Een oogenblik dacht hij, dat hij krankzinnig was geworden. Hij viel in

een der zetels, die hier en daar waren aangebracht, neer en trachtte

zijn gedachten te verzamelen.

Hoe ter wereld was dat schilderij hier gekomen? Wie had den brutalen

moed gehad, het uit het goed bewaakte Museum te stelen om het daarna op

onverklaarbare wijze hierheen te brengen?

En wie was de geheimzinnige schrijver van den brief dien hij zooeven

had ontvangen?

Als versuft bleef Heemberg een poosje voor zich uit zitten staren, toen

stond hij op, sloot alle deuren, die toegang gaven tot de reeks van

vertrekken, waarin zijn schilderijencollectie zich bevond, zorgvuldig

af en begaf zich terug naar de plek, waar de „Avondschool” hing.

Deze was op eenvoudige wijze aan den muur bevestigd, zoodat het

Heemberg niet de minste moeite kostte, het schilderij af te nemen.

Nogmaals bekeek hij met aandachtige blikken het kostbare stuk. Toen

haalde hij uit een kast in den muur een zwarten doek te voorschijn, die

weleens had gediend om een schilderij in te wikkelen, hulde de

„Avondschool” daarin en begaf zich met het noodlottige schilderij naar

de deur, die toegang gaf tot de breede, ruime gang.

Als een dief sloop hij op zijn teenen naar het rijk gebeeldhouwde

trappenhuis en, voorzichtig om zich heen kijkende, alsof hij bang was,

op heeterdaad betrapt te worden bij het plegen van een misdaad, liep

hij snel over de dikke loopers naar beneden, waar hij weer in zijn

studeerkamer verdween.

Ook hier sloot hij de kamerdeur achter zich dicht en opende toen met

een klein, kunstig bewerkt sleuteltje een zware ijzeren brandkast, die

in een der hoeken stond.

De zachte druk op een geheime veer opende een tweede deur en in de

ruimte, die nu verscheen, borg hij voorzichtig het schilderij weg.

Toen hij de brandkast weer had gesloten, haalde hij eenige malen diep

adem, alsof hij voor het oogenblik van een zwaren last bevrijd was.

Hij ging bij de schrijftafel zitten, haalde nogmaals het anonieme

briefje te voorschijn en scheurde dit in duizend stukken.

Ontelbare kleine zweetdroppels bedekten zijn voorhoofd en als

werktuigelijk wreef hij er eenige malen met zijn zakdoek overheen.

Daarna keek hij op de antieke klok, hoe laat het was.

„Ik mag mij wel haasten om bij Betty te komen,” mompelde hij. „Zij

rekent erop, dat ik vroeg bij haar ben en ik moet mij eerst nog kleeden

voor het diner!”

Hij stond op, wierp nog eens een blik op de massieve brandkast en ging

toen naar zijn slaapkamer om zich te kleeden voor het diner, dat hij

bij Betty zou gaan gebruiken.

Een half uur later reed zijn auto voor om den millionnair naar zijn

vriendin te brengen.

Blonde Betty vond, dat „Bobby” dien avond erg verstrooid was.

ZESDE HOOFDSTUK.

EEN NACHTELIJKE VERRASSING.

„Apropos,” sprak lord Lister na het diner tot zijn jongen vriend. „Je

hebt vanmiddag, als ik het me goed herinner, Charly,—want je vertelt me

zooveel, waar ik maar met een half oor naar luister,—je hebt me

vanmiddag gesproken over een onbetaalde champagnerekening en over

andere schulden, die wij hier in Amsterdam hebben loopen.”

Charly knikte.

„Het doet me plezier, Edward, dat jijzelf op die kwestie terugkomt. Ik

ben eigenlijk een beetje huiverig geworden om jou nog over geldelijke

aangelegenheden te spreken. We zitten inderdaad stevig in de beren. Of

heb je misschien...?”

