Het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs, dat door een vrijgevigen
kanunnik gebouwd, maar uit gebrek aan geld onvoltooid gebleven was,
is een groot, maar veel te hoog gebouw van vier verdiepingen, waarheen
men de zieken slechts met moeite transporteeren kan. Gewoonlijk wordt
het door een honderd zieke en arme oude mannen bewoond. Maar gedurende
de drie dagen van de nationale bedevaart worden die grijsaards elders
onder dak gebracht en wordt het Hôpital verhuurd aan de paters van
Maria Hemelvaart, die er soms vijf à zeshonderd zieken herbergen. Maar
hoeveel men er ook onder brengt, de ruimte blijft onvoldoende. Van de
drie of vierhonderd zieken, die nog overblijven, gaan de mannen naar
het Hôpital du Salut, de vrouwen naar het gemeentelijke ziekenhuis.
Dien ochtend was bij het opgaan der zon de verwarring op het met zand
bestrooide binnenplein voor de deur, die door twee priesters bewaakt
werd, zeer groot. Den vorigen avond had het personeel der tijdelijke
directie met een reusachtige menigte registers, kaarten en gedrukte
formulieren de bureaux in bezit genomen. Men wilde het veel beter
inrichten dan het vorige jaar; de benedenzalen moesten gereserveerd
blijven voor de meest hulpbehoevende zieken; verder zou de uitgifte der
kaarten, die den naam van de zaal en het nummer van het bed droegen,
zorgvuldig gecontroleerd worden, want er waren vergissingen wat betreft
de identiteit voorgekomen. Maar alle goede bedoelingen leden schipbreuk
bij den grooten stroom zieken, dien de witte trein aangevoerd had, en
de nieuwe formaliteiten verwarden alles zóó zeer, dat men ertoe had
moeten besluiten de ongelukkigen op het binnenplein neer te leggen,
tot men ze later met wat meer orde zou kunnen binnenbrengen. En de
uitlading begon opnieuw, evenals op het station, het jammerlijke
legeren in de open lucht, terwijl de dragers en de beambten van het
secretariaat, jonge seminaristen, van alle kanten kwamen toegesneld.
"Ze hebben het te goed willen doen," riep baron Suire wanhopig uit.
En het was waar, nooit had men zooveel nuttelooze voorzorgsmaatregelen
genomen. Men bemerkte, dat men ten gevolge van onverklaarbare
vergissingen zieken, die het moeilijkst te transporteeren waren,
in de bovenzalen had ondergebracht.
Het was onmogelijk een nieuwe regeling te maken, alles moest nu maar
op goed geluk af zijn gang gaan. De uitdeeling der kaarten begon,
terwijl een jonge priester voor de controle de namen en de adressen in
een register opteekende. Iedere zieke moest verder zijn kaart toonen,
die de kleur van den trein had met zijn naam en volgnummer, en waarop
men dan den naam der zaal en het nummer van het bed invulde. Daardoor
duurde de toelating nog langer.
Dan begon in het groote gebouw van beneden naar boven over de
vier verdiepingen een eindeloos heen en weer gedraaf. Mijnheer
Sabathier was een der eersten, die toegelaten werd in een zaal op den
rez-de-chaussée, de zoogenaamde salle des ménages, waar de mannen
hun vrouwen bij zich mochten houden. Verder werden in het Hôpital
de Notre-Dame des Douleurs slechts vrouwen opgenomen. En, hoewel
broeder Isidore met zijn zuster was, wilde men hen toch als getrouwd
beschouwen; hij kreeg een bed naast dat van mijnheer Sabathier.
De kapel, die nog wit van de kalk was en waarvan de ramen met planken
waren toegespijkerd, bevond zich ernaast. Ook in andere zalen, die
nog niet geheel af waren, had men matrassen gelegd, die weldra met
zieken gevuld waren. Maar reeds verdrong zich de menigte vrouwen, die
loopen konden, in het refectorium [11], een lange overdekte galerij,
die uitzag op het binnenplein en waar de zusters Saint-Frai, die
voor de huishouding van het Hôpital zorgden en op haar post gebleven
waren, koppen koffie en chocolade uitdeelden aan al die arme, door
de verschrikkelijke reis uitgeputte vrouwen.
"Rust flink uit en verzamelt krachten," herhaalde baron Suire, die
zich overal tegelijk vertoonde. "Ge hebt nog een goede drie uur. Het
is nu vijf en de eerwaarde paters hebben bevel gegeven niet voor acht
uur naar de Grot te gaan, om te groote vermoeienissen te vermijden."
Boven op de tweede verdieping had madame de Jonquière bezit genomen
van de zaal Sainte-Honorine, waarvan zij directrice was. Zij had haar
dochter Raymonde, die bij den dienst in het refectorium ingedeeld was,
beneden moeten laten, daar volgens het reglement jonge meisjes niet
in de zalen mochten komen, waar zij te stuitende en afzichtelijke
dingen zouden kunnen zien. Maar de kleine madame Désagneaux had de
directrice niet verlaten, aan wie zij, gelukkig eindelijk ook zelf
iets te kunnen doen, reeds bevelen vroeg.
"Madame, zijn alle bedden goed opgemaakt? Of wil ik het met zuster
Hyacinthe nog eens overdoen?"
De lichtgeel geverfde zaal, die, daar het licht alleen van het
binnenplein kwam, vrij donker was, bevatte vijftien bedden, welke in
twee rijen langs de muren stonden.
"We zullen dadelijk wel eens kijken," antwoordde madame de Jonquière,
die blijkbaar met haar gedachten elders was.
Zij telde de bedden, keek de lange, nauwe zaal nog eens goed
aan. Dan fluisterde zij: "Ik zal nooit genoeg plaats hebben. Ik zou
drie-en-twintig zieken krijgen, we zullen dus matrassen op den grond
dienen te leggen."
Zuster Hyacinthe, die zuster Saint-François en zuster Claire des
Anges in een klein als linnenkamer ingericht vertrekje ernaast had
achtergelaten, sloeg intusschen de dekens op en keek naar de lakens
en dekens. Zij stelde madame Désagneaux gerust.
