had afgelegd, de plaats genaamd _Yarmangui_, aan den oever van de Lena;
wanneer ik die rivier overgetrokken zou zijn, bevond ik mij te Yakoutsk,
dog een wagt van den bevelhebber waarschuwde alle reizigers, om hier
het verlof aftewachten van in de stad te mogen komen; hoe onaangenaam
mij ook dit soort van quarantaine was voldeed ik daar aan, wanneer een
Onderofficier mij verzogt, van mij omtrent twee honderd treden verder te
begeeven, alwaar ik den Heer Capitain Ispraunick en een Lieutenant van
de Heer Billings zou vinden; zij waaren van mijn aankomst onderricht, en
ontfingen mij met de sterkste betooningen van achting en blijdschap;
naauwlijks had ik hen verhaald, hoe zeer het uitstel waar meede ik
bedreigd wierd mij tegenviel, of zij maakten allen spoed om de noodige
beveelen te geeven, ten einde men mij aan den anderen oever bragt, daar
bij voegende dat zij zich van de goedkeuring van den Heer Commandant
verzekerd hielden, die reeds zedert lang van mijne komst verwittigd en
aan wien ik aanbevoolen was.
Overtogt en breedte van de Lena voor Yakoutsk.
Des middags, trad ik in de schuit die men voor mij in gereedheid gebragt
had, en ik was vier uuren bezig met de rivier de Léna in de dwarste
overtesteeken, deeze rivier moet, zoveel men met het oog over eene
zodanige uitgestrektheid kan oordeelen, ten minsten twee uuren breed
zijn.
1788. _Junij_ Te Yakoutsk.
Verblijf te Yakoutsk.
Aan land gestapt, wierd ik door een stads bediende ondervraagt en
volgens gebruik, na het verblijf gebragt dat hij voor mij bestemd had;
dadelijk liet ik mij de wooning van den commandant de Heer Maklofski
aanwijzen, wien ik ten eersten ging zien; hij ontfing mij met alle
mogelijke beleeftheid, sprak mij altoos in het fransch aan, schijnende
hem deeze taal zeer eigen te weezen; na mij wegens mijne spoedige
togt[202] en over mijne gelukkige aankomst geluk gewenscht te hebben,
deed hij mij belooven van eenige dagen te Yakoutsk te zullen blijven, om
van mijne vermoeijenis uitterusten.
[202] Ik was de eerste reiziger, dit jaar van Okotsk vertrokken, welke
men nog te Yakoutsk gezien had; den afstand tusschen deeze twee
steeden is omtrent vijftien honderd wersten.
1788. _Julij._ Te Yakoutsk.
Ontmoeting van den Heer Billings.
Dog van alle zijne verplichtende aanbiedingen was mij geene aangenaamer,
dan dat hij mij de gelegenheid verschafte om dien zelven avond met de
Heer Billings te eeten. Ik was zeer verlangend om hem te leeren kennen,
en ik wachtte met ongeduld het oogenblik van onze zamenkomst af; ons
beider beroep van reiziger gaf al aanstonds tusschen ons zekere
vereeniging, men zou gezegt hebben dat onze vriendschap reeds jaaren
bestaan had; echter waaren wij beiden zeer omzichtig, van de gesprekken
verwijderende al wat maar eenigzints betrekking kon hebben tot de
onderwerpen van onze wederzijdsche zending; ik bewonderde daar in de
snedigheid en de voorzigtigheid van den Heer Billings: geduurende mijn
verblijf alhier, nam ik eens het middagmaal bij hem; des morgens en des
avonds begaven wij ons beiden bij de Heer Marklofski[203], en nimmer
ontsnapte hem in onze redeneeringen eene onbescheide vraag.
[203] Deeze bevelhebber moest dien post blijven bekleeden tot op de
aankomst van den Heer Kasloff.