Met oogen vol spanning keek de jonge secretaris zijn heer en meester

aan en het zou hem zeker niet zoo heel sterk hebben verbaasd, als in

dit oogenblik de Groote Onbekende hem een reusachtig groot kapitaal had

ter hand gesteld.

Charly was gewend aan wonderen, sinds hij samenwoonde met den

gentleman-dief en als zoo’n wonder niet gebeurde op het oogenblik, dat

de jonge Brand daarvoor het meest geschikt achtte, voelde Charly zich

lichtelijk teleurgesteld en eigenlijk zelfs een beetje miskend.

Maar ditmaal geschiedde zoo’n wonder niet.

Charly’s hand bleef leeg, en de eenige beweging, die lord Lister zich

veroorloofde te maken, was, dat hij een nieuwe sigaret uit den gouden

koker nam, die opstak en fijne rookwolkjes naar boven liet kringelen.

Toen bekeek hij met de grootste aandacht, een betere zaak waardig, de

asch die zich vormde voor de roodgloeiende tabak en zei:

„Ik heb je vanmiddag gezegd, my boy, dat je overmorgen je rekeningen

kunt betalen. Je weet, dat ik niet van overdrijven houd en gewend ben,

bij alles den juisten tijd te noemen.

„Je kunt dus vast op me rekenen, Charly. Maar om aan mijn

verplichtingen tegenover jou te kunnen voldoen, zul je vanavond na elf

uur mijn gezelschap moeten missen. Tot zoo lang kunnen we samenzijn en

ik laat jou de keuze om te beslissen, waar we den avond zullen

passeeren.”

„Na elf uur?” herhaalde Charly.

En toen plotseling geïnteresseerd door het geheimzinnige van het geval:

„Laat mij met je meegaan, Edward! Toe, laat mij je vergezellen! Ik

voel, dat je de een of andere belangrijke misdaad gaat opsporen. Laat

mij je vergezellen, op je nachtelijke expeditie! Je weet, dat ik voor

geen kleintje vervaard ben als het er op aankomt.”

Raffles lachte.

„Neen, my boy, ik waardeer je goede bedoelingen, maar ik kan je niet

gebruiken op mijn tocht.

„Ik wil je alleen zeggen, en dat is dan ook het eenige, wat ik over

deze nachtelijke expeditie wil loslaten, dat hier van een misdaad geen

sprake is.

„Je weet, Charly, dat ik zoo af en toe het van mijn plicht acht om den

een of anderen eervergeten losbol een gevoelig lesje toe te dienen en

om zijn beurs te openen voor een goed doel, waartoe de man anders van

al zijn millioenen geen rooje duit zou willen bijdragen.

„Ik doe dat meestal op vrij origineele manier en ook dezen keer laat de

oorspronkelijkheid van mijn truc niets te wenschen over.

„Jij in je goedmoedige onnoozelheid—vergeef me deze woorden,

Charly,—die het dichtst bij het vuur zit en je dus, om in kindertaal te

spreken, het warmst moest gevoelen, jij hebt niet het minste vermoeden

van wat zich afspeelt in jouw onmiddellijke omgeving.

„En omdat ik het niet op mijn geweten zou willen hebben, jou een

slapeloozen nacht en veel onrustige uren te bezorgen, daarom, beste

jongen, houd ik je maar heel rustig buiten al die emoties en zal ik

alleen het genoegen smaken, het geldelijk resultaat van mijn werk in

jouw huishoudelijke handen te leggen.

„En laat ons nu de deur uitgaan.”

Raffles keek op de pendule.

Het was kwart vóór acht.

„Wat dunkt je ervan, als we eens naar het spel van den grooten

Bouwmeester gingen kijken? De man moet zoo meesterlijk den Shylock

vertolken, dat hij allang een wereldberoemdheid zou zijn geworden, als

hij niet het ongeluk had gehad, in Nederland te zijn geboren.”

Om elf uur in den avond, vóór het schouwburggebouw drukte Raffles zijn

vriend de hand.