"De bedden zijn goed opgemaakt en alles is helder en zindelijk. Je
kan goed zien, dat de zusters Saint Frai er een oogje op gehouden
hebben... Maar de reserve-matrassen liggen vlak bij, en wanneer madame
me zou willen helpen, zouden we dadelijk een rij tusschen de bedden
hier kunnen neerleggen."
"Natuurlijk, heel graag!" riep de jonge vrouw, verrukt door de gedachte
met haar mooie, blanke armen matrassen te dragen.
Madame de Jonquière moest haar wat kalmeeren.
"Voor het oogenblik heeft dat geen haast. Laten we maar wachten, tot
de zieken er zijn... Ik mag deze zaal niet erg; je kunt zoo moeilijk
luchten... Verleden jaar had ik de zaal Sainte-Rosalie op de eerste
verdieping... Enfin, we zullen er ons wel door heen slaan."
Nog meer hospitaliteitsdames kwamen, een dichte zwerm nijvere bijen,
die van verlangen brandden om aan het werk te gaan. Ja zelfs werd
dit te groot aantal verpleegsters, die grootendeels uit de hoogere
kringen en den middenstand afkomstig waren en een vurigen ijver,
waaraan zich ook wel een beetje ijdelheid paarde, aan den dag
legden, een nieuwe oorzaak van verwarring. Zij waren met haar
tweehonderden. Daar ieder bij haar toetreden tot de Hospitalité de
Notre-Dame de Salut een gift moest geven, durfde men er geen weigeren
uit vrees, dat de bron van inkomsten anders uitdrogen zou; op die wijze
groeide haar aantal jaarlijks aan. Gelukkig waren er bij, voor wie het
voldoende was het kruis van rood laken op de borst te dragen, en die,
dadelijk bij aankomst te Lourdes, uitstapjes gingen maken. Maar zij,
die zich aan het werk wijdden, waren werkelijk zeer verdienstelijk,
want dan waren het vijf dagen van verschrikkelijke inspanning, waarin
zij nauwelijks twee uur per nacht sliepen, levend te midden van de
vreeselijkste en afstootelijkste tooneelen. Zij waren getuigen van
moeilijke doodsstrijden, zij verbonden stinkende wonden, leegden
kommen en kannen, verschoonden vuile vrouwen, keerden de zieken om,
een inspannend en afmattend werk, waaraan zij niet gewoon waren. Na
afloop voelden zij zich dan ook als geradbraakt, half dood, en hadden
koortsachtige oogen, waarin de vreugde over de barmhartigheid, die
haar tot extase voerde, brandde.
"Waar is madame Volmar?" vroeg madame Désagneaux. "Ik dacht ze hier
terug te vinden."
Zachtjes sneed madame de Jonquière verdere vragen af, als was zij op
de hoogte en wilde zij, als vrouw, die menschelijke zwakheid door de
vingers ziet, daarover niet verder praten.
"Zij is niet sterk; zij rust wat in het hotel. We moeten haar laten
slapen."
Dan verdeelde zij de bedden onder de dames, gaf er ieder twee. En
allen namen nu de ziekenzaal volkomen in bezit, liepen af en aan,
van boven naar beneden, om te zien waar de administratiekantoren,
de linnenkamers en de keukens waren.
"En waar is de apotheek?" vroeg madame Désagneaux weer.
Doch er was geen apotheek, zelfs geen medisch personeel
aanwezig. Waartoe zou dat trouwens dienen? De zieken waren toch door
de wetenschap opgegeven, radeloozen en wanhopigen, die aan God een
genezing vragen kwamen, welke de onmachtige en machtelooze mensch
hun niet beloven kon. Logischerwijze werd gedurende de bedevaart
iedere medische behandeling onderbroken. Als bij een ongelukkige de
doodsstrijd intrad, dan bediende men haar. Slechts de jonge geneesheer,
die gewoonlijk met den witten trein medeging, was er met zijn klein
kistje geneesmiddelen om een zieke, wanneer zij hem bij een hevigen
aanval noodig mocht hebben, wat verlichting te kunnen geven.
Juist bracht zuster Hyacinthe dr. Ferrand, die in een kabinetje naast
de linnenkamer zijn tenten opgeslagen had, binnen.
"Madame," zeide hij tot madame de Jonquière, "ik ben geheel tot
uw beschikking. Wanneer u mij noodig heeft, behoeft u mij maar te
laten roepen."
Zij luisterde nauwlijks naar hem, had een woordenwisseling met een
jongen priester der administratie, omdat er voor de geheele zaal maar
zeven waterpotten waren.
"Heel graag, mijnheer, als we een kalmeerend drankje noodig hebben,
zullen we..."
Maar zij voltooide haar zin niet, zette haar woordenwisseling voort.
"Tracht er nog minstens vier of vijf voor mij te krijgen, mijnheer
de abbé... En dan is het nog behelpen."
Ferrand luisterde en keek, stom-verbaasd over deze zeldzame wereld,
waarin een toeval hem den vorigen dag gebracht had. Hij, die niet
geloofde, die hier slechts was uit toewijding, verwonderde zich over
het vreeselijke gedrang van ellende en lijden, dat zich onstuimig op de
hoop op geluk wierp. Vooral de denkbeelden, die hij als jong geneesheer
had, werden geschokt nu hij zag hoe alle voorzorgsmaatregelen,
alle aanwijzigingen der wetenschap over boord geworpen werden in de
zekerheid, dat, als de hemel het wilde, de genezing volgen zou met al
den glans van een démenti aan de natuurwetten zelf. Maar waarom dan
die laatste concessie aan de vrees voor het oordeel der wereld en een
dokter meenemen, van wiens diensten men toch zoo goed als geen gebruik
maakte? Met het onbehaaglijk gevoel zich te moeten schamen en nutteloos
en eenigszins belachelijk te zijn, trok hij zich in zijn kabinet terug.
"Maak in ieder geval maar opiumpillen klaar," zeide zuster Hyacinthe,
die tot de linnenkamer met hem mede gegaan was, tegen hem. "Die
zullen we wel noodig hebben; er zijn zieken bij, waarover ik mij
ongerust maak."