Het jammerde hem zeer dat hij op zijnen togt onze fregatten niet ontmoet
had; hij zou zijn geluk en roem gesteld hebben in het vervullen van de
edelmoedige oogmerken zijner Souvereine, met aan den Heer Graaf de la
Pérouse al dien onderstand en hulp te verschaffen, die hij zou hebben
kunnen toebrengen; dit was eene schuld, zeide hij, van welke hij zich
wilde, en ook niet anders kon kwijten dan in mijn persoon; en waarlijk,
er zijn geene diensten uittedenken, die hij niet tragtte mij te
bewijzen.
Het paardrijden mij zeer vermoeid hebbende, raadde men mij de Lena tot
aan Irkoutsk optevaaren; zulks geviel mij zeer, dewijl mij daar door
rust belooft wierd, en de vertraging die het mij veroorzaakte, op het
hoogst vier of vijf dagen zou beloopen. Zo dra ik mijn besluit genomen
had, diende de Heer Billings mij van zijnen goeden raad en zorgde voor
de keus en de verkrijging van een schuit; van mijne tent deed hij twee
zeilen maaken, gaf mij een zijner Soldaaten, die bekwaam voor Stuurman
was, en verschafte mij in een woord al dat geene wat hij tot mijne
overtogt noodig oordeelde.
Beschrijving van de Stad en de Haven van Yakoutsk.
De vijf dagen die ik te Yakoutsk doorbragt, wierden tot de
toebereidzelen voor mijn vertrek besteed: ik had echter tijds genoeg om
optemerken, dat deeze stad de fraaijste en de meest bevolkte was van
alle die geenen, welken ik tot nog toe, in de verbaazende
uitgestrektheid lands dat ik doorkruist had, had gezien.
Zij is aan de westzijde van de Lena gebouwd; de huizen zijn van hout,
dog ruim en gemaklijk, dat van den Commandant staat vlak tegens de haven
over; de meeste kerken zijn van steen. Een arm van de rivier[204], die
voorwaards loopt, terwijl ze een bogt tot aan de muuren van de stad
beschrijft, vormt dat geen het welk men de haven noemt, die bij laag
water droog loopt; de vaartuigen, door den Koophandel herwaards gebragt,
zijn niet anders dan barken; het grootste gedeelte derzelver dient tot
overvoering van de levensbehoeftens, als zout en meel door de regeering
derwaards gezonden; de Kooplieden huuren of koopen van die vaartuigen,
tot overvoering van derzelver koopmanschappen, welke vaartuigen men uit
den omtrek van den oorsprong van de Lena bekomt, alwaar dezelve gebouwt
worden.
[204] Deeze rivier doorloopt Siberien bijna in deszelfs geheele
breedte, van het noord-oosten naar het zuid-westen, en ontlast zich
vervolgens in de Yszee.
Inwoonders.
De Yakouters komen niet in de Stad dan tot verrichting hunner zaaken;
over het algemeen is dezelve niet dan door Russen bewoond. In de
gewoontens en gebruiken word men de uitwerkzels der beschaafdheid
gewaar; de inrichting van de gezelschappen, de vrolijkheid die daar in
heerscht, alles werkt met de belangens van den handel zamen, om onder de
inwooners die werkzaame onderlinge verstandhouding te onderhouden,
dewelke de bron der rijkdommen en de aangenaamheid des leevens
uitmaakt[205].
[205] Ik spreek niet van het bestier, dewijl het op den zelfden voet
als dat van Okotsk ingericht is.
Den 5. tot den 9.
Vertrek van Yakoutsk en vaart op de Lena.
