Ik meende een beer te dooden die langs den oever wandelde, ik deed een

snaphaanschot op hem met hartenhagel; niettegenstaande zijne kwetsuur,

vlugtte hij boschwaards en ik verloor hem uit het oog. Een oogenblik

daar na, miste mij een schoon rendier dat vijftien treeden van ons

wegvlood, uit hoofde dat mijn snaphaan nog niet weder gelaaden was. Ik

zag ook verscheiden argalis, ooijevaars, ganzen, en een vos, dog ik kon

'er geen van bereiken.

Dien dag zag ik voor de eerstemaal zedert mijn vertrek van

Yudomokoï-krest, een pijnboomen bosch; daar entegen waaren de dennen

bosschen die zich links en regts aan mijn oog vertoond hadden,

ontelbaar; het is de laatstgemelde boom[188] welk de masten en ander

scheepshout voor alle de werven die op deeze kust gevonden worden

oplevert.

[188] Deeze word hier te land LISTUENISCHNOYÉ-DÉREVO genaamt.

1788. _Junij_ Den 21.

Bij mij ontdekte zich eene ongesteldheid door een aanval van koorts, dog

ik sloeg daar weinig acht op; alleen bleef ik in mijn schuit slaapen, en

mijn leefregel bepaalde zich tot het drinken van koud water. Ik hield

des nagts niet meer stil, dewijl onze vaart zeer gemaklijk was geworden.

Snelheid en rigting van de Yudoma.

Hoewel men het mij verzekerd heeft, heb ik nogtans moeite om te gelooven

dat de Ourak snelder afloopt dan de Yudoma. Wij reisden op deeze tien,

twaalf en somtijds twintig wersten in een uur; haare meest gewoonlijke

richting scheen mij westelyk te zijn; aan deszelfs mond vormt zij een

groot aantal kleine eilandjes.

1788. _Junij_ Den 22.

Wij komen in de Maija.

Des morgens ten twee uuren geraakte ik in de Maya, neemende den weg ten

naasten bij noordwaards en somtijds een weinig naar het oosten; de

oevers van deeze rivier zijn minder steil, en minder dor dan langs de

voorige; bij tusschenpoozen echter ontdekt men daar bergen en zelfs

rotzen: het onderscheid tusschen de beide stroomen wierden wij echter

veel meer gewaar, dewijl wij maar vier wersten in een uur konden

afleggen.

Ontmoeting van negen vaartuigen.

Omtrent op het midden van den dag, zagen wij negen vaartuigen ons te

gemoet komen, beladen met allerleie voorraad voor den togt van de Heer

Billings; zij voeren, door menschen getrokken, de rivieren op, welken

wij afzakten; ik kon ze niet naderen; dog ik vernam dat de Officier die

ze naar Okotsk geleidde, de Heer Behring was, de Zoon van dien zeeman,

aan wien Rusland zo veele gewigtige ontdekkingen op de noordwest kust

van Amerika verschuldigt is: hij dagt, zeide men mij, omtrent een en een

halve maand bezig te zullen zijn om den togt te doen die ik in vier

dagen had afgelegd.

1788. _Junij_ Den 23.

De muggen waaren ons tot eene onverdragelijke last; wij konden ze niet

afweeren dan met de rook van verrot hout; wij gebruikten de voorzorg om

het vuur dag en nagt aan den gang te houden.

Uitwatering van de Maya in de Aldann.

In den agtermiddag, verliet ik de rivier Maya, om in eene andere die

veel breeder en snelder was te komen, genaamt de _Aldann_[189]: dog ik

voer dezelve alleen over om eene wooning te bereiken aan de overkant

gelegen, regt tegens de mond van de Maya over[190].

[189] Zij valt op eenigen afstand en ten noorden van Yakoutsk in de

Léna.

[190] Deeze plaats word _Oust-mayar pristann_ genaamt, of de haven van

de mond van de Maya.

Bijzonder toeval dat mij paarden verschaft.