Zij keek hem met haar groote, blauwe, zachte, goede oogen, waarin
steeds een goddelijk glimlachje speelde, aan. De beweging gaf haar
van jeugd glanzende blankheid een gezond-rosen tint. En als een goede
vriendin, die haar lievelingswerk wel met hem deelen wil, voegde zij
er aan toe:
"En als ik iemand noodig heb, om een zieke op te richten of neer te
leggen, wil je me zeker wel een handje helpen."
Toen was ook hij blij gekomen te zijn, aanwezig te zijn, nu hij wist,
dat hij haar zou kunnen helpen. Hij zag haar weer terug aan zijn
ziekbed, toen hij bijna gestorven was, hem verplegend met de handen
als van een broeder, met de vriendelijk-opgewekte bekoorlijkheid van
een geslachtslooze engel, waarin zoowel iets kameraadschappelijks
als vrouwelijks lag.
"Maar net zooveel als u wilt, zuster. Ik ben geheel tot uw dienst,
niets zal mij liever zijn dan u behulpzaam te kunnen zijn. U weet,
welk een schuld van dankbaarheid ik u nog te betalen heb."
Vriendelijk legde zij haar vinger op zijn mond, om hem het zwijgen
op te leggen. Niemand was haar iets schuldig. Zij diende slechts de
lijdenden en de armen.
Op dat oogenblik kwam de eerste zieke in de zaal Sainte-Honorine. Het
was Marie, die liggende in haar bak door Pierre en Gérard naar boven
gedragen was. Het laatst van het station vertrokken, was zij er nu
het eerst dank zij de eindelooze verwikkelingen, die allen opgehouden
hadden en haar nu vrijer toegang gaven, zooals de verdeeling der
kaarten het toevallig met zich bracht. Voor de deur van het Hôpital
had mijnheer de Guersaint zijn dochter op haar verzoek moeten verlaten;
zij maakte zich ongerust, dat de hotels overvol zouden zijn, en wilde,
dat hij onmiddellijk voor twee kamers ging zorgen, één voor hemzelf
en één voor Pierre. Zij was zoo moe, dat zij, nu zij toch alle hoop
om dadelijk naar de Grot gebracht te worden, had moeten opgeven,
er in toegestemd had een oogenblik op bed te gaan liggen.
"Luister toch eens, kind," zeide madame de Jonquière; "je hebt nog
drie uur voor je. We zullen je op je bed leggen, dan kan je veel
beter uitrusten dan in dien bak."
Zij nam de zieke bij de schouders, terwijl zuster Hyacinthe haar
voeten vasthield. Het bed stond midden in de zaal, dicht bij een
raam. Een oogenblik bleef Marie met dichte oogen, als uitgeput door
die overbrenging, liggen. Dan moest Pierre weer binnen komen, zij
voelde zich zwakker worden en had hem nog veel te zeggen.
"Ga niet weg, lieve vriend," begon zij. "Neem den bak mee naar de
gang, maar blijf daar, want ik wil, zoodra ik mag, naar beneden
gebracht worden."
"Lig je nu niet beter in dat bed?" vroeg de jonge priester.
"Ja zeker... Maar ik weet het niet ook... Lieve God, ik verlang zoo
aan de voeten der Heilige Maagd te liggen."
Toch werd zij, toen Pierre den bak medegenomen had, wat afgeleid
door de komst van andere zieken. Madame Vêtu, die, onder haar armen
gesteund door twee dragers, naar boven gebracht was, werd door hen
geheel gekleed op het bed ernaast gelegd; zij bleef daar roerloos en
bijna zonder adem te halen met haar geel gezicht van kankerlijdster
liggen. Geen enkele trouwens werd uitgekleed, men legde ze neer,
zooals ze kwamen, met den raad, als zij dat eenigszins konden, wat te
slapen. Zij, die niet in bed lagen, gingen op den rand van haar matras
liggen, praatten wat met elkaar en brachten het weinige, dat zij bij
zich hadden, in orde. Reeds maakte Elise Rouquet, die links van Marie
op een matras zat, haar mandje los en haalde er een schoon halsdoekje
uit; zij beklaagde er zich over, dat er geen spiegel was. In minder
dan tien minuten waren alle bedden bezet, zoodat toen la Grivotte
kwam, half gedragen door zuster Hyacinthe en zuster Claire des Anges,
er matrassen op den grond bijgelegd moesten worden.
"Hier is er een," riep madame Désagneaux. "Hier zal ze heel goed
liggen, buiten de tocht van de deur."
Weldra lagen er nog zeven matrassen naast, die het geheele middenpad
innamen. Men kon niet meer heen of weer en moest met de grootste
voorzichtigheid de nauwe paadjes volgen, die om de zieken heen
vrijgelaten waren. Ieder hield haar eigen pakje, haar eigen doos of
haar eigen valies bij zich; aan het voeteneind der geïmproviseerde
bedden vormde zich weldra een hoop armzalige dingen en lompen, die
tusschen de lakens en dekens slingerden. Het leek een jammerlijke
ambulance, die inderhaast opgericht was na de een of andere groote
catastrophe, een brand of een aardbeving, die honderden gewonden
dakloos gemaakt had.
Madame de Jonquière liep van het eene einde der zaal naar het andere
en herhaalde telkens weer:
"Kom, kinderen, windt je niet zoo op, tracht een beetje te slapen."
Maar het lukte haar niet de zieken te kalmeeren; zij zelf en de
onder haar bevelen geplaatste hospitaliteitsdames maakten door haar
drukdoenerij de koortsachtige opwinding nog grooter. Verscheidene
zieken moesten verschoond worden, andere weer aan een natuurlijke
behoefte voldoen. Een, die een gezwel aan haar been had, jammerde
en gilde zoo, dat madame Désagneaux een nieuw verband wilde leggen;
maar zij was onhandig en viel, ondanks al haar moed van geestdriftige
verpleegster, bijna flauw, zoo walgde haar de onverdragelijke
stank. Zij, die zich het minst ziek voelden, vroegen bouillon, de
koppen gingen van de eene hand in de andere te midden van uitroepen
en antwoorden en tegenstrijdige bevelen, die men niet wist hoe uit te
voeren. De kleine Sophie Couteau, die bij de zusters bleef en vond,
dat zij op een uitstapje was, liep, danste en sprong op één been
tusschen al die zieken door; zij werd door allen geroepen, gestreeld
en geliefkoosd in de hoop op het wonder, die zij in ieder wekte.
