk heel lief zal zijn."
Vergeefs praatte Pierre zacht met haar en zeide haar alles wat zijn
liefdevolle toegenegenheid voor haar hem ingaf; hij smeekte haar zich
niet zoo over te geven aan haar wanhoop. Wanneer de Heilige Maagd
haar niet den eersten dag genezen had, dan was dat alleen, omdat zij
haar voor het een of ander eclatante wonder uitverkoren had. Maar zij
had haar hoofd afgewend, zij scheen zelfs niet naar hem te luisteren,
om haar mond lag een bittere trek, haar vertoornde oogen staarden in
het niet. Hij moest wel zwijgen; keek nu de zaal rond.
Het was een afschuwlijk schouwspel. Nog nooit was hij zoo
onpasselijk geworden van een walging, die medelijden en afschuw in hem
opwekten. Het middagmaal was reeds lang gebruikt, maar nog steeds lagen
er porties op de lakens; en tot aan het lichten van den nieuwen dag
waren er, die nog aten, terwijl anderen lagen te jammeren of smeekten,
dat men ze omdraaide of op den pot zette. Naarmate het later werd,
maakte een soort ijlkoorts zich van allen meester.
Maar heel enkelen sliepen rustig, sommigen lagen uitgekleed onder
de dekens, maar de meesten eenvoudig er bovenop uitgestrekt; het
was zoo moeilijk haar uit te kleeden, dat zij zelfs gedurende de
vijf dagen, die de bedevaart duurde, niet verschoond werden. In het
halfdonker leek de zaal nog voller: de vijftien bedden, die langs de
muren stonden, de zeven matrassen, die in den hoofddoorgang gelegd
waren, andere, die er later nog waren bijgevoegd, een ophooping van
tallooze lompen, waartusschen de bagage, de oude manden, de kisten,
de valiezen opgestapeld stonden. Men wist niet meer waar men zijn voet
moest zetten. Twee walmende lantaarns verlichtten ternauwernood dit
kampement van stervenden; ondanks de twee half openstaande ramen,
waardoor trouwens slechts de zwoele warmte van den Augustusnacht
binnenkwam, was de stank ondragelijk. Schimmen en gillen bevolkten
deze hel in den nachtelijken doodsangst van zooveel lijden.
Pierre herkende Raymonde, die, nu haar dienst afgeloopen was, nog even
haar moeder een zoen kwam geven, voor zij ging slapen in een der voor
de zusters gereserveerde dakkamertjes. Madame de Jonquière, die haar
taak als directrice zeer ernstig opnam, deed die drie nachten geen
oog dicht. Zij had wel een fauteuil, waarin zij makkelijk kon liggen,
maar zij kon er geen oogenblik in gaan zitten, zonder onmiddellijk
weer gestoord te worden. Overigens werd zij dapper bijgestaan door de
kleine madame Désagneaux, die zich zoo vol toewijding aan haar taak
gaf, dat zuster Hyacinthe haar lachend gevraagd had: "Waarom wordt
u geen pleegzuster?" Waarop zij eenigszins verschrikt en verbaasd
geantwoord had: "Dat gaat niet, ik ben getrouwd en ben dol op mijn
man!" Madame Volmar had zich niet meer laten zien. Men vertelde,
dat zij zoo'n vreeselijke hoofdpijn had, dat zij naar bed had
moeten gaan, wat madame Désagneaux verontwaardigd had doen vragen,
waarom je hierheen kwam, om zieken te verplegen, als je zelf zoo zwak
was. Maar langzamerhand begon zij zich ook geradbraakt aan armen en
beenen te voelen, hoewel zij het zich zelf niet wilde bekennen en
bij de minste klacht dadelijk bereid was om te helpen. Zij, die in
haar appartementen te Parijs liever een knecht gescheld zou hebben
dan zelf een lamp te verzetten, liep hier rond met potten en kannen,
ledigde kommen, richtte de zieken op, terwijl madame de Jonquière een
kussen achter haar schoof. Doch om elf uur kon zij niet meer. Zij was
zoo onvoorzichtig zich even uit te strekken in den fauteuil en sliep
toen dadelijk in. Haar aardig kopje met de mooie, blonde, weerspannige
haren was op haar schouder afgezakt. En noch het gejammer, noch het
roepen, noch eenig ander geluid kon haar wakker maken.
Zachtjes was madame de Jonquière weer naar den jongen priester gekomen
en zeide tegen hem:
"Ik had er wel aan gedacht om mijnheer Ferrand, u weet wel den dokter,
te laten halen; misschien had hij het arme kind wat kunnen geven om te
kalmeeren, maar hij is beneden bezig met broeder Isidore. En bovendien
we laten hier niemand geneeskundig behandelen, wij komen hier slechts,
om onze lieve zieken in de handen der Heilige Maagd te leggen."
Zuster Hyacinthe, die dezen nacht met de directrice wilde waken,
voegde zich bij hen.
"Ik kom zoo juist uit de mannenzaal; ik had mijnheer Sabathier een
paar sinaasappelen beloofd. Het is mijnheer Ferrand gelukt broeder
Isidore weer tot het leven terug te roepen... Wilt u misschien,
dat ik hem even ga halen?"
Maar Pierre verzette zich ertegen.
"Wel neen, Marie zal wel verstandig zijn. Ik zal haar wel kalmeeren."
Maar Marie bleef nog steeds hardnekkig zwijgen. Een van de twee
lantaarns hing vlak bij haar bed, en Pierre zag heel duidelijk haar
mager gezicht, waarin geen spier vertrok. In het bed ernaast zag hij
het hoofd van Elise Rouquet, die in een diepen slaap verzonken was. Zij
lag zonder sluier met haar gezicht naar boven, waarin de afzichtelijke
wond toch bleef toetrekken. Links van zich zag hij de uitgeputte madame
Vêtu, die, geschokt als zij werd door een onophoudelijk reutelen,
den slaap niet vatten kon. Hij zeide een paar bemoedigende woorden tot
haar. Zij dankte hem met een hoofdknikje en voegde er zwakjes aan toe:
"Er hebben vandaag verschillende genezingen plaats gehad, dat maakt
me zoo gelukkig."
La Grivotte, die aan het voeteneinde van het bed op een matras lag,
hield maar niet op, zich in haar drukke opgewondenheid op te richten
en tegen ieder, die kwam, te herhalen:
"Ik ben genezen!... Ik ben genezen!"