Na dat ik mij op nieuw van leevensmiddelen voorzien had, vertrok ik des
morgens ten een uur van Yakoutsk; reeds kondigde de schemering de
opkomende dageraad aan (het is bekend dat men des zomers op de hoogste
breedtens, den overgang tusschen nagt en dag geduurende meer dan eene
week, naauwelijks bemerkt), zo dat men reeds duidelijk de zandbanken kon
onderscheiden, waarmeede den oever tot aan de eerste post bezoomt is;
dewijl wij die niet altoos vermijden konden, verzogten mijne geleiders,
of de menschen die mijn vaartuig voorttrokken, ons ieder oogenblik, van
ons even als zij te water te begeeven, om over die ondieptens te
geraaken; het gebeurde ook dikwijls, niettegenstaande de ontzagchelijke
breedte van de rivier, dat wij beslooten naar de overzijde te roeijen,
in de hoop van daar eene gemaklijker doortogt te zullen vinden; dog dan
dreef de geweldige stroom ons een halve werst min of meer agterwaards;
groote ysschotzen vertoonden zich nog langs de oevers; men verzekerde
mij dat 'er diergelijken het geheele jaar door te zien waaren.
Ik zal dag voor dag hier geen verslag van mijne vaart ter nederstellen;
de aanmerkingen welke ze mij verschaft heeft zijn van te weinig belang,
om den leezer met de verveelende eenvormigheid der dagelijksche
kleinigheden bezig te houden.
Posthuizen en plaatzen waar men andere persoonen bekomt; welke lieden
tot deezen dienst gebruikt worden.
De postroutes zijn afgedeeld; deeze beloopen dertig, veertig, vijftig,
zestig, zeventig, en zelfs tagtig wersten[206]. Dat men daar uit de
straf der ongelukkigen beoordeele, die tot den dienst van de post
veroordeeld zijn, namelijk, om de vaartuigen van de eene wisselplaats
tot de andere te trekken; deeze schrikkelijke heerendienst, maakt de
straf van de gebannene en kwaad doenders, in eene tusschenruimte van
bijna twaalfhonderd wersten uit. Zij deelen deezen arbeid met de
paarden; dog wanneer de schuit aan den grond raakt, of dat het
voorttrekken belemmeringen ondergaat, moet de mensch de plaats van het
beest vervangen, en het is in de moeijelijkste oorden dat deszelfs
arbeid te pas komt; de eenigste verkwikking welke deeze boeven voor dien
schrik verwekkenden arbeid genieten, bepaald zich tot eenige maaten
meel, die de regeering hen toelegt; de Yakoutsche Prinsen uit de
omgelegen streeken zijn ook verplicht van in derzelver onderhoud te
voorzien, en ingeval van noodzaaklijkheid, hen manschappen en paarden te
leenen.
[206] De kosten zijn daarom niet hooger, voor één man betaald men zo
veel als voor één paard.
1788. _Julij_ van den 5. tot den 14. Vaart op de Lena.
Veelen van deeze ellendelingen zijn getrouwd; zij bewoonen met hun gezin
half gesloopte isbas, die hier en daar langs den regter oever verspreid
zijn; de regen noodzaakte mij op zekeren dag, om een schuilplaats in
eene deezer wooningen te zoeken; ik verkoos die welke de meeste
vertooning maakte; wanneer ik daar binnen trad, meende ik door de
bedorve lucht die men 'er inademt te bezwijmen, en ik weet geene woorden
te vinden, om het afschuwelijk tafereel der ellende welke mijn oog trof,
te schetsen; wel verre van in dit huis eene veilige plaats gevonden te
hebben, zag ik mij na verloop van een quartier uurs geheel overstroomt;
het water viel stroomsgewijs van alle de hoeken van het dak, en ik
verkoos wederom liever in mijn vaartuig te gaan.
De vischvangst en de jagt verschaffen voorts aan deeze bannelingen, die
al de snoodheid van hunnen imborst bewaard hebben, bezigheid; ze worden
alleen door het belang of de vrees bestierd. Op de nadering van een
schuit beproeven ze altoos om zich door de vlucht aan den moeijelijken
arbeid te onttrekken, waar aan zij door het gezag onderworpen zijn; meer
dan eens hebben zij mij dien trek gespeeld; ik kwam aan eene
wisselplaats: van de vijf of zes mannen die zich altoos, ten dienste van
de reizigers gereed moeten houden, was 'er geen een te vinden; ze waaren
allen naar de bosschen gevlucht, en mijne geleiders van de voorige
wisselplaats[207], zagen zich genoodzaakt van ook nog deeze postweg
afteleggen. Ik stelde deeze ongelukkigen des te gewilliger schadeloos,
dewijl ik menigmaal, wanneer ik hen afdankte, derzelver beenen geheel
bebloed zag.