Toch verliepen de uren in deze opgewonden drukte. Het sloeg zeven
uur, toen abbé Judaine binnenkwam. Hij was de geestelijke van de zaal
Sainte-Honorine en alleen door de moeilijkheid om een vrij altaar te
vinden, waar hij de mis kon lezen, was hij zoo laat. Hij was nog niet
binnen of een kreet van ongeduld steeg uit alle bedden op.
"Laten we gaan, mijnheer de pastoor, laten we dadelijk gaan!"
Een brandende begeerte, die van minuut tot minuut sterker en
onstuimiger werd, alsof een steeds brandender wordende dorst haar
kwelde, die alleen door de wonderbron gelescht kon worden, richtte
haar allen op. Met name la Grivotte, die op haar matras zat, vouwde
haar handen en smeekte, dat men haar naar de Grot brengen zou. Was dit
ontwaken van haar wilskracht, die koortsachtige drang naar genezing,
welke haar oprichtte, niet reeds een begin van het wonder? Bewusteloos
en niet in staat zich te bewegen hier gekomen, zat zij nu rechtop,
keek met haar donkere oogen naar alle kanten, loerend naar het
gelukzalige oogenblik, dat men haar zou komen halen. Op haar vaal
gezicht kwam een kleur; zij herleefde reeds weer.
"Zeg toch, mijnheer de pastoor, dat ze me wegdragen. Ik voel, dat ik
genezen zal worden."
Met zijn vriendelijk gezicht en zijn vaderlijk glimlachje hoorde hij
de zieken aan en verdreef met liefdevolle woorden haar ongeduld. Nog
even wachten, en dan gingen zij. Maar zij moesten verstandig zijn en
de dingen niet overhaasten; en dan--de Heilige Maagd hield niets van
dat gedrang, zij wachtte haar uur af en schonk haar goddelijke genade
aan de verstandigsten.
Toen hij voorbij het bed van Marie kwam en hij haar met gevouwen handen
een deemoedige smeekbede zag stamelen, bleef hij weer even staan.
"Jij hebt ook zoo'n haast, mijn dochter! Wees kalm, er zal genade
zijn voor allen."
"Eerwaarde vader," fluisterde zij, "de liefde verteert me. Mijn hart
is zoo vol van gebed, dat het mij bijna doet stikken."
Hij werd zeer ontroerd door deze hartstochtelijke gemoedsbeweging
van dat arme, uitgeteerde kind, dat zoo zwaar getroffen werd in haar
schoonheid en in haar jeugd. Hij wilde haar kalmeeren en wees haar
op madame Vêtu, die zich niet bewoog, hoewel zij toch haar starende
blikken niet af had van de menschen, die langs haar kwamen.
"Kijk eens, hoe rustig madame zich houdt. Zij bidt in stilte, zij
geeft zich als een klein kind geheel over aan Gods handen."
Maar met een stem, die men niet hoorde, met een zucht nauwlijks,
stamelde madame Vêtu:
"Ik heb zoo'n pijn! Ik heb zoo'n pijn!"
Eindelijk om kwart voor acht waarschuwde madame de Jonquière de zieken,
dat zij verstandig zouden doen zich gereed te maken. Geholpen door
zuster Hyacinthe en madame Désagneaux, deed zij zelf de japonnen dicht,
trok zieken, die het zelf niet konden, kousen en schoenen aan. Het
werd een echt toiletmaken, want allen wilden zoo voordeelig mogelijk
voor de Heilige Maagd verschijnen. Velen hadden de fijngevoeligheid
haar handen te wasschen; anderen trokken schoon linnengoed aan.
Elise Rouquet had eindelijk bij een vrouw, die naast haar lag,
een dikke waterzuchtige vrouw, die erg met zichzelf ingenomen was,
een zakspiegeltje ontdekt, zij vroeg het even te leen en zette het
tegen haar hoofdkussen aan; geheel verdiept in haar bezigheid knoopte
zij den doek elegant om haar hoofd, om haar afstootend gezicht met
de bloedende, open wond te bedekken. De kleine Sophie stond vol
belangstelling naar haar te kijken.
Eindelijk gaf abbé Judaine het teeken van vertrek naar de Grot. Hij
wilde er zijn lieve lijdende dochters in God, zooals hij zeide,
heen brengen, terwijl de dames der Hospitalité en de zusters achter
zouden blijven, om de zaal wat op te knappen. Onmiddellijk was de
zaal leeg; de zieken werden te midden van een nieuw tumult naar
beneden gebracht. Pierre, die den bak, waarin Marie lag, weer op het
onderstel gezet had, ging aan het hoofd van de stoet, die gevormd
werd door een twintigtal kleine wagentjes en brancards. De andere
zalen liepen ook leeg, het plein was vol, het vertrek geschiedde in
een groote verwarring. Weldra had zich een zóó lange queue gevormd,
die de vrij sterk hellende avenue de la Grotte afging, dat Pierre
reeds op het Plateau de la Merlasse was, toen de laatste draagbaren
het plein van het Hôpital verlieten.