En zij vertelde, dat zij een halve kip verorberd had, zij, die in
geen twee maanden gegeten had. Daarna had zij bijna twee uur lang
medegeloopen in de fakkelprocessie. Zij zou zeker tot vroeg in den
ochtend gedanst hebben, als de Heilige Maagd een bal gegeven had.
"Ik ben genezen, o, heelemaal genezen!"
En met een kinderlijke vroolijkheid, met een glimlachende zelfverzaking
kon madame Vêtu nog zeggen:
"De Heilige Maagd heeft er goed aan gedaan, deze te genezen, die zoo
arm is. Dat maakt mij gelukkiger dan wanneer ik het zelf was. Ik heb
immers mijn winkel en kan nog best wat wachten... Ieder op zijn beurt,
ieder op zijn beurt!"
Bijna allen toonden die Christelijke liefde, die ongelooflijke
blijdschap over de genezing van anderen. Slechts hoogst zelden waren
zij jaloersch, allen gaven zich over aan een soort gelukkige epidemie,
de aanstekelijke hoop den volgenden dag ook genezen te worden, als
de Heilige Maagd het wilde. Je moest haar niet verdrietig maken,
je niet ongeduldig betoonen, want zij had er natuurlijk haar goede
redenen voor, wist waarom zij liever met deze dan met gene begon. De
ergste zieken baden dan ook, in die broederschap van lijden en hoop,
voor haar, die naast haar lagen. Ieder nieuw wonder was een onderpand
voor het volgende. Onwrikbaar kwam haar geloof steeds weer boven. Men
vertelde de geschiedenis van een verlamd boerenmeisje, dat met een
buitengewone wilskracht in de Grot eenige passen geloopen had. In het
Hôpital teruggekeerd, had zij zich weer naar beneden laten brengen,
daar zij naar de voeten van Notre-Dame de Lourdes wilde teruggaan, maar
op de helft van den weg was zij hijgend en doodsbleek neergevallen. Op
een brancard had men haar toen weer naar het Hôpital teruggebracht,
waar zij gestorven was; genezen, zeiden degenen, die in de zaal naast
haar lagen. Ieder op zijn beurt, de Heilige Maagd vergat geen van haar
geliefde dochters, indien het tenminste niet in haar bedoeling lag
een van haar uitverkorenen onmiddellijk de genade van het paradijs
deelachtig te doen worden.
Plotseling, juist toen Pierre zich over haar heen boog, om nogmaals
te vragen, of hij haar wat wilde voorlezen, barstte Marie in een wild
snikken uit. Zij had haar hoofd laten neervallen op den schouder van
haar vriend en zeide hem met een zachte, maar angstaanjagende stem te
midden van de vage schaduwen dier vreeselijke zaal haar woede. Het
was bij haar, iets, wat zoo zelden voorkomt, een verliezen van het
geloof, een plotseling wegzinken van den moed, een opstand van het
lijdende schepsel, dat niet langer wachten kan. Ja, het werd bij haar
een godslastering.
"Neen, neen, zij is slecht, zij is onrechtvaardig. Ik was er zoo
zeker van, dat zij mij vandaag zou verhooren, en ik had haar zoo
gesmeekt! Nooit zal ik genezen, nu deze eerste dag ten einde loopt. Het
was een Zaterdag, ik was zoo overtuigd, dat zij mij op een Zaterdag
genezen zou... O, Pierre, ik wilde niet meer spreken, belet mij om
te spreken, want mijn hart is zóó vol, dat ik te veel zeggen zou!"
In een broederlijke omarming had hij haar hoofd tegen zich aangedrukt,
trachtte dien kreet van haar verzet te smoren.
"Marie, zwijg toch! Ze mogen je niet hooren... Jij, zoo vroom! Wil
je dan al deze zielen ergeren?"
Maar zij kon niet zwijgen.
"Ik zou stikken, ik moet spreken... Ik heb haar niet meer lief, ik
geloof niet meer in haar. Alles wat men hier vertelt zijn leugens:
er is niets, zij bestaat zelfs niet; zij luistert immers niet, als
je haar roept en als je weent. Als je alles eens wist, wat ik tot
haar gezegd heb... Neem me mee, dan kan ik op straat sterven, waar
de voorbijgangers ten minste medelijden zullen hebben met mijn lijden."
Haar stem was allengs zwakker geworden, stamelend als een kind viel
zij op haar kussen terug.
"En niemand houdt ook van me. Vader was er zelfs niet. En jij,
arme jongen, hadt me ook in den steek gelaten. Toen ik zag, dat een
ander mij naar den vijver reed, voelde ik in mijn hart zoo'n bittere
koude. Ja, die koude van den twijfel, dien ik in Parijs zoo dikwijls
gevoeld heb. Een ding is zeker: dat zij mij niet genezen heeft, komt,
omdat ik getwijfeld heb. Ik zal slecht gebeden hebben, ik ben niet
heilig genoeg..."
De godslasteringen hadden reeds opgehouden, zij vond reeds
verontschuldigingen voor den hemel. Maar haar gezicht bleef verbitterd
in dien strijd tegen de hoogere macht, die zij zoo lief gehad en
gebeden had, maar die haar niet verhoord had. Wanneer er een enkele
maal zoo'n aanval van woede losbrak en het in de bedden tot dergelijke
opstanden tegen God, tot wanhoop en snikken, ja zelfs tot vloeken
kwam, dan trokken de dames en de zusters, eenigszins schuw en bang,
eenvoudig de gordijnen dicht. De genade had zich teruggetrokken
en men moest wachten, tot zij terugkeerde. Dan trad langzamerhand
een kalmte in en na enkele uren was alles te midden van de diepe,
treurige stilte gestorven.
"Blijf toch kalm, blijf toch kalm, ik smeek het je," zeide Pierre,
die zag, dat een andere crisis, een van twijfel aan zich zelf, van
angst de goddelijke genade onwaardig te zijn, zich van Marie dreigde
meester te maken.
Ook zuster Hyacinthe was bij haar bed komen staan.
"Maar je zult straks de heilige communie niet kunnen ontvangen,
kindlief, als je in zoo'n opgewonden toestand blijft. En waarom
wil je niet, dat mijnheer de abbé je wat voorleest, nu wij het ook
goed vinden?"
