LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 117 DE MUSEUMDIEFSTAL
DE MUSEUMDIEFSTAL.
EERSTE HOOFDSTUK.
GELDGEBREK.
„’t Is een héél lastig geval, Edward”, zei Charly Brand tot zijn heer
en meester, John C. Raffles, „en ik zou er een lief ding voor over
hebben, als de zaken anders stonden.”
„Wàt is lastig, Charly?”
„Dat onze kas leeg is—totaal uitgeput.”
Lord Edward Lister glimlachte.
„Lach niet, Edward, doe me een plezier en lach niet! Ik kan dat niet
verdragen!”
„Zóó, Charly! My boy, je bent in een prikkelbare stemming.”
„Dat weet ik.”
„En mag ik vragen, wat mijn secretaris in die minder rooskleurige bui
heeft gebracht?”
„Dat zei ik je reeds!”
„Dus niets anders dan onze financieele toestand?”
„Vindt je dat nog niet genoeg?”
„Nee—dat vind ik heelemaal niets! Je weet wel, Charly, dat de redding
altijd nabij is, als de nood het hoogst is gestegen. Mijn goed
gesternte heeft me nog nooit in den steek gelaten en ik ben er trotsch
op, te kunnen constateeren, dat geldverlegenheid op mijn humeur niet
van den minst-nadeeligen invloed is.”
De Groote Onbekende tipte, nadat hij op z’n gewone, kalme manier deze
woorden had geuit, de asch van zijn sigaret, dien hij zoojuist had
opgestoken. Toen dronk hij z’n kop thee leeg, zette kop en schotel op
een tafeltje met onyx blad en keek zijn jongen vriend en secretaris,
Charly Brand, vriendelijk lachend aan.
Maar het blonde, blozende gelaat van Charly trok in geen prettigen
plooi en geen lachje deed rimpeltjes verschijnen bij oog- en
neushoeken.
Met gefronst voorhoofd stond Charly op en schonk zijn vriend uit den
zilveren trekpot een versche kop thee in.
Toen bleef hij vlak voor Raffles staan, die, nog altijd glimlachend,
het hoofd ophief en hij sprak:
„Jij lacht, Edward—jij lacht altijd, als ik ernstig ben. Kijk eens! Ik
wil héél graag toegeven, dat mijn verstand in veel dingen te kort
schiet. Als jij een mooie misdaad (zooals je het afschuwelijkst
misdrijf gelieft te noemen) op het spoor bent, kun je mij met alle
reden uitlachen, omdat jouw speurhondenneus je dan al heeft gebracht op
een plek, waarvan ik zelfs het bestaan niet vermoedde. Maar als ik, als
een nuchter feit, constateer, dat onze kas leeg is, zonder dat we het
minste vooruitzicht erop hebben, dat die weer gauw gevuld kan worden,
dan heb jij niet de minste reden om je over mijn bezorgdheid vroolijk
te maken.
„En bovendien!
„Als we in Regent-Park zaten, in het groote Londen, waar zooveel wegen
voor je openstaan om je te verrijken binnen enkele dagen, binnen enkele
uren soms, dan nog zou ik er vrede mee hebben, dat je mij bespot, als
ik om geld vraag.
„Maar hier!
„Hier in Holland, in dat keurige, nette Amsterdam, waar geen duizenden
aan de speeltafel worden vergokt; waar alle clubs soliede en alle
sociëteiten zoo burgerlijk-netjes zijn. Hier, waar jij je naam als
graaf van Sloten tot Haersveld moet hoog houden, kun je mij morgen niet
verrassen met een welgevulde portefeuille of een chèque van een half
millioen op de Nederlandsche Bank.
„En of je nu al dan niet de droevige, naakte waarheid onder de oogen
durft te zien, Edward, een feit is het, dat we er op ’t oogenblik héél
leelijk aan toe zijn. Of je zoudt er al toe moeten overgaan de enkele
familiejuweelen— —”
„Geen sprake van”, viel Raffles in, „praat geen nonsens, Charly en trek
niet zoo’n ongelukkig gezicht. Neem een ijskoude douche, dat zal je
goed doen, boy!”
„Ik ben geen zenuwlijder en heb dus geen koudwaterkuur noodig, Edward!
Dankje! Ik heb alleen geld noodig om onze huishouding te kunnen voeren
en onzen stand op te houden! Geld, Edward!”
En Charly hield zijn vriend de geopende hand voor, alsof hij
verwachtte, dat lord Edward Lister, alias graaf Van Sloten tot
Haersveld, daarin een kapitaal zou neerleggen.
Nog altijd was de vroolijke trek niet van het knappe gelaat van den
Grooten Onbekende verdwenen.
„Je doet me denken aan dien vent uit het volkstheater in East End, die
voor koning speelde en in die rol tegen een zijner onderdanen zei, die
hem om een aalmoes kwam smeeken: „Ziehier een millioen! Red u
voorloopig.”
„Aan een millioen, Charly, zal ik je vooreerst nog niet kunnen helpen,
zelfs niet aan de helft van dat belangwekkende sommetje. Maar ik wil je
hier toch graag de belofte doen, dat je, laat ons zeggen binnen een
week, je „huishoudkas” weer voor een tijdje gevuld zult zien!
„’s Jonge, jonge”, voegde hij er aan toe, en hij stak zijn vriend de
hand toe, „wat ben je toch een beste kerel, Charly, dat je je zoo
bezorgd maakt over den berooiden staat van onze financiën. Als ik nog
eens m’n mémoires schrijf, zal ik heel wat bladzijden wijden aan jouw
vriendschappelijke toewijding!”
Verrast keek Charly op.
„Je moest daarmee nu toch eindelijk eens beginnen, Edward! Wat zou je
een belangwekkende feiten op papier kunnen zetten!”
„Kerel, dat is zoo’n werk! Ik getroost me nu zoo’n enkelen keer in ’t
jaar eens de moeite om al mijn papieren en documenten te rangschikken.”
„Ja—en dat is véél te weinig. Tot schrik van ouden James stapelen zich
in Regent Park van maand tot maand je papieren op, tot in iederen hoek
van je werkkamer stapels manuscripten worden gevonden, die niet
verbrand of weggeborgen mogen worden, behalve door den eigenaar!”
„’t Zijn allemaal paperassen, Charly, waaruit ik uittreksels of korte
aanteekeningen maak. Kijk eens, boy, ik heb al heel wat crimineele
zaken verzameld, ook hier ben ik, in leege uren, als jij aan het
tennissen of aan het flirten waart, al aan den arbeid geweest. Kijk
maar!”
Raffles stond op.
Uit een kleine brandkast haalde hij een koffertje met koperen beslag te
voorschijn en toen hij het openmaakte zag Charly, dat het al voor een
derde deel gevuld was met bundels papieren, die met roode linten tot
afzonderlijke pakjes waren gebonden.
„Zijn dat verhalen van je vroegere nasporingen, Edward?” vroeg Charly.
