I.

De stationsklok, waarvan de wijzerplaat door een reflector verlicht

werd, wees drie uur twintig minuten aan. Onder de kap, die over het

ongeveer honderd meter lange perron liep, drentelden in geduldige

afwachting schimmen op en neer. In de verte, in de zwarte vlakte,

zag men niets dan een rood seinlicht.

Twee van die heen-en-weer drentelende schimmen bleven staan. De

grootste, een pater van Maria Hemelvaart, de eerwaarde pater Fourcade,

directeur van de nationale bedevaart, een zestiger en een flinke

verschijning in zijn zwarte pelerine met de lange kap, was den vorigen

dag te Lourdes aangekomen. Zijn mooie kop met de heldere, gebiedende

oogen en den dikken, grijzenden baard deed denken aan dien van een

veldheer, welke vastbesloten is te overwinnen. Lijdend aan jicht, trok

hij wat met zijn been en leunde op den schouder van dr. Bonamy, den aan

het bureau voor het constateeren van wonderen verbonden geneesheer,

een klein, ineengedrongen mannetje met een kaalgeschoren gezicht,

doffe en verwaterde oogen, en grove, kalme trekken.

Pater Fourcade vroeg aan den stationschef, die uit zijn bureau

kwam loopen:

"Mijnheer, is de witte trein veel te laat?"

"Neen, eerwaarde, hoogstens tien minuten. Om half vier is hij

binnen... Ik maak me meer ongerust over den trein uit Bayonne, die

al door moest zijn."

Hij liep weg om een bevel te geven, kwam dan weer terug, mager en

zenuwachtig, in de koortsachtige opgewondenheid, die hem tijdens de

groote bedevaart dagen en nachten op den been hield. Dien ochtend

verwachtte hij buiten den gewonen dienst, achttien extra-treinen met

meer dan vijftien duizend reizigers. De grijze en de blauwe trein,

die het eerst van Parijs vertrokken waren, waren op het vastgestelde

uur binnen gekomen. Maar de vertraging van den witten trein was des

te onaangenamer, omdat de expres uit Bayonne ook nog niet gemeld was,

zoodat het te begrijpen was, dat het personeel iedere seconde op zijn

qui-vive moest zijn.

"Over tien minuten, dus?"

"Ja, over tien minuten, wanneer we tenminste de lijn niet moeten

afsluiten," riep de chef, die zich naar de telegraaf spoedde.

Langzaam hervatten de geestelijke en de geneesheer hun wandeling. Het

verbaasde hun, dat er te midden van al die koortsachtige drukte

nooit een ernstig ongeluk gebeurd was. Vroeger vooral heerschte er

een ongelooflijke wanorde. En onwillekeurig dacht de pater terug aan

de eerste bedevaart, die hij in 1875 had georganiseerd en geleid:

de verschrikkelijke, eindelooze reis, zonder kussens of matrassen,

met half-doode zieken, die men niet wist hoe tot het leven terug te

roepen; dan de aankomst te Lourdes, het ordelooze uitstappen, niet

het minste transportmateriaal, geen draagbaren, geen brancards, geen

rijtuigen. Thans echter was alles prachtig ingericht en georganiseerd;

de hospitalen voor de zieken, die men nu niet meer op stroo in loodsen

behoefde te leggen. Wat een ramp vroeger voor die ongelukkigen! Welk

een wilskracht moest de geloovigen naar het wonder brengen. En de

pater glimlachte zacht bij de gedachte aan het werk, dat hij gedaan

had. Nog steeds op diens schouder leunend, vroeg hij aan den dokter:

"Hoeveel pelgrims hebt u verleden jaar gehad?"

"Ongeveer tweehonderd duizend. Dat is het gemiddelde, dat zich aardig

blijft handhaven... Het jaar van de kroning der Heilige Maagd was het

aantal vijfhonderd duizend. Maar dat was een uitzonderingsgeval en het

gevolg van een groote propaganda. Zulke getallen bereik je niet meer."

Er volgde een korte stilte, dan prevelde de pater:

"Ongetwijfeld... het werk wordt gezegend, neemt van dag tot dag in

bloei toe. Dit jaar hebben we ongeveer tweehonderdvijftig duizend

francs voor deze reis aan giften gekregen; en God zal met ons zijn,

morgen zult u talrijke genezingen te constateeren hebben, daar ben

ik vast van overtuigd."

En zichzelf in de rede vallend:

"Is pater Dargelès er niet?"

Dr. Bonamy maakte een gebaar om te zeggen, dat hij het niet wist. Pater

Dargelès was belast met de redactie van den Journal de la Grotte. Hij

behoorde tot de orde van de paters der Onbevlekte Ontvangenis, die

door den bisschop te Lourdes waren gevestigd en daar onbeperkt heer

en meester waren. Doch wanneer de paters van Maria Hemelvaart met de

nationale bedevaart uit Parijs kwamen, waarbij zich de geloovigen

uit de steden Kamerijk, Atrecht, Chartres, Troyes, Reims, Sens,

Orleans, Blois en Poitiers voegden, was het net, alsof zij geheel en

al verdwenen waren: men zag ze niet bij de Grot, niet bij de Basilica;

zij schenen met het afgeven der sleutels tevens de verantwoordelijkheid

van zich te werpen. Zelfs hun overste, pater Capdebarthe, een groot,

krachtig en grof gebouwd man, een soort boer, wiens verweerd gezicht

den roodbruinen en droefgeestigen weerschijn van den grond behouden

had, vertoonde zich niet. Alleen den kleinen en vriendelijken

pater Dargelès vond men overal, op zoek naar berichten voor zijn

courant. Maar al verdwenen de paters der Onbevlekte Ontvangenis, toch

voelde men hen achter dit groote decor als de verborgen en souvereine

kracht, die overal geld uit slaat, die zonder ophouden werkt aan den

bloei van het huis. Zelfs hun eigen nederigheid exploiteerden zij.