Zij maakte een moe gebaar als om te zeggen, dat zij het goed vond en
onmiddellijk haalde Pierre uit het valies, dat aan het voeteneinde
van het bed stond, het kleine boekje met blauwen omslag, waarin zoo
naïef de geschiedenis van Bernadette verteld werd. Maar evenmin als
den vorigen nacht in den voortrollenden trein hield hij zich aan den
besnoeiden tekst van het boekje, maar improviseerde hij, waarbij hij
de feiten op zijn wijze weergaf, terwijl de denker en de analyst in
hem geen weerstand bieden konden aan de verleiding om de waarheid
te herstellen, deze legende, wier eeuwig wonder tot de genezing der
zieken medewerkte, meer menschelijk te maken. En weldra richtten
zich van alle matrassen naast hem vrouwen op, die het vervolg van het
verhaal wilden hooren, want het smachtend verlangen naar de communie
belette bijna allen om te slapen.
Zoo verhief Pierre, zittend in het bleeke schijnsel van de lantaarn,
die boven hem hing, langzamerhand zijn stem, om zich voor de geheele
zaal verstaanbaar te maken.
"Dadelijk na de eerste wonderen begonnen de vervolgingen. Bernadette
werd als een leugenaarster en een krankzinnige behandeld, en men
dreigde haar in de gevangenis te zetten. Abbé Peyramale, pastoor van
Lourdes en monseigneur Laurence, bisschop van Tarbes, benevens de
geheele geestelijkheid hielden zich op den achtergrond en wachtten
met de grootste voorzichtigheid de dingen af, terwijl de burgerlijke
autoriteiten, de prefect, de officier van justitie, de burgemeester,
de commissaris van politie zich in hun overmatigen ijver tot
betreurenswaardige excessen tegen den godsdienst lieten verleiden..."
Terwijl hij zoo voortging, zag Pierre, hoe de ware geschiedenis met
een onweerstaanbare kracht voor hem oprees. Hij ging nog wat in de
geschiedenis terug en vond Bernadette weer terug op het oogenblik van
de eerste verschijningen. Zij was zoo rein, zoo kinderlijk-oprecht,
zoo aanbiddelijk van onschuld en goede trouw in haar lijden. Zij
was de helderziende, de heilige, wier gelaat in de oogenblikken
van extase een uitdrukking van bovenmenschelijke schoonheid kreeg:
haar voorhoofd straalde, haar trekken schenen verheerlijkt te worden,
haar oogen baadden in licht, terwijl de half geopende mond van liefde
brandde. Haar geheele persoon was dan vol van een verheven majesteit,
zij maakte langzame en verheven teekenen des kruises, die als het ware
den geheelen horizont omvatten. De aangrenzende dalen, de dorpen,
de steden spraken over niets dan over Bernadette. En hoewel de
Heilige Maagd zich nog niet bekend gemaakt had, herkende men haar,
zeide men: "Dat is de Heilige Maagd!" Den eersten marktdag kwamen er
zooveel menschen, dat Lourdes wel overstroomd leek. Allen wilden het
gebenedijde kind zien, de uitverkorene van de Koningin der Engelen,
die zoo mooi werd, wanneer de hemelen zich voor haar verrukte
oogen openden. Iederen ochtend werd de menigte aan den oever van
den Gave grooter; duizenden verdrongen er zich om toch maar niets
van het schouwspel te verliezen. Zoodra Bernadette zich vertoonde,
liep een geprevel door de schare: "Daar is de heilige, de heilige,
de heilige!" Men snelde naar haar toe, kuste haar kleeren. Zij was
de Messias, de eeuwige Messias, dien de volkeren verwachten en naar
wien door alle eeuwen heen alle geslachten smachten. En steeds weer
herhaalde zich hetzelfde: een openbaring der Maagd aan een herderin;
een stem, die de wereld vermaande tot boetedoening; een bron, die
ontsprong; wonderen, die de in steeds grooter getale samenstroomende
menigte met verbazing sloegen en verrukten.
O, die eerste wonderen van Lourdes! Welk een heerlijke
lentebloesempracht van troost in het hart der ellendigen, die door
armoede en ziekte verteerd werden! Het genezen oog van den ouden
Bourriette; de jonge Bouhohorts, in het koude water weer tot het leven
teruggeroepen; dooven, die weer hoorden; lammen, die weer liepen;
en zoovele anderen, Blaise Maumus, Bernade Soubies, Auguste Bordes,
Blaisette Soupenne, Benoite Cazeaux, die van de ergste ziekten
verlost werden, vormden het onderwerp van eindelooze gesprekken,
verlevendigden de hoop weer van allen, die geestelijk of lichamelijk
leden. Donderdag, den vierden Maart, den laatsten dag van de door de
Heilige Maagd verlangde bezoeken, waren er meer dan twintigduizend
personen voor de Grot, was het geheele gebergte afgedaald. En die
ontzaglijke menigte vond daar waarnaar zij hongerde: het voedsel van
het goddelijke, het feestmaal van het wonderbaarlijke, genoeg van het
onmogelijke, om haar geloof te bevredigen aan een hoogere macht, die
zich verwaardigde zich in te laten met de armen, die op opzienbarende
wijze ingreep in de ellendige toestanden hier op aarde, om er een
weinig gerechtigheid en goedheid te brengen. De roep der goddelijke
liefde weerklonk, de onzichtbare en hulpvaardige hand strekte zich uit,
verbond de eeuwige wonde der menschheid. O, met welk een onverwoestbare
kracht schoot deze droom, dien ieder geslacht op zijn beurt opnieuw
droomde, weer wortel bij de onterfden, zoodra hij een gunstigen,
door de omstandigheden voorbereiden bodem gevonden had. En misschien
hadden in geen eeuwen de feiten zich zoo samengevoegd, om, zooals in
Lourdes, den mystieken haard van het geloof te doen ontvlammen.
Een nieuwe godsdienst begon zich te grondvesten, en onmiddellijk
kwamen de vervolgingen los, want de godsdiensten gedijen slechts
onder martelingen en verzet. Evenals vroeger te Jeruzalem, toen het
gerucht zich verspreidde, dat wonderen opbloeiden onder de stappen
van den verwachten Verlosser, geraakten ook hier de burgerlijke
autoriteiten in opwinding, de officier van justitie, de vrederechter,
de burgemeester en vooral de prefect van Tarbes. Deze was toevallig een
streng geloovig Katholiek, een rechtschapen man, die zijn godsdienstige
plichten steeds waarnam, maar bovendien een echte bestuursambtenaar,
een hartstochtelijk verdediger van de goede orde, een verklaard
tegenstander van alle fanatisme, waaruit oproer en godsdienstige
ontaarding voortvloeit. Te Lourdes had hij onder zijn bevelen een
commissaris van politie, die den zeer begrijpelijken wensch koesterde
zijn gaven van helder doorzicht te bewijzen.
