weer bij Raffles had gevoegd, nadat Betty aan den arm van een zijner
vrienden tusschen de dansenden was verdwenen.
„Neen, ik dans niet,” antwoordde lord Lister, „maar ik kijk er met
genoegen naar.”
„Och, aan zoo’n enkel walsje bezondig ik mij wel eens,” sprak de
gastheer weer, „maar die moderne dansen zijn mij te geleerd en ik ben
te oud om nog van die malle bokkesprongen te leeren maken. Mag ik
misschien, terwijl de anderen zich hier amuseeren, het genoegen hebben,
u mijn schilderijenverzameling eens te laten zien?”
„Als het niet te veel moeite is, dan heel graag!” antwoordde Raffles.
„Ik interesseer mij bijzonder voor schilderijen en men vertelde mij
reeds, dat uw collectie zeer kostbaar en interessant is.”
„Dan zal ik ook jonkheer Beekbergen en twee anderen van mijn gasten,
die mijn schilderijen nog niet kennen, vragen of zij lust hebben om mee
te gaan. De wals is juist geëindigd.”
De heeren volgden den gastheer naar de hooger gelegen étage, waar een
drietal ineenloopende zalen tot een klein schilderijenmuseum waren
ingericht.
Heemberg had geld noch moeite gespaard om de zalenbouw door bekende
architecten zóó te doen inrichten, dat het binnenvallende licht op de
meest gunstige wijze de schilderijen bescheen.
Het was inderdaad niet alleen een kostbare, maar ook een belangwekkende
verzameling van de moderne Nederlandsche meesters.
Er waren er van Israëls, Mesdag, van Thérèse Schwarze en van Theophile
de Bock, watergezichten van Poggenbeek en interieurtjes van Blommers.
Ook hingen er werken van Bisschop, van Maris en veel andere meesters.
„Ik ben voortdurend bezig, mijn verzameling aan te vullen,” sprak de
gastheer en op blufferigen toon liet hij er op volgen:
„U ziet, heeren, dat ik hier al voor een heelen duit bij elkaar heb,
maar dat kan me niet bommen. Een schilderijenverzameling staat altijd
gekleed en de dingen houden hun waarde.”
„Bent u niet bang voor diefstal?” informeerde lord Lister en hij keek
den parvenu met zijn groote oogen aan.
„Inbraak? Welneen. Mijn huis is goed verzegeld en wordt uitstekend
bewaakt.”
„Oho, dat is geen bezwaar!” mengde Charly Brand zich in het gesprek.
„Het Louvre-Museum heette ook goed bewaakt en toch heeft een halfgekke
Italiaan op een goeien dag de Mona Lisa weggekaapt.”
Allen lachten, toen Charly deze opmerking maakte en de gastheer voegde
den jongen spreker toe:
„Zoo’n wereldberoemd stukje zou ik ook nog wel in mijn verzameling
willen hebben. Als u eens zooiets tegenkomt, jonker, hou ik me
aanbevolen. Ik zal u reëel behandelen.”
Op dit oogenblik kwam een der gasten, die tot nog toe zich met dansen
en converseeren had vermaakt, de trap op en naar den gastheer toe, wien
hij een hand op den schouder legde.
„Heemberg,” sprak hij, „nu je niet in het geroezemoes van de feestzaal
bent, kom ik je even een verzoek doen. Ik wou je vragen, of je voor een
flink bedrag wilt inteekenen voor het nieuwe kinderhuis. Ik sprak je er
reeds over. Het is voor de verwaarloosde stakkers, die zonder vader of
moeder het leven door moeten en geen cent bezitten. Jij zult zeker de
lijst der inteekenaren met een groot bedrag willen openen.”
Heemberg’s gelaat had een gansch andere uitdrukking aangenomen.
„Geen cent geef ik je voor die schreeuwleelijkerds,” sprak hij op
bijtenden toon. „En doe me nou een pleizier, Plankenga, en maal me niet
meer aan mijn ooren met je kinderhuis. Je weet wel, dat ik me met
liefdadigheid en al dien onzin niet ophoud. Veel pleizier, kerel!”