Daar vond ik zee-soldaaten voor den togt van de Heer Billings geschikt,

die mij voorsloegen om van verscheide transport paarden onlangs

aangekomen gebruik te maaken, en welken in het terugkeeren, mij tot

_Amgui_ konden brengen; volgens mijn reis-maat, moest ik mij te scheep

naar _Belskaïa-Péréprava_ begeeven, alwaar de gewoonlijke weg van Okotsk

naar Yakoutsk langs loopt; dog de weg over Amgui neemende, zou ik

aanmerkelijk winnen; hier van verzekerd zijnde, en het gelukkig geval

het welk mij goede paarden verschafte, deed mij van mijn ontwerp afzien.

Ik betaalde mijne geleiders[191], die order hadden om hunne schuit te

Belskaïa-Péréprava agter te laaten, namelijk, nog honderd vijftig

wersten verder, en die bij gevolg voortgingen met de Aldann aftezakken.

Zij waaren nog geen werst ver, of het deed mij reeds leed dat ik ze

afgedankt had; de Yakouters aan wien deeze paarden toebehoorden, en die

bevreest waaren van ze te veel te zullen vermoeijen, hadden met

ongenoegen vernomen dat ik 'er mij van dagt te bedienen; daar zij dit

niet opentlijk durfden laaten blijken, poogden zij de vlucht te neemen;

men zogt hen optespooren, en door veele beloften, bragt men ze terug. Om

zich van dezelve te verzekeren, moest men ze allen in een isba

opsluiten, waar uit men ze den volgenden morgen niet liet komen, dan

onder voorwaarde dat ze mij tot Amgui zouden brengen; intusschen had men

de voorzorg gebruikt om tien van de beste paarden tot mijn gebruik

uittekiezen.

[191] In de vijf dagen dat ik scheep geweest was, had ik bijna zeven

honderd wersten afgelegt.

1788. _Junij_ Den 24.

Vertrek van Oustmaya-pristann.

Na wel geslaapen te hebben, het geen mij geheel herstelde van mijne

ligte onpaslijkheid, stapte ik vrolijk te paard, gevolgt van deeze

Yakouters die door Golikoff aangesproken en gedweë-er gemaakt waaren. Ik

was over derzelver vergenoegtheid verwondert, zij zongen de geheele weg

over.

Yakoutsche zangen.

Derzelver zangkunst is niet zeer aangenaam, deeze bestaat in een

geduurige en eentoonige trammelant die ze uit de keel voortbrengen; zij

zijn daar en boven zeer vaardig om iets voor de vuist optestellen; de

woorden kosten hun geen moeite nog overleg; zij vinden stof in alles wat

hen omringt of wat ze denken. Laat een vogel aan haar zij opvliegen, en

ziet daar reden genoeg om een uur over te zingen; dit is geen

uitwerkzel van derzelver levendige verbeelding, want het gezang zal tot

aan het einde toe zich bepaalen om te herhaalen, _dat 'er een vogel zo

weggevloogen is_.

Bijzonderheden van mijne reis tot aan Amgui.

Meer dan honderd wersten lang, reeden wij door een losse moerassigen

grond, waar onze paarden zodanig inzakten dat wij genoodzaakt waaren van

aftestijgen om ze 'er uittehelpen; het overige van de weg was minder

slegt. In het midden van een groot bosch, zag ik op den oever van een

meir, twee visschers bezig om derzelver voorraad voor de winter te

vangen; zij hadden geen ander verblijf dan een afdak van boomschors: op

het einde van de zomer, gaan zij bij derzelver ouders een zekerder en

warmer schuilplaats zoeken.

Den 25.

Wij hadden regen in overvloed, dog vooral van des namiddags ten vier,

tot des avonds ten agt uuren wanneer ik stil hield: om 'er van bevrijd

te weezen, plaatsten mijne Yakouters op derzelver schouders een

beerenvel op de wijze van een kraag; door een paardestaart vastgemaakt

aan een dikke zweepstok, bevrijden ze zich van de muggen; wij wierden

'er zodanig van geplaagt, dat ik niet lang wachtte om tot derzelver

muggejagt toevlucht te neemen.