En zoo begon de strijd: den eersten Vastenzondag, vlak na de eerste
verschijningen, liet deze commissaris Bernadette voor zich komen,
om haar te ondervragen. Vergeefs trad hij in den beginne liefderijk,
dan opvliegend en dreigend op: hij kreeg van het meisje steeds dezelfde
antwoorden. De geschiedenis, die zij met de langzamerhand toegenomen
bijzonderheden vertelde, had zich van lieverlede onherroepelijk in
haar kinderlijk brein vastgezet. En bij deze arme hysterica was
dat geen leugen; het was een onbewust opgedrongen gedachte, een
ongeneeslijk gebrek aan wilskracht om zich los te maken van de eerste
hallucinatie. Het ongelukkige kind, het lieve, zachte kind! Van dat
oogenblik af was zij voor het leven verloren, werd zij gekruisigd
door haar idée fixe, waaruit men haar slechts zou hebben kunnen
losrukken door haar in een andere omgeving te brengen, door haar
terug te geven aan de vrije buitenlucht in een streek van licht en
menschenliefde! Maar zij was de uitverkorene, zij had de Heilige Maagd
gezien, daarom zou zij haar geheele leven lijden en ten slotte sterven.
Pierre, die Bernadette zoo goed begreep en aan haar nagedachtenis
een broederlijk medelijden, de warme toegenegenheid, die men voor een
menschelijke heilige, een eenvoudig, rechtschapen en in de marteling
voor haar geloof bekoorlijk wezen heeft, bewaarde, kon zijn ontroering
niet verbergen: zijn oogen waren vochtig, zijn stem beefde. Marie,
die tot dusverre met haar door verzet hard gelaat, strak voor zich
uit had liggen staren, maakte nu een gebaar van medelijden.
"De arme kleine," prevelde zij, "zoo alleen tegen die magistraten,
en zoo onschuldig, zoo fier, zoo zeker van haar zaak!"
Uit alle bedden steeg dezelfde lijdende sympathie op. De hel van deze
zaal in haar nachtelijke ellende, met haar vergiftigde atmosfeer, haar
opeenhooping van smartelijke ziekbedden, haar spookachtig heen en weer
geloop van door moeheid uitgeputte zusters, scheen verlicht te worden
door een glans van goddelijke liefde. Arme, arme Bernadette! Allen
waren verontwaardigd over de vervolgingen, die zij, om de werkelijkheid
van haar visioen te verdedigen, had moeten verduren.
Voortgaande, vertelde Pierre wat Bernadette te lijden had gehad. Na
het verhoor door den commissaris had zij nog voor de chambre du
Tribunal moeten verschijnen. De geheele magistratuur wilde haar
met alle geweld tot een herroeping dwingen. Maar het hardnekkig
vasthouden aan haar droom was sterker dan al de redeneeringen van al
de burgerlijke overheden te zamen. Twee doktoren, door den prefect
gezonden, om haar te onderzoeken, concludeerden te goeder trouw,
zooals trouwens ieder geneesheer gedaan zou hebben, tot zenuwstoringen,
waarvan het asthma een zekere aanwijzing was en die onder bepaalde
omstandigheden hallucinaties in het leven hadden kunnen roepen. Op die
conclusie was zij bijna in een ziekenhuis te Tarbes opgesloten. Maar
men durfde haar niet uit Lourdes te verwijderen, bang als men was
voor de volksverbittering. Een bisschop was gekomen om zich voor
haar op zijn knieën te werpen. Dames wilden haar genade met goud
koopen. Steeds grooter wordende scharen van geloovigen overstelpten
haar met bezoeken. Zij had een toevlucht gezocht bij de zusters van
Nevers, die de zieken in het gemeentelijke ziekenhuis verpleegden;
daar had zij haar eerste communie gedaan, daar leerde zij met moeite
lezen en schrijven. Daar de Heilige Maagd haar slechts voor het geluk
van anderen uitverkoren scheen te hebben en haar zelf niet van haar
chronische benauwdheden genas, besloot men haar naar de zoo nabij
gelegen baden van Cauterets te brengen, die haar echter in het geheel
geen goed deden.
Onmiddellijk na haar terugkeer te Lourdes begon de kwelling van
verhooren en van aanbidding door een geheel volk opnieuw in nog
erger mate, zoodat zij een afschuw van de wereld kreeg. Het was nu
voor goed uit: zij kon nu geen vroolijk kind meer zijn; geen jong
meisje worden, dat droomt van een echtgenoot; geen jonge vrouw, die
de wangen van mollige kinderen kust. Zij had de Heilige Maagd gezien,
zij was de uitverkorene en de martelares. De Heilige Maagd, zeiden
de geloovigen, had haar slechts drie geheimen toevertrouwd en haar
aldus gewapend met die driedubbele wapenrusting, om haar te midden
van haar beproevingen te steunen.
Lang had de geestelijkheid, zelf vol twijfel en ongerustheid, zich
van het uitspreken van een oordeel onthouden. De pastoor van Lourdes,
abbé Peyramale, was een ruw, maar buitengewoon goed, rechtschapen
en verwonderlijk energiek man, wanneer hij meende op den rechten
weg te zijn. De eerste maal, dat hij Bernadette bij zich kreeg,
ontving hij bijna even ruw als de commissaris van politie dit te
Bartrès opgevoede kind, dat men nog niet op de leering gezien had;
hij weigerde haar verhaal te gelooven en beval haar met eenige
ironie de Vrouwe te bidden vóór alles de wilde rozenstruik, die aan
haar voeten stond, te doen ontluiken, wat de Vrouwe niet deed. Dat
hij later als een goede herder, die zijn kudde verdedigt, het kind
onder zijn bescherming nam, was alleen, omdat, toen de vervolgingen
begonnen, men erover dacht dat ziekelijke meisje met haar zoo heldere
en vrijmoedige oogen gevangen te nemen. En bovendien waarom zou hij het
wonder blijven ontkennen, nadat hij er als voorzichtig priester, die
weinig lust heeft den godsdienst in een verdacht avontuur te werpen,
slechts aan getwijfeld had? De Heilige Boeken staan vol wonderen,
het geheele dogma is op het mysterie gebaseerd.
Vanaf dat oogenblik verzette, in de oogen van een priester, niets er
zich tegen, dat de Heilige Maagd dit godvruchtige kind belast had met
de opdracht voor hem, om een kerk te bouwen, waar de geloovigen zich
in processie heen zouden begeven. Op die wijze begon hij Bernadette
om haar charme lief te krijgen en te verdedigen, ook al hield hij
zich, in afwachting van de beslissing van zijn bisschop, bescheiden
op den achtergrond.