Hij draaide zich op zijn hielen een halven slag om, wees met een
luchtig gebaar naar een schilderij, dat een Weesmeisje voorstelde, dat
van een oud-Hollandsche kast een aarden schotel tilde en sprak tot zijn
gasten:
„Dat heb ik verleden week voor mijn verzameling aangekocht. Niet duur,
heeren! Acht mille! Een koopje, wat?”
Raffles zag hoe teleurgesteld de heer met de inteekenlijst zich
afwendde.
„Een oogenblik, mijnheer Plankenga,” sprak hij, terwijl hij toetrad op
den philanthroop.
„Mag ik misschien met een klein bedrag de rij der inteekenaren openen?”
Plankenga boog.
„Met genoegen, graaf.”
Raffles nam het papier, haalde zijn gouden vulpenhouder te voorschijn,
zette den naam: Van Sloten tot Haersveld en vulde daarachter het bedrag
van vijfduizend gulden in.
Een blos van genoegen trok over het gelaat van Plankenga.
„Vijfduizend gulden!” riep hij uit, „maar dat is enorm, graaf! Ik dank
u uit naam van de arme toekomstige verpleegden voor die koninklijke
gift!”
Allen betuigden thans om strijd hun bewondering voor deze daad,
Heemberg alleen lachte ironisch en noemde de daad van den graaf
belachelijk.
En Charly, in wiens groote blauwe oogen een ongeveinsde verbazing
weerspiegelde, floot zachtjes voor zich heen het wijsje van het liedje,
dat hij op Koninginnedag een troepje thuiskomende feestgangers had
hooren zingen:
„Wie zal dat betalen
Zoete, lieve Gerretje?”
Het antwoord op deze onuitgesproken vraag zou de naaste toekomst
brengen.
VIERDE HOOFDSTUK.
DE MUSEUMDIEFSTAL.
„Linksaf, Charly en dan de trap op!”
„Wat ken je hier den weg goed, Edward!”
„Die is toch zoo moeilijk niet te kennen, als men eenige keeren hier is
geweest.”
„Waarom heb je me niet vaker meegenomen?”
„Omdat ik hier altijd heen ging, als jij je elders bezighield, met
fietsen, roeien, tennissen!”
Lord Lister en Charly Brand waren dien middag naar het Rijksmuseum
gegaan. Ze hadden langen tijd doorgebracht in de Nachtwachtzaal en ook
had Raffles zich bijzonder geïnteresseerd voor de Lombokschatten, die
in een aantal vitrines lagen ten toon gesteld.
„Kom, Edward,” drong Charly aan, „ik ben doodmoe, laat ons in Trianon
een kop thee gaan drinken. Of willen we naar huis gaan?”
Maar de Groote Onbekende wilde van geen heengaan weten.
„Neen, Charly, ik blijf nog een beetje ronddolen door al die kleine en
groote zalen vol kunstschatten, die zulke onmetelijke sommen
vertegenwoordigen. Je kunt gerust heengaan, als het je begint te
vervelen.”
„Van vervelen is geen sprake,” antwoordde de jonge secretaris, maar
zijn zuur gezicht wees er op, dat hij het liefst zoo gauw mogelijk het
Museum had verlaten. „Neen, neen,” voegde hij er haastig aan toe, toen
hij het ironische lachje zag, dat speelde om lord Lister’s lippen, „je
kunt me gerust gelooven, Edward, ik verveel me heelemaal niet. Maar dat
Museum-slenteren maakt mij zoo loom en vermoeid.”
„Zoo’n jonge kerel,” spotte lord Lister, „kom, boy, je moet het dan nog
maar een tijdje uithouden, dan eet en slaap je goed.”
En zoo wandelde het tweetal verder door de groote zalen en de kleine
kabinetten. Wonderlijk lang bleef de Groote Onbekende toeven in een van
die zijkabinetjes, waarvan de oude meesters zulke juweeltjes van
schilderkunst hangen.