[207] Zij gebruikten de voorzorg, wanneer ze van hunne wisselplaats
vertrokken, om aan mijn schuit een kleine praauw vasttemaaken, waarin
ze naar hunne woonplaatzen te rug keerden, laatende zich met de stroom
van de rivier afdrijven.
Eens, stelden zij mij op een morgen geheel te leur: een postschuit de
rivier afkomende, kwam ons digt voorbij; Golikoff waakte op zijn beurt;
mijne doortrapte fielten verzogten hem verlof om met hunne makkers te
verwisselen, zij wisten hem zo wel te beduiden dat dit in ons voordeel
was, dat hij er in toestemde; begeerig om mij ons geluk meedetedeelen
maakte hij mij wakker, dog het was om mij te vertoonen, dat onze
gaauwdieven op de loop gingen, in plaats van zich naar de schuit te
begeeven die agter ons heen dreef. Op dit gezicht kan men zich de
verlegenheid van Golikoff voorstellen; hij wist niet hoe hij zich voor
mij verschoonen zou, want wij moesten besluiten om onze schuit tot aan
de volgende wisselplaats voorttetrekken; gelukkig waaren wij 'er niet
ver meer van verwijderd; de menschen die de postschuit derwaards
gebragt hadden bevonden zich daar nog; mijne twee soldaaten hadden hen
spoedig overgehaald om ons voort te trekken. Ik geloof zelfs dat ik
derzelver goede wil aan de onbeschofte bevelen van Golikoff verschuldigt
was; onze ontmoeting had hem zo misnoegd gemaakt, dat ik geen
mogelijkheid meer zag, om hem met gemaatigdheid te werk te doen gaan;
"Gij weet niet, zeide hij tot mij, hoe men deeze Schelmen bestieren
moet; 'er is geen ander middel dan de stok: ik moest u maar navolgen,
dan zagen wij ons op iedere post aan beledigingen blootgesteld, of in
dezelfde ongelegenheid die wij zo even komen te ondergaan".
van den 14. tot den 29. Vaart op de Lena.
de Stad Olekma.
Wij kwamen echter zonder verdere onaangenaamheden te Olekma[208]; deeze
stad, de eerste zedert Yakoutsk, is van daar zeven of agt honderd
wersten verwijderd, hoe zeer de post maar op zes honderd berekend word;
ze legt aan de uitwatering van de rivier die deszelfs naam voert, is
niet groot, vrij slegt bebouwd en leverd geene bijzonderheden op. Ik
verbleef daar maar twee uuren.
[208] men noemd ze ook _Olekminsk_.
Ontmoeting van een Toungousser.
Eenige wersten van daar naderde mij een kleine praauw; één man
bestierde dezelve alleen, hij bood mij berkenschors aan, die hij in de
nabuurige bosschen had afgeplukt; mijne soldaaten verzogten mij dadelijk
dat ik daar van koopen zou, om ons vaartuig mêe te overdekken; mijn
koopman was een Toungousser, hij behoorde tot een huisgezin het welk
zich op den linker oever neergezet had[209]. Ik verzuimde deeze schoone
gelegenheid niet om dit volk van nader bij te leeren kennen; ik liet dan
mijn schuit aan den regter oever vast maaken, en ging alleen van
Golikoff verzeld, in het schuitje van den Toungousser over, die even zo
vergenoegd was als ik, over het bezoek dat ik bij zijne naastbestaanden
ging afleggen.