„Ga je nog maar een beetje amuseeren, Charly,” sprak hij, „ik zelf snak

ook naar een glas goed Hollandsch bier, maar de tijd ontbreekt me.”

„Ik breng je een eind, Edward,” drong Charly aan, „’k heb geen plezier

om alleen nog naar de kroeg te gaan.”

„Geen kwestie van, boy! Bonsoir! Onze wegen loopen hier uiteen. En als

je niet gauw gaat, neem ik een auto!”

De Groote Onbekende keerde zijn vriend den rug toe en verdween in de

richting van de Heerengracht.

Het was lang na middernacht, toen Jan Heemberg uit zijn auto stapte en

het bordes van zijn fraaie woning beklom.

Een oogenblik later sloot hij de huisdeur open en begaf zich regelrecht

naar zijn studeerkamer aan het einde van de lange gang.

Het bediendenpersoneel had zich ter ruste begeven en in het groote huis

heerschte de diepste stilte.

Want voordat Jan Heemberg zijn slaapvertrek ging opzoeken, wilde hij

nog even zich ervan overtuigen, dat het kostbare stuk, dat op zoo

onverklaarbare, geheimzinnige wijze in zijn huis was gekomen, zich nog

in de ijzeren brandkast bevond.

Den ganschen avond had hij het niet uit zijn gedachten kunnen zetten,

welke ontzettende verantwoordelijkheid er op hem rustte; wat er zou

gebeuren, wanneer bekend werd, dat de Avondschool zich onder zijn dak

bevond en wie toch wel de persoon mocht zijn, die dit geheim met hem

deelde.

En terwijl hij schijnbaar met groote belangstelling had geluisterd naar

de verhalen die Betty en haar vriendin hem hadden gedaan, had hij zich

telkens afgevraagd:

„Hoe moet ik handelen?... Op welke wijze kan ik mij ontdoen van dit

schilderij, zonder dat ik gevaar loop, de dupe te worden van deze

geschiedenis?

„Het doek vernietigen?... Het uit de lijst snijden, het glas

verbrijzelen en het doek een prooi der vlammen laten worden?......

„Maar dat zou krankzinnigheid zijn!...... Honderdduizenden waren reeds

voor dit stuk geboden en hoeveel meer was de waarde geworden, nu dit

meesterwerkje de aandacht van de gansche wereld had getrokken?”

Weer dacht hij terug aan de geschiedenis van dien schatrijken

Amerikaan, wiens levensdoel het was geworden om kunstvoorwerpen, uit

Musea ontvreemd, aan te koopen en te verzamelen.

Als hij er eens mee den Oceaan overstak?

Daarginds, in het land van den dollar zou hij ongehoorde geldsommen

kunnen machtig worden voor het meesterwerk van den Hollandschen

schilder.

Maar die ander......

Wie toch was die andere, die geheimzinnige persoon, die òf alleen, òf

in combinatie met anderen den diefstal had gepleegd en hem, tegen zijn

wil, tot heler had gemaakt?

Telkens en telkens weer, tusschen lachen en schertsen door en terwijl

hij schijnbaar deelnam aan de algemeene vroolijkheid, hadden deze

gedachten door zijn brein geflitst zonder dat hij een enkel antwoord

had kunnen geven op al deze onuitgesproken vragen.

Jan Heemberg opende thans de deur van zijn studeerkamer en greep naar

de knop van het electrische licht om dat te doen ontbranden.

Helder lieten een twaalftal gloeilampen in den kostbaren lichtkroon hun

lichten stralen in het groote vierkante vertrek.

Maar stom van verbazing bleef Heemberg staan op den drempel van de

kamer.

Vóór hem, in makkelijke houding, den rug naar het licht gewend, de

beenen over elkaar geslagen, den monocle in het rechteroog gedrukt, een

sigaret tusschen de smalle lippen en den stok met gouden knop op

nonchalante wijze tusschen de vingers houdende, zat een heer.