Zijn monocle in het rechteroog gedrukt, correct in zijn elegante
overjas, wandelde John C. Raffles van den eenen muur naar den anderen,
bekeek, als een kunstkenner, de prachtige meesterwerken, onderzocht ook
de lijsten van de meest beroemde, kleine stukken, vergewiste zich ten
slotte van de manier, waarop deze schilderijen aan den muur waren
bevestigd.
Tegen vier uur verlieten John C. Raffles, de Groote Onbekende, en zijn
secretaris het statige Museumgebouw.
Twee dagen later, op een Donderdagmorgen, werd heel Amsterdam, gansch
het land en tevens geheel de beschaafde wereld opgeschrikt door het
bericht van een even brutale als geheimzinnige diefstal.
„De Avondschool”, van Gerard Dou was, met lijst en al, uit het
Rijksmuseum verdwenen.
Niemand kon eenige oplossing van de geruchtmakende zaak geven.
De kranten, tuk op een schokkend nieuwtje, plozen het geval uit en het
was inderdaad grappig, na te gaan, welke veronderstellingen werden
geuit.
Doch niet alleen door de dagbladen.
De directeuren van kunstinstellingen verklaarden als hun positieve
meening, dat hier slechts door een internationale dievenbende kon zijn
opgetreden. De bende moest zeker overal haar vertakkingen hebben en een
groot aantal personen tellen.
Men zou dan als volgt te werk zijn gegaan: De leden van de bende waren
op dien middag allen het Museum gaan bezoeken; ze hadden zich
opgehouden in de nabijheid van het gestolen schilderij om zaalwachters
en suppoosten af te leiden. En onderwijl had de dief zijn slag
geslagen.
Dat was de meest voor de hand liggende oplossing en de politie, hierop
afgaande, had al dienzelfden dag de hand gelegd op een zeer groot
aantal personen, waarvan de Museumbeambten meenden, hen op den dag van
het gepleegde misdrijf te hebben gezien.
Maar men had al de verdachte personen weer terstond na het verhoor op
vrije voeten moeten stellen. Zij allen toch konden bewijzen, dien
Woensdag het Museum niet te hebben bezocht.
Dat was wel een groote teleurstelling voor de politiemannen niet
alleen, maar ook voor de kunstminnaars, de stedelijke autoriteiten en
de krantenmenschen.
De gebeurtenis had echter de stof opgejaagd voor kolommen druks.
Levensgeschiedenissen, niet slechts van Gerard Dou, maar ook van diens
beroemde tijdgenooten vulden heele pagina’s en al die lectuur werd door
het publiek verslonden.
De Staat der Nederlanden was bestolen voor een geweldig bedrag. De
waarde van de Avondschool werd getaxeerd. In alle buitenlandsche
kranten las men de namen Amsterdam, Rijksmuseum, Gerard Dou,
Avondschool. En de Engelschen en Amerikanen, die tijdens hun bezoeken
aan Neerlands hoofdstad urenlang in het Museum hadden vertoefd, en die
zich het schilderij herinnerden, vertelden in hunne salons en clubs
fabelachtige verhalen van dat wonderlijke landje, dat zulke reusachtige
schatten borg in het grootsche gebouw aan de Stadhouderskade.
Ansichtkaartenhandelaars maakten geweldige zaken.
„Ik had nooit gedacht,” zei Charly Brand, toen hij de verhalen over den
diefstal in de Hollandsche en in de Engelsche bladen uitvoerig had
gelezen en nadat hij een groot aantal personen over den ongehoorden
Museumdiefstal had gesproken—„ik had nooit gedacht, Edward, dat die
koele, gereserveerde Hollanders zich zóó warm konden maken voor een
zaak van nationaal belang. Heb je die gesprekken gehoord? Ik ben er
eenvoudig paf van, Edward!”
De Groote Onbekende was dien middag thuisgebleven. Hij had, aldus had
hij ten minste zijn jongen secretaris verteld, een lichte vermaning van
hoofdpijn. Daarom had hij het beter gevonden, na den lunch wat rust te
nemen en, na een paar aspirine-poeders te hebben geslikt, had John C.