„Ja, mijn jongen! Dat zijn allemaal zaken die, om zoo te zeggen, tot
het grijze verleden behooren! Allemaal gebeurd, vóórdat ik het genoegen
had, de medewerking te mogen genieten van mijn zorgzamen
secretaris-huishoudster.”
Lord Edward Lister nam de pakjes een voor een uit de koffer en bekeek
ze met teederen, liefdevollen blik, zooals men een kostbaren schat
bekijkt.
„Mijn nasporingen, in deze pakjes vermeld, zijn niet alle met succes
bekroond, Charly, maar toch zijn er enkele héél interessante gevallen
onder.
„Hier heb je de geschiedenis van Rodrigo en zijn afschuwelijke vrouw,
die alle drie haar zwagers langzaam vergiftigde om in het bezit te
komen van de twee millioen pond.
„En daar ligt het heele uitgebreide, zonderlinge verhaal van de gouden
beugeltasch en het fluweelen kussen. Tusschen de veeren van het kussen
zat een testament genaaid, waarnaar door vier geslachten tevergeefs was
gezocht en waarover een onmetelijk kapitaal van procedures was
opgeslokt.
„En hier is de geruchtmakende zaak van de Ierseton-moorden, toen binnen
den tijd van één maand uit een en dezelfde familie vijftien personen op
even geheimzinnige als vreeselijke wijze om het leven werden gebracht.
„Dit is de rechtzaak van den ouden koopman in wijnen uit Brighton. Dat
was een bijzonder grappig zaakje, Charly. De oude gauwdief bleef tot
het laatste oogenblik zijn onschuld verklaren, totdat hij door den mand
viel en toen zijn advocaat en de rechters in het gelaat spuwde.
„Dat zaakje heeft me destijds geen windeieren gelegd.
„De man, wien ik er opmerkzaam op maakte, dat de oude Bob Sleeter de
schurk was, zond me, onder mijn aangenomen naam, (ik noemde me destijds
Dick Windibank) een chèque op de Engelsche Bank van honderdduizend
pond. Maar hij zelf streek toen ook, toen hij het proces had gewonnen,
een zoet winstje op, dat het honderdvoudige bedroeg van wat hij mij had
gestuurd.
„Hier heb ik het avontuur van Alexander Angel. Ik zie hem nog voor mij,
Charly, dien Angel! Een man van ongeveer vijftig jaren, lang en vrij
gezet, een breed, scherpgeteekend gelaat. Op den dag, toen hij voor het
eerst mijn argwaan opwekte, droeg hij een glinsterenden hoogen, zijden
hoed, mooie, bruine slobkousen en een broek van parelgrijze kleur.
„Hij, Angel, was de zoon van een Engelsch minister. Hij had zijn
geheele familie geruïneerd en hij had het plan opgevat om zijn oude,
88-jarige moeder met een ploertendooder van kant te maken om in het
bezit te kunnen komen van een ellendige duizend pond sterling.
„De kerel was door den speelduivel bezeten. Ik wachtte hem op in de
lange, donkere gang, waar hij zich had opgesteld om de oude vrouw te
overrompelen en neer te slaan, als ze zich naar haar slaapkamer wilde
begeven.
„Ik hield hem mijn pistool tegen de slapen, eer hij den slag kon
toebrengen en tegelijkertijd leverde ik hem aan de politie over wegens
een ander misdrijf.
„Alexander Angel is in de gevangenis gestorven, drie jaren na zijn
inhechtenisneming.”
Raffles zweeg.
Het gebeurde zelden, dat hij zóó mededeelzaam was en dat hij zooveel
interessante bijzonderheden vertelde uit zijn vroegeren werktijd.
Maar Charly’s hartelijke bezorgdheid had den grooten John C. Raffles er
onwillekeurig toe gebracht om een klein tipje van den sluier op te
lichten, waarachter zooveel belangwekkends verborgen lag.
En al was het nog maar een vage blik, dien de jeugdige secretaris
vermocht te slaan in dezen schat van crimineele geheimzinnigheden, toch
begreep Charly Brand, dat eens de tijd zou komen, waarin lord Lister
hem geheel tot zijn vertrouwde zou maken.
Een blos van bewondering bedekte Charly’s kaken.
„Zie je”, vervolgde Raffles, „men heeft mij in Engeland, in gansch
Europa, den naam van gentleman-dief gegeven, deels als eerenaam, deels
als scheldnaam.
„En toch, Charly, zijn de gevallen bij tientallen te noemen, waarbij ik
slechts ben opgetreden als de bemiddelaar.
„Er zijn vele geruchtmakende zaken, waaromtrent het groote publiek
nooit de volle waarheid had vernomen, als ik niet de aanvankelijk
duistere geschiedenissen had opgehelderd. Daardoor heb ik aan den eenen
kant de politie vele en soms onschatbare diensten bewezen en aan den
anderen kant ben ik persoonlijk, zonder politie of justitie erin te
mengen, opgetreden als rechter.”
„Maar Edward”, viel Charly in, „dan had je allang schatrijk moeten
zijn, inplaats van— — —”
„Zoo arm als een kerkrat zoo als thans het geval is!” voltooide
Raffles.
„Wat zal ik je zeggen, my boy?
„Ik heb nooit veel gegeven om geld en goed. Een ruim en weelderig leven
heeft me altijd aangestaan en ik zou dat ook slechts noode kunnen
missen. Als het echter moest zijn, zou ik me ook volmaakt gelukkig
gevoelen in eenvoudige omgeving. En wat ik over had—wel, Charly, dat
heb ik steeds graag aan m’n minder goed bedeelde medemenschen
afgestaan, vooral wanneer die duizenden afkomstig waren van
woekerwinsten of op andere, ongeoorloofde manier waren verkregen.
„Ik ontmoette eens, het zal nu ongeveer tien jaar geleden zijn, een
man, uit Leeds afkomstig.
„Zijn naam was Leo Landerson.
„Hij had zijn millioen verdiend op de diamantvelden van Zuid-Afrika en
was naar zijn vaderland, naar Engeland, teruggekeerd om naar welbehagen
te gaan genieten van zijn rijkdommen.
„Hij deed dat op een zeer eigenaardige manier, die destijds de ronde
deed door de heele Engelsche pers en vooral gretig werd verslonden door
de tienduizenden lezers der volksblaadjes.
„De millionnair had zich namelijk een reusachtig groote bezitting laten
bouwen. Daar hield hij een heelen stoet van kaffers, die feitelijk
niets anders dan zijn slaven waren.
„Hij werd in Londen steeds gezien met reusachtige groote diamanten in
zijn overhemd; steenen als knikkers, die ieder een aardig kapitaaltje
vertegenwoordigden. In zijn gezelschap werd steeds een geweldig groote
kerel gezien, een bokser van beroep.