"Ik heb wel vroeg op moeten staan," begon pater Fourcade het gesprek

weer op vroolijken toon, "om twee uur al, maar ik wou hier zijn. Wat

zouden mijn arme kinderen anders gezegd hebben?"

Zoo noemde hij de zieken, het vleesch voor de wonderen; en altijd was

hij, welk uur het ook zijn mocht, tegenwoordig geweest bij de aankomst

van den witten trein, dien jammervollen trein met de ernstige zieken.

"Vijf minuten voor half vier, nog vijf minuten," zeide dr. Bonamy,

die een geeuw onderdrukte, terwijl hij naar de klok keek, en ondanks

zijn kruipend-onderdanige houding gruwlijk het land had, dat hij zoo

vroeg uit zijn bed had moeten komen.

Op het perron, dat op een overdekten promenoir geleek, bleef te

midden van de dichte duisternis, waarin de gaslantaarns geel plekten,

het op-en-neer-drentelen voortduren. Niet duidelijk te onderscheiden

menschen in kleine groepen, geestelijken, heeren in overjassen, een

officier der dragonders liepen zacht fluisterend af en aan. Anderen

zaten op de langs den muur staande banken eveneens te praten of

staarden, strak voor zich uit kijkend, naar de donkere vlakte. In de

schel verlichte bureaux en wachtkamers teekenden de donkere deuren

zich duidelijk af, terwijl ook de restauratiezaal, waarin men de

marmeren tafels en het met brood en vruchten, flesschen en glazen

beladen buffet zag, haar volle verlichting reeds had aangestoken.

Maar vooral aan het achtereinde van de kap heerschte een verward

gedrang van menschen. Aan dien kant bracht men de zieken naar

buiten. Een groot aantal brancards en kleine rijtuigjes, een formeele

barricade van kussens en matrassen versperde het breede trottoir. Ook

waren daar drie ploegen brancarddragers, mannen uit alle standen,

maar voornamelijk jongelui uit de hoogere kringen, die op hun jassen

het roode, oranjekleurig gerand kruis en de geellederen draagband

droegen. Velen hadden de baret op, de makkelijke hoofddracht uit

die streken. Sommigen, als toegerust voor een verre expeditie,

droegen mooie slobkousen, die tot aan de knieën reikten. Enkelen

rookten, anderen hadden het zich makkelijk gemaakt in hun kleine

rijtuigjes en sliepen of lazen bij het licht der gaslantaarns

een courant. Afgezonderd van de anderen stond een groepje over de

inrichting van den dienst te praten.

Plotseling groetten de brancarddragers. Een vriendelijk heer met grijze

haren, een goedhartig, dik gezicht en met groote blauwe kinderoogen

kwam aangeloopen. Het was baron de Suire, een der grootste kapitalisten

van Toulouse en voorzitter van de Hospitalité de Notre-Dame de Salut

"Waar is Berthaud?" vroeg hij druk doende aan iedereen. "Waar is

Berthaud? Ik moet hem spreken."

Iedereen antwoordde en ieder gaf een andere inlichting. Berthaud was de

directeur der brancardafdeeling. Sommigen hadden den directeur zoo even

nog met den eerwaarden pater Fourcade gezien, anderen beweerden, dat

hij op de binnenplaats van het station de ambulancewagens inspecteerde.

"Als mijnheer de president wil, dat we den directeur halen..."

"Neen, neen, dank je wel. Ik zal hem zelf wel vinden."

Intusschen zat Berthaud in afwachting van de aankomst van den trein

aan het andere einde van het station op een bank te praten met zijn

jongen vriend Gérard de Peyrelongue. Het was een veertiger met

een knap, lang en regelmatig gezicht, die nog zijn welverzorgd

magistraten-bakkebaardje had. Behoorende tot een militante

legitimistische familie en zelf streng reactionnair, was hij sedert

den 24sten Mei ambtenaar van het Openbaar Ministerie in een stad

in het Zuiden, toen hij na de afkondiging der decreten tegen de

congregaties op luidruchtige wijze zijn ontslag genomen had in een

beleedigenden brief aan den minister van Justitie. Daarbij had hij

het echter niet gelaten, doch zich bij wijze van protest aangesloten

bij de Hospitalité de Notre Dame de Salut en kwam dit ieder jaar te

Lourdes in het openbaar manifesteeren, overtuigd als hij was, dat die

bedevaarten onaangenaam en schadelijk waren voor de republiek en dat

de Heilige Maagd alleen het koningschap kon herstellen door een van

de wonderen, die zij in de Grot in zoo grooten getale wrocht. Verder

had hij een goed helder verstand, lachte graag en was steeds even

vriendelijk en hartelijk voor de arme zieken, voor wier transport

hij gedurende de drie dagen van de nationale bedevaart zorgde.

"Dus dit jaar ga je trouwen, Gérard?" vroeg hij aan den jongen man,

die naast hem zat.

"Zeker, als ik de vrouw vind, die ik noodig heb," antwoordde

deze. "Kom, neef, geef u mij eens een goeden raad."