Raffles zich uitgestrekt op den divan om wat te gaan rusten.
Bij Charly’s woorden keek hij op uit het tijdschrift, dat hij zat door
te bladeren.
Zijn gelaat was kalm als steeds en zijn bruine oogen keken den jongen
Brand vriendelijk aan.
„Maar Charly,” sprak hij, „waarom zouden de Hollanders ook niet eens
warm kunnen loopen? Kijk nou eens naar ons eigen volkje. Het Engelsche
ras is wel het flegmatieke bij uitnemendheid. En heb je nooit in de
Londensche club de heetste woordenwisselingen meegemaakt?”
Toen, met een voor hem zéér ongewone belangstelling, vroeg hij zijn
secretaris:
„En, Charly, wat hadden de Hollandsche vrienden zoo al te vertellen
over dien zeldzamen diefstal?”
„O, van alles. Je hadt het moeten hooren, Edward, hoe opgewonden ze
waren en welke weddenschappen ze zooal hebben aangegaan.”
„Zoo,” antwoordde lord Lister, „hebben ze zooveel weddenschappen
aangegaan.”
En toen op vroolijken toon voegde hij er aan toe:
„Ik heb zoo’n idee, Charly, dat je huishoudkas wel heel gauw gestijfd
zal worden!”
„Zoo?” vroeg de secretaris, „heb je een plannetje, Edward?”
„Ja, ik heb een plannetje, boy, een héél mooi plannetje! En er is alle
kans op, dat het zal slagen!”
„Ik mag ’t lijden,” zuchtte Charly, „want ik heb ’t vandaag al met
James aan den stok gehad over de betaling van onze laatste bezending
champagne.”
„Laat James de quitanties overmorgen maar terug laten komen, Charly!”
Charly zweeg en dacht:
„Edward heeft weer een van z’n overmoedige buien. Ik zal James
vooreerst dat bevel nog maar niet overbrengen.”
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE SCHUILPLAATS VAN DE „AVONDSCHOOL”.
Tot de personen, die het meest onder den indruk waren van den diefstal
in het Rijksmuseum behoorde zeker wel Jan Heemberg, die het prachtige
huis bewoonde aan de Heerengracht te Amsterdam.
Hij was den vorigen avond zeer laat thuis gekomen van een souper bij
een zijner vrienden en had ’s morgens een gat in den dag geslapen.
Toen hij eindelijk in de eetkamer was verschenen om te ontbijten en,
zooals hij gewoonlijk deed, daarbij zijn ochtendkrant ontvouwde, was
zijn oog al aanstonds gevallen op het belangrijke bericht en hij had
aanvankelijk zijn oogen nauwelijks durven gelooven.
„Een schilderij van zoo groote waarde gestolen! Een van onze meest
beroemde meesterwerken uit het Rijksmuseum ontvreemd!”
Telkens herhaalde hij het weer tot zichzelf en nogmaals las hij, wat de
krant ervan wist te vertellen.
Haastiger dan anders gebruikte hij zijn ontbijt; toen kleedde hij zich
om uit te gaan.
Waarheen, wist hij eigenlijk zelf niet.
Maar hij wilde de straat op om te hooren, of er reeds iets naders
bekend was omtrent dezen ongehoorden diefstal.
Voor de sigarenwinkels verdrongen zich de voorbijgangers om de
bulletins te lezen, welke daar voor de ramen hingen.
Vol ongeduld werkte Heemberg zich naar voren, maar teleurgesteld
wandelde hij weer naar huis terug, toen hij had gezien, dat het
dezelfde berichten waren, die hij reeds thuis in zijn krant had
gelezen.
Hij brandde van verlangen om vrienden of kennissen te ontmoeten en met
hen over het nieuws te spreken.
Zou hij naar de club gaan?
Het was nog erg vroeg, misschien vond hij er nog niemand, maar komaan,
het was te probeeren.