„Landerson zelf was de grootste woesteling, dien men zich maar met
eenige mogelijkheid kan voorstellen. Hij was minstens zes voet lang,
had een borst als een biervat, een grooten haviksneus en haar van
vuurroode kleur. Hij dronk als een visch en als hij dronken was hield
hij een speech, waarom je je slap moest lachen. Het spijt me, Charly,
dat jij zooiets nooit hebt gehoord.
„Landerson deed nooit iets anders dan pochen op zijn geluk en zijn
rijkdommen. En dan voer hij uit tegen de groote wereld, die wereld, die
hem in zich opnam, alleen terwille van zijn geld, en die hem later weer
uitstiet uit jaloezie en omdat hij zoo machtig veel bezat.
„En dan wees hij naar een van de groote diamanten in zijn overhemd en
dat deed hij met zijn pink, waaraan ook zoo’n reusachtige diamant
schitterde.
„Dan vroeg hij, wie van onze omgeblazen, Engelsche prinsjes twee van
zulke steenen zou kunnen laten zien?
„Ik moet erkennen, Charly, dat het twee buitengemeen mooie steenen
waren, met een eigenaardigen glans, die bepaald schatten waard waren.
Landerson beweerde dan ook, dat hij ze niet zou willen missen voor
vijftigduizend pond en dat hij wel eens zou willen weten, of er nòg
iemand op de wereld zou worden gevonden, die vijf-en-twintigduizend
pond in zijn knoopsgat en net zooveel aan zijn vinger droeg!
„Zoo iemand, zei hij, bestond eenvoudig niet. En dan haalde hij, midden
onder z’n verhaal, een revolver te voorschijn, Charly en dan wilde hij
zijn naam in kogels in den muur gaan schrijven. Dat wenschte hij te
doen om ons te laten zien, dat hij helemaal niet bang was voor zijn
diamanten.
„Maar Bunny Sutherland, een kerel als een leeuw en worstelaar van
beroep, had ondanks dat alles toch zijn zinnen gezet op de diamanten.
„Het is tusschen Bunny en Leo tot een verschrikkelijk gevecht gekomen,
op een middag, dat ze samen in hun club alleen waren. Met een
verschrikkelijken slag spleet de kampvechter met een bierglas den
schedel van den rijkaard, nadat Landerson den ander een mes tusschen de
ribben had geboord.
„Een week later stierf ook Sutherland in het hospitaal. Nooit hebben
gekroonde hoofden of groote geleerden meer belangstelling bij hun
begrafenissen gehad dan dit lugubere tweetal. Landersons millioenen
vervielen aan de algemeene armen.”
Wederom hield Raffles op.
„En hier,” vervolgde hij even later en haalde een pakje, in bruin
papier gebonden, voor den dag „hier heb je een zeer interessant
verhaal, dat ik op schrift stelde.
„Ben je nieuwsgierig om het te lezen?
„Wacht, ik zal ’t je voorlezen, zooals het mijn pen ontvloeide:
„Luister:”
Charly nam een gemakkelijke houding aan en Raffles las:
„Op een Septembermorgen van het jaar 1907 lag op de Theems een groot
barkschip voor de afvaart gereed, waarop de oogen van hen, die op den
havendam stonden met een mengeling van bewondering en ontzetting
gevestigd waren.
Het was de „Victory”, bestemd om onder commando van kapitein John
Warthon, een aantal misdadigers naar de kortelings gevestigde kolonie
Botanybay in Australië over te brengen.
De admiraalsvlag woei van den gaffel en de „Blauwe Peter” aan den
voortop: de bemanning was, onder leiding der officieren, bezig met het
schip voor de afvaart gereed te maken.
De zeilen hingen los aan de raas en behoefden alleen nog maar gebrast
te worden om op reis te gaan.
Intusschen liep de kapitein, een jonge man, in den uniform der
koninklijke marine, ongeduldig op het achterdek heen en weer en bracht
herhaaldelijk een kijker aan de oogen. Eindelijk ontdekte hij een
bootje, dat, juist van de landingsplaats afstootend, zijn weg naar het
schip nam.
„Ik geloof, dat ze daar aankomen,” zeide hij tot een van zijn
officieren.
„Het was ook hoog tijd,” antwoordde deze, zijn verrekijker landwaarts
richtende, „de heeren van het gerecht hebben ons lang genoeg laten
wachten.
„De man, dien zij ons nu nog voor Botanybay meegeven, moet volgens de
kranten een doortrapte schurk zijn, wiens voornaamste bezigheid bestond
in het overvallen van postwagens.”
„Dat is zoo; de naam van dezen gevaarlijken knaap is Morris. Nu, hier
aan boord en onder de handen van den gouverneur der kolonie Sydney zal
hij wel mak worden.”
Intusschen was de jol aanmerkelijk dichterbij gekomen; de manschappen
van het deportatieschip konden nu duidelijk zien, wie er in zaten.
Bijzondere opmerkzaamheid verleenden zij evenwel aan den in de boot
zittenden en met ketenen geboeiden gevangene, die door twee
politieagenten bewaakt werd.
Een blik op de krachtige, zij het ook slechts middelmatig lange
gestalte van den misdadiger was genoeg om de strenge waakzaamheid der
politie als niet overbodig te doen beschouwen.
Zwaar gebouwd en gespierd, kon hij een gevaarlijk tegenstander worden.
Zijn gelaat vertoonde op het oogenblik, dat de jol aan de „Victory”
aanlegde en hij over de valreep het dek betrad, echter minder een
uitdrukking van trots of strijdlust dan wel van een diepe
neerslachtigheid.
Het scheen alsof hij in zijn lot berustte.
De kapitein trad op den in geel linnen gekleeden misdadiger toe; de
oogen van den zeeman en van den gevangene ontmoetten elkander in
wederzijdsche herkenning.
De kapitein huiverde even; er gleed zoo iets als een donkere schaduw
over zijn ernstig gezicht en haastig scheurde hij den verzegelden brief
open, die hem door een van de politie-agenten ter hand werd gesteld.
Het waren de papieren van den zooeven aangekomen misdadiger.
„Kerry Morris,” las hij halfluid, „schuldig verklaard aan moord en
diefstal—veroordeeld tot levenslange deportatie naar Botanybay.”
De kapitein wist voorloopig genoeg; hij haalde als verlicht adem,
terwijl de oogen van den misdadiger uitvorschend op hem rustten.
De sergeant van de mariniers, die tevens aan boord dienst deed als
cipier, snelde op een wenk van zijn chef met twee man toe.
Tusschen hen in marcheerde de gevangene naar het benedendek, terwijl de
politie-agenten weer in hun jol afdaalden en wegroeiden.
„Haal in!” riep de commandant vanaf het achterdek, „alle zeilen los!
Brassen!”
Het commando werd snel uitgevoerd, de zeilen vulden zich, de raas
vlogen om en de „Victory” zette zich langzaam in beweging met haar
levende vracht—zestig gevangenen en over de honderd matrozen en
mariniers.
Eenige dagen na de afvaart hield kapitein Warthon inspectie over de hem
overgeleverde misdadigers, tot welk doel hij, vergezeld van twee
mariniers, van cel tot cel ging.
