Met een vriendelijke uitdrukking op het aristocratische gelaat

begroette de graaf zijn clubgenooten. Daarna nam hij op den voor hem

bestemden stoel plaats.

Enige minuten later waren de vier heeren zwijgend verdiept in het

whistspel.

De bejaarde heer, die tegenover graaf Van Sloten tot Haersveld, alias

lord Lister, zat, was een schatrijk grondeigenaar.

Jonkheer Van Breukelen bezat uitgestrekte landerijen en bosschen in

Overijssel en Gelderland. Bekwame rentmeesters beheerden daar zijn

goederen, terwijl hij zelf een groot gedeelte van het jaar in Amsterdam

woonde, waar hij een keurig heerenhuis bezat in het oude stadsgedeelte.

Eenige zomermaanden bracht jonkheer Van Breukelen met zijn gezin door

in zijn ruime villa in de buurt van Apeldoorn, terwijl hij elk jaar

groote buitenlandsche reizen maakte.

Doch steeds weer trok Neerlands hoofdstad hem het meest aan en de rijke

landjonker bekende dan ook openhartig, dat geen enkele stad in het

buitenland, zelfs niet Parijs, voor hem het aangename en aantrekkelijke

had, wat Amsterdam kenmerkte.

De heer, die rechts van lord Lister zat, kon hoogstens vijf-en-dertig

jaren tellen. Het was een flink gebouwde jongeman met een echt

Germaansch uiterlijk.

Het knappe gelaat had een blanke tint, een kortgeknipt blond snorretje

sierde de bovenlip, de helderblauwe oogen hadden een eerlijke, oprechte

uitdrukking en de regelmatige, witte tanden verhoogden den prettigen

indruk, dien het geheel maakte.

Aan de welgevormde rechterhand prijkte een gladde trouwring en dit was

de eenige kostbaarheid, die de jonge man droeg.

Hij was de eenige zoon van een der aanzienlijkste Amsterdamsche

industrieelen en juist kort geleden, nadat hij in het huwelijk was

getreden, door zijn vader als deelgenoot in de zaak opgenomen. Bij zijn

huwelijk met een meisje van voornamen Frieschen adel had de jonge

Herman de Breesop van zijn vader een prachtig huis in het

Museumkwartier ten geschenke gekregen, dat hij nu met zijn jeugdige

echtgenoote en een uitgebreid dienstpersoneel bewoonde.

De vierde medespeler aan het groene whisttafeltje had een meer

burgerlijk uiterlijk dan de drie andere heeren.

Klein en gezet van gestalte, met levendige oogen en drukke gebaren, met

het ronde gelaat en den steeds tot lachen gereedstaanden mond, maakte

hij reeds op den eersten blik een prettigen indruk. En wanneer men den

kleinen bankdirecteur, Frits van Egelen, eenmaal had leeren kennen,

werd men onwillekeurig aangetrokken door zijn jovialen, hartelijken

toon, zijn gullen lach en eerlijke rondborstigheid.

Meer dan een uur lang was het viertal verdiept geweest in de kansen van

het spel en Frits van Egelen was bezig, de door hem en zijn partner

behaalde winst te noteeren, toen graaf van Sloten op zachten toon

sprak:

„Wie is die heer, die hier recht tegenover mij aan dat tafeltje zit?

Kent gij hem?”

Hij had de vraag gericht tot Herman de Breesop, die het dichtst bij hem

zat.

Deze keek in de hem aangeduide richting en antwoordde toen:

„Ja, ik ken hem. Het is een persoon, die in Amsterdam wel bekend, maar

niet bemind is, een zekere Heemberg. Hij is millionnair en woont hier

in een van de grootste huizen aan de Heerengracht.”

„De man heeft een hoogst onaangenaam uiterlijk, vindt u ook niet,

graaf?” vroeg nu Frits van Egelen, die klaar was met zijn noteering en

zich nu in het gesprek mengde.

„Is hij een Nederlander?” vroeg Raffles, nadat hij de vraag van den

kleinen, beweeglijken man aan zijn linkerzijde bevestigend had

beantwoord.