Een zijner bedienden gaf hij bevel, onmiddellijk de auto te laten
voorkomen en eenige minuten later liet Heemberg zich naar het
clubgebouw rijden.
Hij verscheen daar anders nooit op dit gedeelte van den dag en verbaasd
keek hij op, toen hij in de leeszaal reeds verscheiden plaatsen bezet
vond.
Hij liep deze zaal door en kwam door de zich geruischloos openende
donkergroene deur in de daaraan grenzende speel- en conversatiezaal.
Verscheiden leden van de Club zaten hier bijeen en Heemberg zag
onmiddellijk, dat er weinig werd gespeeld en daarentegen druk gepraat.
Heemberg kende de aanwezigen allen persoonlijk en begaf zich naar een
vrij groote, ronde tafel, waaraan een vijftal heeren had plaats
genomen.
„Goeden morgen, goeden morgen!” sprak hij op luidruchtiger toon dan
noodig was. „Is deze stoel nog vrij?”
„Zeker, neem plaats, kerel!” sprak Frits van Egelen. „Hoe ben je zoo
vroeg op ’t pad? Ook eruit gelokt door het reuzennieuwtje van den
schilderijendiefstal?”
„Om je de waarheid te zeggen, ja!” antwoordde Heemberg. „Zijn er al
meer bijzonderheden bekend? Alles wat ik weet, is het bericht uit de
ochtendbladen.”
„Meer weten wij ook niet”, vertelde Van Egelen weer!
Hij haalde het kopje koffie, dat de kellner juist voor hem had
gebracht, naar zich toe en vermengde het donkere vocht met de suiker en
den room.
„Een brutaal stukje, weergaloos brutaal!” riep een oudachtig heertje
uit, dat naast van Egelen zat. „Ik veronderstel, dat deze diefstal
verband houdt met andere Museumdiefstallen die in de laatste jaren zijn
gepleegd.”
„Ons land is er in dat opzicht tot dusverre nog vrij goed afgekomen”,
beweerde de beweeglijke bankdirecteur weer. „Maar ik ben het met u
eens, professor, dat het vermoeden voor de hand ligt om aan een complot
te denken.”
„Hoe bedoel je?” vroeg Heemberg met groote belangstelling.
„Wel, men zal hier te doen hebben met een internationale bende van
museumdieven, die nu eens hun slag slaan in Italië, dan in Frankrijk of
Engeland en eindelijk ook ons landje een bezoek waardig hebben
gekeurd.”
„Ik zie de groote waarschijnlijkheid van die veronderstelling niet in”,
mengde zich nu graaf Van Sloten tot Haersveld in het gesprek.
De jonge edelman had tot dusverre bijna voortdurend gezwegen en slechts
af en toe een kleine opmerking ten beste gegeven.
Juist haalde hij zijn kostbaren gouden sigarettenkoker te voorschijn en
terwijl hij deze opende om er een sigaret uit te nemen, vervolgde hij:
„Mijns inziens is de mogelijkheid volstrekt niet buitengesloten, dat
een enkel persoon, zonder handlangers of medeplichtigen, het kostbare
doek heeft gestolen.
„De bewaking in de meeste musea is onvoldoende, tenminste...”—hij
wachtte een bijna ondeelbaar oogenblik,—„tenminste waar het een
handigen dief betreft.”
„Maar hier, in het Rijksmuseum krioelt het immers van suppoosten!” riep
Heemberg uit. „Mij lijkt het een verduivelde kunst om dáár iets te
gappen!”
„En toch ziet u, dat het mogelijk is geweest”, lachte graaf Van Sloten
een beetje ironisch.
„Ik betwijfel het, of wel ooit uit zal komen, in welke handen de
„Avondschool” is beland!” sprak de lange, magere heer naast den
professor en die aan Raffles was voorgesteld als een bekend
letterkundige.
„Het is overbekend, dat er, vooral in Amerika, door rijke verzamelaars
schatten worden betaald voor kunstwerken en antiquiteiten, die uit de
museums der geheele wereld afkomstig zijn.”