[209] Hij verhaalde mij dat de boorden van de Léna aan dien kant, door
verschillende horden van zijne landsgenooten bewoond waaren. Ik moet
hier bijvoegen, dat de Toungoussen en de Lamouten als een en dezelfde
natie kunnen beschouwd worden.
Toungoussche praauwen.
Al aanstond trok de gedaante en de ligtheid hunner praauwen mijne
aandagt; zeer afgerond vertoonen ze weinig oppervlakte, het geen ze aan
omslaan onderhevig maakt; het beloop van het schuitje is van latwerk, de
boorden zijn van genaaide en geteerde berken schors, en de twee einden
worden langzamerhand naauwer en eindigen puntig; men houd de riem in
het midden, om zich beurtelings van de twee schoppen te bedienen die aan
deszelfs einde vastgehegt zijn.
Vriendelijk onthaal eener Toungousse horde.
De vreugd van deeze Toungoussers in mij te zien was zeer uitbundig; ter
gelijker tijd omringd, vergast, geliefkoosd, wist ik niet hoe ik aan
alle hunne vriendschaps betuigingen zou beantwoorden. Een jong rendier
wierd gedood en aan mijne voeten neergelegd; wanneer ze mij dit geschenk
aanbooden, jammerde het deeze goede menschen, dat derzelver armoede hun
van de middelen en het vermaak beroofde om mij van meer nut te kunnen
weezen. Ik was zelfs niet in staat om veel giften te doen, en mijne
erkentenis bestond alleen daarin, dat ik hun eenige van mijne kleederen
agterliet.
Wooningen, gelaatstrekken, Godsdienst, rijkdommen en gewoontens der
Toungoussen.
Daar zij even als de Koriaken rondzwerven, hebben zij ook ten naasten
bij dezelfde leevenswijze; derzelver yourtes zijn niet zo groot, en met
berkenschors bedekt; dit maakt het eenigste onderscheid uit; ieder
geslacht heeft het zijne; de voornaamste verciering van binnen bestaat
in een kleine houten afgod, hebbende een wanschapen hoofd en eene
menschelijke gedaante; Zij omhangen het zelve met hunne kleederen, waar
bij ze tot meerdere opschik een groot getal ringen, schellen, en andere
stukken van metaal voegen; Ziet daar hun heiligen Nicolaas, welke naam
zij hem, bij zinspeeling op den beschermheilige der Russen, geeven.
Bij mijn doortogt te Yamsk, heb ik de kleeding der Toungoussen
beschreeven; nu blijft mij nog overig van derzelver gelaatstrekken,
zeden en manier van reizen te spreeken.
Ze zijn kleinder dan de Yakouters, en hebben even als de Kamschatters in
een getrokken oogen, een platte neus, en een breed aangezicht; ze zijn
niet minder gastvrij, derzelver hoofdcaracter schijnt de zagtmoedigheid
en de openhartigheid te weezen. In zaaken van den Godsdienst, bezitten
zij de domme ligtgeloovigheid der Koriaken, dewijl zij alle de
dwaasheden der afgoderij voor geloofswaarheden aanneemen, de Chamans
zijn insgelijks de voorwerpen van hun vertrouwen en eerbied; overal
heerschen deeze bedriegers, door het verspreiden van schrik en
verbaastheid.