Gérard de Peyrelongue, een klein, mager, rosachtig mannetje met een

sterk ontwikkelden neus en ingevallen wangen, kwam uit Tarbes en had

kort geleden zijn ouders verloren, die hem een rente van. niet meer

dan zeven of achtduizend francs hadden nagelaten. Zeer eerzuchtig,

had hij in zijn provincie niet de vrouw, die hij wilde, kunnen vinden,

een vrouw van goede familie, die door haar relaties in staat zou zijn

hem hoogerop te brengen. Hij had zich dan ook bij de Hospitalité

aangesloten en ging ieder jaar naar Lourdes met de vage hoop, dat

hij daar onder de menigte geloovigen, onder den stroom van dames en

jonge meisjes, de familie zou ontdekken, die hij noodig had, om zijn

carrière in dit ondermaansche te maken. Maar tot nog toe had het hem

niet mogen gelukken, want al had hij verschillende jonge meisjes op

het oog, geen enkele viel geheel in zijn smaak.

"Ja werkelijk neef, u, die toch een man van ervaring bent, moest

mij eens een raad geven... Daar is in de eerste plaats mademoiselle

Lemercier, die hier met haar tante komt. Zij is schatrijk, meer dan

een millioen beweert men. Maar zij behoort niet tot onze kringen en

ik geloof, dat zij nog al excentriek is."

Berthaud schudde zijn hoofd.

"Ik heb het je al meer gezegd, als ik jou was, nam ik de kleine

Raymonde, mademoiselle de Jonquière."

"Maar die bezit geen sou."

"Dat is zoo, nauwelijks genoeg om te leven. Maar zij is vrij knap,

uitstekend opgevoed en heeft geen neiging tot verkwisting; en dat

laatste doet de deur toe, want waartoe dient het een rijk meisje te

nemen, als zij toch alles wat zij meebrengt weer uitgeeft? En dan, ik

ken de dames heel goed, ik ontmoet ze 's winters in de invloedrijkste

salons van Parijs. En bovendien vergeet haar oom niet, den diplomaat,

die den treurigen moed gehad heeft in dienst der republiek te blijven

en ongetwijfeld heel wat voor zijn neef zal kunnen doen."

Gérard, die een oogenblik aan het wankelen gebracht was, zeide

echter weer:

"Geen sou, geen sou, neen, het is onmogelijk... Ik wil er nog wel

eens over nadenken, maar heusch, ik zie er te erg tegen op."

Ditmaal begon Berthaud hartelijk te lachen.

"Kom, je bent eerzuchtig, dan moet je durven. Ik verzeker je, je wordt

er gezantschapssecretaris door... De dames komen met den witten trein,

die dadelijk binnen zal stoomen. Wees een kerel en maak haar het hof!"

"Neen, neen... later! Ik wil er eerst nog eens over nadenken!"

Op dit oogenblik werden zij gestoord. Baron de Suire, die reeds langs

hen gekomen was zonder hen te zien, zoo donker was het in dit afgelegen

hoekje, had het hartelijke lachje van den voormaligen officier van

justitie herkend. En onmiddellijk gaf hij hem met een ongelooflijke

radheid van tong verschillende bevelen betreffende de ambulancewagens,

waarbij hij zich beklaagde, dat men wegens het werkelijk al te vroege

uur de zieken niet onmiddellijk na hun aankomst naar de Grot brengen

kon. Ze zouden nu gebracht worden naar het Hôpital de Notre-Dame des

Douleurs, zoodat zij na hun zoo moeilijke reis wat rust konden nemen.

Terwijl de baron en de leider van den brancarddienst de maatregelen,

die genomen dienden te worden, bespraken, drukte Gérard een

priester, die naast hem was komen zitten, de hand. De nauwlijks

acht-en-dertigjarige abbé Des Hermoises had den knappen kop van een

mondain geestelijke, friseerde en parfumeerde zich zorgvuldig en was

de lieveling der dames. Hij kwam, zooals zoovele priesters voor hun

genoegen gaan, uit eigen beweging naar Lourdes; uit zijn heldere oogen

straalde een gezond verstand en om zijn lippen speelde het lachje van

een scepticus, die zich boven alle afgodendienst verheven voelt. Zeker,

hij geloofde en boog nog in aanbidding zijn knie; maar de Kerk had

zich over de wonderen niet uitgesproken en hij scheen bereid ze te

betwisten. Hij had in Tarbes gewoond en kende Gérard.

"Nu," zeide hij, "is dat wachten op de aankomst der treinen midden

in den nacht niet iets indrukwekkends?... Ik ben hier voor een

dame, een van mijn vroegere biechtkinderen uit Parijs; ik weet niet

precies met welken trein zij komt, doch ik blijf maar, ik vind het

zoo interessant."

En toen een andere priester, een oude plattelandspastoor, naast hem

was komen zitten, begon hij met hem te praten over de schoonheid der

omstreken van Lourdes, over het prachtige gezicht straks, wanneer de

bergen in de opgaande zon zichtbaar zouden worden.

Opnieuw ontstond er plotseling een koortsachtige drukte. De chef liep

heen en weer, schreeuwde bevelen. Pater Fourcade liet ondanks zijn

jichtig been den schouder van dr. Bonamy los en ging naar voren.

"Die expres van Bayonne komt maar niet," antwoordde de chef op de

verschillende vragen... "Waarom melden ze ook niets? Ik ben er niets

gerust op!"

Weer ging het signaal over, een witkiel ging, met een lantaarn

zwaaiend, de donkerte in, terwijl in de verte met een seinlicht

gemanoeuvreerd werd.