Deze bisschop, Mgr. Laurence, scheen zich in zijn paleis te Tarbes
achter driedubbele grendels opgesloten te hebben en bewaarde,
alsof er te Lourdes niets gebeurde, dat hem kon interesseeren,
het meest volmaakte stilzwijgen. Hij had aan zijn geestelijkheid
strenge bevelen gegeven, en geen priester had zich nog onder de groote
scharen, die geheele dagen voor de Grot doorbrachten, laten zien. Hij
wachtte; hij liet in administratieve circulaires den prefect weten,
dat de burgerlijke overheid in overeenstemming met de geestelijke
overheid was. In den grond der zaak geloofde hij blijkbaar niet
aan de verschijningen, zag hij daarin, evenals de geneesheeren,
slechts de hallucinaties van een ziekelijk kind. De gebeurtenis, die
het geheele land in beweging bracht, was echter belangrijk genoeg,
om het van dag tot dag nauwkeurig te laten onderzoeken, en de wijze,
waarop hij er zoo langen tijd zoo'n geringe belangstelling voor toonde,
bewijst hoe weinig geloof hij aan het beweerde wonder sloeg. Zijn
eenige zorg was de Kerk niet te compromitteeren met een geschiedenis
die voorbestemd was slecht te eindigen. Mgr. Laurence, een zeer vroom
man met een koel en nuchter verstand, had voor het bestuur van zijn
diocese een groote dosis gezond verstand medegebracht. De ongeduldigen
en de vurige ijveraars gaven hem toendertijd den bijnaam van "Heilige
Thomas", omdat hij in zijn twijfel bleef volharden tot den dag, dat
hij door de feiten gedwongen werd. Hij weigerde te hooren en te zien,
vast besloten niet toe te geven dan wanneer de godsdienst er niets
meer bij verliezen kon.
Maar de vervolgingen werden ernstiger en scherper. De minister
van Eeredienst, die op de hoogte gebracht was, eischte, dat alle
wanordelijkheden zouden ophouden, waarop de prefect de toegangen
tot de Grot door militairen had laten bezetten. Reeds hadden de
geloofsijver der getrouwen en de dankbaarheid der genezenen die met
bloemvazen versierd. Men wierp geldstukken in de Grot, geschenken
voor de Heilige Maagd stroomden toe. Ook waren er reeds primitieve
inrichtingen gemaakt: steenhouwers hadden een soort reservoir
uitgehouwen, om het wonderwater op te vangen; anderen ruimden de
groote rotsblokken weg en schiepen op die wijze een toegang langs den
heuvel. En tegenover den steeds aangroeienden stroom der menigte nam
de prefect, na van Bernadette's inhechtenisneming te hebben afgezien,
het ernstige en bedenkelijke besluit om den toegang tot de Grot door
een zwaar staketsel af te sluiten.
Er hadden zich ergerlijke dingen voorgedaan: kinderen beweerden
den duivel gezien te hebben; sommigen maakten zich daarbij aan
leugens schuldig, anderen deden het onder den invloed van ziekelijke
hallucinaties, die veroorzaakt werden door zenuwstoringen, welke
als een besmettelijke ziekte om zich heen grepen. Maar wat een werk
bracht de opruiming van de Grot met zich. De commissaris kon eerst
tegen den avond een meisje vinden, dat hem een kar wilde verhuren;
twee uren later brak dat meisje bij een val een rib. Eveneens werd
den volgenden dag een man, die een bijl geleend had, door een steen
een voet verpletterd. Eerst bij het invallen der schemering kon
de commissaris onder het hoongelach der menigte de bloempotten,
de enkele brandende kaarsen, de geldstukken en de zilveren harten,
die in het zand lagen, medenemen. De menschen balden hun vuisten,
scholden hem tusschen hun tanden uit voor dief en moordenaar. Dan
werden de palen van het staketsel geslagen, de planken vastgespijkerd,
een heel bouwwerk, dat het mysterie afsloot, den toegang tot het
onbekende versperde en het wonder gevangen zette. En de burgerlijke
overheden waren zoo naïef om te gelooven, dat het nu uit was, dat
die enkele planken de armen, die dorstten naar illusie en hoop,
zouden tegenhouden.
Zoodra de nieuwe godsdienst in den ban gedaan en door de wet als
een misdaad vervolgd werd, laaide hij met een onuitbluschbare vlam
in de zielen op. De geloovigen bleven in nog grooter getale komen,
knielden op eenigen afstand van de Grot neder en snikten bij het
zien van den hun verboden hemel. De zieken, de zieken vooral,
aan wie een barbaarsch besluit genezing ontnam, stroomden ondanks
het verbod toe, kropen door gaten, klommen, allen gedreven door de
vurige begeerte om water te stelen, over alle hindernissen. Wat, er
was daar wonderdadig water, dat het gezicht teruggaf aan de blinden,
lammen weder deed loopen, alle ziekten onmiddellijk verlichtte,
en nu waren er hooggeplaatste ambtenaren, wreed genoeg om dat water
achter slot en grendel te zetten, opdat het niet langer de armen zou
genezen? Het was monsterachtig wreed! Een kreet van vervloeking rees
op uit het arme volk, uit de onterfden, die om te leven evenveel
behoefte hadden aan het wonderbaarlijke als aan brood.
Volgens het overheidsbesluit moest tegen de overtreders proces-verbaal
worden opgemaakt, en zoo zag men voor de rechtbank een rij van oude
vrouwen en kreupele mannen trekken, die beschuldigd werden uit de
levensbron geput te hebben. Zij stamelden, smeekten en begrepen het
niet, wanneer ze een geldboete kregen. Maar buiten knorde en gromde
de menigte, steeds grooter werd de volkswoede tegen die magistraten,
die zoo hardvochtig waren voor de ellende hier beneden, die heeren
zonder erbarmen, die eerst allen rijkdom aan zichzelf getrokken hadden
en nu den armen zelfs hun droom van het hiernamaals, hun geloof,
dat een hoogere en meedoogende macht zich met moederlijke liefde
hun lot aantrok, niet gunden. Op een triesten morgen begaf zich een
troep ellendigen en zieken naar den burgemeester; zij knielden neer
op het plein en bezwoeren hem snikkend de Grot weer te laten openen;
en wat zij zeiden was zoo ontroerend, dat iedereen weende.