„Ja, van oud-Amsterdamsche familie,” vertelde de Breesop weer. „En naar

men beweert zijn de millioenen die van vader op zoon zijn overgegaan,

niet altijd op even nobele manier verkregen.”

Raffles wierp een vragenden blik op den spreker, waarna deze vervolgde:

„Ik heb mijn vader wel eens hooren vertellen, dat in vroeger jaren de

voorouders van Jan Heemberg, die daar aan dat tafeltje zit, schatten

hebben verdiend door het snoeien van munten.”

„Het snoeien van munten?” vroeg graaf Van Sloten op eenigszins

verbaasden toon. „Ik moet eerlijk bekennen, dat ik nooit van dezen tak

van nijverheid heb gehoord. Zoudt ge mij eens willen vertellen, wat men

daaronder verstaat? U weet, dat ik meer dan mijn halve leven in

Engeland heb doorgebracht en ik heb daar nooit over iets dergelijks

hooren spreken.”

„Het snoeien van munten werd in vroeger jaren, toen ons geld nog zoo

geheel anders was afgewerkt als tegenwoordig, veel gedaan,” vertelde de

Breesop. „Men had toen lieden, die er zich speciaal op toelegden, onze

gouden en zilveren munten van een smal randje te ontdoen. Zij

„snoeiden” ze, zooals men dat noemde.

„De munt kwam weer gewoon in omloop, terwijl de „muntsnoeiers” zich

wederrechtelijk verrijkten. Op die manier zijn er veel gewetenlooze

kerels rijk, ja schatrijk geworden, zonder dat men hen ooit kon

bewijzen, op welke wijze zij hun rijkdommen hadden verkregen.”

„En welk beroep oefent de erfgenaam van die millioenen uit?”

informeerde graaf Van Sloten tot Haersveld, alias John C. Raffles,

weer.

„Hij zal den bodem van zijn geldkist nog wel te zien krijgen, als hij

een beetje tijd van leven heeft,” antwoordde jonkheer Van Breukelen

lachend. „Jan Heemberg gooit het geld bij handen vol weg, wanneer het

zijn eigen genot betreft. Aan Amor en aan Bacchus offert hij jaarlijks

enorme bedragen.”

„En aan den speelduivel!” viel de kleine bankdirecteur in. „Het is

bekend, dat in Heembergs huis zoo grof wordt gespeeld als in Monte

Carlo.”

„En aan die buitensporige verkwisting paart de man een ongelooflijke

gierigheid, wanneer het er op aankomt, iets te geven voor een liefdadig

doel. Voor armoede en gebrek houdt hij altijd zijn beurs gesloten.

Daarvoor behoeft men bij hem niet aan te kloppen. Zijn stelregel is,

dat ieder voor zichzelf moet zorgen.

Ontzettend veel geld schijnt hij echter over te hebben voor

schilderijen; ik geloof niet, dat de man eenig gevoel voor kunst heeft,

maar het is een feit, dat het verzamelen van schilderijen een ware

hartstocht van hem is. Eenige zalen in zijn huis moeten geheel zijn

ingericht als een klein museum.

„Maar kom, heeren, laten wij doorgaan met spelen,” viel jonkheer Van

Breukelen zichzelf in de rede, „wij verpraten onzen tijd en het

onderwerp van ons gesprek is niet waard, dat wij zooveel woorden over

hem vuil maken.

„Wie moest geven?”

„Ik geloof, dat het mijn beurt was,” sprak Frits van Engelen, „ja,

zeker, ik herinner mij nu, dat ik zooeven met hartenaas uitkwam.”

Zwijgend werd het spel weer voortgezet, slechts een enkele korte

opmerking werd nu en dan gemaakt en de vier heeren wijdden hun geheele

aandacht aan de kaarten.

De millionnair, die aan het andere tafeltje zat en die zooeven het

onderwerp van hun gesprek had uitgemaakt, was weer vergeten.