Het was acht uur, de zon, een triomphantelijke Augustuszon, stond en
vlamde reeds hoog aan den wonderbaren, helderen hemel. Het scheen,
alsof het blauw der lucht, schoongewasschen door het nachtelijke
onweer, geheel nieuw en jeugdig-frisch was. En het verschrikkelijke
défilé rolde voort op den hellenden weg in de schittering van
den glorierijken ochtend. Er kwam geen einde aan: de stoet van
afschuwlijkheden werd steeds langer. Geen enkele orde was erin;
het was een mengelmoes van alle kwalen, de ontruiming van een hel,
waarin men de monsterachtigste ziekten, de zeldzame gevallen, de
unica, die je doen huiveren, bijeengebracht zou hebben. Het waren door
eczeem weggevreten hoofden, met uitslag bezaaide gezichten, neuzen en
monden, waarvan de elephantiasis [12] afzichtelijke snuiten gemaakt
had. Ziekten, die men uitgestorven waande, stonden weer op, een oude
vrouw had lepra, een tweede was overdekt met huidmos, als een boom,
die in de schaduw staat weg te rotten. Dan kwamen waterzuchtigen
voorbij, opgeblazen als volle waterzakken, de opgezwollen buik onder
de kleeren uitstekend; handen, misvormd door rheumatiek, hingen buiten
de draagbaren; voeten, opgezet door water, staken er onherkenbaar en
als met lompen volgestopte zakken uit.
Een vrouw met een waterhoofd, die in een klein wagentje zat,
trachtte haar reuzenhoofd, dat bij iederen schok naar achteren viel,
in evenwicht te houden. Een groot meisje, dat aan St. Vitusdans leed,
sprong aan één stuk door met haar ledematen, terwijl de linkerhelft
van haar gezicht door allerlei grijnzen vertrokken werd. Een jongere,
die achter haar kwam, stiet een geblaf uit, een soort dierlijk
gejammer, wanneer de gezichtspijn, waarmede zij behept was, haar
mond vertrok. Dan kwamen de teringlijdsters, rillend van koorts,
uitgeput door dysenterie, mager als geraamten, met de kleur van de
aarde, waarin zij weldra zouden rusten; onder dezen was er een met een
wasbleek gezicht en koortsig gloeiende oogen, zoodat zij deed denken
aan een doodshoofd, waarin men een fakkel had aangestoken. Dan volgden
alle door verlamming of verstijvingen veroorzaakte wanstaltigheden,
krom gegroeide lichamen, omgedraaide armen, scheef staande nekken,
gebroken en verbogen arme wezens, onbeweeglijk in haar houdingen
van tragische ledepoppen; een vooral viel bijzonder op met haar
rechterhand, die achter haar heup gegroeid was, en haar linkerwang,
die als vastgeplakt aan haar schouder zat.
Dan stelden arme rachitische meisjes haar waskleurige tint en haar
magere, door klieren weggevreten nekken ten toon; gele vrouwen
hadden de pijnlijke verstijving van ongelukkigen, wier borsten door
den kanker verwoest worden; nog anderen, die met droeve oogen naar
den hemel lagen te staren, schenen in zich het op elkaar stooten der
gezwellen te hooren, gezwellen, zoo groot als kinderhoofden, die haar
organen verstopten. En steeds nog waren er meer, steeds nog volgden
er meer verschrikkelijkheden, waarvan de een je nog meer deed rillen
dan de andere.
Een meisje van twintig jaar, met een platgedrukt, gedrochtelijk hoofd,
had een zoo groot kropgezwel, dat het tot aan haar middel afhing. Op
haar volgde een blinde vrouw met een marmerbleek gezicht, waarin op de
plaats van haar oogen uit twee ontstoken en bloederige gaten steeds
door etter vloeide. Een oude, kindsche vrouw, wier neus door de een
of andere venerische ziekte was weggevreten, lachte met haar leegen,
zwarten mond een afschuwlijken lach. Plotseling kreeg een epileptica
een aanval en schuimbekte op haar draagbaar, zonder dat de stoet, die
als door een stormwind voortgezweept werd, zijn gang verminderde in de
koortsachtige opwinding van den hartstocht, die hen naar de Grot dreef.
De baardragers, de priesters, de zieken zelfs hadden een lied
aangeheven, de litanie van Bernadette, en alles rolde voort te midden
van de obsessies der tot walgens toe herhaalde Ave's; de wagentjes, de
baren, de voetgangers gingen den hellenden weg af als een buiten haar
oevers getreden beek, die haar golven met groot lawaai voortstuwt. Op
den hoek van de rue Saint-Joseph, dicht bij het Plateau de la Merlasse
bleef een groepje pleizierreizigers, die van Cauterets of Bagnères
kwamen, in diepe verbazing op den rand van het trottoir staan. Het
moesten gezeten burgers zijn, vader en moeder zeer correct gekleed,
de beide dochters in lichte japonnetjes en met de lachende gezichten
van gelukkige menschen, die zich vermaken.
Maar op hun eerste verbazing volgde een steeds toenemende
afschuw, alsof zij een leprozenhuis uit de oude tijden, een van die
legendarische ziekenhuizen, na de een of andere vreeselijke epidemie,
hadden zien leegloopen. De twee meisjes werden bleek, vader en moeder
stonden als versteend bij dit onafgebroken défilé van verschrikkingen,
waarvan zij den verpesten stank in het gezicht kregen. God! Wat een
leelijkheid, wat een vuilheid, wat een lijden! Hoe was dat mogelijk
onder deze mooie, zoo stralende zon, onder dezen wijden hemel vol
licht en vreugde, waarin de koelte van den Gave opsteeg, waarin de
ochtendwind den zuiveren geur der bergen bracht.
Toen Pierre, die aan het hoofd van den stoet ging, op het Plateau
de la Merlasse kwam, werd hij als gebaad door die lichtende zon,
door de prikkelende, met balsemgeur vervulde lucht. Hij keerde zich
om en lachte Marie vriendelijk toe; en toen zij in de stralende
pracht van dien morgen op het midden van de place du Rosaire kwamen,
werden zij beiden betooverd door den bewonderenswaardigen horizont,
die zich voor hen ontrolde.
Naar het Oosten lag het oude Lourdes, op de andere zijde van zijn rots,
in een breede terreinplooi. De zon rees op achter de verre bergen,
en zijn schuine stralen kleurden die alleenstaande rots, die gekroond
werd door den toren en de instortende muren van het oude Kasteel,
eertijds den sleutel der zeven dalen, met donker lila tinten. In
het stof van dansend en opvliegend goud zag men slechts de trotsche
tinnen, muurbrokken van het cyclopische bouwwerk, dan daarboven vage
vormen van daken, de verkleurde en verweerde daken van de oude stad,
terwijl aan deze zijde van het kasteel, rechts en links uitstekend, te
midden van het groen de nieuwe stad lachte met haar witte hotelgevels,
haar mooie huizen, haar prachtige winkels, een rijke en luidruchtige
stad, die daar als door een wonder in enkele jaren opgerezen was.
