Na dat ik de rivier Angara[225] met een pont was overgevaaren, bereikten

wij in weinig tijds de plaats onzer scheiding; terwijl ik mijne

dankzeggingen en afscheidsgroet aan den Heer Commandant en de Heer

Arsénieff hernieuwde, tragtte Golikoff, zich agter het rijtuig schuil

houdende, zijne traanen te verbergen, terwijl hij mij aan de zorg van

den soldaat die hem zou opvolgen aanbeval; wanneer mijne paarden in

gereedheid waaren, berste eensklaps zijne wanhoop uit, hij schoot toe en

omhelsde mijne knieën, onder het uitroepen dat hij mij nimmermeer

verlaaten zou. Ik mogt hem bij herhaaling zeggen, dat het niet van mij

afhing om hem mêe te neemen, dat hij zulks wel wist, dog niets kon

baaten; mijne redeneeringen, mijne vriendelijkheden, niets vermogt op

hem om mij los te laaten; men moest hem van mijne voeten en vervolgens

van het rijtuig het geen hij gegreepen had, wanneer hij mij verloor,

afscheuren; nimmer, geloof ik, onderging mijne aandoenlijkheid heftiger

aanval, ik vertrok zeer bedroefd; de smert, van de aandrift mijner

dankbaarheid niet te hebben kunnen volgen[226] door aan den wensch van

dien waardigen man te voldoen, kwelt mij nog heden, en daar blijft mij

niets anders overig dan de hoop, dat zulks ter zijner kennis zal komen,

want ik durf mij niet vleijen hem eenmaal te zullen wederzien.

[225] Deeze rivier de naam van TOUNKOUTSKA aanneemende loopt tot in de

Yéneséi (bij de stad Yénéseisk), en ze valt op eenigen afstand van

Irkoutsk, in het uitgestrekte meir, het welk de Russen de ZEE VAN

BAIKAL noemen; men zegt dat deeze van hooge bergen omringt is,

deszelfs water is zoet en de scheepvaart gevaarlijk door de

menigvuldige stormen; het deed mij leed dat ik het zelve niet heb

kunnen gaan beschouwen.

[226] Ik denk niet dat het noodig zal zijn de levendigheid mijner

uitdrukkingen, in het afschetzen van mijne gevoelens voor dien

soldaat, te rechtvaardigen; Ik heb niets te zeggen aan hem die,

onderricht van de diensten, welken hij mij beweezen heeft, mij

deswegens zou willen laaken.

1788. _Augustus_

Bijzonderheden van mijne reis.

Ik vind mij nu genoodzaakt om van de order, die ik in het opgeeven

mijner dagelijksche aantekeningen gehouden heb, aftezien; mijne reis tot

Petersburg is zo spoedig volbragt, namelijk van den 10 Augustus tot den

22 September, dat het mij onmogelijk is geweest om dezelve met mijne

voorige naauw gezetheid optetekenen; om dezelve reden zal men de

kortheid mijner aanmerkingen wel willen verschoonen; het land dat ik

doorliep is daarenboven zo menigmaal door getrouwe en bekwaame pennen

beschreeven; deeze reizigers hebben zo veel bekoorlijks en belangrijks

in derzelver verhaalen verspreid, dat men mij van verwaandheid en

letterdieverij zou moeten beschuldigen, indien ik ondernam breedvoeriger

uitteweiden, over een onderwerp het geen zij grondig onderzogt hebben,

terwijl ik naauwlijks de tijd gehad heb om het zelve oppervlakkig te

bespiegelen; verscheidene van deeze werken zijn eerst onlangs

geschreeven, en de nieuwsgierigheid van den leezer zal daar stof genoeg

aantreffen om die te voldoen[227]: Ik zal mij dus bepaalen om van niets

anders dan het geen mij in persoon betreft, te spreeken.

[227] Onder deeze schrijvers tel ik Gmelin, Neven, Lepekinn,

Ritschkoff, Falk en Georgi, den Abt Chappe, & Pallas; de laatste voor

al vereenigt in zijne beschrijvingen, de drie dubbelde verdiensten van

naauwkeurigheid, kragtige stijl en de uitgebreidste kundigheden.