Alleen graaf Van Sloten wierp af en toe een korten blik op het

roodgekleurde, opgezette gelaat, den stompen neus en de kleine oogjes

van den man, over wiens levensopvattingen hij zooeven het een en ander

had vernomen.

Het was ongeveer half twaalf, toen Raffles het gebouw van de club

verliet om zich naar zijn villa in het Willemspark te begeven.

Met de handen diep in de zakken van zijn overjas, wandelde hij in de

richting van het stadsgedeelte, waar zich zijn woning bevond.

De koele nachtlucht deed hem aangenaam aan en hij was blij, dat hij

geen auto of rijtuig had genomen om zich huiswaarts te begeven.

Van de Weteringschans ging hij de brug over tegenover het Rijksmuseum

en toen het reuzengebouw als een donkere massa vóór hem lag en hij

onder den gewelfden doorgang liep, tusschen de beide zijvleugels van

het museumgebouw, dacht hij als onwillekeurig weer terug aan de

gesprekken, aan de whisttafel en over hetgeen hij daar gehoord had

omtrent den rijken Heemberg.

Een glimlach gleed over de fijnbesneden lippen van den Grooten

Onbekende en een ondeugende uitdrukking verscheen in zijn groote,

donkere oogen.

Hij vond Charly reeds thuis.

De jongeman had zijn avondtoilet verwisseld voor een gemakkelijk

huisjasje en lag languit op den divan te rooken.

„Je bent vroeg thuis, mijn jongen,” sprak Lord Lister, terwijl hij het

zich bij den breeden haard gemakkelijk maakte. „Ben je niet meer gaan

soupeeren met freule Van Stralen en hare familie?”

„Neen, Edward, den berooiden staat van onze financiën in aanmerking

genomen, kwam het mij verstandiger voor, dezen keer maar eens als een

hoogst solide jongmensch regelrecht naar huis te gaan. Apropos, Edward,

heb je er al eens over nagedacht, op welke wijze we onze kas weer wat

kunnen aanvullen?”

„Heb maar geen zorg daarover, beste jongen,” antwoordde Raffles

glimlachend. „Ik geloof, dat ik er al iets op gevonden heb om jou in

staat te stellen, een volgenden keer met je kennissen op royale wijze

te gaan soupeeren.”

Charly keek zijn vriend met vragenden blik aan, maar lord Lister scheen

niet van plan hem iets naders mee te deelen.

Zwijgend rookte de Groote Onbekende een sigarette en liet zich door

Charly een kopje koffie inschenken, waarna de beide vrienden zich naar

hun slaapvertrekken begaven.

DERDE HOOFDSTUK.

BIJ DEN ERFGENAAM DER GELDSNOEIERS.

Dien volgenden dag liet Raffles zich in de club formeel voorstellen aan

den millionnair Heemberg.

De kleine bankdirecteur Van Egelen had den graaf met Heemberg in kennis

gebracht en ook Charly Brand die zijn vriend op diens verzoek naar de

club had vergezeld, was onder den naam van jonkheer Beekbergen aan

dezen voorgesteld.

Nadat de heeren een poos lang over de nieuwtjes van den dag en de

politiek hadden zitten praten, sprak Heemberg, terwijl hij zijn grof,

onsympathiek gelaat in een vriendelijken plooi trachtte te brengen:

„Ik moet tot mijn spijt vanavond tijdig de club verlaten. Een

afspraakje, ziet u?”

En hij knipoogde tegen graaf van Sloten, terwijl een breede grijns om

zijn mond verscheen.

„Daar ik het echter heel aangenaam vind, kennis te hebben gemaakt met

de heeren,” vervolgde hij, eerst Raffles en daarna Charly Brand

aankijkend, „zou het mij aangenaam zijn, als u, graaf van Sloten en ook

u, Jonker Beekbergen, mij het genoegen wildet doen mij morgenavond te

komen bezoeken. Ik heb verschillende andere kennissen uitgenoodigd en

ik twijfel er niet aan, of de heeren zullen zich wel amuseeren.”