Z’n overjas had hij uitgetrokken en achteloos over een der stoelen

geworpen. Zijn cylinder en glacé’s lagen daar boven op.

De heer veranderde niet van houding, toen de nachtelijke duisternis,

die in het vertrek had geheerscht, plotseling overging in een

daghelderen schijn.

Een fijne glimlach lag op zijn gelaat, toen de heer des huizes

nadertrad en de hand uitstrekte om de electrische schel in beweging te

zetten.

„Spaar die moeite, mijnheer Heemberg, uw personeel zou uw schellen niet

hooren! De geleiding is afgesneden!”

Eerst nu had Heemberg gelegenheid, den bezoeker in het volle gelaat te

zien.

„Graaf Van Sloten van Haersveld......” stiet hij uit. „U hier... maar

dat is iets anders, dat is me héél aangenaam. Waarom hebben mijn

bedienden u niet in den salon gelaten?”

Graaf van Sloten richtte zich op.

„Ik heb niets te maken met uw bedienden, meneer Heemberg”, sprak hij,

„ik heb mij zelf toegang tot uw woning verschaft. Ik heb de electrische

geleiding afgesneden en gewacht op uw terugkomst.”

„Ik begrijp er niets van...... Hoe wist u, dat ik...”

„Ik wist, dat ge hedenavond waart uitgegaan en eerst laat thuis zoudt

komen, ik begreep, dat uw eerste bezoek na uw thuiskomst deze kamer zou

gelden...”

„Deze kamer? Waarom?”

„Omdat ge het gestolen schilderij uit uw collectie hebt verwijderd en

dáár hebt geborgen.”

Bij deze woorden wees de nachtelijke bezoeker naar de groote,

donkerbruine brandkast in den hoek van het vertrek.

Het gelaat van Heemberg had een vaalbleeken tint gekregen.

Hij beefde van het hoofd tot de voeten en kon zich nauwelijks staande

houden.

Maar die ontsteltenis duurde slechts enkele oogenblikken.

Jan Heembergs voorvaderen hadden dikwijls voor heete vuren gestaan en

dan had hun tegenwoordigheid van geest hun telkenmale weer gered uit de

meest benarde omstandigheden.

Zoo ook ging het hun nazaat.

Toen deze den eleganten graaf, die sinds eenigen tijd zijn weg had

gekruist maar van wiens verleden niets bekend was, in zijn

studeervertrek zag, begreep hij, dat graaf Van Sloten niet onkundig kon

zijn van de fatale geschiedenis met het gestolen schilderij.

En, alles op één kaart zettende, antwoordde hij op de uitdagende

woorden van den indringer:

„Ja—het gestolen stuk bevindt zich in mijn huis—in deze kamer—in die

brandkast. Maar de dief zijt gij, graaf en niemand anders!”

De graaf glimlachte.

Raffles voelde in dit oogenblik dat Heemberg zich niet zonder verweer

liet vangen en het was hem niet onaangenaam, op eenig verzet te

stuiten.

„Volkomen juist. Ik heb inderdaad dat stukje bedreven. Hoe—dat doet er

niet toe! Alleen herhaal ik mijn bewering, dat het voor een behendigen

dief niet onmogelijk is een half dozijn suppoosten te verschalken en

een kleinigheidje uit een Museum mee te kapen!”

„Maar waarom hebt ge het gedaan?” vroeg Heemberg, terwijl hij een zetel

schoof tegenover den stoel van Raffles en daarin plaats nam in even

ongedwongen houding.

„Wat heeft u bewogen om dien diefstal te plegen en daarna, op even

geheimzinnige wijze, het stuk in mijn huis te deponeeren?”

Het ontging den Grooten Onbekende niet, hoe Heemberg onder het spreken

den blik liet gaan over een wapenrek, dat naast een der boekenkasten

hing.

En als zwijgend antwoord op dezen blik haalde Raffles zijn browning uit

een zijner zakken te voorschijn en hield dezen in de rechterhand

omklemd.