Eerst trok ik een kleine streek van Bratskis bewoond, door; zou dit het

volk niet zijn het welk door de Franschen _Burates_ genaamd word?

Voorbij Oudinsk kwam ik te Krasnoyarsk, alwaar ik vier en twintig uuren

stil hield om den as van mijn rijtuig te laaten herstellen; deeze

laatste stad ontleent deszelfs naam van den roodachtigen en steilen

oever van de Yéniséi die langs deszelfs muuren loopt.

Woestijn van Baraba of Barabinskoi-step.

Vervolgens bereikte ik de woestijn genaamt Barabinskoi-step; de dienst

van de post word daar door bannelingen van allerleie soort verricht,

welkers wisselplaatzen vijf en twintig, en somtijds vijftig wersten de

eene van de andere gelegen zijn; deeze ongelukkigen hebben dezelfde

levenswijze, als die geenen die mij van Yakoutsk tot aan Péledoni

bragten; zij zijn niet gedienstiger, nog minder woest; in luiheid

schijnen ze de anderen te overtreffen.

Gewoon aan de vrugtbaarheid, aan den rijkdom der velden in den omtrek

van Irkoutsk, bebouwd door de arbeidzaame Starogili kan het oog zich

vervolgens niet zonder moeite aan deeze onbebouwde vlaktens gewennen;

men gevoeld zich aangedreeven om deeze treurige strijdigheid aan de

onverschilligheid van deszelfs snoode bewooners toeteschrijven, hoe zeer

men echter wel bemerkt dat de grond onvrugtbaar is; men zou meenen dat

de natuur, in overeenstemming met de openbaare wraak die hen vervolgt,

zich ten hunnen opzichte eene stiefmoeder betoond; het aardrijk waar

heen den arm der gerechtigheid hen verstooten heeft, schijnt hun met

weerzin te draagen, haare uitgedroogde schoot onttrekt zich aan

derzelver bebouwing.

1788.

Voorval in deeze woestijn.