1788. _Junij._ Den 26.

Deeze dag leverde niets bijzonders op; des avonds bereikte ik den oever

van de rivier Amga, twee honderd wersten van de haven aan de mond der

Maya. Deszelfs diepte benam ons de lust om dezelve door te waaden,

echter waaren alle de schuiten aan de overkant; te vergeefs riepen wij

dat men ons zou komen afhaalen. Een mijner geleiders, onverduldig dat

hij niemand zag opdagen, ontdeed zich van zijne kleederen, en zwom over

om een schuit te gaan haalen; de overtogt van onze caravaane duurde een

uur; wij steegen dadelijk weer te paard om de wooning van een Yakoutsche

Prins te bereiken, die _Girkoff_ genaamd was. Onder weg, vond ik

verscheide Yourtes, dog allen ten minsten een uur van den anderen

gelegen; wanneer wij eenige treden van die van Knesetsk of van den Prins

af waaren, reed mijn Soldaat Golikoff voor uit, om hem te beduiden, dat

hij mij wel ontfangen moest.

Onthaal het geen mij een Yakoutsche Prins aandoet.

Hij onthaalde mij in der daad zeer vriendelijk; niet alleen bood hij mij

zijn yourte, melk en zeer smakelijke boter aan, dog daar en boven

beloofde hij mij, dat zijne beste paarden[192] den volgenden dag tot

mijnen dienst waaren; weetende dat ik rust noodig had, wees hij mij het

afgeschoote huisje aan, dat hij voor mij geschikt had, en terwijl men

het zelve gereed maakte, had hij de beleeftheid mij zijne geheele

wooning, een der fraayste in dit soort, te laaten zien.

[192] Behalven zijn ander vee, bezat dien Prins een stoeterij van twee

duizend paarden die in een goeden staat waaren, hij had 'er een groot

aantal verlooren bij de bevoolen overbrenging der goederen voor den

togt van de Heer Billings; de manier waar op hij mij onderhield over

zijne onderwerping aan de wil van zijne souvereine, deed mij

besluiten, dat hem geene opofferingen tot betooning van zijnen iever

te zwaar vielen.

Beschrijving van eene Yakoutsche yourte.

De grootte van deeze huizen verschilt, naar maate dat den eigenaar meer

of minder rijk, of zijn gezin meer of min talrijk is. Overeind

geplaatste balken den een naast den ander, en bedekt met klei-aarde,

vormen deszelfs muuren, die niet rechtstandig even als de onze opgaan;

bovenwaards digter aan elkander staande, onderstutten ze een dak,

welkers afhelling niet zeer steil is; in eenige yourtes, word het door

paalen ondersteund; eene deur geeft alleen toegang naar binnen, het welk

in twee-en afgedeeld is, gelijk ik reeds gezegt heb; het eindelijkste

gedeelte word door de menschen bewoond, die zich daar in afdeelingen

begeeven, welken op gelijken afstand naast de muuren verdeeld zijn; het

zijn hutten, die ik niet beter kan vergelijken als met de kleine

vertrekjes der dekofficieren op de Hollandsche scheepen; ieder paar

heeft het zijne; aan de andere kant van de muur hebben de beesten, de

koeijen, de kalveren derzelver verblijf; dit alles maakt maar eene stal

uit. In het midden van het gebouw is de schoorsteen geplaatst, zijnde

van eene ronde gedaante en van hout gemaakt; men bezorgd die om

ongelukken voortekomen, met een dik pleister van leemaarde; om het vuur

te ontsteeken, word het hout regt over eind in de schoorsteen geplaatst;

aan iedere uitspringenden hoek, maakt men een lange stok vast, waar uit

een ander op dezelve hoogte voortkomt, dienende om de keetel aan te

hangen, en ziet daar de haal en de hengel in gereedheid; het is

gemaklijk om die te vermenigvuldigen, indien men meer dan eene pot

behoeft heet te maaken.

Drank genaamd Koumouiss.