Sloten en grendels werden teruggeschoven en de kapitein nam aan de deur
het „present” van den betreffenden misdadiger in ontvangst.
Alles ging daarbij zeer militair in zijn werk en een strenge, een
ijzeren discipline was hier noodig. Er kwamen gestalten te voorschijn,
die er uitzagen als de verpersoonlijking van de misdaad; een categorie
van gevaarlijke individuen, waarvan de staat zich ontdeed, terwijl hij
er Australië langs den weg van strafkolonies mee bevolkte.
Warthon kwam op zijn rondgang ook bij de cel, op welker deur, naast het
getraliede kijkgat, het nummer „47” in zwarte verf was aangebracht.
De kapitein aarzelde een oogenblik, maar reeds rukte de geoefende hand
van een sergeant de zware deur open en de toonlooze stem van den
misdadiger mompelde de vast ingeprente formule van de melding.
Het was Morris.
Hij stond op den achtergrond van het duistere hok, dat verschrikkelijk
was in zijn eenvoud.
Geen bank, geen brits.
De naakte en eeuwig vochtige bodem deed dienst als legerstede en alleen
des nachts verzachtte een dunne paardendeken de hardheid dezer
slaapplaats.
De zijwanden waren niet bekleed en zoo drong door de slecht
gekalifaterde voegen een steeds voortdurende vochtigheid heen, daar de
cellen zich reeds onder den water spiegel bevonden.
Kapitein Warthon trad binnen, terwijl zijn militair geleide op een
teeken van hem achterbleef.
Toen hij de deur achter zich toetrok, bleef de cel nagenoeg geheel
duister en slechts een smalle streep licht viel door het kleine kijkgat
op den vloer en gleed al spelend over den ketting, die de rechterhand
van den gevangene met zijn linkervoet verbond.
„Rampzalige”, zeide de kapitein op zachten toon „wat heeft jou, den
zoon van een achtenswaardige familie, gedreven tot die vreeselijke
misdaden, die je naam geschandvlekt hebben?”
De misdadiger hield het hoofd gebukt; maar toen hij zijn mager, door
een verwilderden baard omlijst gelaat ophief, fonkelden zijn oogen in
het duister als die van een tijger.
„De hartstochten en hun gezellen”, kwam het heesch van zijn
saamgeknepen lippen—„en ook de liefde. Gij weet, Sir John Warthon, wat
ik daarmede bedoel, want gij waart mijn medeminnaar en gij hadt het
geluk en het succes aan uw zijde.
„Lichtzinnige jonge man als ik geweest ben, bracht ik er mijn vermogen
in een vroolijken kring van gelijkgezinde vrienden door—en
terzelfdertijd dat mijn laatste goudstuk uit mijn vingers de vorige
narolde, leerde ik de bekoorlijke Florence kennen.”
„Zij is dood”, mompelde de kapitein dof, „dood, verloren, verdwenen!
Onnaspeurbare handen hebben zich van de op zekeren dag plotseling
verdwenene meester gemaakt. De scherpste nasporingen waren
tevergeefsch—en op dit oogenblik, nu ik je als een veroordeeld
misdadiger voor mij zie, komt de gedachte bij mij op, dat jij ook hier
de hand in het spel hebt gehad.”
„Een stout schot, maar een treffer”, antwoordde de gevangene spottend.
„Waarom zou ik het loochenen? Er bleef mij niets anders over dan haar
te ontvoeren. De ouders van het meisje zouden er nooit in bewilligd
hebben, om den tot over zijn ooren in de schuld stekenden Harry Lee,
den woesteling en speler, als schoonzoon aan te nemen. En dan—hoe had
Florence mijn aanzoek kunnen aannemen, daar haar hart reeds een ander
toebehoorde—den knappen luitenant van de marine, Warthon?”
„Zwijg!” veegde de kapitein den ellendeling toe, „je woorden
ontheiligen den naam van dat meisje. Dus is mijn vermoeden toch waar
gebleken! Jij hebt Florence Preston geroofd—en misschien viel zij onder
je moordend mes!”
De gevangene schudde het hoofd.
„Gij vergist u, kapitein. Maar wat kunt gij ook van een man verwachten,
die van edelman tot straatroover is gezonken en nu een verachtelijk
gedeporteerde is die onder de tuchtroede van een onverbiddelijk
gouverneur zijn bestaan in de eenzaamheid van een ver land zal
besluiten—een wild dier onder dieren!—en toch vergist ge u. Ik ben wel
een misdadiger en de omstreken van de Clyde kunnen van mijn daden
gewagen.
„Menige postwagen viel in mijn handen en in die mijner makkers en
menige pachthoeve ging in de vlammen op.
„Doch geen dezer daden had haar oorsprong in de zucht naar geld, in
gemeene hebzucht—nimmer waren deze erbarmelijke eigenschappen de
drijfveer tot mijn misdaden.
„Neen, slechts jeugdige lichtzinnigheid, waaraan een strenge vader door
onterving paal en perk wilde stellen en de onbeteugelde drang naar
genot, trok mij op dien weg en deed den zoon van den baronet Lee de
straatroover Kerry Morris worden.
„Wij kennen elkander sinds langen tijd, Sir John, en wij hebben beiden
de schoone Florence gekend, en beiden beminden wij haar.
„Waarom wees zij mij af?
„Ware het geluk harer liefde mij ten deel gevallen, wellicht zou ik een
nieuw, een beter leven begonnen zijn!
„Maar het heeft niet zoo mogen zijn, want het Noodlot trad in uw
persoon, kapitein, tusschen mij en het voorwerp mijner liefde.
„En ik—ik vond op een andere wijze een gedeeltelijke genoegdoening.”
De misdadiger had zonder ophouden gesproken, hartstochtelijk, als in
koorts. Zijn oogen gloeiden zijn ademloozen toehoorder tegen, als wilde
hij hem verbrijzelen.
Kapitein Warthon was bleek van innerlijke ontroering, maar nieuwe hoop
doortrilde zijn tot nog toe troosteloos hart.
„Leeft zij?” vroeg hij sidderend.
„Zij leeft en is in goede bewaring”, antwoordde de misdadiger. „Lady
Florence werd door mij en met de hulp mijner trouwe bondgenooten
geschaakt.
„Zes maanden zijn er sedert verloopen en de politie heeft nog geen
spoor van haar kunnen vinden. Twee weken later viel ik in handen van
het gerecht, maar ik hield wijselijk mijn mond over dezen besten
streek, dien ik ooit in mijn leven heb uitgehaald.”
Zij leeft!
Deze gedachte was schier overweldigend voor Warthon, die de geliefde
zijns harten als een doode betreurd had.
Welk een slag was het voor hem geweest, toen hij, van een korte reis
naar Spitehead teruggekeerd, het vreeselijke bericht ontving, dat
Florence niet teruggekeerd was van een wandeling in het park van
Preston-Hall, het verblijf haars vaders, en dat zij waarschijnlijk
ontvoerd was geworden door de Hooglandsche Schotten, die gewoonlijk de
grenzen onzeker maakten.