Mijne postbode die den rang van Sergeant had, behandelde deeze

ellendigen niet met die bescheidenheid als wel gevoeglijk was; om zich

te doen gehoorzaamen, deelde hij dikwils stokslaagen uit, en mijne

vertoogen dien aangaande konden hem van zijne haastigheid niet geneezen,

welke hij gewoon was zijne dagelijksche zonden te noemen. Eens ontkwam

hij het gevaar om die op eene schrikkelijke wijs te moeten boeten; aan

een wisselplaats gekomen, vonden wij geen paarden; de man welke dien dag

den dienst moest waarneemen, had de strafwaardige stoutmoedigheid

gebruikt om hooij te gaan haalen; twee uuren verliepen er; niemand kwam

te voorschijn, en mijn courier neemt het besluit om van mijn soldaat

verzeld, paarden te gaan zoeken, met het vaste voorneemen om zich van de

eerste die zij vinden zouden meester te maaken; na verloop van een half

uur kwamen zij zeer bezweet terug, mij maar één paard aanbrengende; om

'er zich meester van te maaken, waaren zij genoodzaakt geweest van te

vegten; terwijl zij bezig waaren met mij te verhaalen hoe zich de zaak

toegedraagen had, kwam hij, die zij als den aanvaller voorstelden, naar

mij toeloopen om zich te beklaagen, dat men hem de helft van zijn baard

afgescheurd had; op het zelfde oogenblik wierd ik van meer dan vijftig

persoonen omringd, die ik niet wist van waar ze gekomen waaren, want

toen ik in het dorp aankwam, hadden wij niemand dan den Starost kunnen

ontdekken; Ieder overlaadde om het zeerst mijn courier met

scheldnaamen; ik had lang werk eer ik gehoor kon krijgen; deeze in

plaats van mij te helpen om de gemoederen tot bedaaren te brengen, word

onze postillon gewaar die van het veld te rug kwam; hij loopt naar hem

toe, en zijn arm doet hem het verwijl dat hij ons veroorzaakt had duur

betaalen; de man met de afgescheurde baard wilde zijn makker wreeken,

dog op bevel van mijn sergeant courier, wist mijn soldaat hem zulks te

beletten, en ik zag mij genoodzaakt om hem uit zijne handen te

verlossen; door geweldig schreeuwen, door bidden en smeeken, bragt ik

eindelijk de strijdenden tot bedaaren; Ik had alle reden om over mijne

gemaatigdheid, te vreden te weezen; de getuigen waaren woedende over de

behandeling, hun gebuur aangedaan; ongetwijffeld zouden zij ons vermoord

hebben, indien ik niet op staande voet, aan mijne twee onbedagtzaame,

bevoolen had, van naar mijn rijtuig weder te keeren, en onzen voerman

aantezetten om zijne paarden voortespannen; men wilde hen vervolgen, dog

het gelukte mij de meenigte tegen te houden, en zij geraakten met eenige

scheldnaamen vrij; zo dra ik de misnoegden ter neer gezet had, spoedde

ik mij om bij mijn Kibitk te komen, en rekende mij eerst in veiligheid

wanneer ik buiten hun bereik was.

Aankomst te Tomsk.

Ik was zeer bevreest dat deeze gebeurtenis rugtbaar zou worden; echter

wierd ik tot aan de stad Tomsk, alwaar deeze woestijn eindigt, geen het

minste blijk van beweeging gewaar; mijne luiden brandende van begeerte

om derzelver klagten voor den Capitein Ispraunik te brengen, riepen mij

tot mijn uiterste leedweezen tot getuige; dien Officier deed mij de

gevaarlijke gevolgen van deeze zaak begrijpen, en de onmogelijkheid om

de goede order en de ondergeschiktheid te kunnen bewaaren, indien deeze

bannelingen van Baraba niet gestrengelijk gestraft wierden: dienvolgens

was zijn voorneemen om zich naar de plaats te begeeven ten einde een

voorbeeld te stellen.

Wie de Commandant was.

Mijn bezoek bij den Commandant van Tomsk deed mij welhaast dit

onaangenaam voorval vergeeten. Ik vond in hem een Franschman genaamd de

Heer de _Villeneuve_: hij bekleed den rang van Colonel; hij ontving mij

als een landsgenoot, en dit is genoeg gezegd om een begrip te kunnen

vormen van onze onderlinge blijdschap wanneer wij elkander zagen; het

scheen mij toe als of ik reeds voet in Frankrijk gezet had.

Aanmerking over de stad Tomsk.

Tomsk is vrij fraaij; een gedeelte van de stad ligt op eene hoogte

alwaar het huis van den Commandant de meeste vertooning maakt, het ander

daald nederwaards tot aan de rivier Tom; ik bleef 'er niet langer dan

noodig was om de wielen van mijn rijtuig te doen vermaaken.

Ontmoeting van bannelingen naar Nertschinsk gezonden.

Ik ontmoette verscheiden benden van bannelingen of galeiboeven,[228] en

men waarschuwde mij van op mijne hoede te zijn; daar 'er zeer dikwils

ontsnappen, zijn de boeren genoodzaakt dezelve zo wel plichtshalven als

tot hunne eigen veiligheid optezoeken; niets is inderdaad gemaklijker

voor deeze bannelingen dan op den weg te ontsnappen; ze worden wel door

wagten begeleid, dog nooit aan elkander geketend; Ik heb er tot tagtig

toe in de bosschen gezien die dezelfde bestemming hadden; zij waaren in

hoopen van vier, vijf, zes mannen en vrouwen gescheiden, die den een den

ander somtijds op den afstand van twee of drie wersten volgden; die

galeiboeven worden vervolgens in de verschillende mijnen van Siberien

verdeeld; deeze gingen naar Nertschinsk.

[228] Onder dit getal bevonden zich eenige persoonen van aanzien.

Overtogt van de Ob of de Obi.

Ik moest de voornaamste rivieren van deeze provincie overvaaren, als de

Oka, de Yéneséi, de Tom, de Obi welke de Russen de Ob noemen; Op deeze

laatste liep ik groot gevaar in een kleine pont die in zulk een slegten

staat was, dat ze in het midden van de rivier vol water liep; wij

zouden ons niet gemaklijk hebben kunnen redden, indien ik niet de

voorzorg gebruikt had van aan die pont, een nog kleinder schuitje

vastgemaakt te hebben, en zo de bewooners van den anderen oever ons niet

spoedig vaartuigen aangebragt hadden.

Komst te Tobolsk, en beschrijving van de stad.