De Gave stroomde langs den voet der rots en stuwde het gebruis van
zijn heldere, groene en blauwe golven voort, diep onder de oude
brug, huppelend onder de nieuwe, die door de paters gebouwd was, om
de Grot met het station en den pas in gebruik genomen boulevard te
verbinden. En als achtergrond voor dit heerlijk schilderij, voor dat
frissche water, voor dat lachende groen, voor die verjongde, wijd uit
elkaar gebouwde, vroolijke stad verhieven zich de Kleine en de Groote
Gers, twee groote kale bergruggen met kort gras, die in de schaduw,
waarin zij baadden, teere tinten aannamen, een bleek mauve en een
bleek groen, die in rose verliepen.
Dan in het Noorden, op den rechteroever van den Gave, aan gene zijde
van de heuvels, waarlangs de spoorlijn loopt, rezen de hoogten
van den Buala op, boschrijke, door het morgenlicht overstroomde
hellingen. Daar, aan dien kant, lag Bartrès. Meer naar links verhief
zich de door den Miramont beheerschte dalengte van Julos. Heel in de
verte verdampten andere toppen in den aether. Op het eerste plan,
aan den anderen oever van den Gave lagen etagegewijze tusschen de
grazige dalen talrijke kloosters, die dit gedeelte van den horizont
opvroolijkten. Zij schenen op dezen wonderbodem als natuurlijke,
snel groeiende planten opgeschoten te zijn.
In de eerste plaats had men er het door de zusters van Nevers gestichte
weeshuis, waarvan de uitgebreide gebouwen in de zon schitterden. Dan
tegenover de Grot, op den weg naar Pau, het Karmelietenklooster,
vervolgens, wat hooger op, aan den weg naar Poueyferré dat der paters
van Maria Hemelvaart, verder dat der Dominicanen, waarvan slechts
een gedeelte van het dak zichtbaar was; en eindelijk de zusters der
Onbevlekte Ontvangenis, de zoogenaamde Blauwe Zusters, die aan het eind
van het dal een retraitehuis gesticht hadden, waarin zij ongetrouwde
dames, rijke bedevaartgangsters, die naar de eenzaamheid verlangden,
opnamen. Op dit uur des gebeds luidden de klokken van al die kloosters
haar jubelzang uit in de kristalheldere lucht, terwijl aan het andere
einde van den horizont, in het Zuiden, de klokken van andere kloosters
met dezelfde zilverstemmige vreugdeklanken antwoordden.
Bij den Pont-Vieux met name deed de klok van het klooster der
Clarissinnen duidelijk een gamma van zoo heldere noten hooren, dat
men zou denken aan het vriendelijke gesnap van een vogel. Ook aan die
zijde van de stad holden zich dalen uit en hieven bergen hun kale
helling in de hoogte: het was als een onder haar kwalen lachende
natuur, een eindelooze deining van heuvels, waaronder de fijn met
karmijn en teerblauw gevlamde heuvels van Visens opvielen.
Maar toen Marie en Pierre naar het Westen keken, werden zij als
verblind. Het volle zonlicht viel op den grooten en kleinen Bêout
met hun koepels van ongelijke hoogte. Het was als een achtergrond
van purper en goud, als een verblindende berg, waarop men slechts
den weg onderscheidde, die, tusschen de boomen, opkronkelt naar
den Calvariënheuvel. En daar, op dien bezonden, als een aureool
schitterenden achtergrond, teekenden zich de drie boven elkaar gebouwde
kerken af, welke de zwakke stem van Bernadette tot roem en eer der
Heilige Maagd uit de rots had doen oprijzen.
Onderaan de Rozenkranskerk, plat en rond, half in de rots uitgehouwen;
zij lag op den achtergrond van het vrije voorplein, dat ingesloten
werd door onmetelijke armen, de kolossale hellingen, die zacht
glooiend tot aan de Crypt opstegen. Het was een ontzaglijk werk, een
geheele steengroeve van losgewoelde en afgehouwen steenen, gewelfde
bogen hoog als kerkschepen, twee reusachtige toegangswegen, opdat
de pracht der processies zich zou kunnen ontvouwen en het kleine
wagentje van een ziek kind zonder moeite zou kunnen opstijgen naar
God. Vervolgens de Crypt, de onderaardsche kerk, waarvan men alleen,
boven de Rozenkranskerk uit, de lage deur zien kon. En eindelijk rees,
wat mager en ijl, te nieuw en te wit, de Basilica op in den slanken
stijl van een kostbaar edelgesteente, uit de rotsen van Massabielle
opstijgend als een gebed, als de vlucht van een reine duif. De kleine
torenspits leek, boven de reusachtige hellingen, niet meer dan het
kleine, rechte vlammetje van een kaars te midden van den onmetelijken
horizont en de eindelooze deining van dalen en bergen.
Naast het massieve groen van den Calvariënheuvel scheen zij breekbaar
te zijn en de trouwhartigheid van kinderlijk geloof te bezitten. En
ook dacht men erbij aan het blanke armpje, aan het blanke handje van
een ziek meisje, dat in haar onderaardsche ellende naar den hemel
wijst. De Grot, welker ingang links, aan den voet der rots lag, was
niet zichtbaar. Achter de Basilica zag men nog slechts de woning der
paters, een log, vierkant gebouw, en, veel verder, in het donkere,
zich verbreedende dal, het paleis van den bisschop. De drie kerken
vlamden in de ochtendzon, welker gouden stralenregen op het geheele
landschap nederdaalde, terwijl de klankrijke vlucht der klokken de
siddering zelf scheen te zijn van het licht, het melodisch ontwaken
van dezen jongen mooien dag.