„Waarom ik het deed?” vroeg hij, „en waarom ik u in deze zaak betrok?

Juist, meneer Heemberg, nu zijn we, waar ik u wilde hebben!

„Luister!

„En luister goed!!!

„Ge moet u vooral rustig houden, daar in uw stoel—héél rustig, want bij

de minste beweging, die mij niet aanstaat, schiet ik. En mijn schot

faalde nooit!

„Maar laat ik mij eerst aan u voorstellen! Ge hebt immers reeds

begrepen, dat ik onder een schuilnaam mij toegang verschafte tot uw

club.

„Mijn ware naam—ook die zal u niet onbekend in de ooren klinken! Ik ben

lord Edward Lister, bijgenaamd John C. Raffles, de Groote Onbekende,

of, als u wilt, de gentleman-dief.

„Ge behoeft niet te schrikken,” vervolgde lord Lister, terwijl hij

luchtigjes met den browning speelde en alsof het een kinderspistooltje

was, den trekker overhaalde.

„Mijn ondernemingen, meneer Heemberg, bepalen zich alleen tot die

personen, die ervoor in aanmerking komen om eens een klein lesje te

ontvangen.”

„Een lesje?”

„Ja, en zulk een lesje hebt u ten volle verdiend.

„Uw voorouders, meneer Heemberg, hebben op de meest oneervolle wijze

zich verrijkt.

„Zij hebben, naar men mij inlichtte, den Staat der Nederlanden

bestolen, door de kwade praktijken van het geldsnoeien toe te passen.

„Niet dat ik u verantwoordelijk zou willen stellen voor de wandaden van

uw voorouders, maar in stede van de door hen nagelaten millioenen of

slechts een klein gedeelte daarvan te besteden aan het geluk uwer

minder goed bedeelde medemenschen, verkwist gij uw gelden bij hoopen

aan lichtzinnige vermaken, aan bras- en zwelgpartijen.

„Nog nimmer, zoo oud als ge zijt, hebt ge ook slechts voor de som van

tien gulden uitgegeven om het treurig bestaan der ongelukkige stumperds

te verlichten.

„Nooit hebt ge eraan gedacht om een zonnestraal te brengen in het

sombere leven van zooveel misdeelden om u heen.

„Toen u dezer dagen door een uwer kennissen werd gevraagd om een

geldelijk offer te brengen ten bate van ouderlooze kinderen, die zonder

eenige bescherming, zonder eenig bezit zijn achtergebleven, hebt ge met

een hoonlach geantwoord, dat ge niet te spreken zijt voor

liefdadigheid.

„En in hetzelfde oogenblik verteldet gij, dat gij voor het bagatel van

acht mille een schilderstukje hebt gekocht om uw verzameling aan te

vullen.

„Ik moet u meer vertellen, Jan Heemberg!

„Ik ben de zoon uit een oud-adellijk Engelsche geslacht.

„Mijn levensgeschiedenis gaat u niet aan—zou u wellicht ook te weinig

belang inboezemen.

„Alleen wensch ik u te vertellen, dat mijn levensdoel bestaat in het

beschermen der misdeelden, het opheffen der gezonkenen, het redden der

maatschappelijke schipbreukelingen.

„En waar ik op mijn levensweg personen ontmoet, die bulken van het geld

en die hun rijkdommen slechts aanwenden voor eigen genoegens, daar heb

ik nooit gerust en daar zal ik nooit rusten, vóórdat ik hun van een

deel van het vermogen, dat zij zoo verkeerd besteden, heb ontlast en

dat uit hun naam heb geschonken aan instellingen van liefdadigheid.”

„Ik begrijp niet, waar u heen wilt!”

„Dat verbaast me! Ik meende, nogal duidelijk te zijn en had u meer

scherpzinigheid toegedacht.

„Maar ik zal kort zijn, meneer Heemberg, want veel heb ik u ook niet

meer te zeggen.