Voor dat ik te Tobolsk aankwam, toog ik tweemaal over de Irtisch, de

laatste bij de mond van de Tobol; deeze hoofdstad tusschen die twee

vloeden gelegen, moet één der fraaijste steden van Siberien geweest

zijn, dog zij was onlangs een prooij der vlammen geworden, waar door het

grootste gedeelte der stad in assche was gelegd; te vooren was ze in

twee-en verdeeld, in de laage en hooge stad: de eene gebouwd op het plat

van een berg vertoonde verscheide fraaije steenen gebouwen; het andere

bestond uit houten huizen, die de eerste door de vlammen verteerd

wierden; langzaamerhand sloegen ze over naar het bovenste gedeelte van

de stad en de steenen gebouwen, alwaar ze niets dan de muuren

overlieten; Ik was dit treurig schouwspel niet wagtende, het maakte eene

zo levendige als diepe indruk op mij; nimmermeer zal ik het verbijsterd

gelaat vergeeten der ongelukkige inwoonders die, van de grootste tot de

kleinste, met allen iever, dog in een diep stilzwijgen aan den arbeid

waaren, om derzelver verlies te herstellen; reeds begonnen de

overblijfzels der verwoestingen door het vuur aangericht te verdwijnen,

en men zag de eerste beginzelen van eenige huizen en winkels oprijzen,

alle in steen herbouwd: het is waarschijnlijk dat het overige van deeze

stad even hegt en sterk zal hersteld worden.

Catherinenburg; Goudmijn in deszelfs omtrek.

Wanneer ik dezelve verliet, trok ik voor de derdemaal de Irtisch over,

om mij naar Catherinenburg of Yékatherinbourg te begeeven, alwaar ik

vier en twintig uuren verbleef, ten einde de noodige verbeeteringen aan

mijn rijtuig te laaten maaken; ik maakte van die tijd gebruik om een

goudmijn in den omtrek te bezoeken, als meede de plaats alwaar men het

koper geld slaat.

Aanmerking wegens de Tartaaren.

Ik zal den leezer wederom naar de schrijvers, die ik aangehaald heb

verwijzen, om eene beschrijving te erlangen van de Tcheremissische,

Tchouvaschissche, Votiaguissche en Tartarische Volkplantingen; Ik zal

alleen omtrent deeze laatste zeggen, dat de zindelijkheid van het

inwendige hunner wooningen mij verwonderd heeft; ongetwijffeld om dat ik

mij een weinig te gemeenzaam met het tegengestelde gebrek onder de

Kamschatters, Koriaken &c. gemaakt had; deeze Tartaaren hebben vaste

woonplaatsen, zijn landbouwers en vermoogend in Graanen en Vee; zij

belijden de Mahometaansche Godsdienst.

Kapzel der Tcheremissisch.

Het Kapzel der Tcheremissisch kwam mij zeer zonderling voor; dit is een

stuk uitgebeiteld hout, van agt a tien duim lang en vier a vijf breed,

het welk men bijna aan de wortel der hairen plaatst, zodanig dat het

bovenste gedeelte van dit soort van kussen (toque) een weinig over het

voorhoofd heen hangt, men maakt het zelve vast, vervolgens omwind men

het met een witte neusdoek, die geschilderd of geborduurd is; de hardste

couleuren, de tekeningen die het meest opgevuld zijn, genieten de

voorkeur, en eene breede franje of een gouden of zilveren kant, naar

maate van de pracht of het vermogen der bijzondere perzoonen, omzoomt

deeze neusdoek, die zeer groot is en agterwaards afhangt; wat de

kleeding aangaat, ik kan dezelve niet beter vergelijken dan met onze

nagtjaponnen.

Ontmoeting van Heidens.

Eene Caravaane van heidens (Bohémiens) die ik ontmoette, zeide mij,

terwijl zij mij tevens om geld vroegen, dat zij een kleine streek gingen

bevolken en ontginnen op den oever van de Wolga niet ver van Saratoff.

De stad Casan.