Charly wierp een zijdelingschen blik op zijn vriend, niet anders

verwachtende of deze zou voor deze plotselinge uitnoodiging van den

nieuwbakken kennis bedanken, maar tot zijn verbazing hoorde hij, hoe

Raffles antwoordde:

„Mijn vriend en ik zullen gaarne gebruik maken van uw vriendelijke

uitnoodiging, mijnheer Heemberg. Of had je soms andere plannen,

Beekbergen?” wendde hij zich tot Charly, wien de ondeugende flikkering

in lord Listers oogen niet ontging.

„Welneen,” antwoordde Charly en op hoffelijken toon sprak hij tot den

millionnair:

„Met heel veel genoegen zal ik morgenavond uw gast zijn. U woont immers

aan de Heerengracht, niet waar?”

Heemberg gaf hun zijn volledig adres op en nam haastig afscheid van de

heeren, waarna hij het clubgebouw verliet.

Inwendig was hij innig verheugd over deze beide nieuwe bekenden en het

streelde zijn eergevoel, dat de voorname, aristocratische heeren zoo

zonder slag of stoot zijn uitnoodiging hadden aangenomen.

„Beiden van adel,” mompelde hij, terwijl hij de breede marmeren trappen

van het clubgebouw afging, „en de oudste is een graaf! Dat zal de lui

toch imponeeren, als ik ze morgenavond aan hen voorstel! En Betty, wat

zal mijn kleine Betty er van op hooren, als ik het haar straks vertel!

Enfin, Betty zegt altijd dat ze meer geeft om een millioen dan om een

adellijken titel en dat is nog zoo dom niet van haar geredeneerd!”

Hij had in zijn prachtige auto plaats genomen en de chauffeur bracht

hem vliegensvlug naar het aardige heerenhuis aan den Amstel, waar zijn

hartsvriendin, de mooie Betty, woonde.

„Edward, ik begrijp er weer niets van!” mopperde Charly Brand dien

avond, toen de beide vrienden samen naar huis wandelden.

„Hoe kwam je er in ’s hemelsnaam toe, om de uitnoodiging van dien

plebejer aan te nemen?”

„En waarom niet, Charly?”

„Maar vindt je dan niet, dat de man een allerongunstigst uiterlijk

heeft en ook door zijn manieren verraadt, dat hij maar absoluut geen

beschaving heeft?”

„Jawel, mijn beste jongen, die zelfde opmerkingen heb ook ik gemaakt.”

„Dus je bent het met mij eens?”

„Volkomen!”

„En toch......”

„En toch heb ik die invitatie met beide handen aangenomen. Och ja,

Charly, er zijn van die raadselen in het leven, die voor jou altijd

eerst geruimen tijd onoplosbaar blijven en die later, soms al heel gauw

zelfs, doodeenvoudig blijken te zijn.”

„Heb je dan een bepaalde bedoeling met je bezoek aan dien man?”

„Misschien, Charly, misschien! Maar vertel me nu eens, is de

Italiaansche ster—hoe heet ze ook weer?—die gisteravond voor Carmen

speelde, werkelijk zoo uitstekend?”

Charly mompelde eerst iets onverstaanbaars tusschen zijn stevige witte

tanden. Hij was eigenlijk een beetje uit zijn humeur, omdat Edward hem

al weer als een kwajongen behandelde, over wiens vragen men, als men ze

niet verder wenscht te beantwoorden, losjes heen praat.

Maar toen lord Lister hem vriendelijk glimlachend aankeek en Charly den

blik opving uit die guitige bruine oogen, verhelderde het gelaat van

den jongen secretaris als door tooverslag en antwoordde hij:

„Neen, die Carmen was niet schitterend. Ik had er meer van verwacht.

Signora Dellonza is een mooie verschijning, haar stem is glashelder,

maar het was lang niet het meesterlijke spel, dat wij vroeger in die

zelfde rol zagen van Gemma Bellincioni. Herinner je je haar nog,

Edward?”

„Natuurlijk herinner ik mij haar! Ja, dat was onvergetelijk mooi!

Hoorden wij haar niet in de Groote Opera in Parijs?”