In een hoek van de yourte staat een leere tobbe geplaatst; alle dagen

doet men daar paardemelk in, die men met een stok, even als met een

karnstok, omroert. Een ieder die binnen komt, voor al de vrouwen,

verzuimen nooit, voor dat men zich aan ander werk begeeft, om die melk

geduurende eenige minuuten te karnen; dit leevert dien zuurachtigen en

nogtans aangenaamen drank op, welke men _Koumouiss_ noemt; wil men

dezelve nog meerder doen gisten, als dan word ze een der koppigste

dranken.

Mijn gastheer sprak het Russisch tamelijk wel[193]; ik maakte daar

gebruik van om van hem eenig onderricht over de gewoontens, de zeden en

de Godsdienst van zijne landsgenooten te bekomen. Ik zal het zelve,

beneevens de aantekeningen die mij reeds over deeze onderwerpen bezorgt

waaren, hier laaten volgen.

[193] Ik heb verscheide van die Opperhoofden ontmoet, welke deeze taal

zo eigen was als derzelver landtaal.

Gewoontens, Godsdienst, en zeden der Yakouters.

In het begin van de zomer, verlaaten zy hunne winterwoonigen, en begeven

zich met derzelver gezin en eenige paarden, landwaards om de inzameling

van het voeder voor het onguure jaargety te doen. Het is altoos op eene

aanmerkelijke afstand van derzelver yourte, en in de vrugtbaarste

streeken, dat zij deezen voorraad gaan zoeken. Geduurende dit verlaaten

van derzelver wooning, laaten zij hunne paarden onder de bewaaring van

derzelver knechten, en de omgelegen weilanden zijn voldoende om alle

hunne kudden te voeden.

Het jammerde mij zeer, dat ik hun maijfeest niet heb kunnen bijwoonen,

het welk zij uit blijdschap over de terugkomst van de lente vieren. Zij

verzamelen zich als dan in het open veld, brengen sterk gegiste

Koumouiss derwaards, braaden ossen en paarden, eeten en drinken tot zat

wordens toe, zingen, danssen en eindigen dit alles met toveryen;

derzelver chamans bestieren deeze feesten, en verkondigen daar hunne

buitenspoorige voorzeggingen.

Deeze waarzeggers zijn hier vrijer en meer geëerbiedigt dan in

Kamschatka; verklaarders van den wil der Goden, verleenen zij hunne

bemiddeling aan den onweetende Yakouter, die hem al beevende smeekt, dog

die hem voor al betaalt. Ik heb sommigen dier misleiden hun schoonste

paard zien geeven om een chaman naar zijn dorp te brengen. Niets is

afgrijselijker dan de toverdiensten van deeze bedriegers: ik kende die

nog maar alleen bij overlevering, en ik was begeerig om dezelve

bijtewoonen. Ik was getroffen over de getrouwheid van het verhaal het

welk men mij deswegens gedaan had: dog daar ik het met eene gelijke

naauwkeurigheid opgegeeven heb, kan ik niet anders dan den leezer

derwaards verwijzen[194]. Ik zal mij dus vergenoegen met hun een

afbeeldzel van den Chaman die zich hier aan mij vertoonde, te geeven.

[194] Ziet het eerste deel, pag. 156.

Omhangen met een kleed, het welk van bellen en yzere plaaten voorzien

was, welkers geluid het hoofd duizelig maakte, daar en boven sloeg hij

op zijn _bouben_ of trommel, met een geweld dat geschikt was om vrees

aantejaagen; vervolgens als een dwaas ginds en herwaards met de mond

open loopende, beweegde hij het hoofd in allerleie bogten, zijne

loshangende hairen bedekten hem het aangezicht, van onder zijne lange

zwarte maanen[195] hoorde men een wezentlijk gebrul, het welk door

geschrei en een geschater van lagchen gevolgt wierd, zijnde dit de

gewoonlijke Voorbereidzelen tot de openbaaringen.