De noodzaaklijkheid om mijn paspoort door de Gouverneur van Casan te

laaten onderzoeken, en de moeijelijkheid om paarden te bekomen, dewijl

ik aldaar laat aangekomen was, deed mij tot den dag in deeze stad

verblijven; de Wolga die deszelfs muuren bespoeld, maakt deszelfs

ligging aangenaam; deszelfs huizen zijn meest van hout, en de Kerken

van steen: men verhaalde mij dat zij de zetel van een Aartsbisschop is.

Ongeval mij bejegend.

Aan geene zijde van de Wolga[229], eene rivier beroemd om deszelfs

scheepvaart, en die in de Caspische zee uitwatert, reed ik voorbij de

steden Kouzmodémiansk en Makarieff; deeze laatste vermaard door deszelfs

lijwaat fabrieken is eigentlijk maar een vlek; Ik was niet ver van daar,

en zo even het gevaar van een waggelende en slegt vastgemaakte brug

ontkomen, wanneer mijne onverduldigheid mij bijna het leeven kostte;

mijn postillon gaande gemaakt, door mijne herhaalde aanporringen, voerde

mij zeer spoedig voort[230]: op eenmaal hoor ik tegens de bak van mijn

Kibitk slaan; ik stak het hoofd buiten en ontfing een slag die mij in

mijn rijtuig werpt; Een schreeuw van den courier die aan mijn zijde

was, waarschuwde mij dat ik gekwetst was; In der daad, het bloed

stroomde langs mijn voorhoofd; men hield stil en ik stapte van het

rijtuig, men bevind dat de omkring van een der wielen gebrooken was, en

waar van de scherpe kant mij des te sterker getroffen had, naar maate

dat wij harder voortreeden; wanneer ik aan mijne wond raakte kwam mij

dezelve breed en diep voor; ik meende zelfs te gevoelen dat mijn

harssenpan beschadigd was, in een woord, ik beschouwde mijn einde nabij.

[229] Men zegt dat deszelfs oevers door dieven ontrust worden, die

mogelijk geene anderen dan de schippers zijn; Ik heb 'er veelen op

mijn weg gezien, dog nimmer heeft iemand derzelven mij beledigd.

[230] Dit is een lofspraak die men aan de Russische postillons

verschuldigd is; ook word men nergens beter gereden; de reden daar van

is dat ze bijna altoos een roes ophebben; In de dorpen, moet men ze na

den oogst, uit de Kabacs of kroegen haalen.

Hier kan ik met waarheid zeggen, dat mij de woorden ontbreeken om mijne

overmaatige wanhoop afteschetsen; na zo veel tegenspoed, na zo veele

gevaaren te boven gekomen te zijn, nu ik eerlang Petersburg meende te

bereiken, waar na ik vierig verlangde om den besten der vaders aan mijn

hart te drukken, die ik in geen vier jaaren gezien had; op het punt van

in mijn Vaderland wedertekeeren; van mij van mijne zending te kunnen

kwijten, door de overgifte van mijne belangrijke brieven; en in dit

oogenblik te gelooven van door den doodelijke slag getroffen te zijn!

Verbijsterd door deeze bedenking, voelde ik mijne knieën waggelen, mijn

hoofd omdraaijen; Gelukkig deed mij de aangebragte hulp van mijn

gezelschap tot mij zelfs komen; ik greep moed, deed mij het hoofd met

een doek sterk vastbinden, het wiel wierd zo goed mogelijk vermaakt, en

wij bereikten spoedig de laatste wisselplaats voor Nijenei-novogorod.

Ik liet mijn Kibitk in dit dorp, onder de bewaaring van mijn soldaat,

aan wien ik bevel gaf om dezelve te doen vermaaken, en ze mij in de

naaste stad wedertebrengen; terwijl men voor mij een post rijtuig

aanspande, en daarop mijn kistje laadde, ging ik in een Kabac alwaar men

op mijne wond van de sterkste brandewijn goot; en vervolgens stelde eene

goede compres mij in staat om de vijfentwintig a dertig wersten

afteleggen, die mij nog tot Nijenei-novogorod te doen stonden.