Een moeder liet haar halfdood kind zien; moest men dat zoo in
haar armen laten sterven, terwijl er een bron was, die de kinderen
van andere moeders van den dood gered had? Een blinde wees op zijn
omfloerste oogen, een bleeke, klierachtige jongen liet zijn beenwonden
zien, een verlamde vrouw trachtte haar kromme handen te vouwen;
wilde men hun dood, weigerde men hun de laatste goddelijke kans om te
leven, nu de menschelijke wetenschap hen in den steek liet? En even
groot was de verontwaardiging der geloovigen, van hen, die overtuigd
waren, dat in de duisternis van hun droef bestaan een hoekje van
den hemel opengegaan was, die er tegen op kwamen, dat men hun die
hersenschimmige vreugde ontnam, de laatste troost in hun menschelijk en
maatschappelijk lijden, om te gelooven, dat de Heilige Maagd eindelijk
neergedaald was om hun het oneindige erbarmen van haar tusschenkomst
te brengen. De burgemeester had niets kunnen beloven, en de menigte
was weenend teruggegaan, bereid tot rebellie, als onder den invloed
van een groote onrechtvaardigheid, van een dwaze wreedheid tegenover
de kleine luiden en de eenvoudigen van geest, die de Hemel wreken zou.
Ettelijke maanden lang duurde de strijd. Het was een buitengewoon
schouwspel die mannen van gezond verstand, den minister, den
prefect, den commissaris van politie, allen ongetwijfeld door de
beste bedoelingen bezield, zich te zien verzetten tegen de steeds
aangroeiende menigte radeloozen, die niet wilden, dat men de poort
van den droom voor hen sloot. De overheid eischte orde en rust,
eerbied voor een verstandigen godsdienst en den triomf van het
verstand, terwijl het volk in zijn overspannen begeerte naar heil in
deze en in de wereld hiernamaals medegesleept werd door zijn drang
naar geluk. O, niet meer te lijden, de gelijkheid van het geluk te
veroveren, slechts leven onder de bescherming van een rechtvaardige en
algoede Moeder, slechts sterven, om in den hemel weer te ontwaken! En
noodzakelijkerwijze moest die brandende begeerte der scharen,
die heilige waan van algemeen geluk en algemeene vreugde de starre
opvatting wegvagen van een goed geregelde maatschappij, waarin de
epidemisch terugkeerende aanvallen van religieuze hallucinaties als
aanslagen op de rust van gezonde geesten veroordeeld worden.
Op dat oogenblik kwam de zaal Sainte-Honorine in opstand. Weer moest
Pierre een oogenblik zijn verhaal onderbreken door de half gesmoorde
uitroepen, die den commissaris voor Satan en Herodes uitmaakten. La
Grivotte had zich op haar matras opgericht en stotterde:
"De monsters!... En de goede Heilige Maagd, die mij genezen heeft!"
Madame Vêtu, die ondanks haar onbewuste zekerheid, dat zij sterven
zou, toch weer door hoop bezield werd, maakte zich woedend bij het
denkbeeld, dat, als de prefect de overwinning behaald had, de Grot
thans niet bestaan zou.
"Dan zouden er geen bedevaarten zijn, zouden wij hier niet zijn,
zouden er niet ieder jaar honderden genezen!"
Een benauwdheid deed haar half stikken; zuster Hyacinthe moest haar
komen oprichten. Madame de Jonquière maakte van de onderbreking
gebruik, om aan een jonge vrouw, die aan ruggemergstering leed,
den pot te geven. Twee andere vrouwen, die door de ondraaglijke
hitte niet in haar bed konden blijven, liepen met kleine, zachte
pasjes als witte schimmen in de walmende donkerte heen en weer; van
het eind der zaal kwam uit de duisternis een moeilijke ademhaling,
die het geheele verhaal van Pierre met een reutelend geluid begeleid
had. Alleen Elise Rouquet sliep rustig; zij lag op haar rug en liet
haar afzichtelijke wonde, die aan het opdrogen was, zien.
Het was kwart over twaalf; ieder oogenblik kon abbé Judaine binnenkomen
voor de communie. De genade keerde weer in het hart van Marie terug;
zij was nu overtuigd, dat de schuld bij haar lag, bij haar, die, toen
zij in den vijver afdaalde, getwijfeld had, of de Heilige Maagd haar
wel genezen zou. En zij had berouw over haar opstand als over een
misdaad; zou zij ooit vergiffenis kunnen krijgen? Haar bleek gelaat
was tusschen haar mooie, blonde haar weggezonken, haar oogen stonden
vol tranen en zij keek Pierre met een wanhopige droefheid aan.
"O, vriendlief, wat ben ik slecht geweest! Toen ik naar de uit trots
begane misdaden van dien prefect en de andere overheidspersonen
luisterde, heb ik mijn schuld begrepen... Je moet gelooven, Pierre,
er bestaat geen geluk buiten geloof en liefde."
Toen Pierre wilde ophouden, kwamen allen daartegen in verzet, eischten
het vervolg. En Pierre moest beloven, dat hij zou vertellen tot den
triomf der Grot.
Het staketsel versperde nog steeds den toegang, men moest heimelijk
in den nacht komen, als men wilde bidden en een flesch gestolen water
medenemen. Intusschen werd de vrees voor oproer steeds grooter, men
vertelde, dat al de dorpen uit het gebergte naar beneden zouden komen
om God te bevrijden. Het was de levée en masse der kleine luiden,
een zoo onweerstaanbare drang van dorstenden naar het wonder, dat het
eenvoudige gezonde verstand, de eenvoudige goede orde op het punt
stond als kaf voor den wind weggevaagd te worden. Mgr. Laurence in
zijn bisschoppelijk paleis te Tarbes was de eerste die zich overgeven
moest. Al zijn gereserveerdheid, al zijn twijfel was niet bestand tegen
de volksbeweging. Vijf volle maanden had hij zich op den achtergrond
kunnen houden, zijn geestelijkheid kunnen beletten de geloovigen
naar de Grot te volgen, de Kerk kunnen verdedigen tegen den storm
van bijgeloof. Maar waartoe diende het nog verder te strijden? Hij
voelde, dat de ellende van zijn schare geloovigen zoo groot was, dat
hij er zich bij nederlegde hun den afgodendienst te geven, waarnaar
zij zoo smachtten.