[195] Onder de Yakouters, die het hair allen kort draagen, is het

gemaklijk de Chamans te kennen die ze laaten groeijen, en ze

gewoonlijk agter het hoofd vast knoopen.

In de afgoderij der Yakouters, hervind men alle de dromerijen, alle de

bijgeloovige gebruiken der oude Kamschatters, der Koriaken, Tchouktchis

en andere volkeren van deeze streeken; zij bezitten echter uitgebreider

grondbeginzelen, en dwars door de belagchelijkste verdigtselen heen,

waar meede zij zich voeden, ontwikkelen zich vrij scherpzinnige

denkbeelden over het Opperweezen, over de wonderwerken, en de

toekomstige belooningen en straffen.

Voornamelijk was ik verwonderd over de levendigheid en eigenzinnigheid

van hunnen geest; zij scheppen behaagen in het verhaalen van fabelen,

getrokken uit derzelver belagchelijke verdigtsel geschiedenis

(mythologia), welken zij met de stelligste ligtgeloovigheid aan anderen

meededeelen. Wanneer men die met de onzen vergelijkt, vind men zo veel

reden niet meer, om onze vroegere en hedendaagsche schrijvers te

bewonderen, dewijl men dit vak door diergelijke meededingers ziet

behandelen; hier volgen twee van die fabelen, welke Golikoff mij

spreekwijs voor spreekwijs vertolkte.

_Het gebeurde eens, dat 'er in een groot meir een hevige twist ontstond

tusschen de verscheiden soorten van visschen; het verschil was over het

oprichten van een opperste rechtbank, dewelke het geheele visschen heir

moest bestieren; de haringen, en de kleine visschen begeerden een gelijk

recht als de salm, om daar in toegelaaten te worden. Van woorden tot

woorden geraakten de hoofden verhit, men kwam zo ver om zich met kracht

te vereenigen tegen die groote visschen, die de zwaksten beledigden en

hinderlijk waaren, hier uit ontstonden inlandsche en bloedige oorlogen,

dewelken door de vernieling van een der twee partijen eindigden, de

overwonnelingen die de dood ontsnapt waaren, namen de vlucht naar enge

waters, en lieten de groote visschen, welken de overwinning behaald

hadden, alleen meester van het meir. Ziet daar de wet van den

sterksten._

De andere fabel gelijkt meer na de verhaalen van onze oude wijven, die

de schrik der kinderen en het vermaak der bejaarden in onze (fransche)

dorpen zijn. Ik ben niet vreemd van te gelooven, dat deeze het werk van

den een of anderen Chaman is.

_Een Yakouter had zich oneerbiedig tegens zijn Chaman gedraagen of hem

beledigt. Om deeze te wreeken, veranderde de duivel zich in eene koei,

en zich gemengd hebbende onder de kudde van den schuldigen, terwijl die

langs een bosch ging graazen, wist hij de beste vaerzen daar van te

ontvoeren; wanneer den herder des avonds terug kwam, joeg zijn verbolgen

meester hem onbarmhartig weg, hem beschuldigende van door zijne

zorgeloosheid, de oorzaak van dat verlies te zijn. Op dit oogenblik

vertoond zich de duivel in een herders gewaad; men neemt hem aan, en den

volgenden morgen brengt hij de koeijen naar de velden. Een, twee dagen

loopen voorbij, en de Yakouter ziet zijne kudde niet opdagen. In de

uiterste ongerustheid, vertrekt hij met zijne vrouw, zoekt ginds en

derwaards, ontdekt dezelve eindelijk, dog in welk eene verwarring! Op

zijne aannadering, gaan de koeijen aan het loopen, en op het geluid der

fluit van den trouwloozen herder ook aan het danssen[196]; de meester

raast, en schreeuwt. "Houd stil, roept de duivel hem toe, het staat u

wel om my te verwijten dat ik gestoolen heb, gij die misbruik maakte van

het vertrouwen van den allerachtingswaardigsten Chaman; laat dit

gebeurde u ter leering verstrekken. Geeft ieder het geen hem toekomt".