De Chirurgijn Majoor bij wien ik stil hield was afwezig; men bragt mij

om hem aftewachten, in een wezentlijke spelonk; de begeerte om onbekend

te blijven, en de onzekerheid van mijn toestand deed mij besluiten om

mij niet bij den Gouverneur te laaten aanmelden; In den agtermiddag ging

ik wederom te vergeefsch bij dien Chirurgijn; verdrietig over mijn

lijden zonder te weeten hoe ik mijne kwetsuur zou behandelen, vernam ik

of 'er dan niemand was die mij helpen kon; men wees mij naar een

_podléker_ of tweede Chirurgijn, die men eindelijk na veel

tegenstribbelens van zijne kant bij mij bragt; zijn voorkomen gaf mij

geen groot denkbeeld van zijne bekwaamheid en maatigheid; hij had al de

onbeschoftheid en de waggelende gang van een dronk mensch; echter

behield de noodzaaklijkheid om mijne wond te laaten peilen, de overhand

op mijne afkeerigheid, om mij aan zodanige handen overteleveren; dog den

ellendeling had zijne instrumenten vergeeten; wie zou gelooven dat een

speld het sondeeryzer was, het welk hij ter leen vroeg? het onderzoek

gedaan zijnde; zeide hij mij al stamerende, dat mijn bekkeneel open, dog

in het minst niet beschadigd was, en dat ik door brandewijn met water

gemengd er op te doen, mijn reis kon vervolgen; hij wilde mij vervolgens

aderlaaten, dan het denkbeeld om mijn arm aan deezen dronkaard te waagen

deed mij beeven; na dat ik hem bedankt, betaald en heen gezonden had,

stapte ik weer in mijn Kibitk, mij gelukkig achtende, dat ik van de

konstbewerking en van hem die ze verricht had, bevrijd was.

Nijenei-novogorod.

Nijenei-novogorod ligt zo als algemeen bekend is, aan de Wolga, en

gelijkt in allen opzichte naar de Russische steeden; men beroemde zich,

bij mijn doortogt van aldaar een troup nationaale toneelspeelers te

bezitten.

1788. _September._

Komst te Moscou.

Wanneer ik Wladimer verliet, bereikte ik spoedig Moscou; de fransche

Vice-Consul de Heer de Boffe, deed al wat in zijn vermogen was om de

bekwaamste heelmeesters optezoeken, ten einde mijne kwetsuur te

onderzoeken; zij stelden mij allen gerust, hoe zeer ik vrij hevige

hoofdpijnen gewaar wierd; Ik was des te meer daar over opgebeurt, dat ik

deswegens niets te vreezen had, dewijl ik terzelfder tijd eene

nieuwstijding vernam die anders wel geschikt was om mijne smerten te

vermeerderen; de Heer de Boffe verhaalde mij, dat mijn vader zich niet

te Petersburg bevond; dierhalven, zou ik in de vooronderstelling dat ik

gevaarlijker getroffen, en dat die stad de eindpaal mijner reis en van

mijnen loopbaan zou geweest zijn, de vertroosting zelfs niet genooten

hebben, van mijn leeven in de armen van hem te eindigen, aan wien ik het

zelve verschuldigd was.

Aankomst te Petersburg.

Dewijl mijn rijtuig geheel in wanorder was, liet ik dat te Moscou agter,

van waar ik met postrijtuig vertrok die telkens verwisselden, deeze

waaren zo klein en ongemaklijk, dat ze ons zelfs niet voor de regen

beveiligden; Ik trok door Twer, Vouischnei-Volotschok, Novogorod en

Sophia digt bij Tsarsko celo gelegen,[231] en ik kwam des nagts van den

22 September te Petersburg; na dat ik in veertig dagen zes duizend

wersten had afgelegd, waar onder 'er nog agt in noodwendige

rustplaatsen verlooren waaren geraakt.

[231] Deeze steeden zijn bekend; ik ben zo spoedig doorgereist, dat ik

ze naauwlijks heb kunnen bezichtigen.

1788. _September_ Den 23.