Zulke overvallen waren niets zeldzaams en de politie gaf zich in zulke
gevallen ook niet erg veel moeite.
Maar hier bleven ook de navorschingen van Warthon en van de talrijke
familieleden zijner bruid zonder gevolg.
En thans, nu hij reeds alle hoop had opgegeven, drong plotseling een
heldere lichtstraal in zijn in duisternis gehulde ziel.
Den voormaligen edelman, en straatroover was de ontroering des
kapiteins niet ontgaan.
Iets als een triomf vloog er over zijn bleek en verwilderd gelaat. Maar
met het zich van de zege bewuste geduld van een indiaan wachtte hij op
een vraag, die nog komen zou—nog komen moest.
En zij kwam.
„Waar is zij? Waar is Lady Preston?” klonk het van de bevende lippen
van den zeeman. „Als je een mensch bent, zal je mij het antwoord niet
weigeren. Welk nut zou je er ook van hebben? Je vrijheid is je toch
voor altijd ontnomen.”
„Gij handelt al zeer weinig diplomatisch, Sir John”, antwoordde Lee
ironisch.
„Gij vergeet, dat ik, die levenslang gedeporteerd ben, ook geen verdere
schade van mijn stilzwijgen te wachten heb.”
„De straffen konden je dwingen.—”
„Spaar mij uw bedreigingen, kapitein. Geen macht ter wereld zal mij met
geweld een bekentenis ontlokken.”
De vastberaden toon, waarop deze woorden gesproken werden, deed den
kapitein inzien, dat hij op die manier zijn doel nooit zou bereiken.
Hij moest deze trotsche weerspannigheid anders behandelen.
„Je hardnekkigheid zal je slechts schade doen”, zeide hij streng. „Aan
den anderen kant kan ik veel, zeer veel voor je doen. Wijs mij de
plaats aan, waar je Lady Preston verborgen hebt, dan zal ik den koning
verzoeken, je genade te schenken of althans je straf te bekorten of te
verzachten.”
„IJdele beloften, al even belachelijk als uw bedreigingen”, antwoordde
de gevangene. „Als ik eenmaal mijn geheim had prijs gegeven, dan zoudt
ge mij weldra vergeten. Maar zelfs in het beste geval—denkt gij, dat
men in Engeland zoo goedhartig is om een straatroover de vrijheid weer
te geven, omdat hij een smachtend minnaar aan zijn geliefde heeft
geholpen? Neen, kapitein, op die manier worden wij het nooit eens.”
„Ellendeling!” viel de kapitein woedend uit. „Doe boete voor je
misdaden door een goede daad. Heeft je hart dan geen menschelijke
gevoelens meer?”
„Gaat gij preeken?” lachte de misdadiger.
„Hoe dom! Waarom zegt ge niet liever: de eene goede daad tegen de
andere?”
„Hoe moet ik dat begrijpen?”
„Verschaf mij de vrijheid door de macht, die gij als bevelhebber aan
boord geniet en de plaats waar ik Lady Preston verborgen heb, zal geen
geheim voor u zijn.”
„Ik moet—?”
„Mij helpen vluchten. Wanneer ge mij eerst in handen van het gerecht
uitlevert, dan is alles uit, voor mij en—voor u!”
Deze woorden maakten den kapitein de bedoeling van zijn voormaligen
medeminnaar duidelijk.
Hij walgde.
„Dus zou ik de vrijheid van het ontvoerde meisje moeten koopen door een
vergrijp tegen mijn plicht!” riep hij uit. „Ik, een officier in
koninklijke dienst, zou een gevangene, een tienvoudige roover, laten
ontkomen? Ellendeling, ik moest je dadelijk aan den nok van de mast
laten bengelen!”
De misdadiger bewaarde zijn kalmte. „Waarom die onnoodige opwinding,
kapitein? Gij kunt mij laten ophangen—daar hebt gij het recht toe. Maar
wat zal er dan van de schoone Florence worden? Mijn geheim zou ik met
mij meenemen. Wij hebben beiden den tijd, denk eens na over mijn
voorstel.”
Warthon gevoelde zijn onmacht, maar hij waagde het niet, zijn gedachten
verder uit te spinnen.
Zijn hart bonsde en de duffe lucht in deze kleine cel, dreigde hem te
zullen doen stikken.
Hij rukte de deur open en verwijderde zich met langzame schreden,
terwijl de sergeant de grendels weer dichtschoof.
De dagen werden weken, de weken maanden.
Voor de celbewoners aan boord was het een tijd van vreeselijke
eentonigheid, de eenige afwisseling was elken dag twee uur militaire
wandeling op het dek, waar de frissche lucht de longen moest
verfrisschen.
Met den kapitein had in dien tusschentijd een zonderlinge verandering
plaats gehad.
Sedert dien dag van zijn onderhoud met Lee was zijn ernst in droefheid
veranderd.
Het maakte den indruk alsof hij door een idee was bevangen, dat hem
geheel en al beheerschte.
Intusschen trok de „Victory” haar voren door de zeeën van het zuidelijk
halfrond en verder naar het Oosten.
De Tafelberg bleef achter, schemerend in het licht der ondergaande zon.
Eindelijk, na een onafgebroken vaart van honderd en tien dagen, kwam de
Australische kust...
Het was vroeg in den morgen, de lucht was koel, de zee hoog. Terwijl de
kapitein door zijn kijker het opduikende land beschouwde, naderde hem
de sergeant met zijn eene hand aan zijn sjako en met de andere een
klein voorwerp vasthoudende.
Het was een zilveren medaillon aan een dun snoer.
Warthon wierp een vragenden blik op den sergeant.
„Nummer 47 droeg het om zijn hals.”
Warthon schrok. „Kerry Morris?”
„Om u te dienen, kapitein, Kerry Morris. Hij wilde het wel niet
afgeven, maar natuurlijk nam ik het hem af.”
De kapitein draaide het medaillon in zijn vingers rond, totdat het
deksel open sprong.
De inhoud was een lok goudblond haar, met een blauw zijden lint
omwikkeld.
„Breng no. 47 in mijn hut”, beval hij met bevende stem.
De sergeant verwijderde zich haastig.
Toen Lee de hut van den kapitein binnentrad, leunde deze nadenkend over
zijn kaartentafel heen.
De wachten in de gang bleven voor de deur staan. De binnentredende
wilde met het voorgeschreven melden beginnen, maar Warthon sneed hem
het woord af.
„Wat heeft dit te beteekenen?”
Lee wierp een blik op het geopende medaillon en antwoordde: „Het is
mijn eigendom, dat de heeren van de politie mij hebben laten behouden.”
„Dit haar—”
„Krulde eenmaal op het hoofd van Lady Preston”, zei de misdadiger.