„Ik wensch u deze voorwaarden te stellen:

„Gij overhandigt mij in dit nachtelijk uur een chèque, groot

honderdduizend gulden, betaalbaar aan de Twentsche Bank.

„Gij moet voorts voor het nieuwe Kinderhuis een evengroot bedrag

garandeeren, eveneens betaalbaar op voornoemde Bank.

„Deze chèque moet op naam staan van uw vriend Edward Plankenga.

„Ten slotte moet gij aan den burgemeester van deze gemeente een som van

één ton gouds overmaken, die moet worden gestort in de kas van de

Amsterdamsche armen.

„Alleen op deze voorwaarden, Jan Heemberg; alleen dus, als gij van uw

onmetelijke schatten deze voor u onbeduidende som zult willen afstaan,

zal ik u weder ontlasten van het schilderij, waarvan de aanwezigheid in

uw huis u zoozeer en terecht bezwaart.

„Indien ge niet op mijn voorstel ingaat—en er wordt niet afgedongen,

meneer Heemberg—zal ik tot andere maatregelen moeten overgaan.”

„En die zijn?” vroeg Jan Heemberg, terwijl zijn neusvleugels trilden en

hij het liefst dien ander, dien slanken pseudo-graaf, die zulk een

geweldig tegenstander bleek te zijn, de hersenpan had verbrijzeld, „wat

zult ge anders doen, gij Engelsche indringer?”

„U overleveren aan de politie—nog dezen nacht. Gij moet dan zelf maar

ophelderen, op welke wijze de „Avondschool” uit het Rijksmuseum

hierheen is gekomen, want ik—ik behoef u dit zeker niet te

verzekeren—ik zelf blijf buiten schot door te eclipseeren.

„Alle schijn is tegen u!

„Kies eieren voor uw geld, meneer Heemberg!”

Langzaam verhief de Groote Onbekende zich uit den leeren armstoel.

Hij verloor zijn tegenstander geen seconde uit het oog.

Ook Heemberg was opgestaan en nu maten de beide heeren elkander met de

blikken.

Minuten lange stilte heerschte.

Toen sprak Jan Heemberg, de klank van zijn stem viel zwaar en dreigend

in de doodsche stilte van het huis:

„Ik zal dat geld geven. De chèque zal ik teekenen en de stedelijke

armen zullen het door u bedongen kapitaal ontvangen.

„Maar daartegenover eisch ik, dat u, John C. Raffles, mijn huis zult

verlaten niet alleen in het bezit van die waardevolle papieren, maar

met het gestolen schilderij onder uw armen.”

Lord Lister glimlachte ironisch.

„Met genoegen! En haast u dan een weinig, ik heb geen tijd te

verliezen!”

„Hallo, word wakker, boy! Vooruit! Wat ben jij een slaapkop! Ik dacht,

dat je nog aan ’t fuiven was en nu lig je al op één oor!”

Het was twee uur in den nacht, toen Charly Brand vrij onzacht uit zijn

eersten zoeten sluimer werd gewekt door de stem van zijn vriend.

Tegelijkertijd voelde hij, dat een groot, hard voorwerp op zijn deken

werd gelegd.

„Maak licht, Edward, wat heb je daar? Je hebt toch niet te veel

gedronken?”

Raffles knipte het electrisch licht op en toen zagen de verbaasde oogen

van Charly Brand een schilderij, in zwarte lijst gevat.

Op het schilderij ontwaarde de jonge secretaris bij het gele schijnsel

van een kaars een aantal figuurtjes, die stonden gebogen over hun

schoolwerk.

„Wat is dat voor een plaatje?” vroeg Charly, nog half slaapdronken.

„„De Avondschool” van Gerard Dou!” was het lakonieke antwoord van den

Groote Onbekende.

„Allemachtig!” kreet Charly, „Edward, je bent gek!”

„Neen, boy”, sprak Raffles, „dat ben ik niet. Kijk maar.”