Ingevolge de bevelen van den Heer Graaf de la Perouze, overhandigde ik

mijne brieven in handen van den Heer Graaf de Ségur, Minister

Plenipotentiaris van den Koning bij de Keizerin; Ik had het geluk

genooten van hem bij zijn aankomst in Rusland te leeren kennen, en ik

rekende het onder de aangenaamste gebeurtenissen mijnes leevens van hem

te Petersburg wedergevonden te hebben, om mij over de afwezigheid van

mijn vader eenigzints te troosten. Niet alleen onthaalde mij die

minister op het allervriendelijkst, maar hij zorgde daar en boven met

eene belangneemende genegenheid voor mijne gezondheid; hij bood mij een

zijner couriers aan, om mij op het overige van mijne reis te vergezellen

en voor mij zorge te draagen; daar ik echter door de hulp van zijn

heelmeester volkomen genezen was, bedankte ik de Heer Graaf de Segur

voor zijn verplichtend aanbod, dewijl ik hem van geen man wilde

berooven, wiens dienst hij noodig zou kunnen hebben.

1788. _September._

Van zijne brieven voorzien, vertrok ik den 26 tusschen elf uuren en

middernagt; Ik wierd twee dagen te Riga opgehouden door op nieuws

genoodzaakt te zijn van mijn rijtuig te laaten herstellen; te Memel,

moest ik agt uuren verliezen, eer de schippers bewogen konden worden,

om mij den arm van de zee genaamt _Courich haff_ in een storm

overtezetten; Ik sliep te Berlijn, dewijl de Heer Graaf d'Esterno

Minister Plenipotentiaris van den Koning aan dit hof, zijn verlangen

betoond had om mij ook zijne brieven aantebetrouwen; Ik wierd wegens dit

kort verwijl rijkelijk schadeloos gesteld, door de vleijendste

aangenaamheden, die mij van wegens dien gezant bejegenden.

October. Den 17.

Komst te Versailles.

Eindelijk zag ik mijn Vaderland weder, en den 17 October des namiddags

ten drie uuren kwam ik te Versailles; Ik stapte van mijn rijtuig voor de

wooning van den Heer Graaf de la Luzerne, Minister en Staatssecretaris

van de Zeemagt; Ik had de eer niet van bij hem bekend te zijn, dog de

uitneemende goedgunstigheid waar meede hij mij ontfing, bereidde

dadelijk mijn hart tot die dankbaarheid, welke ik hem in zo veele

opzichten verschuldigd ben; in mijne oogen bestond de uitsteekende gunst

die hij mij bewees, daarin dat hij mij dien zelven dag nog de eer

verschafte van aan zijne Majesteit voorgesteld te worden, die zich

verwaardigde om mij over verscheidene zaaken en omstandigheden

betreklijk mijn reis te ondervraagen, om mij deszelfs verlangen te

betuigen van 'er alle de bijzonderheden van te kennen, en in mij den

volgenden dag daar voor de belooning te schenken, met mij tot Consul te

Cronstadt te benoemen; eene belooning mij des te dierbaarder, dewijl

daar door de lofspraak, des betoonden ievers van mijn geheele geslacht

zo in de burgerlijke als staatkundige bedieningen, die aan het zelve

zijn toevertrouwd geweest, hernieuwd en voltooid wierd.

AFSCHRIFT

_Der Verklaaring mij van den Heer Kasloff Ougrenin, Colonel en

Bevelhebber van Okotsk en Kamschatka gegeven._

Ik verklaar dat de Heer de Lesseps, vice Consul van Frankrijk te

Cronstadt, genoodzaakt is geweest van zich in verscheidene plaatzen

optehouden, en wel om de volgende redenen.

1. Te Bolcheretsk den 7/18 October 1787 aangekomen zijnde, heeft hij

daar dien tijd waar in de sleedevaart kon begonnen worden afgewacht,

buiten welke 'er geen mogelijkheid is om de reis van Kamschatka naar

Okotsk over land te onderneemen; de sleedevaart en het bevriezen der

rivieren is op het einde van November begonnen.

2. Hij zou vertrokken zijn, indien ik daartoe mogelijkheid had gezien,

dog de geduurige en geweldige stormwinden, die van het begin van

November tot aan het einde van December geheerscht hebben, zijn hem daar

in hinderlijk geweest; daar zijn zeldzaam te Bolcheretsk twee dagen

voorbij geloopen, of wij ondervonden 'er zulke heftige buijen, dat het

gezicht zich naauwlijks zes of agt treden ver uitstrekken kon; de

Kamschatters zelfs kunnen geduurende dezelve hunne reizen niet

vervolgen, maar zijn somtijds verplicht van in het open veld stil te

moeten houden.

Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz. · 第 29 / 31 段