„Haar weerstand was vergeefs; mijn schaar was sneller dan hare hand.”
Warthon drukte zijn lippen op den blonden haarlok van het meisje, dat
hij zoozeer had lief gehad en nog beminde.
Lee zag zijn doel nabij.
„Kapitein”, zei hij „gij hebt Lady Florence nog lief. Dan is uw
aarzelen mij onbegrijpelijk.”
„Mijn aarzelen?”
„Waarom zooveel omslag maken? Wij verstaan elkander immers! Waarom wilt
gij van uw levensgeluk afzien? Gij behoeft het slechts te willen en
Lady Florence wordt de uwe. Plicht en eer zijn holle frasen. Mijne
vrijheid moet de prijs van Lady Florence zijn. Wij zijn in het gezicht
der Australische kust. De tijd dringt, besluit dus.”
Het was Warthon alsof deze man een demonischen invloed op hem
uitoefende.
En hij kon zich daar niet aan onttrekken, want Lee had slechts herhaald
wat hij zichzelf reeds ontelbare malen had voorgehouden.
Hij had nu de keus of Florence te verliezen, of voor een oogenblik zijn
eer als officier te vergeten.
En hij besloot tot het laatste.
Hij zag zich weder als den gaarne gezienen gast in het huis der
Prestons en de bekoorlijke Florence luisterde naar zijne vurige
woorden.
En toen toonde zij hem blozend den jongen man, die het, ofschoon bekend
als een woesteling en doordraaier, toch gewaagd had, haar van zijn
liefde te spreken.
De oude Preston, een man van strenge grondbeginselen, had den onterfden
zoon van den baronet, kortaf de deur gewezen.
Harry Lee was vertrokken, maar woedend en dorstend naar wraak.
Eenige weken van het reinste geluk vervlogen voor de beide gelieven,
toen trad de dienst scheidend tusschen beide.
Warthon moest een reis van verscheidene maanden ondernemen.
Toen hij weder te Preston-Hall terugkeerde, ontving hij de vreeselijke
tijding, dat men op zekeren avond de bekoorlijke dochter des huizes
ontvoerd had.
In die bewogen tijden behoort zoo iets geenszins tot de zeldzaamheden
en bij de langzaamheid der Engelsche en Schotsche justitie, zou een
bevredigende uitslag der ingestelde nasporingen een merkwaardigheid
zijn geweest.
De aan schuilhoeken zoo rijke Schotse bergstreken verzwaarden de
vervolging van het spoor.
Warthon liep rond als een vertwijfelde.
En nu had het lot hem de roover van zijn geluk in handen geleverd.
Hij zag de mogelijkheid voor zich, zijn Florence terug te vinden; en
deze man verlangde daarvoor als prijs, slechts zijn vrijheid!
De kapitein streed een korten, maar zware strijd; toen zei hij met
neergeslagen blik:
Het zij zoo! Je zult je vrijheid hebben!”
Het vale gezicht van den misdadiger werd hooger gekleurd; het blijde
gevoel der naderende vrijheid deed hem sidderen van geluk.
„En wanneer zal het zijn—en hoe?” vroeg hij haastig.
„Daar moet ik eens rijpelijk over nadenken, want ik kan je niet zoo
maar loslaten zonder meer. Het moet den schijn van een vlucht hebben.
Kan je zwemmen?”
„Zeker.”
„Goed. Maar eerst—waar is Lady Preston?”
„Wie staat mij borg dat mijn vlucht zal gelukken, of dat gij
werkelijk—”
„Mijn woord. Ik zweer het je!”
„Goed, ik geloof u. Gij zijt een edelman en daarom wil ik u
vertrouwen—”
„Dus?” vroeg de kapitein bevend van spanning.
„De sleutel tot het nest van het geroofde vogeltje ligt in uwe hand:
het is het medaillon. Luister nu goed: Graafschap Essex, dorp Linghdale
en de weduwe Mik, de „oude Mik” genaamd. Geef deze het medaillon met
een groet van Kerry Morris en dan zal de oude vrouw u naar de plaats
brengen, waar Lady Florence zich bevind.”
„Bedrieg je mij niet?” vroeg Warthon, voor wien zich plotseling een
wereld van geluk opende.
Lee hief de rechterhand op tot een eed en zei plechtig:
„Zoo waar er een God boven ons is, ik sprak de waarheid!”
„Hoor dan wat ik je te zeggen heb: nog heden zal ik ergens in een
stille bocht binnenloopen om water in te nemen. Ik zal zorgen, dat je
aan dek bent en dat de marinier, die de wacht heeft, zijn geweer in je
onmiddellijke nabijheid achterlaat, want in de wildernis van Westelijk
Australië heb je in elk geval een wapen noodig.
„De jacht zal je in het leven houden, totdat het een of andere schip in
zicht komt, dat je als schipbreukeling zal opnemen.
„Hier is een kruithoorn en een zak kogels—bewaar die goed.—
„En ga nu heen. Het verdere komt wel terecht.”
De zak met kogels en de gevulde kruithoorn verdwenen op handige wijze
in de wijde beenbekleeding van den gevangene.
Warthon schelde en de mariniers namen den misdadiger in hun midden en
voerden hem in zijn cel terug.
Alleen gebleven, liet de kapitein zuchtend het hoofd in zijn handen
zinken.
„God vergeve het mij”, mompelde hij, „wanneer ik heb misdreven, maar ik
heb het alleen gedaan uit liefde voor jou, mijn Florence! God schenke
ons een gelukkig wederzien!”
De maan stond helder en klaar aan den hemel, toen het acht glazen
sloeg—middernacht.
Zij bestraalde het idyllische beeld van een kleine, in de diepste rust
slapende baai en van het op het zilveren water wiegelende schip—de
„Victory”.
Kapitein Warthon had goed vaarwater gevonden en zijn schip tot dicht
bij den oever gebracht.
De naar den wal gezonden jol had een kleine, onder langbladerige
eucalyptussen voortstroomende beek gevonden, die goed drinkwater
opleverde.
De bevelhebber van het schip verkeerde in een nauwelijks te
overmeesteren opwinding; zijn ongeduld nam eerst een einde, toen de
acht klokslagen door de warme lucht galmden.
Hij liet door den officier van de wacht den sergeant met een marinier
bij zich roepen on ving met die twee zijn gewone ronde aan, waarbij hij
eenige cellen binnentrad, het laatst die van nummer 47.
Hier bewoog zich niets—geen melding, geen gedruisch.
Het zwarte licht van een buiten aan een balk hangende lantaarn deed
evenwel de op den grond liggende bewegenlooze gestalte van den
misdadiger herkennen.
„De hond slaapt”, zei de sergeant en stiet den misdadiger met den voet
aan.
Maar Lee verroerde zich niet.
„Alle donders, ik geloof, dat de kerel dood is.”
„Hij zal ziek zijn,” waagde de marinier aan te merken.
„Naar het dek met hem!” beval de kapitein, „hij is flauw gevallen in
die duffe lucht.