Charly raakte geheel in vervoering, als hij, die zooveel voelde voor

muziek, weer kon spreken over de genotvolle avonden, die hij had

doorgebracht in de Parijsche Opera. Ook had hij met zijn vriend te

zamen eenige keeren de Wagner-opvoeringen in Bayreuth bijgewoond en

deze herinneringen behoorden tot de liefste uit Charly’s leven.

„Ziezoo, oude jongen, laten wij ons nu gaan kleeden voor den soirée bij

onzen nieuwen vriend,” sprak lord Lister den volgenden avond, nadat hij

met Charly copieus had gedineerd en zij op hun gemak een after-dinner

hadden gerookt.

Beide heeren stonden op uit de gemakkelijke fauteuils aan weerszijden

van den haard en begaven zich naar hun kamers.

Het was ongeveer negen uur, toen de donkerblauwe auto van lord Lister

stil hield voor het breede heerenhuis, dat bewoond was door den heer

Jan Heemberg.

Een bediende in keurige livrei bracht hen naar een ruime kleedkamer en

nadat zij hun pelsjassen en cylinders hadden afgegeven, bracht een even

deftig gekleede huisknecht hen naar de feestzalen.

Langs een prachtig gebeeldhouwde trap op welker breede treden een

kostbare Perzische looper lag, bereikten zij de eerste verdieping van

het huis.

Alles baadde in een zee van licht en Raffles merkte vol bewondering op,

hoe kunstig het trappenhuis was bewerkt, hoe artistiek de beschildering

van deuren en gangen was.

Een reusachtige suite was daar op de eerste étage herschapen in een

feestzaal, waar een zee van electrisch licht werd weerkaatst in

spiegels en kristal, zoodat het geheel een schitterenden aanblik bood.

Toen de livreibediende met luide stem bij den ingang de namen der beide

heeren aankondigde, maakte de gastheer zich onmiddellijk los uit een

groepje om, een glans van genoegen op het breede gelaat, zijn bezoekers

te verwelkomen.

Luid sprekend en met drukke gebaren geleidde hij hen daarna door de

zalen, hen telkens voorstellende aan andere gasten, steeds met

zichtbare voldoening de goedklinkende namen van zijn nieuwe vrienden

noemende.

„Graaf van Sloten tot Haersveld en jonkheer Beekbergen!” sprak hij

steeds weer opnieuw en dan hoorden Raffles en Charly Brand de namen van

dames en heeren noemen, die zij zich niet herinnerden, ooit gehoord te

hebben.

Maar onberispelijk was de buiging, die lord Lister maakte voor de

gasten van den millionnair en Charly volgde trouw het voorbeeld van

zijn vriend.

Het was een eigenaardig gezelschap, waarin zij zich bevonden.

Op breede divans, die met kostbare Perzische kleeden waren bedekt en in

gemakkelijke causeuses of zachte fauteuils, zat een deel der gasten,

meestal in nonchalante houding. Anderen weer hadden plaats genomen in

gezellig ingerichte hoekjes, waar onder groote palmen zetels waren

aangebracht van allerlei vorm.

Raffles had, toen hij met zijn gastheer door de zalen wandelde

onmiddellijk gezien, dat zij, die hier waren samengekomen, niet

behoorden tot de betere kringen der maatschappij.

Van de heeren waren er misschien enkele, die zich mochten beroemen op

een goed klinkenden naam, maar de dames, waarmede zij zich hier

vertoonden, behoorden zeer zeker niet tot het soort, waarmede zij hun

zusters in aanraking zouden brengen.

Daar op den divan zat in bevallige houding, de mooie Betty, de koningin

van het feest.

Zij was ontegenzeggelijk een buitengewoon bekoorlijke verschijning. Het

mooie gezichtje met de groote blauwe oogen en het pikante wipneusje was

omgeven door weelderig roodblond haar, dat volgens de laatste mode

gekapt was en waarin diamanten versierselen schitterden.

De zeer ver gedecolleteerde avondjapon van soepele zijde omsloot haar

welgevormde, slanke gestalte; de blanke, gevulde hals en de ronde armen

waren getooid met kostbare diamanten sieraden, terwijl de kleine

voetjes in gouden schoentjes staken.