„Zeker!” riep Heemberg uit, „ik heb vroeger eens gelezen van een
Amerikaansch millionnair die er in de onderaardsche gewelven van zijn
woning een groote verzameling op nahield van voorwerpen, die hij op
dergelijke wijze had verkregen.
„Een half menschenleven had hij eraan besteed om van her- en derwaarts
de kostbaarheden bijeen te zamelen en het eenige genot, dat bij ervan
had, was, dat hij urenlang in het diepste geheim kon ronddwalen door de
rij onderaardsche vertrekken, die als ’t ware een klein museum vormden.
„Niemand heeft hij ooit deelgenoot gemaakt van zijn misdadige
liefhebberij.”
„En op welke wijze is zijn geheim dan ten slotte wereldkundig
geworden?” vroeg de magere letterkundige.
„Door een bekend Amerikaansch detective, wiens naam ik me op het
oogenblik niet herinner. Deze was naar aanleiding van een brutale
antiquiteitendiefstal het wild op het spoor gekomen. Er waren
verscheiden handlangers bij betrokken, maar het eind van de
geschiedenis was toch, dat de schatrijke vent ontmaskerd is. Herinneren
de heeren zich deze zaak niet? Het is jaren geleden, maar op mij heeft
ze toen een geweldigen indruk gemaakt.”
Een bijna onmerkbare glimlach gleed over het gelaat van graaf Van
Sloten tot Haersveld en terwijl hij den rijken Amsterdammer aankeek,
sprak hij:
„Het ware te wenschen, dat ook in dit geval, waar het den diefstal
betreft van een zoo kostbaar eigendom der Nederlandsche regeering, van
zulk een wereldberoemd meesterstuk, dat ook nu een bijzonder schrandere
detective de schuilplaats van het gestolen schilderij ontdekte!”
„Ja, hadden wij hier maar een Sherlock Holmes!” riep de kleine
bankdirecteur op levendigen toon uit.
„Of een Raffles!” voegde de letterkundige eraan toe. „Voor de scherpe
oogen van dergelijke mannen blijft niet veel verborgen. Maar in ons
landje vindt men huns gelijken helaas niet. Daarvoor moet je in
Engeland of in Amerika komen!”
„Wie weet!” sprak graaf Van Sloten, terwijl hij Frits van Egelen met
een hoffelijk gebaar zijn gouden sigarettenkoker voorhield.
„Echte Egyptische, ik kan ze u aanbevelen,” vervolgde hij tot den
sympathieken bankdirecteur.
En toen deze een sigaret uit het étui had genomen, stond graaf Van
Sloten op.
„Het wordt mijn tijd, heeren, ik heb wat hoofdpijn!” sprak hij en
groette beleefd.
Toen wendde hij zich nogmaals tot Frits van Egelen, die eveneens was
opgestaan, en vroeg met een beminnelijken glimlach:
„Heb ik het genoegen, dat u in mijn auto meerijdt?”
Een oogenblik later verlieten de beide heeren samen het gebouw van de
club.
Dien middag gebruikte Jan Heemberg den lunch met een paar vrienden in
Trianon, het moderestaurant op het Leidscheplein.
Toen hij thuiskwam, was de schemering van den vroegen winteravond reeds
gevallen en de gaslantaarns langs de stille, deftige Heerengracht
wierpen hun schijnsel over het plaveisel.
De zware huisdeur viel dicht achter den millionnair en nadat hij hoed
en pels aan een der bedienden had afgegeven, liep hij de breede
witmarmeren gang door en opende de deur van zijn studeerkamer.
Gestudeerd had Heemberg in deze kamer echter niet veel. Wel stonden
breede boekenkasten, gevuld met kostbare werken, langs de wanden, wel
strekte de gemakkelijke stoel voor het prachtige schrijfbureau zijn
armen uit, als om tot studie uit te noodigen daar in dat rustige
vertrek, maar de arbeid, die Heemberg hier verrichtte, bestond bijna
uitsluitend in het doorbladeren van geïllustreerde tijdschriften, het
lezen en beantwoorden van menig billet-doux.