„Help hem oppakken, sergeant, de frissche lucht zal hem opknappen.”
Soldaat en sergeant droegen den bewusteloze gezamenlijk naar het
middendek.
Het bleeke licht van de volle maan viel op het gelaat van den
misdadiger, die met gesloten oogen op den grond lag.
Lee speelde zijn rol meesterlijk.
Warthon wierp een vorschenden blik om zich heen; er was geen gevaar: op
de voorplecht patrouilleerde de boegpost op zijn dooie gemak.
„Je moet hem zijn ketting afnemen”, zeide de kapitein, „ik geloof, dat
zijn aderen opzwellen.”
De sergeant deed wat hem bevolen was. De ketenen vielen af.
„Sergeant”, vervolgde de kapitein, „laat je door den officier van de
wacht wat salmiak geven, de sleutel van de medicijnkast hangt in mijn
hut. En jij, marinier, haal jij gauw een puts water...
„Laat je geweer maar hier, zet het daar maar tegen aan, dan ben je
gauwer terug.”
De sergeant en de marinier verwijderden zich met snelle schreden—het
verwachte oogenblik was daar!
„Sta op!”
Als een bliksemstraal was Lee op de been; één blik in het rond was hem
voldoende: hij bevond zich met Warthon alleen; zijn gespierde hand
greep het geweer, waarvan de bajonet in het maanlicht flonkerde.
„Goed gedaan, Sir John Warthon”, fluisterde hij met een duivelschen
lach, „ga na haar de aangeduide plaats en zoek uw bruid.
„De oude Mik kan u de plek wijzen—maar dood, begraven!
„Met deze hand bracht ik haar om, toen zij weigerde mijn vrouw te
worden.... met dezelfde hand, die nu op u wraak zal nemen.”
De officier versteende schier bij deze woorden; hij greep naar zijn
pistool, het was te laat.
De kolf van het geweer flikkerde in de lucht en bonsde toen op zijn
hoofd neer.
Met een luiden kreet viel de kapitein op het dek neder, terwijl de
pistool hem uit de hand viel en afging.
Een seconde later sprong de vluchteling over boord en in het water.
De knal van het pistoolschot had de geheele bemanning gealarmeerd; het
regende kogels om den vluchteling heen die evenwel, met krachtigen slag
het water klievend, weldra in den duisternis verdween.
Ook de nasporingen, die den volgenden dag in het bosch naar hem werden
gedaan, waren vergeefsch.
Lee was verdwenen en nooit heeft men weder iets van hem gehoord. De
bewering van den ellendeling bleek evenwel juist te zijn, zooals
kapitein Warthon ervoer, nadat hij van zijn zware verwonding genezen en
naar Engeland was teruggekeerd.
Hij begaf zich naar Linghdale naar de weduwe Mik, een oude, dikke, in
kwaad gerucht staande vrouw, op wier gelaat haar misdadige aard
duidelijk te lezen was, liet haar het medaillon zien, bracht haar een
groet van Kerry Morris en verzocht haar, terwijl hij haar eenige
goudstukken toestopte, hem naar het graf van de vermoorde Florence te
brengen.
De oude vrouw voldeed aan zijn verlangen, en toonde hem onder een
dikken beukeboom den grafheuvel, die de geliefde zijns harten bedekte.
Kapitein Warthon en de ongelukkige ouders lieten het stoffelijk
overschot van de vermoorde Florence naar Preston Hall overbrengen, waar
het in het familiegraf werd bijgezet.
Toen de plechtigheid was afgeloopen, verliet kapitein Warthon Engeland
voor altijd.
Hij had van het oude vaderland een afkeer gekregen.
In de jonge, tot zelfstandigheid gekomen Noord-Amerikaansche Republiek
heeft hij later een zeer beduidende, tot de geschiedenis behoorende rol
gespeeld.”
In ademlooze spanning had Charly geluisterd naar het lugubere verhaal
van zijn vriend.
„Toe, Edward”, drong hij aan, „vertel nog meer van die boeiende,
tragische geschiedenissen. Ik tref het niet vaak, dat je zoo
mededeelzaam bent.
Lord Lister lachte en maakte een ontkennende beweging met het hoofd.
„Wel, Charly, je zoudt me zoo nog uren aan de praat houden. ’t Is voor
vandaag mooi geweest! O, ja, wat ik zeggen wou, heb je me straks niet
om iets gevraagd?”
Charly moest nu wel lachen.
„Ja, Edward, ik sprak je over onze berooide kas!”
„Juist, dàt was ’t! Ik dacht, dat je onze armoede waart vergeten! ’t
Blijft dus afgesproken, boy, dat ik je binnen een week een ronde som
zal overhandigen!”
Charly knikte toestemmend.
Hoe zijn vriend in het rustige Amsterdam het zou moeten aanleggen om
een kapitaaltje te bemachtigen?
„Ik weet het niet”, peinsde Charly, toen hij zich naar zijn kamer
begaf, „ik weet het niet en ik begrijp het niet. Maar ik houd m’n hart
vast!”
TWEEDE HOOFDSTUK.
IN DE WHISTCLUB.
„Charly, je moet vanavond je heil alleen zoeken”, sprak lord Lister tot
zijn jongen vriend en secretaris.
De beide heeren zaten tegenover elkaar aan den welvoorzienen disch in
de eetkamer der mooie villa in het Willemspark.
Deze kamer was op bijzonder kostbare wijze door den Grooten Onbekende
ingericht. Echte gobelins van bijna onschatbare waarde bedekten de
wanden en het ameublement, dat hij hierheen had laten overbrengen, was
vele eeuwen oud.
Oude James, die deze meubelen reeds in het kasteel van Lord Listers
grootvader had gekend, behandelde elk stuk steeds met de grootste zorg
en soms gleed zijn rimpelige hand niet zonder eenige teederheid langs
de sierlijke lijnen van het breede buffet, over de armleuningen der
antieke stoelen.
Wanneer de oude, getrouwe bediende in deze kamer vertoefde, waar alles
hem herinnerde aan lang vervlogen jaren, zag hij in zijn verbeelding
weer terug dat kleine gezin, waar geluk en vrede hadden geheerscht.
Daar, in dien stoel, met het kunstige snijwerk en de mat-blauwe zijden
bekleeding, had de jonge vrouw gezeten, de echtgenoote van lord Roland
Lister, een der rijkste edellieden van Engeland.
Hoe goed herinnerde James zich nog de slanke gestalte, het
fijnbesneden, beeldschoone gelaat en de groote, donkere oogen der jonge
vrouw.
En lord Roland zelf, de eenige erfgenaam van de onmetelijke bezittingen
zijner voorouders! Nog kwam een uitdrukking van trots op het gelaat van
ouden James, als hij terugdacht aan hem, wien hij jarenlang had gediend
met de grootste trouw en verknochtheid.
Lord Roland was het toonbeeld geweest van een waren edelman, zoowel wat
zijn uiterlijk betrof, als waar het zijn karakter gold.