"Dat is de witte trein," riep de chef. "Laten we hopen, dat we den

tijd zullen hebben, om de zieken er uit te krijgen, voor de expres

doorkomt."

Hij liep weer verder en verdween. Berthaud riep Gérard, die leider van

een brancard-afdeeling was; en beiden haastten zich naar hun menschen,

aan wie baron Suire reeds orders gaf. De brancarddragers kwamen van

alle kanten toeschieten, en begonnen kleine wagentjes over de lijn

te brengen, naar de plaats, waar de witte trein zou stilstaan, een

geheel onoverdekt gedeelte van het perron, dat in het donker lag. Er

vormde zich ook daar weldra een opstapeling van kussens, matrassen

en draagbaren, terwijl pater Fourcade, dr. Bonamy, de geestelijken,

de heeren en de officier der dragonders ook de spoorbaan overstaken om

bij het uitstappen der zieken behulpzaam te zijn. Heel in de verte,

achter in de donkere vlakte zag men nog slechts de lantaarn der

locomotief als een steeds grooter wordende ster. Schelle fluitsignalen

verscheurden den nacht. Dan zwegen zij, hoorde men niets meer dan

het snuiven van de machine, het doffe rollen der wielen. Allengs

onderscheidde men duidelijk het gezang, de litanie van Bernadette,

die door den geheelen trein gezongen werd met de obsessies gevende

Ave's van het refrein. Dan reed die trein van jammer en geloof,

die kreunende en zingende trein Lourdes binnen en stond stil.

Onmiddellijk werden de portieren geopend en stapte de menigte gezonde

pelgrims en de zieken, die loopen konden, uit, en overstroomde

het perron. De enkele lantaarns verlichtten slechts zwak die arme

schare in hun povere kleeding, beladen en bepakt met allerlei bagage,

manden, valiezen, houten kisten; en te midden van het gedrang, het

gestoot met ellebogen van die opgewonden troep, die niet wist in

welke richting zij gaan moest, om bij den uitgang te komen, stegen

uitroepen op, geschreeuw van families, die elkaar verloren hadden,

werden enkelen begroet door familieleden of vrienden, die hen kwamen

halen. Met een blik van zalige tevredenheid verklaarde een vrouw:

"Ik heb lekker geslapen!" Een pastoor ging met zijn valies weg,

terwijl hij een manke dame: "Veel geluk!" toewenschte. De meesten

hadden de verschrikte, vermoeide en blijde uitdrukking van menschen,

die een pleiziertrein op een onbekend station uitwerpt. Ten slotte

werden het gedrang en de verwarring zóó groot, dat de reizigers niet

eens de beambten hoorden, die met hun "Hierheen! Hierheen!" hun keel

schor schreeuwden, om de ontruiming van het station te bespoedigen.

Vlug was zuster Hyacinthe, die de zorg voor den doode aan zuster

Claire des Anges overgedragen had, uitgestapt en liep nu naar den

kantinewagen met het denkbeeld, dat Ferrand haar helpen zou. Gelukkig

vond zij voor dien wagen pater Fourcade, aan wien zij zachtjes het

voorgevallene vertelde. Hij wist een gebaar van ongeduld te bedwingen

en hield baron de Suire, die juist voorbijkwam, aan. Een paar seconden

fluisterden de beide mannen. Dan spoedde de baron zich voort, baande

zich een weg door de menigte met twee dragers, die een overdekte baar

droegen. En de man werd weggedragen, als ware hij een zieke, die een

flauwte gekregen had, zonder dat de groote schare pelgrims zich in de

drukte van de aankomst verder om hem bekommerde; de beide dragers,

voorafgegaan door den baron, legden hem voorloopig achter tonnen in

een der loodsen neer. Een van hen, de zoon van een generaal, bleef

bij het lijk waken.

Na zuster Saint-François gevraagd te hebben op het stationsplein bij

het gereserveerde rijtuig, dat haar naar het Hôpital de Notre-Dame des

Douleurs zou brengen, op haar te wachten, haastte zuster Hyacinthe

zich weer naar haar wagon terug. Toen zij zeide, dat zij eerst de

zieken behulpzaam wilde zijn bij het uitstappen, weigerde Marie dat

op vriendelijken toon.

"Maak u maar niet druk om mij, zuster. Ik zal tot het laatst

wachten... Vader en abbé Froment zijn in den bagagewagen het onderstel

gaan halen; ik wacht hier wel, ze weten hoe ze alles in elkaar moeten

zetten en me dan wegrijden."

Ook mijnheer Sabathier en broeder Isidore wilden niet weggebracht

worden, voor de drukte wat voorbij was. Madame de Jonquière, die la

Grivotte voor haar rekening genomen had, beloofde er ook voor te zullen

zorgen, dat madame Vêtu in een ambulancewagen vervoerd zou worden.

Toen besloot zuster Hyacinthe onmiddellijk weg te gaan, om alles in het

ziekenhuis in orde te maken. Zij nam de kleine Sophie Couteau en Elise

Rouquet, wier gezicht zij zorgvuldig bedekte, mede. Madame Maze ging

haar voor, terwijl madame Vincent zich een weg door de menigte baande,

alleen nog maar bezield door de gedachte haar kind, dat zij bewusteloos

in haar armen droeg, in de Grot aan de voeten van de Heilige Maagd

neer te leggen. Nu verdrong de menigte zich naar den uitgang. Men

moest de deuren van de bagagezaal open zetten om het wegvloeien van

den menschenstroom te vergemakkelijken; de employé's, die niet meer

wisten, hoe zij de plaatsbewijzen moesten innemen, hielden hun petten

maar op, die zich weldra met de kleine stukjes karton vulden.