Zij babbelde druk met twee jongelui, aan wie zij een verhaal deed over

een autotocht, die zij onlangs had gemaakt met „Bobby”, op welken tocht

zij bijna in botsing waren gekomen met een tramwagen.

Met „Bobby” bedoelde zij blijkbaar den gastheer, want Raffles hoorde,

hoe zij vertelde:

„Het was voor den eersten keer, dat Bobby zelf stuurde, wij hadden dus

geen chauffeur meegenomen. Het is een kleine landaulette, die hij me

pas cadeau heeft gegeven en waarmee we even naar den Haag zouden

tuffen.

„Nou, even achter Haarlem, daar hadt je ’t, hoor! Bij een bocht van den

weg, de tram van den eenen kant, wij van den anderen en jawel, Bobby

stuurt natuurlijk precies verkeerd. Het scheelde geen haar of we hadden

den heelen tram onderste boven gereden, nietwaar Bobby?”

En luid lachend greep zij de hand van den gastheer, die op eenige

schreden afstand met graaf van Sloten tot Haersveld stond te praten.

„Bobby” gaf de gelukkige bezitster van de landaulette een knipoogje en

drukte even het kleine, blanke handje, dat prijkte met kostbare ringen.

Toen wendde hij zich weer tot zijn adellijken bezoeker, wien hij juist

een pikante brunette, die op een der divans zat, had aangewezen.

„Mooi is ze, vindt u niet, graaf van Sloten? Ja, ik voor mij, ik houd

meer van blond, maar ze is voor een brunette heel blank en dan—zij is

buitengewoon lief. Tot verleden jaar heeft zij in Parijs gewoond, met

een van onze bekende schilders, voor wie zij als model poseerde.

„Nu is zij de vriendin van den kleinen Van Balen, die daar naast haar

zit. U zult straks wel nader kennis met haar maken.

„Van Balen is al een oud vriend van mij. Zijn vader is schatrijk, maar

er zijn vijf zoons, dus hij zal niet zoo heel veel van de ouwe erven en

Adile is een duur paardje op stal!”

„Ja, ja,” antwoordde graaf van Sloten. „Het zijn interessante

geschiedenissen, die u mij daar vertelt, mijnheer Heemberg, ik vind het

hoogst belangwekkend, al die verhalen te hooren.”

„O, als het u genoegen doet, zou ik u nog veel meer grappigs kunnen

vertellen!” vervolgde de millionnair op zachten toon.

„Ziet u die dame daar naast dien bejaarden heer met zijn monocle?”

„U bedoelt die in het lichtblauw?”

„Juist, graaf! Van haar verleden zou men een roman van twee deelen

kunnen schrijven. Ik zal u een paar bijzonderheden er uit vertellen.

Maar wacht, laten we hier even plaats nemen, u kunt dan meteen iets

gebruiken.”

Een der bedienden naderde juist met een zilveren blad waarop

ververschingen werden aangeboden, maar lord Lister bedankte.

„Maar steek dan tenminste een sigaar op, graaf Van Sloten!” riep de

gastheer uit. „Of rookt u ook niet?”

„Dolgraag zelfs,” klonk het antwoord, „en daar ik zie, dat de meeste

dames zelf van een sigaret genieten, zal ik zoo vrij zijn.”

„Nu wil ik u eerst het beloofde verhaal doen wat betreft die dame in

het lichtblauw,” sprak Jan Heemberg weer.

En op bijna fluisterende toon vertelde hij:

„Zij wordt nu weer overal ontvangen en geeft zelfs den toon aan op onze

feestjes en bals, maar haar verleden is......”

En een veelzeggend hoofdgebaar volgde.

„Reeds als heel jong meisje was zij de goede vriendin van een onzer

voornaamste staatslieden. In een vlaag van jaloerschheid heeft zij hem

willen dooden; de aanval mislukte echter en zij bracht hem alleen maar

een ongevaarlijke wond toe.