Toen Pierre en Marie de place du Rosaire overstaken, wierpen zij een
blik op de Esplanade, den tuin met een lang grasperk in het midden,
omzoomd door twee breede, parallel loopende lanen en zich uitstrekkend
tot de nieuwe brug. Daar stond, naar de Basilica gekeerd, de groote,
gekroonde Maagd. Alle zieken, die er voorbij kwamen, maakten het
teeken des kruises. Nog steeds rolde de schrikaanjagende stoet,
opgaande in zijn lied, voort door de feestelijke natuur. Onder
den stralenden hemel, tusschen de bergen van purper en goud, in de
eeuwige koelte van het kabbelende water, stuwde de stoet zijn tot
huidziekten vervloekten met hun weggevreten vleesch, zijn opgeblazen
waterzuchtigen, zijn jichtlijders, zijn door pijn verkromde verlamden
voort; voorbij trokken de vrouwen met waterhoofden, de lijdsters
aan St. Vitusdans, de teringlijdsters, de door Engelsche ziekte
aangetasten, de epilepticae, de kankerlijdsters, de krankzinnigen en
de idioten. Ave, ave, ave Maria! De hardnekkig volgehouden litanie
zwol steeds aan en stuwde den afschuwelijken stroom van menschelijke
ellende en menschelijken jammer naar de Grot onder den afschuw en de
walging van de voorbijgangers, die verstijfd door deze voorbijvliegende
nachtmerrie, als aan den grond genageld bleven staan.
Pierre en Marie waren de eersten, die onder het hooge booggewelf
doorgingen. Toen zij daarop den dam van den Gave volgden, stonden zij
plotseling voor de Grot. Marie, die door Pierre zoo dicht mogelijk
bij het hek gereden werd, kon zich slechts in het wagentje oprichten
en prevelen:
"O, allerheiligste Maagd... Veelgeliefde Maagd!"
Zij had niets gezien, noch de hostiekastjes der vijvers, noch de
fontein met haar twaalf bekkens, waar zij langs gekomen was; en evenmin
zag zij links den winkel met gewijde voorwerpen of rechts den steenen
preekstoel, die reeds door een geestelijke beklommen was. Slechts de
schittering der Grot verblindde haar, honderd duizend kaarsen schenen
daar achter het hek te branden en de lage opening met den gloed van
een hoogoven te vullen, terwijl zij het beeld der Maagd, dat hooger
op den rand van een nauwe, boogvormig uitgeholde ruimte stond, met
een stralenkrans van een ster omgaven. En behalve die glorierijke
verschijning zag Marie niets, noch de krukken, waarmede men een
gedeelte van het gewelf behangen had, noch de bij stapels neergeworpen
ruikers, die er lagen te verwelken tusschen klimopplanten en wilde
rozestruiken, noch het altaar zelf, dat in het midden geplaatst was
naast het kleine, verplaatsbare met een hoes overdekte orgel.
Maar toen zij haar oogen opsloeg, vond zij weer op den top der rots, in
den hemel, de slanke, witte Basilica, die met haar fijne torenspits,
welke zich als een gebed in het blauw der oneindigheid verloor,
zich thans en profil aan haar toonde.
"O, machtige Maagd... Koningin der Maagden... Heilige Maagd der
Maagden..."
Intusschen was het Pierre gelukt het wagentje van Marie naar den
eersten rang te schuiven, voor de eikenhouten banken, die zich, als in
het schip eener kerk, in grooten getale in de open lucht naast elkander
rijden. Reeds waren deze banken geheel en al bezet door zieken, die
zitten konden. De tusschenruimten werden gevuld door draagbaren, welke
men op den grond gezet had; door kleine wagentjes, waarvan de wielen
in elkaar grepen, en door een ontelbare menigte kussens en matrassen,
waarop alle kwalen in een bonte mengeling naast elkaar huisden.
Toen Pierre in de Grot kwam, had hij de Vignerons met hun ongelukkigen
Gustave in een der banken herkend, terwijl hij op den vloer het met
kant gegarneerd bed van madame Dieulafay gezien had, aan het hoofdeinde
waarvan haar man en haar zuster geknield lagen te bidden. Verder
waren er alle zieken van den wagon: mijnheer Sabathier en broeder
Isidore naast elkaar, madame Vêtu lag uitgeput in haar wagentje,
Elise Rouquet zat, la Grivotte richtte zich in haar extase op haar
beide vuisten op. Zelfs vond hij madame Maze terug, die, afgezonderd
van de anderen, in een vurig gebed verzonken was, terwijl madame
Vincent, die in haar knielende houding de kleine Rose toch nog in haar
armen had, het wichtje aan de Maagd voorhield met het gebaar van een
radelooze moeder, opdat de Moeder der goddelijke genade zich erover
zou erbarmen. De menigte pelgrims om die gereserveerde ruimte groeide
steeds aan, een dringende, rumoerige hoop, die zich langzamerhand
tot aan de borstwering van den Gave uitstrekte.
"O, barmhartige Maagd," prevelde Marie door; "o trouwe Maagd... o
zonder zonde ontvangen Maagd..."
En half bezwijmend, terwijl haar lippen nog door een innerlijk gebed
bewogen, keek zij Pierre vol verlangen aan. Deze dacht, dat zij hem
iets te zeggen had en boog zich over haar heen.
"Wil je, dat ik bij je blijf, om je straks naar de vijvers te rijden?"
Toen zij zijn bedoeling begrepen had, knikte zij van neen. Dan
koortsachtig:
"Neen, neen, ik wil dezen ochtend niet in den vijver... ik geloof,
dat je zoo rein, zoo heilig moet zijn, alvorens het wonder te
beproeven. Den heelen morgen wil ik daar met gevouwen handen, met al
mijn kracht, met mijn geheele ziel voor bidden..."
Zij moest even ophouden. Dan ging zij voort:
"Kom me niet voor elf uur halen, om me naar het ziekenhuis te rijden."