Op het stationsplein, een groot vierkant plein, dat aan drie zijden

door de lage stationsgebouwen ingesloten was, heerschte eveneens een

buitengewone drukte, een verwarring van allerlei soorten voertuigen

door elkaar heen. De hotel-omnibussen, die tegen den trottoirband

stonden, hadden op hun impériales de heiligste namen, die van

Maria en Jezus, van den H. Michael, van den Rozenkrans, van het

Heilige Hart. Dan volgde ambulancewagens, landauers, cabrioletten,

meubelwagens, kleine ezelkarretjes, waarvan de koetsiers schreeuwden en

vloekten te midden van het lawaai, dat nog toenam door de duisternis,

waarin de lantaarns enkele lichte gaten boorden.

Het onweer had een gedeelte van den nacht geduurd, nattige modder

spatte op onder de hoeven der paarden; de voetgangers waadden er tot

aan hun enkels in.

Mijnheer Vigneron, die door madame Chaise gevolgd werd, droeg zijn

zoon met diens krukken in den omnibus van het Hôtel des Apparitions,

waarin zijn dames en hij zelf dan ook plaats namen. Madame Maze wenkte

angstig als een zindelijk poesje, dat bang is zijn pootjes vuil te

maken, den koetsier van een oud vehikel, stapte in en verdween, terwijl

zij als adres het klooster der Blauwe Zusters opgaf. Zuster Hyacinthe

kon eindelijk met Elise Rouquet en Sophie Couteau plaats vinden in

een ruimen char-à-bancs, waarin Ferrand en de zusters Saint-François

en Claire des Agnes reeds zaten. De koetsiers legden de zweep over hun

kleine, vurige paardjes en de rijtuigen schoten in groote vaart weg te

midden van het geschreeuw der menschen en het opspatten van de modder.

Bij het zien van die geweldige menschenmassa durfde madame Vincent

met haar dierbare last niet verder gaan. Om haar heen klonk hier en

daar gelach. O, wat een modder! Allen hielden haar rokken op en gingen

weg. Toen het plein wat leeger werd, waagde zij het eindelijk ook te

gaan. Maar wat een angst, om in die modderplassen uit te glijden en

in die pikdonkerte te vallen! Toen zij bij den weg, die naar beneden

liep, kwam, zag zij groepjes vrouwen uit de omstreken staan, die op

vreemdelingen loerden en hun kamers met of zonder pension, al naar

hun beurzen, aanboden.

"Madame," vroeg zij aan een oude vrouw, "zoudt u mij den weg naar de

grot kunnen wijzen?"

Doch deze gaf geen antwoord op die vraag, bood haar een niet dure

kamer aan.

"Alles is vol, u zult in de hotels niets meer vinden... Misschien

nog wat te eten, maar zelfs het kleinste hoekje niet om te slapen."

Eten, slapen, daar dacht madame Vincent nog al aan, die op reis gegaan

was met dertig sous, alles wat zij na de uitgaven, die zij had moeten

doen, nog bezat!

"Madame, hoe kom ik het makkelijkst bij de Grot?"

Onder de vrouwen, die daar stonden te loeren, bevond zich een flinke,

groote meid in een helder dienstbodenpakje, met een frisch gewasschen

gezicht en goed onderhouden handen. Zij haalde flauwtjes haar schouders

op. En toen een priester met een breede borst en gezonde roode wangen

voorbijkwam, vloog zij op hem af, bood hem een gemeubileerde kamer

aan en bleef hem volgen, terwijl zij hem iets in het oor fluisterde.

"Kijk," zeide eindelijk een ander meisje, dat medelijden kreeg, tegen

madame Vincent, "loop dezen weg af, sla dan rechts om en u bent bij

de Grot!"

Op het perron, waarvoor de trein stilgehouden had, heerschte nog

een groot gedrang. Terwijl de gezonde pelgrims en de zieken, die nog

loopen konden, weggingen, waren de ernstige zieken, wier uitstappen en

vervoer moeilijker ging, nog in de wagons. De brancarddragers raakten

hun hoofd kwijt, liepen met hun draagbaren en wagentjes als dollen

heen en weer, wisten bij de overstelpende hoeveelheid werk niet,

waar zij beginnen moesten.

Toen Berthaud met Gérard, druk gesticuleerend, voorbijkwam, zag hij

bij een lantaarnpaal twee dames en een jong meisje, die blijkbaar

stonden te wachten. Hij herkende Raymonde en hield zijn vriend met

een gebaar terug.

"O, mademoiselle, het is me een waar genoegen u te zien. Maakt uw

moeder het goed en hebt u een goede reis gehad?"

En zonder op een antwoord te wachten:

"Mijn neef Gérard de Peyrelongue."

Raymonde keek met haar heldere, glimlachende oogen den jongen man

even goed aan.

"O, ik heb het genoegen mijnheer te kennen. Wij hebben elkaar reeds

te Lourdes ontmoet."

Gérard echter vond, dat zijn neef Berthaud wat te hard van stal liep,

en maakte, vastbesloten, zich niet op die manier te laten binden,

een zeer beleefde buiging.

"Wij wachten op mama," begon het jonge meisje weer. "Zij heeft het

met al die ernstige zieken zeer druk."