Na de jagt en de vischvangst[210], welken deeze geslachten geduurende
die jaargetijden, tot een meerder vast verblijf noodzaaken, geeft hen
niets meer weezentlijker bezigheid, dan derzelver rendieren; deeze
dieren maaken al hun rijkdom uit, en betaalen met woeker alle de zorgen
die zij daar aan besteeden; niet alleen verstrekken deeze dieren tot
voedzel en kleeding van dit volk[211], dog daarenboven laaten zij zich,
gedwee onder de hand die ze bestiert, door derzelver meesters, zo
vrouwen als mannen beklimmen, en voeren hun met een snellen tred overal,
waar derzelver grilligheid hen roept[212]. In plaats van de rendieren
voor een slêe te spannen, zo als de Tchouktchis en de Koriaken gewoon
zijn, leert men die onder de man loopen, en aan de beweegingen van een
toom aan derzelver hoornen vastgestrikt, gehoorzaamen; het zaal is even
als de onzen opgetooid en van dezelfde grootte, dog zonder stijgbeugels;
eene zeer zwakke buikriem houd het vast, en de ruiter die waggelt, heeft
geen ander hulpmiddel dan een lange stok waar meede hij het beest
kastijd; men begrijpt dat deeze oeffening veel hebbelijkheids vereischt;
het reisgoed word in kleine mandjes beslooten, die met rendieren vellen
bedekt en aan het zadel vastgemaakt zijn; deeze hangen aan iedere kant
op de zij van het beest; wanneer zij stil houden, worden deeze geladene
goederen op eene geregelde wijze rondom de yourtes geplaatst.
[210] De overvloedigste vangst in deeze rivier, is die van de Steur of
STERLED; van de eijeren dezer visch maakt de Toungoussche
vindingrijkheid de caviaar.
[211] Door een tegengesteld gebruik als dat der Koriaken, verzuimen
deeze Toungoussen nooit om de wijfjes van hunne rendieren te melken;
die melk, welken zij mij lieten proeven, is zeer dik.
[212] Hunne reizen strekken zich tot aan de grenzen van Tartarijen en
China uit.
Het dorp Pélodoni; boeren die met de postroute belast zijn.
Mijne scheepvaart wierd eindelijk minder onaangenaam, en wel zo dra ik
Pélodoni bereikt had; dit is een groot dorp welkers inwoonders Russen en
afstammelingen van de eerste landbouwers van Siberien, genaamd
_Starogili_, zijn; daar wierd ik van die gevaarlijke bannelingen
verlost; ik had vervolgens geene andere geleiders dan braave boeren, die
mij even zo veel ievers als beleeftheid betoonden; de wooningen waaren
niet zo ver van elkander verwijderd, en beloofden des noodig ten minsten
eenige hulp. In ieder deezer dorpen bevinden zich zes menschen, geschikt
voor den dienst van de post: geen het minste voorrecht steld hun voor
derzelver moeite schadeloos; even als alle de Russische boeren zijn zij
grondeigenen, betaalen dezelfde rechten aan de kroon, en moeten recruten
verschaffen; de voortbrengzels van derzelver oogst niet voldoende zijnde
om hen het geheele jaar te voeden, zijn zij genoodzaakt graanen te
koopen en daar van voorraadschuuren aanteleggen; nimmer was de rogge zo
duur verkogt als dit jaar; het _poud_ of het gewigt van drie en dertig a
vier en dertig fransche ponden, kostte zeventig a tagtig kopees.
Vitim is het naastgelegenste dorp aan het voorige; daar het in allen
opzichte naar de Russischen dorpen gelijkt, meen ik de moeite te kunnen
spaaren om 'er eene beschrijving van te geeven; de kerken zijn daar
zeldzaamer als de _cabacs_ of kroegen.
Aanteekeningen omtrent de Léna.
De vogels zijn in den omtrek en aan de oevers van de Léna zeer
overvloedig; wolken van muggen waar meede dezelve bedekt is, geeven
oorzaak tot derzelver zamenschooling; om deeze insecten te verdrijven,
gebruikten wij de voorzorg van een voorraad van paarden-mest meede te
neemen, die zonder ophouden in onze schuit brandde; dog een ander
onvermijdelijk ongemak op deeze rivier, is het ongedierte welke zij
voortbrengt; hoe meer men zich baad hoe meer de zelve vermenigvuldigen.
De Stad Kirinsk.