„Zij heeft een paar jaar gevangenisstraf achter den rug, is daarna in

Amsterdam komen wonen en heeft hier alweer menig hoofd op hol gebracht.

Het is een kleine heks, u moet die oogen maar eens zien.

„Nu woont zij tijdelijk in een van de groote hotels hier. Over een paar

weken gaat zij met mijn vriend naar de Riviera en of we haar dan ooit

hier terug zullen zien, betwijfel ik zeer.”

„Waarom?”

„Wel, als ze daar in de buurt van Monte Carlo een nog rijkeren minnaar

aan de haak kan slaan, zal zij het niet laten, daar ken ik haar wel

voor. Ik heb mijn vriend herhaaldelijk gewaarschuwd maar hij wil niet

luisteren!”

„Laat ik u nu niet langer aan het gezelschap van uw andere gasten

onttrekken,” sprak graaf van Sloten, terwijl hij opstond en den

gastheer volgde naar het druk pratende groepje, waarvan Betty en twee

harer vriendinnen het middelpunt uit maakten.

Terwijl lord Lister, schijnbaar niet zonder eenige belangstelling

deelnam aan de gesprekken, die rondom hem werden gevoerd, liet hij zijn

blikken onophoudelijk door de ruime salons gaan.

Hij zag, dat Charly in druk gesprek was met een heer en dame, welke

laatste een zeer opvallend uiterlijk had. In het vrij knappe gelaat

waren de groote, blauwe oogen overschaduwd door zwarte wenkbrauwen, die

eigenaardig afstaken bij het weelderige goudblonde haar. Als zij

lachte, vertoonden zich tusschen de kersroode lippen twee rijen

parelwitte tanden. Zij was niet groot, maar de witte avondjapon omsloot

het sierlijkste figuurtje, dat men zich kan denken.

Charly lachte af en toe hartelijk, waaruit Raffles begreep, dat de

jonge man zich nogal vermaakte met zijn nieuwe kennissen.

Lord Lister had op eenigen afstand van Betty plaats genomen bij een

klein tafeltje.

Tegenover hem zaten twee heeren, die het druk hadden over de laatste

wedrennen, die zij hadden bijgewoond.

Raffles sprak af en toe een woordje mee, maar geen woord ontging den

Grooten Onbekende van hetgeen Jan Heemberg en Betty samen spraken. En

terwijl hij schijnbaar vol belangstelling luisterde naar de verhalen

der beide heeren tegenover hem, hoorde hij Betty tot den gastheer

zeggen:

„Kijk eens, Bob, hoe druk blonde Ka het heeft met je nieuwen vriend.

Wat ziet ze er vanavond simpeltjes uit, hè? Wil je wel gelooven, dat ze

die japon nou al voor den derden keer op een avondje draagt?”

„Zou Jansen haar niet genoeg kleedgeld geven, denk je?” informeerde

Heemberg. „Ja, ja, iedereen wordt niet zoo verwend als mijn kleine

koningin!”

„Och kom, Bob, ze krijgt genoeg van hem, dat zegt ze zelf. Maar weet

je, ze stuurt tegenwoordig geregeld geld aan een zuster van ’r, die

verleden jaar geopereerd is en nou nog altijd buiten woont. Jansen weet

daar natuurlijk niks van, maar, zie je, haar zuster had natuurlijk geen

rooje cent, toen ze uit het ziekenhuis kwam en nou ondersteunt Kaatje

haar nog tijdelijk.”

„Is dat die zuster, die hier vroeger kellnerin was in de

Warmoesstraat?”

„Ja, een knappe meid, veel mooier dan Ka, want als die d’r haar niet

zoo mooi blond verfde, zou je eens wat zien!”

Het gesprek werd nu afgebroken door de komst van een der

livreibedienden, die op fluisterenden toon zijn meester iets vroeg.

Heemberg gaf een bevestigend antwoord, waarop eenige oogenblikken later

de zachte tonen van een wals door de zalen klonken en reeds zweefden

danslustige paren over den spiegelgladden parketvloer.

Lord Lister No. 0117: De museumdiefstal · 第 2 / 4 段