De kleine madame Désagneaux met haar knap, blond gezichtje en haar

weerspannige lokken, kwam daartegen in verzet en zeide, dat het

madame de Jonquière's eigen schuld was, dan had zij haar hulp maar

niet moeten weigeren; zij stampte van ongeduld met haar voeten en

brandde van verlangen om zich nuttig te maken, terwijl madame Volmar

zich stil en bescheiden op den achtergrond hield en niet de minste

belangstelling toonde; zij trachtte met haar prachtige oogen, die

gewoonlijk als met een sluier bedekt waren, doch als kolen konden

gloeien, de duisternis te doorboren, als zocht zij iemand.

Op dat oogenblik ontstond er een groot gedrang. Madame Dieulafay werd

uit haar compartiment eerste klasse gedragen, en madame Désagneaux

kon een uitroep van medelijden niet bedwingen.

"Arme vrouw!"

Het was ook werkelijk een hartverscheurend schouwspel, die jonge

vrouw te midden van haar grooten luxe, met haar kanten als in een

doodkist liggend, zoo vermagerd, dat zij nog slechts een lap scheen

te zijn. Zoo lag zij daar te wachten om weggedragen te worden. Haar

man en haar zuster bleven bij haar staan, beiden zeer elegant en

bedroefd, terwijl een knecht met de bagage wegging om te kijken

of het telegraphisch bestelde rijtuig op het plein stond. Ook abbé

Judaine hielp de zieke; en toen twee mannen haar oplichtten, boog hij

zich over haar heen en sprak haar enkele bemoedigende woorden toe,

die zij echter niet scheen te hooren. En terwijl hij haar nakeek,

zeide hij tegen Berthaud, dien hij kende:

"Die arme menschen! Als zij de genezing konden koopen! Ik heb hun

gezegd, dat het kostbaarste goud voor de Heilige Maagd het gebed is;

en ik hoop zelf genoeg gebeden te hebben, dat de hemel zich over haar

zal ontfermen... Maar toch brengen zij een prachtig geschenk mede, een

gouden lantaarn voor de Basilica, een prachtwerk, met edelgesteenten

bezet... Moge de Onbevlekte Maria zich een glimlach verwaardigen!"

Veel geschenken werden medegebracht, reusachtig groote bloemruikers

voorbijgedragen, onder meer een driedubbele kroon van rozen op een

houten voetstuk. De oude priester zeide, dat hij, alvorens het station

te verlaten, nog een vaandel wilde gaan halen, een geschenk van madame

Jousseur, de zuster van madame Dieulafay.

Inmiddels kwam madame de Jonquière naar hen toe en zeide, toen zij

Berthaud en Gérard herkend had:

"Ach als het u blieft, heeren, gaat u zoo gauw mogelijk naar dien

wagon hier vlak bij. Er zijn daar mannen noodig, er moeten drie of vier

zieken uitgedragen worden... Mijn hoofd loopt om, ik kan niet meer."

Gérard liep er reeds heen, na Raymonde gegroet te hebben, terwijl

Berthaud madame de Jonquière aanraadde niet langer op het perron te

blijven; hij verzekerde haar stellig en zeker, dat men haar volstrekt

niet noodig had, dat hij voor alles zou zorgen en dat zij binnen

drie kwartier haar zieken in het hospitaal zou hebben. Eindelijk

liet zij zich overhalen en nam met Raymonde en madame Désagneaux een

rijtuig. Op het laatste oogenblik was madame Volmar, als gaf zij toe

aan een plotseling opgekomen ongeduld, verdwenen. Men had haar naar een

onbekend heer zien gaan, zeker om hem een inlichting te vragen. Enfin,

ze zouden haar wel in het hospitaal terugvinden.

Berthaud voegde zich voor den wagon bij Gérard, juist toen deze met

behulp van twee andere vrienden mijnheer Sabathier uit den coupé

droeg. Het was een moeilijk werkje, want hij was dik en zwaar,

en zij waren bang, dat zij hem niet door het portier zouden kunnen

krijgen. Maar toch was hij erdoor binnengekomen ook. Twee andere

dragers moesten nog door het andere portier naar binnen gaan, en op

die wijze slaagde men er eindelijk in hem op het perron te krijgen. De

dag begon aan te breken, een vaal, triest licht; het perron maakte met

zijn uitstalling als van een geïmproviseerd lazaret een jammerlijken

indruk. La Grivotte lag bewusteloos op een matras in afwachting van

een draagbaar, terwijl men madame Vêtu, die zoo'n hevigen aanval

had, dat zij bij den minsten schok gilde, tegen een lantaarnpaal had

moeten neerzetten.

Heeren van de Hospitalité met handschoenen aan, reden in hun kleine

wagentjes moeilijk arme, vuile vrouwen voort, die oude manden aan haar

voeten hadden; weer anderen konden niet passeeren met hun draagbaren,

waarop stijve lichamen lagen, jammerlijke, zwijgende lichamen met

van angst uitpuilende oogen. Enkele zieken en kreupelen sleepten

zich met moeite voort, zooals een jonge, hinkende priester en een

kleine jongen met krukken, een bochel en een afgezet been, die zich

als een aardmannetje door de menigte voortbewoog. Een groot gedrang

was ontstaan om een man, die door een verlamming zóó krom gebogen

was, dat men hem met zijn beenen en zijn hoofd naar beneden op een

omgekeerden stoel vervoeren moest.

De verwarring bereikte echter zijn toppunt, toen de chef

schreeuwend kwam aanstormen: "De expres van Bayonne is

gemeld... Opschieten! Opschieten! Je hebt nog maar drie minuten!"

Pater Fourcade, die nog steeds op den arm van dr. Bonamy steunde, sprak

den zieken moed in en wenkte Berthaud bij zich om hem te zeggen: "Laat

ze er eerst allemaal uit komen, dan kunnen we ze later wel vervoeren."