Op deeze woorden, verdween de kudde en den herder, en den armen Yakouter

verloor al zijn goed._

[196] Het instrument dat ik hier met de naam van fluit bestempel, is

een uitgehold been het geen ten naasten bij als onze pijpfluiten

bewerkt is, de toonen welken de Yakouters daar uit haalen, zijn niet

minder scherp.

Zedert dien tijd, wierd de plaats waar dit gebeurde, voor het verblijf

der helsche geesten gehouden; de ongeloovigen mogten zeggen, dat,

volgens alle waarschijnlijkheid, den beroovenden duivel niemand anders

dan de chaman zelfs was; de eenvoudigheid der weltevreedene Yakouters

kon deeze verdenking niet verdraagen, welke zij voor een gruwelijke

lastering hielden.

Men had mij meenigmaal in de bosschen, overblijfzelen van oude

Yakoutsche graven, getoond; dit waaren zeer plompgemaakte en aan de

takken van de boomen opgehangen doodkisten; mij is onbekend, waarom zij

van het gebruik afgezien hebben om dus hunne dooden aan de open lucht,

en ver van derzelver wooningen, bloottestellen; tegenswoordig begraven

zij die op de wijze der Christenen.

De lijkplechtigheden geschieden met een soort van praal, die min of meer

prachtig is naar maate van het aanzien en den rijkdom van den

overleedene. Indien het een Prins is, bekleed men hem met zijne rijkste

kleederen en beste wapenen; het lijk in de doodkist gelegd, word door de

vrienden, tot aan den rand van het graf gedraagen; een luidrugtig geklag

kondigt deeze naargeestige trein aan; het begunstigste paard van den

Prins, en het beste uit de stoeterij, beiden rijk opgezadeld, en door

een knegt of den een of ander naastbestaande geleid, gaan ter zijde van

de kist; aan de begraafplaats gekomen, worden ze aan twee paalen[197]

bij het graf gesteld, vastgemaakt; terwijl men derzelver meester in de

aarde zet, worden ze op zijn lighaam gedood, en deeze bloedige

offerhande is een eerbewijs, verschuldigd aan zijne genegenheid voor

deeze dieren, die gehouden worden dat ze hem in de andere waereld zullen

volgen, alwaar men hoopt dat hij 'er nog genot van zal hebben. Echter

brengt men die ter dood, het vel en het hoofd dat aan elkander blijft,

word digt bij het graf in eene horisontaale richting aan boomtakken vast

gemaakt, en ziet daar het praalgraf; vervolgens ontsteekt men een

houtmijt, en de laatste vriendschapsblijk voor den overledene bestaat

daar in, dat men zijne twee geliefde paarden aldaar braad en op eet;

deeze maaltijd geeindigt zijnde, gaat ieder zijns weegs. De zelfde

plechtigheid word ook omtrent een vrouw in acht genomen: in plaats van

een paard, slagt men de koei, waar van zij het meeste werk pleegde te

maaken.

[197] Deeze paalen ontbloot van deszelfs schors, zijn of met

verscheide couleuren geverwt, of met wonderlijke figuuren vercierd.

De Yakouters zijn sterk en over het algemeen groot, het geheel van

derzelver gelaatstrekken heeft eenige overeenkomst met de gedaante der

tartaaren; men zegt zelfs dat de beide taalen veel overeenkomst hebben;

al wat ik daar van zeggen kan, is, dat de Yakouters zeer afgebrooken

spreeken, en dat ze hunne woorden niet zamenbinden.

Derzelver kleeding is eenvoudig en ten naasten bij zomers en des winters

hetzelfde; het eenigste onderscheid bestaat daar in, dat dezelve in het

laatste jaargetij, met pelterijen gevoerd zijn. Over het hemd, draagen

zij gewoonlijk een groot overgeslaagen vest met mouwen; derzelver broek

gaat maar ter halver weg van de deijen; dog lange laarzen _sarri_

genaamt gaan hun tot boven de knie-en. Wanneer het warm is, houden ze

niets van dit alles dan de broek aan.