Ook nu lagen eenige brieven, die in den loop van den dag waren
aangekomen, op de schrijftafel. Achteloos bekeek Heemberg de adressen
en legde met een onverschillig gebaar een sterk geparfumeerd briefje in
rosen omslag terzijde.
„Daar heb ik geen haast mee,” mompelde hij, „Lora verveelt mij met haar
eeuwige verwijten. Ik heb haar meer dan eens duidelijk te verstaan
gegeven, dat ik genoeg van haar heb en daar dient ze eindelijk in te
berusten. Ze is jong en mooi en zal waarachtig wel een anderen
aanbidder kunnen krijgen.”
Toen nam hij een met zilver gemonteerde papiersnijder op en opende het
eenvoudige vierkante couvert, waarop met flinke, duidelijke letters
zijn naam en adres geschreven stond.
„Kranige hand!” sprak hij tot zichzelf, terwijl hij den brief uit het
enveloppe haalde.
Zooals dat steeds zijn gewoonte was, zocht hij eerst naar de
onderteekening van den brief, maar hij zag dat deze ontbrak.
Nu begon hij den inhoud van het schrijven te lezen en steeds spannender
werd de uitdrukking van zijn gelaat, steeds grooter zijn verbazing,
toen hij het volgende las:
„Het is mij bekend, dat het sinds lang een hartewensch van u is
geweest, om uw schilderijen verzameling te kunnen aanvullen met een
der kostbare werken van onze oude meesters.
Daarom is het mij een bijzonder genoegen u heden te mogen
gelukwenschen met het feit, dat uw wensch eindelijk in vervulling
is gekomen.
Immers, wie zou het bezit van de „Avondschool” van onzen
onsterfelijken Gerard Dou meer op prijs kunnen stellen dan gij, die
de kunst zoozeer naar waarde weet te schatten?
Ik hoop, dat het schilderij de plaats, welke het in uw collectie
heeft gekregen, nog lang zal mogen innemen.”
Tot driemaal toe herlas Jan Heemberg den inhoud van het korte briefje.
Toen stak hij het met een zenuwachtig lachje in den zak van zijn jas en
verliet het vertrek om zich haastig naar boven te spoeden.
Nauwelijks gunde hij zich den tijd om het electrische licht in de
kamers, waar zijn schilderijenverzameling zich bevond, op te draaien en
toen het heldere schijnsel der lampen de reeks vertrekken als in
zonlicht baadde, vloog zijn blik langs de hooge, breede wanden, waaraan
tallooze doeken in zwaar vergulde lijsten hingen.
Reeds was hij twee der ruime zalen, die één groot geheel vormden,
doorgeloopen, zonder dat iets buitengewoons zijn oog trok en nu trad
hij het vertrek binnen, waar eerst kort geleden het „Weesmeisje” dat
hij voor acht mille had gekocht, aan een der muren was neergehangen
naast een doek van Breitner.
Plotseling bleef Heemberg als door den bliksem getroffen staan. Hij had
zich omgewend naar den wand, waar het nieuw aangekochte stuk een
plaatsje had gekregen en met uitpuilende oogen staarde hij nu naar een
veel kleiner schilderij in zwarte omlijsting, dat precies onder het
„Weesmeisje” was opgehangen.
Het was hem alsof zijn hart ophield te kloppen, hij snakte naar adem en
zijn knieën knikten.
Dáár, vlak vóór hem, te midden van zijn eigen schilderijen,
onberispelijk aan den muur bevestigd, hing het wereldberoemde werk van
Gerard Dou, de uit het Rijksmuseum gestolen „Avondschool”!
Een oogenblik bleef hij onbeweeglijk staan, toen kneep hij zichzelf in
den arm, als om zich ervan te overtuigen, dat het geen benauwde droom
was.
Maar neen, het was geen hallucinatie, het was ruwe werkelijkheid: het
gestolen doek, het waardevolle eigendom van den Staat was op
onverklaarbare wijze in zijn huis, in zijn schilderijenverzameling
terecht gekomen.