Het was een verstandige raad; het uitladen werd voortgezet In den wagon

bevond zich nu nog slechts Marie, die geduldig wachtte. Mijnheer de

Guersaint en Pierre waren eindelijk teruggekomen met de twee paar

wielen; vlug hielp Pierre, alleen geholpen door Gérard, het jonge

meisje eruit. Zij was licht als een arm, rillend vogeltje, alleen de

bak leverde eenige moeite op, dan zetten de beide mannen deze op twee

paar wielen, die zij met klinknagels vastzetten.

"Opschieten! opschieten!" riep de chef weer.

Hij zelf hielp, steunde de voeten van een zieke, om hem uit een

compartiment te krijgen. Hij duwde de kleine wagentjes voort en

maakte den rand van het perron vrij. Maar in een wagon tweede klasse

kreeg een vrouw, die het laatst uitgedragen zou worden, een hevig

zenuwtoeval. Zij brulde, verzette zich; men kon er op dat oogenblik

niet aan denken haar aan te raken. En de expres, die kwam, die door

het onafgebroken gerinkel van het electrische seintoestel gemeld

werd. Er moest een besluit genomen worden, n.l. het portier sluiten

en den trein op het zijspoor brengen, waar hij in zijn tegenwoordige

formatie drie dagen zou blijven staan om dan zijn lading pelgrims en

zieken weer op te nemen. Terwijl de trein wegreed, hoorde men nog het

gillen der ongelukkige, die er met een zuster in achter had moeten

blijven, gillen, die steeds zwakker en zwakker werden, gillen van

een krachteloos kind, dat men eindelijk tot bedaren brengt.

"Lieve God!" mompelde de chef, "het was hoog tijd!"

Inderdaad raasde de expres uit Bayonne aan en reed met bliksemsnelheid

langs dit jammerlijke perron, waar de rampzalige ellende van een

inderhaast ontruimd hospitaal door elkaar lag. De kleine wagentjes en

draagbaren werden door elkaar geschud en geschokt; maar er gebeurde

geen ongeluk, het stationspersoneel hield goed toezicht en verwijderde

den half waanzinnigen troep, die naar den uitgang bleef dringen, van de

spoorbaan. Nauwelijks was de trein voorbij, of de circulatie begon weer

en de dragers konden voorzichtig het transport der zieken voortzetten.

Langzamerhand werd het lichter; een helder morgenrood kleurde den

hemel, waarvan de weerschijn op de nog donkere aarde weerkaatste. Men

begon menschen en dingen te onderscheiden.

"Neen, dadelijk!" zeide Marie tot Pierre, die zich een weg trachtte

te banen. "Laten we wachten tot de stroom wat weggevloeid is."

Intusschen werd haar aandacht getrokken door een ongeveer

zestig-jarige man met een militair voorkomen, die tusschen de zieken

doorwandelde. Met zijn vierkanten kop en zijn witte, kortgeknipte

haren, zou men hem voor een kranigen ouden heer gehouden hebben,

als hij niet getrokken had met zijn linkervoet, dien hij bij iederen

stap naar binnen gooide. Met zijn linkerhand steunde hij op een

dikken wandelstok.

"Zoo, bent u het, Commandeur?" riep mijnheer Sabathier, die nu al

voor de zooveelste maal in Lourdes kwam en hem blijkbaar kende.

Misschien heette hij mijnheer Commandeur. Maar, daar hij gedecoreerd

was en een breed, rood lint droeg, gaf men hem mogelijk dien bijnaam

om die decoratie, hoewel hij maar eenvoudig ridder was. Niemand

kende precies zijn geschiedenis; hij moest nog ergens familie hebben,

kinderen waarschijnlijk; maar al die dingen waren met een geheimzinnig

waas omhuld. Sedert drie jaar was hij op het station belast met het

toezicht op de bagageloodsen, een makkelijk en onbeteekenend baantje,

dat men hem uit groote gunst gegeven had en met het magere salaris

waarvan hij volmaakt gelukkig kon leven. Op zijn vijf-en-vijftigste

jaar had hij een beroerte gehad, twee jaar later nog een, waardoor

zijn linkerkant eenigszins verlamd was. Nu wachtte hij met volkomen

kalmte op een derde. Zooals hij zeide, kon de dood hem krijgen,

wanneer hij wilde, dien avond, morgen, op staanden voet. Iedereen in

Lourdes kende hem om zijn manie tijdens de bedevaarten, wanneer hij de

gewoonte had, om, al trekkend met zijn been en leunend op zijn stok,

bij iederen trein, die aankwam, zich woedend te maken en de zieken

hun vurig verlangen om te genezen voor de voeten te werpen.

Hij zag nu voor de derde maal mijnheer Sabathier; op dezen stortte

hij de fiolen van zijn toorn uit.

"Ben je daar waarachtig al weer? Jij schijnt al erg aan dit vervloekte

leven te hangen... Maar kerel, ga toch rustig thuis op je bed dood! Is

dat niet het beste, wat je overkomen kan?"

Zonder boos te worden, lachte mijnheer Sabathier, hoewel hij toch

gebroken was door de hardhandige wijze, waarop men hem uit den wagon

had moeten dragen.

"Zeker niet, ik wil liever beter worden."