Zij verbeelden zich beter dan eenig ander volk van de waereld te paard

te rijden, hunne verwaandheid ten deezen opzichte gaat zo ver, dat ze

met versmading vermijden, om aan wat reiziger ook als te vrolijke

paarden[198] te geeven.

[198] Wanneer ik van hunne zadels sprak, had ik 'er moeten bijvoegen

dat de stijgbeugels daar van zeer kort zijn.

De veelwijverije behoort bij dit volk tot derzelver staatkundige

grondbeginzels; genoodzaakt om menigvuldige reizen te doen, bezitten zij

vrouwen op alle plaatsen waar zij stil houden, en nooit brengen zij die

bij elkander; des niettegenstaande zijn ze uitermaaten jaloursch, en

gezwooren vijanden van ieder die de rechten der gastvrijheid wilde

schenden.

1788. _Junij_ Den 27.

Vertrek van Amgui.

Door de goede voorzorg van de Prins Girkoff, vond ik bij mijn ontwaaken

negen fraaije paarden alle gezadeld[199]; hij begeerde dat ik zijn

geliefkoost paard beklom, het welk volmaakt de tel gang ging; overlaaden

van zijne vriendelijkheden, verliet ik hem vroegtijdig, in de

troostrijke hoop van meermaalen woonplaatzen te zullen aantreffen,

alwaar ik van paarden zou kunnen verwisselen, en somtijds mijne nagtrust

neemen.

[199] Voor drie paarden betaalt men hier zo veel, als voor één in

Siberien.

Afbeeldzel van eene kwaad doende Godheid.

Eenige treeden van deeze yourte die _Amguinskoi-stanovie_ of rustplaats

van Amgui genaamd, word, zag ik op de weg eene houte afbeelding van een

vogel, zo groot als een endvogel of water-raave; dit is de zinnebeeldige

gedaante van eene kwaad verwekkende Godheid, de schrik van dit gewest;

men vertelt ten zijnen opzichte de zotste verhaalen, men geeft onder

anderen voor, dat deeze booze geest somtijds de reizigers heeft doen

verdwaalen, en derzelver paarden verslonden.

Ik stapte des avonds af, bij eene andere Yakoutsche Prins[200] die

zedert kort zijne zomerwooning betrokken had, dewelke mij even zo

zindelijk als aangenaam voorkwam: ziet hier de beschrijving van deeze

_ourassis_; dit is de naam welke men aan deeze schilderachtige wooningen

geeft.

[200] Ik zou telkens het zelfde moeten herhaalen, indien ik verslag

wilde doen van het goed onthaal, dat ik bij alle deeze Yakoutsche

Prinsen genoot.

Zomerwooningen der Yakouters.

Even als de yourtes der zwervende Koriaken, zijn deeze rond, ruim en met

een minder aantal stokken zamengesteld, dog op dezelfde wijs geplaatst,

en rondom onderstut door dunne boogsgewijze dwarsbalkjes; het geheel is

met berkenschors overdekt[201]; van boven naar beneden met banden van

agttien duim breed vastgehegt; de randen deezer banden zijn kleine

gemaakte zelfkanten, van deeze schors festonsgewijs uitgesneeden; men

behangt de wooning van binnen in dezelfde smaak; de eigenaar schikt de

tekening daar van na zijn zin; waar in gewoonlijk eene mengeling van

coleuren heerscht, die niet onbevallig is; deezen opschik verciert ook

de huisjes of hutten en de bedden van de hoofden der huisgezinnen; de

dienstboden slaapen op vellen of matten op den grond; het vuur word in

het midden van het huis aangelegd.

[201] In de lente ontdoed men deezen boom van deszelfs schors.

Den 28.

Ik kwam aan de rivier Sola die ik geduurende een geruimen tijd langs

reed; de hette hinderde mij niet minder dan de muggen, en ik was zo

dorstig, dat ik aan iedere yourte stil hield om Koumouiss te vraagen.

1788. _Junij_ Den 29.

Komst te Yarmangui.

Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz. · 第 26 / 31 段