Maar toch vaardigde hij uit een restje van voorzichtigheid een bevel
uit, waarbij een commissie benoemd werd, die een onderzoek moest
instellen: dat was de aanvaarding van het wonder op korter of langer
termijn. Kan men niet begrijpen, wat een moeite het Mgr. Laurence, een
man van gezonde denkbeelden en helder verstand, kostte om dat bevel te
onderteekenen? Hij moest neerknielen in zijn bidvertrek en God, den
beheerscher der wereld, smeeken hem voor te schrijven, wat hij doen
moest. Hij geloofde niet aan de verschijningen, had een hoogere, meer
intellectueele opvatting omtrent manifestaties der godheid. Maar was
het niet barmhartig en liefderijk aan de bezwaren van zijn verstand en
aan zijn fijnere opvatting van godsvereering het zwijgen op te leggen
tegenover de noodzakelijkheid om het brood der leugen, dat de arme
menschheid noodig heeft om gelukkig te kunnen leven, uit te reiken.
"O, mijn God, vergeef mij, indien ik U laat afdalen van den troon
van Uw eeuwige macht, waarop Gij gezeten zijt, wanneer ik U verneder
tot dit kinderlijke spel met nuttelooze wonderen. Maar, o, mijn God,
zij lijden zoo, zij hongeren zóó naar het wonderbaarlijke en naar
sprookjes, om hun levenssmart te verzachten. Gij zelf zoudt, indien
zij Uw schapen waren, helpen hen te misleiden. Laten zij op deze
wereld getroost worden, ook al moet de idee van Uw goddelijkheid
daarbij lijden!"
En zoo had de bisschop in tranen het offer aan zijn God gebracht in
zijn herderlijke liefde voor de ellendige menschelijke kudde.
Dan gaf de keizer, de gebieder, zich over. Hij was toen te
Biarritz, dagelijks werd hij op de hoogte gehouden over die zaak der
verschijningen, waarmede alle Parijsche bladen zich bezighielden;
want de vervolging zou niet volmaakt geweest zijn, indien de
inkt der Voltairiaansche journalisten er zich niet mede bemoeid
had. En terwijl zijn minister, zijn prefect, zijn commissaris van
politie zich afmatten voor het gezond verstand en de goede orde,
bewaarde de keizer zijn diep stilzwijgen van wakend droomer, dat
niemand ooit doorgrond had. Dagelijks kwamen er petities; en hij
zweeg. Bisschoppen waren met hem komen spreken, hooge personnages,
hooge dames uit zijn omgeving namen hem ter zijde; en hij zweeg. Eén
onafgebroken gevecht werd geleverd om zijn beslissing, eenerzijds de
geloovigen of eenvoudigen des geestes vol herschenschimmen, die zich
hartstochtelijk voor het mysterieuze interesseerden; anderszijds de
ongeloovigen, de regeeringspersonen, die al deze overdrijvingen der
phantasie met leede oogen aanzagen; en hij zweeg. Plotseling sprak
hij in zijn bedeesd besluit. Het gerucht liep, dat de smeekbeden der
keizerin hem tot een beslissing gebracht hadden. Ongetwijfeld had zij
ingegrepen, maar het voornaamste was toch, dat in den keizer zijn
oude humanitaire droom was opgeleefd, zijn oprecht medelijden met
de onterfden teruggekomen was. Evenmin als de bisschop, wilde hij de
poort der illusie sluiten voor de ongelukkigen door het impopulaire
besluit van den prefect, waarbij verboden werd uit de heilige bron
te gaan drinken, te handhaven. En hij zond een telegraphisch bevel
het staketsel af te breken, opdat de bron vrij zoude zijn.
Dat was het Hosanna! Dat was de triomf. Onder tromgeroffel en
trompetgeschal werd het nieuwe besluit op de pleinen te Lourdes
voorgelezen. De commissaris van politie moest in hoogst eigen persoon
tot het wegnemen van het staketsel overgaan. Evenals de prefect werd
hij verplaatst. Van alle kanten stroomden de menschen toe en in de Grot
werd de eeredienst geregeld. Een kreet van goddelijke vreugde steeg op:
God had overwonnen. God? Neen, helaas! Maar de menschelijke ellende,
de eeuwige behoefte aan de leugen, de hoop van den verdoemde, die,
om heil en redding te vinden, zich overgeeft aan de handen van een
onzichtbare almacht, die, sterker dan de natuur, alleen in staat is de
onverbiddelijke natuurwetten te verbreken. En ook nog had overwonnen
het souverein medelijden van de herders der kudden, den bisschop
en den keizer, die in hun groote barmhartigheid den grooten zieken
kinderen hun fetisch lieten, die de meesten troostte en sommigen
zelfs wel genas.
In het midden van November begon de bisschoppelijke commissie
met het haar opgedragen onderzoek. Zij ondervroeg Bernadette nog
eenmaal en bestudeerde een groot aantal wonderen. Toch hield zij
slechts dertig genezingen, waaraan absoluut niet te twijfelen viel,
over. Mgr. Laurence beweerde nu overtuigd te zijn. Toch gaf hij nog
een bewijs van zijn uiterste voorzichtigheid: hij wachtte nog drie jaar
vóór hij in een mandement verklaarde, dat de Heilige Maagd werkelijk in
de Grot van Massabielle verschenen was en daarna verschillende wonderen
hadden plaats gegrepen. Hij had uit naam van het bisdom, van de stad
Lourdes de Grot met het uitgestrekte omliggende terrein gekocht.
Vervolgens werden er verschillende werken uitgevoerd, eerst op
bescheiden voet, maar weldra belangrijkere al naar mate het geld
van de geheele Christenheid toestroomde. Men richtte de Grot in en
sloot hem af met een hek. De Gave werd achterwaarts in een nieuwe
bedding geleid, om breede toegangswegen, gazons, lanen en boulevards
te kunnen aanleggen. Eindelijk begon de kerk, die de Heilige Maagd
gevraagd had, de Basilica op den top van de rots zelf uit den grond te
verrijzen. Van af den eersten steek der spade leidde de pastoor van
Lourdes, abbé Peyramale, alles met een buitengewonen geloofsijver,
want de strijd had van hem den vurigsten, den oprechtsten geloovige
van het werk gemaakt. Op zijn ietwat ruw-vaderlijke manier was hij
begonnen Bernadette te vereeren; hij gaf zich met lichaam en ziel aan
de uitvoering der bevelen, die hij door den mond van deze onschuldige
van den hemel ontvangen had. Hij wijdde al zijn krachten aan den
bouw, wilde, dat alles mooi en grootsch was, de Koningin der Engelen,
die zich verwaardigd had dit hoekje der bergen te bezoeken, waardig.