"Beter worden, beter worden, dat vragen ze allemaal! Honderden mijlen

afleggen, in stukken, en gillend van pijn aankomen, en dat om beter te

worden, om alle pijn en alle beroerdigheid opnieuw te beginnen!... Kom,

jij op jouw leeftijd en met jouw verwoest lichaam, jij zoudt een

leelijke pijp rooken, als je Heilige Maagd je je beenen teruggaf. Wat

zou je ermee uitvoeren, lieve Hemel? Welk plezier zou je ervan hebben

om enkele jaren nog dien afschuwlijken ouderdom te rekken?... Kom,

sterf dadelijk, nou je eenmaal zoover bent! Dat is het eenige geluk!"

En hij zeide het, niet als een geloovige, die streeft naar de belooning

in het hiernamaals, maar als een levensmoede, die vertrouwt in het

Niets, in den grooten eeuwigen vrede van het niet meer zijn weg

te zinken.

Terwijl mijnheer Sabathier zijn schouders optrok, alsof hij met een

kind te doen had, bleef abbé Judaine, die eindelijk zijn vaandel

teruggevonden had, in het voorbijgaan even staan, om den Commandeur,

dien hij ook kende, een vriendelijk standje te geven.

"Geen godslasteringen, waarde heer; afstand doen van het leven en

niet van je gezondheid houden is den hemel beleedigen. Als je mijn

raad gevolgd hadt, zou je ook reeds de Heilige Maagd de genezing van

je been gevraagd hebben."

Toen werd de Commandeur boos.

"Mijn been! Daar kan zij niets aan veranderen! En laat de dood

maar komen, laat het maar uit zijn, voor altijd!... Wanneer je

moet sterven, draai je je hoofd naar den muur en sterft! Het is zoo

eenvoudig mogelijk!"

Maar de oude priester viel hem in de rede. Hij wees hem op Marie,

die, uitgestrekt in haar wagentje liggend, naar hen luisterde.

"Je wilt dus alle zieken naar huis terugsturen, om te sterven, niet

waar? Zelfs mademoiselle, die nog zoo jong is en graag leven wil?"

In haar vurig begeerte om te leven, om haar deel te hebben van de

groote wereld, opende Marie haar groote oogen; de Commandeur, die naar

haar toe gekomen was, keek haar aan en werd plotseling aangegrepen

door een diepe ontroering, die zijn stem deed beven.

"Als mademoiselle geneest, wensch ik haar een ander wonder toe,

n.l. dat zij gelukkig wordt."

Hij ging weg om als toornig philosoof zijn wandeling tusschen de

zieken voort te zetten, trekkend met zijn been en met zijn dikken

stok op de ijzeren steenen slaande.

Langzamerhand werd het perron leeg; madame Vêtu en la Grivotte waren

weggedragen, Gérard reed mijnheer Sabathier in een wagentje naar zijn

hôpital, terwijl baron Suire en Berthaud reeds bevelen gaven voor den

volgenden trein, den groenen, die gauw binnen kon komen. Alleen Marie

was er nog, voor wie Pierre niemand anders wilde laten zorgen. Hij

had haar reeds naar het stationsplein gereden, toen zij plotseling

merkte, dat mijnheer de Guersaint verdwenen was. Onmiddellijk daarop

zagen zij hem in druk gesprek met abbé Des Hermoises, met wien hij

zoo even kennis gemaakt had. Een zelfde bewondering en liefde voor

de natuur had hen samen gebracht. De dag was nu volkomen aangebroken;

de bergen der omgeving toonden zich in hun volle majesteit. Mijnheer

de Guersaint kon zijn verrukking niet inhouden.

"Wat een heerlijk land, mijnheer! Nu al dertig jaar lang loop ik

rond met den wensch het keteldal van Gavarnie te zien. Maar dit is

zoo ver en zoo duur, dat ik dat uitstapje zeker niet zal kunnen maken."

"Maar dan vergist u zich, niets is makkelijker dan dat; als je en

club gaat, is het zoo duur niet. Ik ga er van het jaar ook weer heen,

zoodat, wanneer u u aansluiten wilt..."

"Wat u zegt, mijnheer!... Nu, we zullen er nog wel eens over praten."

Zijn dochter riep hem, en na een hartelijken handdruk aan den

priester ging hij naar haar toe. Pierre had besloten, dat hij Marie

tot aan het hospitaal zou rijden, om het overbrengen in een ander

voertuig te vermijden. De omnibus, landauers en meubelwagens kwamen

reeds weer terug en vulden, in afwachting van den groenen trein,

het stationsplein; het kostte hem eenige moeite om met het wagentje,

waarvan de lage wielen tot aan de naven in de modder zakten, den weg

te bereiken. Politieagenten, die belast waren met de regeling van het

verkeer, vloekten tegen die beroerde plassen, die hun schoenen vuil

maakten. Alleen de jonge en oude vrouwen, die niets liever wilden

dan haar kamers verhuren, lachten om die modderpoelen en liepen er

op haar klompen doorheen, om de pelgrims te achtervolgen.

Toen het wagentje op den dalenden weg wat makkelijker reed, lichtte

Marie haar hoofd op, om aan mijnheer de Guersaint, die naast haar liep,

te vragen:

"Vader, welken dag hebben we vandaag?"

"Zaterdag, lieveling!"

"Dat is waar ook, Zaterdag, de dag der Heilige Maagd!... Zal ze mij

vandaag genezen?"

Achter haar droegen, op een overdekte baar, twee dragers heimelijk

het lijk van den man weg, dat zij uit het kantoor gehaald hadden,

om het naar een verborgen plek te brengen, die pater Fourcade hun

had aangewezen,

De drie steden: Lourdes · 第 17 / 41 题