En zijn bekoorlijke jonge vrouw stond hem in alles steeds ter zijde,
zij was niet alleen de gracieuse, beminnelijke gastvrouw, de
vertegenwoordigster van een der oudste adellijke geslachten van het
Vereenigde Koninkrijk, maar vooral was zij een trouwe gade, een
liefdevolle, verstandige moeder geweest voor haar eenigen zoon, den
kleinen Edward.
Zooveel mogelijk had zij steeds zelf gezorgd voor de opvoeding van haar
kind. Urenlang had zij elken dag met hem gespeeld, met hem gewandeld en
gestoeid in het prachtige park, dat bij het zomerverblijf der familie
behoorde en later, toen de vlugge, intelligente jongen moest studeeren,
had zijn moeder hem met altijd even onuitputtelijk geduld en teedere
liefde door menig vervelend studieuur heengeholpen.
Het had den jeugdigen Edward met zijn bijzonder helder brein niet de
minste moeite gekost om al zijn examens op schitterende wijze af te
leggen.
Doch toen was plotseling een ommekeer gekomen—toen was het geweest,
alsof het geluk, dat deze drie menschen tot nu toe op hun levensweg had
gevolgd, hun opeens den rug had toegekeerd.
Op een mooien zomerdag—oude James herinnerde het zich, alsof het
gisteren was geweest—was lord Roland dood thuisgebracht. Bij een val
van zijn paard had hij den nek gebroken en zoo was hij plotseling
heengegaan uit het leven, dat zoo mooi en zonnig voor hem was geweest,
zonder een enkel woord van afscheid voor zijn vrouw en kind.
Edward had zijn moeder dapper terzijde gestaan in die dagen van zware
beproeving, maar de jonge vrouw had zich niet kunnen heenzetten over
den dood van hem, dien zij boven alles had liefgehad en twee jaar later
was zij haar echtgenoot gevolgd.
Toen ook haar lijk was bijgezet in het familiegraf der Listers, was
Edward nog geen achttien jaar.
Een neef van zijn vader was benoemd tot zijn voogd en toen de jonge
lord eenige jaren later meerderjarig werd verklaard, bleek het, dat
deze neef, een man van een valsch en oneerlijk karakter, zijn pupil op
de meest schandelijke wijze had bestolen.
Van de groote rijkdommen zijner voorouders was slechts een vrij
onaanzienlijk kapitaal overgebleven, het grootste gedeelte der
onroerende goederen was bezwaard met hypotheek en het bleek lord Edward
Lister, dat op zóó geraffineerde, geslepen manier te werk moest zijn
gegaan, dat het hem misschien nimmer zou gelukken, den schurkachtigen
edelman te ontmaskeren.
Een scherpe, vastberaden trek was in die dagen op het gelaat van den
jongen man verschenen en een zeldzaam besluit was gerijpt in zijn
hersenen.
Hij, die door de slechtheid van anderen zoo schandelijk bedrogen was,
hij wilde zich voortaan tot levensdoel stellen om de misdaden der
voorname schurken te wreken, te wreken op gansch eigenaardige wijze.
Hij wilde de beschermer der ongelukkigen en verdrukten worden, hij zou
den gewetenloozen rijkaards ontnemen, wat zij zich wederrechtelijk
hadden toegeëigend om die schatten daarna terug te geven aan hen, aan
wien ze eenmaal hadden toebehoord.
En hoe schitterend was hij de gelofte, die hij zichzelf toen had
gedaan, nagekomen!
Hoevele misdaden had hij reeds verhinderd, hoevele arme bedrogenen had
hij weer in het bezit gesteld van hun rechtmatige eigendommen, maar
vooral—hoe ontelbaar vele rijke schurken waren door hem gestraft en
ontmaskerd!— —
Oude James wist dit alles en het geheim, dat het leven van zijn jongen
meester omhulde, was hem heiliger dan zijn eigen leven.
Charly Brand, die zich vol ijver bezig hield met het ontleden van een
gebraden kuiken, keek op van zijn bord.
„Wat bedoel je, Edward? Welke plannen heb je dan voor vanavond, dat je
mijn gezelschap zoo goed kunt missen?”
„Niets bijzonders, mijn jongen. Maar ik wil een paar uur naar de
Whistclub gaan en omdat ik weet, hoe weinig jij om dat spel geeft,
wilde ik je voorstellen, je elders te gaan amuseeren.”
„Uitstekend, Edward! Ja, liever dan den ganschen avond aan het
speeltafeltje te zitten, ga ik „Carmen” nog eens horen van de
Italiaansche Opera. Ik hoorde gisteren op het tennisveld van freule Van
Spalen, dat de bezetting bijzonder goed moet zijn.
„Toevallig bood zij mij voor vanavond een plaats aan in haar loge.”
„Die je natuurlijk gretig hebt aangenomen?”
„Welneen, want ik kende jouw plannen niet en je weet wel, dat ik het
gezelschap van mijn vriend en meester boven elk ander prefereer!”
„Ook boven dat van freule Elise van Spalen?” vroeg lord Lister met een
guitigen glimlach.
Charly lachte terug zonder te antwoorden.
Het was waar, het mooie, blonde freuletje, dat zoo meesterlijk tenniste
en op fietstochtjes onvermoeid en altijd even bekoorlijk was, had het
licht ontvlambare hart van den jongen secretaris van bewondering
vervuld, maar dergelijke verliefdheden duurden bij hem slechts korten
tijd.
Lord Lister wist dit evengoed als Charly zelf en daarom hadden de beide
vrienden reeds dikwijls hartelijk gelachen om de ontelbare
genegenheden, welke Charly in den loop der jaren voor de
vertegenwoordigsters van het schoone geslacht had opgevat.
Onberispelijk gekleed in zijn avondtoilet, met een rozenknop in het
knoopsgat, nam Charly een uurtje later afscheid van zijn vriend om zich
naar het Paleis voor Volksvlijt te begeven, waar de Italiaansche opera
dat seizoen haar voorstellingen gaf.
Eerst tegen negen uur verliet lord Lister, alias Raffles, de Groote
Onbekende, zijn villa in het Willemspark, welke hij nu reeds geruimen
tijd bewoonde onder den naam van graaf Van Sloten tot Haersveld.
Toen graaf Van Sloten het voorname clublokaal binnentrad, waren hier
reeds vele bezoekers bijeen.
Aan een der met groen laken bekleede speeltafeltjes zaten drie heeren.
Blijkbaar wachtten zij op het verschijnen van een vierden man, die bij
het whistspel als partner van een der medespelenden zou kunnen
fungeeren, want nauwelijks naderde graaf Van Sloten tot Haersveld hun
tafeltje, of bijna eenstemmig klonk het:
„Speelt u mee, graaf? Wij wachten op een vierden man.”
En reeds was de jongste van het drietal opgestaan om voor den laatst
binnengekomene een stoel gereed te zetten.