Omtrent vier honderd wersten van Péledoni, voer ik voorbij Kirinsk of
Kiringui, een kleine stad, langs welke de Léna, en een weinig verder de
Kiringa loopt. Onder deszelfs huizen waar van geen één eenige vertooning
maakt, onderscheid men de kerk die van steen is.
1788. _Julij_ Den 29.
Den oever langzaamerhand breeder en zandachtiger wordende, wierden wij
dikwijls door paarden getrokken;[213] de lijnen braken wel eens, dog ik
maakte mij deswegens niet ongerust; het genoegen van voorttespoeden
boezemde mij een blind vertrouwen in, waar voor ik echter welhaast
gestraft wierd. In de nagt van den 29 stootte mijn schuit op een rots,
welke de duisterheid voor ons verborg; de lijn brak door de geweldige
schok, en ons vaartuig was in een oogenblik met water vervuld; wij
hadden naauwlijks de tijd om het zelve naar de kant te brengen, die wij
niet dan door vereenigde poogingen konden bereiken; dadelijk ging ik op
een der paarden zitten en plaatste mijn kistje voor mij; wij waaren maar
vier wersten van een Dorp, en dus was het gemaklijk om dadelijk hulp te
verkrijgen; men ging mijn schuit opzoeken die geduurende den dag
vermaakt wierd, en den volgenden morgen hervatte ik mijne togt.
[213] Naar maate men Irkoutsk nadert, word de rivier enger. Ik
bespeurde ook dat de velden beeter bebouwd waaren, het graan voor al
stond zeer schoon.
_Augustus_ Den 1.
Wanneer ik het dorp Usting verliet, zag ik eene aanmerkelijke zoutgroef,
en wat verder drie _zavodes_ of koper smelterijen.
1788. _Augustus_ Den 4.
Ik verlaat mijn vaartuig.
Mijn vaartuig was voor de tweede maal gebrooken, en ik had het zelve nog
eens in der haast doen vermaaken; dog dien dag wanneer het roer, door
onophoudelijk langs den grond te schuuren, weg gevoerd wierd, als meede
een soort van kiel het geen men onder het zelve vastgemaakt had, verliet
ik de schuit, die ten voordeele van mijn getrouwe Golikoff was.
Den 5.
Ik voorzie mij van paarden en vervolgens van een kibitk.
Ik voorzag mij te Toutouze, omtrent drie honderd zeventig wersten van
Irkoutsk gelegen, van paarden, en na het kleine vlek van Virkhalensk
doorgetrokken te hebben, bereikte ik, des namiddags ten twee uuren dat
van Katschouga, alwaar de reizigers zich gewoonlijk ontscheepen om de
bogt van de Léna te vermijden, die daarenboven ook welhaast onvaarbaar
word; men vind in dit dorp de _Kibitks_[214] of Russische rijtuigen op
vier wielen, die door bannelingen en van tijd tot tijd door Bratskis
gereeden worden.
[214] Deeze Kibitks hebben de gedaante van eene lange wieg, en hangen
nergens aan vast; hoewel men 'er in leggen kan, gevoelt men echter
niet te min al derzelver schokkingen.
Aanmerkingen omtrent de Bratskis.
Tusschen Katschouga en Irkoutsk is een _step_ of onbebouwde streek,
welke alleen door die Bratskis bewoond word, zijnde dit eene bevolking
van herders, die men voor afstammelingen van de Tartaaren zou houden,
dewijl zij zo veel gelijkenis met deeze hebben. Zy vertoonen iets woest
en wild in derzelver gedaante, ook zijn het groote dieven; men nam er
een onder mijn oog gevangen die vee gestolen had; derzelver kudden zijn
talrijk en bestaan uit ossen, koeijen, paarden en voornamelijk uit
schaapen; mijne snelle voortgang belette mij, van mij in derzelver
wooningen te begeeven, en daar door omtrent hunne zeden uitgebreider
aantekeningen te maaken.
1788. _Augustus_ Den 6. Te Irkoutsk.
Aankomst te Irkoutsk.