Pierre echter verwijderde zich niet, maar bleef bij haar. Een oogenblik
viel hij op zijn knieën neer; ook hij had willen bidden met dat
brandende geloof, aan God de genezing willen vragen van dat zieke
kind, dat hij met zoo'n broederlijke teederheid liefhad, maar sedert
hij voor de Grot was, voelde hij een vreemden tegenzin zich van hem
meester maken, een heimelijk verzet, dat de vrome geestdrift van zijn
gebed stoorde. Hij wilde gelooven, hij had den geheelen nacht gehoopt,
dat het geloof weer in zijn ziel zou ontluiken als een mooie bloem
van onwetendheid en argeloosheid, zoodra hij zou neerknielen op den
gewijden grond van het wonder.
Hij voelde nu niets dan verlegenheid en onrust bij het zien van
al dit decor, van het harde en vale beeld in het valsche licht der
kaarsen, tusschen den rozenkransenwinkel, waarin de koopsters zich
verdrongen, en den grooten steenen preekstoel, waaruit een pater van
Maria Hemelvaart met luider stem zijn Ave's slingerde. Was zijn ziel
zoo verdord? Kon dan geen hemelsche dauw haar drenken met onschuld,
haar gelijk maken aan de zielen van kleine kinderen, die zich geheel
overgeven aan de minste liefkoozing der legende?
Dan herkende hij in den geestelijke op den preekstoel pater
Massias. Hij had hem vroeger al ontmoet en voelde zich onaangenaam
getroffen door diens sombere onstuimigheid, dat magere gezicht met de
fonkelende oogen en den grooten, welsprekenden mond, die den hemel
scheen te willen dwingen om op aarde neder te dalen. En terwijl hij
er zich over verwonderde, dat hij zich zoo heel anders voelde, zag
hij aan den voet van den preekstoel pater Fourcade in een levendig
gesprek met baron Suire. Deze laatste scheen in tweestrijd te zijn;
toch stemde hij eindelijk met een goedkeurend hoofdschudden toe. Ook
abbé Judaine was er, die den pater nog een oogenblik staande hield;
ook zijn breed, vaderlijk gezicht drukte een soort ontsteltenis uit;
doch dan knikte hij op zijn beurt goedkeurend.
Plotseling verscheen pater Fourcade op den kansel; hij stond rechtop
en richtte zijn hooge gestalte op, die door den aanval van jicht,
waaraan hij leed, eenigszins gebogen was. Hij wilde niet, dat pater
Massias, zijn veelgeliefde, onder allen uitverkoren broeder, den
kansel geheel verliet; hij liet hem op een trede van de nauwe trap
blijven en leunde op zijn schouder.
Dan begon hij met een volle, diepe stem en met een gebiedende
autoriteit, die dadelijk de diepste stilte deed heerschen, te spreken.
"Geliefde broeders en zusters, ik vraag u om vergeving, dat ik u in
uw gebeden stoor, maar ik heb een mededeeling te doen, ik moet de
hulp van al uw trouwe zielen inroepen... Vanochtend hebben wij een
zeer droevig voorval te betreuren, een onzer broeders is in een der
treinen, die u hier gebracht hebben, gestorven, juist toen hij het
beloofde land betrad..."
Hij hield enkele seconden op. Hij scheen nog grooter te worden. Zijn
knap gelaat begon te stralen. Dan ging hij verder:
"Welnu, geliefde broeders en zusters, ondanks alles is het denkbeeld
bij mij opgekomen, dat wij niet moeten wanhopen... Wie weet of
God dezen dood niet gewild heeft, om de wereld het bewijs van zijn
almacht te geven?... Een inwendige stem heeft mij aangedreven om
dezen kansel te bestijgen om uw gebeden voor dien man te vragen,
voor hem, die niet meer is en wiens heil desniettemin ligt in de
handen der allerheiligste Maagd, die altijd haar goddelijken Zoon kan
aanroepen... Ja, de man is hier, ik heb zijn lijk hier laten brengen,
en het hangt misschien van u af, dat een schitterend wonder de oogen
der heele wereld verblindt, indien gij bidt met genoeg vuur om den
hemel te roeren... Wij zullen het lijk in den vijver onderdompelen,
wij zullen den Heer, den gebieder der wereld, smeeken hem op te wekken,
om dat buitengewone bewijs van zijn souvereine goedheid te geven..."
Een ijskoude ademtocht, die uit het onzienlijke gekomen was, beroerde
de verzamelden. Allen waren bleek geworden; zonder dat iemand de lippen
geopend had, scheen een gemompel van schrik door de menigte te loopen.
"Maar," ging pater Fourcade, dien een waarachtig geloof bezielde,
heftig voort, "met welk een vuur moet gij bidden! Geliefde broeders en
zusters, uw geheele ziel wil ik; het moet een gebed zijn, waarin gij
uw hart, uw bloed, uw leven, met alles wat het edels en liefderijks
in zich heeft, leggen moet... Bidt uit al uw kracht, bidt tot gij
niet meer weet wie gij zijt, noch waar gij zijt; bidt, zooals gij
sterft, want wat wij gaan vragen is een zoo kostbare, zoo zeldzame,
zoo wonderbare genade, dat alleen de onstuimigheid onzer aanbidding
God er toe brengen kan om te antwoorden... En opdat onze gebeden
uitwerking kunnen hebben, opdat zij den tijd hebben op te stijgen tot
de voeten van den Eeuwige, zullen we eerst hedenmiddag om drie uur
het lijk in den vijver onderdompelen... Geliefde broeders en zusters,
bidt, bidt de Heilige Maagd, de Koningin der Engelen, de Troosteresse
der bedroefden!"
En medegesleept door zijn geestvervoering, begon hij de rozenkrans
weer te bidden, terwijl pater Massias in snikken uitbarstte. De diepe,
angstig-benauwende stilte werd verbroken; de menigte stiet kreten
uit, kon haar tranen niet bedwingen, stamelde vurige smeekbeden. Het
was als woei er een delirium, dat de wilskracht ophief, dat van al
die wezens slechts één enkel wezen maakte, dat buiten zichzelf was
van hartstochtelijke opwinding, losgelaten op een dolzinnig, vurig
verlangen naar het onmogelijke wonder.
Een oogenblik had Pierre gedacht, dat de aarde onder hem wegzonk, dat
hij in zwijm vallen zou. Met moeite stond hij op en verwijderde zich.