De eerste godsdienstige plechtigheid had eerst zes jaar na de
verschijningen plaats op den dag, dat men met groote pracht en praal
in de Grot een beeld der Heilige Maagd plaatste op de plek, waar zij
het eerst verschenen was. Dien ochtend had Lourdes zich bij prachtig
weer in feestdos gestoken; alle klokken luidden. Vijf jaar later,
in 1869, werd de eerste mis gelezen in de crypt der Basilica, wier
spits nog niet af was. De geschenken werden steeds talrijker, een
stroom van goud vloeide naar de Grot, een geheele stad schoot uit
den grond op. Dat was de voltooiïng der stichting van den nieuwen
godsdienst. De wensch om te genezen genas, de dorst naar het wonder
bewerkte het wonder. Een God van medelijden en hoop kwam voort uit
het lijden der menschheid, uit die behoefte aan troostende illusie,
welke door alle menschengeslachten heen, de wondervolle paradijzen
van het hiernamaals geschapen heeft, waarin een almacht gerechtigheid
oefent en het eeuwige geluk uitdeelt.
De zieken van de zaal Sainte-Honorine zagen dan ook in de overwinning
der Grot slechts den triomf van de hoop op genezing. En langs de bedden
streek een rilling van vreugde, toen Pierre, wiens hart door al die
arme, naar zekerheid smachtende gezichten geroerd werd, herhaalde:
"God had overwonnen, en sedert dien dag hebben de wonderen niet
opgehouden."
Hij legde het boekje neer. Abbé Judaine kwam binnen, de communie zou
beginnen. Maar Marie, bij wie de koorts van het geloof weer opkwam,
en wier handen brandden, boog zich naar hem toe.
"Vriendlief," fluisterde zij, "bewijs mij den grooten dienst
de bekentenis van mijn schuld aan te hooren en mij absolutie te
geven. Ik heb God gelasterd en ben in een staat van doodzonde. Als
jij me niet helpt, zal ik de heilige hostie niet kunnen ontvangen,
en ik heb zoo'n behoefte aan troost en opbeuring!"
De jonge priester weigerde met een gebaar. Nooit had hij deze vriendin,
de eenige vrouw, die hij in haar vroolijke en gezonde jeugdjaren lief
gehad en begeerd had, de biecht willen afnemen. Maar zij drong aan.
"Ik smeek je erom. Je zult daardoor medewerken aan het wonder van
mijn genezing."
Hij gaf toe, hoorde haar schuldbelijdenis aan, de bekentenis van
den goddeloozen opstand van haar lijden tegen de Heilige Maagd,
die doof gebleven was voor haar smeekbeden; dan gaf hij haar met de
sacramenteele woorden de absolutie.
Reeds had abbé Judaine de hostievaas op een klein tafeltje tusschen
twee brandende waskaarsen, twee sombere sterren in het halfdonker
der zaal, gezet. Men had de ramen eindelijk wijd opengezet, zoo
ondragelijk was de stank van die lijdende lichamen en die opgehoopte
lompen geworden; maar er kwam geen frissche lucht binnen: de nauwe,
donkere binnenplaats leek wel een gloeiende mijnput. Pierre bood zich
aan als misdienaar en zeide het Confiteor. Dan hief de aalmoezenier
in zijn miskleed, na het Misereatur en het Indulgentiam uitgesproken
te hebben, de hostievaas op:
"Ziet het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt!"
Ieder der vrouwen, die vol ongeduld de communie verwachtten, zooals de
stervende het leven verwacht van een nieuwe drank, die maar uitblijft,
herhaalde driemaal met gesloten mond de acte van deemoediging: "Heer,
ik ben niet waardig, dat Gij ingaat in mijn lichaam, spreek echter
slechts één woord, en mijn ziel zal genezen worden!" Abbé Judaine
was intusschen, gevolgd door Pierre, zijn tocht langs de ziekbedden
begonnen, terwijl madame de Jonquière en zuster Hyacinthe, beiden
met een kaars in de hand, met hen meeliepen.
De zuster wees de zieken aan, die de communie moesten ontvangen, dan
boog de priester zich over haar heen en legde, eenigszins op goed
geluk af, onder het prevelen van Latijnsche woorden, de hostie op
haar tong. Allen richtten zich op met wijd-geopende, schitterende
oogen te midden van de door een al te haastige inrichting van de
zaal ontstane wanorde. Toch moest men er nog twee, die vast sliepen,
wakker maken. Velen kreunden, zonder zich ervan bewust te zijn,
begonnen, zoodra zij God ontvangen hadden, weer te kreunen. Achter in
de zaal bleef het rochelen van de vrouw, die men niet zag, nog steeds
aanhouden. Men kon zich moeilijker iets melancholiekers denken dan
die kleine stoet in het half-donker, waarin de twee gele lichten van
de brandende kaarsen als sterren plekten.
Het gezicht van Marie, die weer in extase verzonken was, leek wel
een goddelijke verschijning. Aan la Grivotte, die 's ochtends in de
Rozenkranskerk de heilige communie ontvangen moest, werd de heilige
hostie geweigerd, hoewel zij hongerde naar het brood des levens; madame
Vêtu had in een hik de hostie op haar zwarte tong ontvangen. Thans
was Marie aan de beurt, onder het bleeke licht der kaarsen zoo mooi
tusschen haar blonde haren, met haar wijd geopende oogen, haar door
het geloof verheerlijkte trekken, die allen bewonderden. Zij vierde
het avondmaal met groote innigheid, de hemel daalde zichtbaar neer in
haar arm, jong, tot een zoo physieke ellende vermagerd lichaam. Een
oogenblik hield zij Pierre met haar hand terug.
"O, lieve vriend, zij zal mij genezen, zij heeft het mij gezegd.... Ga
wat rust nemen. Ik zal ook lekker slapen gaan!"
Toen hij met abbé Judaine wegging, zag hij de kleine madame Désagneaux
languit liggen in den fauteuil, waarin zij van vermoeidheid
neergevallen was. Niets had haar wakker kunnen maken. Het was
half twee. Madame de Jonquière, geholpen door zuster Hyacinthe,
liep nog steeds heen en weer, draaide de zieken om, verschoonde en
verbond ze. Maar toch was er eenige kalmte in de zaal gekomen, sedert
Bernadette er met haar bekoring door gekomen was. De kleine schim der
helderziende dwaalde thans triomphantelijk rond tusschen de bedden,
nu zij haar werk gedaan had door aan iedere onterfde, iedere wanhopige
van deze aarde een stukje van den hemel te geven. En terwijl allen
langzamerhand in slaap gleden, zagen zij, hoe zij, ook zoo ziekelijk
en zoo zwak, zich voorover boog en haar glimlachend kuste.