En hij wierp Charly de chèque, groot honderdduizend gulden, voor den

neus.

„Daar heb je voorloopig wat huishoudgeld, beste jongen; je ziet, dat

James de champagne-rekening kan betalen en jij met je gulserigen aard

zult aan het resteerende voor de eerstvolgende weken wel genoeg hebben.

„Ga nu maar weer rustig verder slapen, de bijzonderheden vertel ik je

morgen wel.”

„Aan hem, die eenige aanwijzing kan geven, welke zal leiden tot

vinden van het vermiste schilderij uit het Rijksmuseum, looft de

Staat der Nederlanden de som van tienduizend gulden uit.”

Dat bericht las den volgenden morgen aan het ontbijt Charly Brand zijn

vriend voor.

„Dat is nog een klein extraatje, Edward!” voegde hij den Grooten

Onbekende lachend toe.

„En het komt nog juist bijtijds, want ik was al van plan geweest den

Museumdirecteur aan zijn lunch te verrassen,” antwoordde lord Lister.

Niet weinig verrast was het gansche personeel van het Rijksmuseum, toen

nog geen twee etmalen, nadat de geheimzinnige roof was gepleegd, in het

kleine zijkabinet de „Avondschool” weer op zijn plaats hing.

Extra stevig was het doek aan den muur bevestigd en dien ganschen dag,

evenals de volgende dagen stroomden de belangstellenden het Rijksmuseum

binnen, waaronder een groot aantal personen, die tot nog toe geen voet

binnen dezen kunsttempel hadden gezet.

De dagbladen vermeldden in slechts enkele korte zinnen het sobere, doch

veelzeggende bericht, dat de directeur van het museum het vermiste

schilderij onbeschadigd terug had ontvangen en dat den brenger de

uitgeloofde som van tienduizend gulden terstond was uitbetaald.

Verdere bijzonderheden kon geen der bladen zijn lezers mededeelen om de

eenvoudige reden, dat nadere inlichtingen waren geweigerd, door de

bevoegde personen.

En zoo bleef deze museumdiefstal steeds voortleven in de herinnering

der Nederlanders als een misdaad, die was geschied onder zeer

vreemdsoortige omstandigheden.

Alleen Jan Heemberg, wiens groote en plotselinge liefdadigheidszin de

algemeene aandacht trok en alom werd geprezen, had kunnen vertellen,

hoe in zijn schilderijenverzameling eenige uren lang het belangrijke

doek van den Oud-Hollandschen meester had geprijkt en dat de Londensche

gentleman-dief het stuk had gekaapt om zoodoende de beurs van den

rijken plebejer voor drie ton gouds lichter te maken.

Maar Jan Heemberg hield wijselijk zijn mond.

„We gaan over een uur Amsterdam verlaten!” zei Raffles, toen hij terug

kwam van zijn bezoek aan den museumdirecteur.

„Heb je den chèque geïnd, Charly?”

„Natuurlijk,” antwoordde de secretaris, „en de schulden zijn betaald.

Waarheen gaan we Edward?”

„Dat zullen we in den trein wel bespreken. Voorloopig voor een week

naar het Grand Hotel in Brussel.”

„Je bent dus bang geworden, Edward? Voor het eerst in je leven!”

En nu was het Charly, die zijn vriend hartelijk uitlachte.

„Bang?” smaalde Raffles, „neen, boy. Maar ik voel er niet veel voor om

af te wachten hoe Heemberg zich zal wreken. We kunnen onzen tijd

nuttiger besteden en de Groote Onbekende wenscht zich niet te

derangeeren door een tijdlang te gaan brommen, omdat hij in een

„onbewaakt” oogenblik een aardig schilderijtje onder de pelerine van

zijn alma-viva wist te moffelen.

„Bovendien, Charly, loop ik alweer rond met nieuwe plannen.”

„Voor welke stad?”

„Natuurlijk voor Amsterdam!”

Lord Lister No. 0117: De museumdiefstal · 第 4 / 4 段