Indien het gebeurde, dat ik eenige ligtgraauwe konijnen doode, was dit

ten voordeele van mijne Yakouters, uitgezondert het vel, dat ze mij

wedergaven; Golikoff had mij dit vleesch tegen gemaakt, dat ik op zijn

woord voor zeer slegt hield. Eens echter, bekoord door de witheid van

deeze kleine gekookte beestjes, was ik begeerig daar van te eeten; zij

hebben den smaak van het dennenhout, dog minder onaangenaam als men mij

gezegt had. Op een tijd, dat wij gebrek hadden, heb ik mij daar wel aan

vergast, en ik kan gemaklijk begrijpen, dat de Yakouters zulks voor eene

lekkernij houden.

Gewoonlijk voedzel der Yakouters.

Derzelver voornaamste geregt, het welk zij _Bourdouk_ noemen, stond mij

veel meer tegen; dit is een dik afkookzel van roggemeel[181] en water in

het welk zij vischtraan mengen, na dat ze het van het vuur genomen

hebben: zij konden daar zo veel van gebruiken, dat ik 'er van ijsde. In

het algemeen worden ze voor de grootste eeters gehouden; somtijds, voegt

men 'er bij, braaden ze een paard om zich eens degelijk te vergasten,

het welk in weinig uuren door een klein aantal van gasten opgebruikt

word; al wat de maag of pens van het dier bevat, is voor hun geen

versmadelijk beetje. Wie zou gelooven, dat menschen van zulk eenen

verslindenden aart op een anderen tijd eene maatigheid bezitten, die ons

ondragelijk zou toeschijnen, en dat zij menigmaal genoodzaakt zijn

verscheide dagen zonder eeten te weezen?

[181] Bij gebrek van roggemeel neemen zij de schors van jonge

pijnboomen, kooken die vervolgens en maaken ze fijn.

1788. _Junij_ Den 12.

Ik wierd vroegtijdig door mijne wegwijzers wakker gemaakt, die mij

kwamen zeggen, dat het water des nagts merkelijk gevallen was; terwijl

men ons reisgoed oplaadde, zag ik eenige lieden te paard ons naderen,

die om dezelfde reden aan de andere zijde waaren opgehouden, zij hadden

om aan onzen kant te komen geen het minste gevaar geloopen, en zij

stelden ons gerust.

Ontmoeting van eene Caravane Kooplieden.

Dit waaren in verval geraakte Kooplieden, die het geluk gingen

beproeven, als gemagtigden van een rijk handelaar, wiens vooruitzichten

in den handel de goedkeuring van het hof en al de ondersteuning die hij

benoodigt was, hadden verworven; deeze hadden ten oogmerk den handel in

pelterijen, voornamelijk in Sabelmarters, in het land der Koriaken of

bij de Tchouktchis gevangen; die factooren moesten zich van den mond der

rivier Pengina af tot diep landwaards in verspreiden; de reis zou vier

of vijf jaaren duuren; zij waaren niet alleen voorneemens om overal

bontwerk te koopen, dog daar en boven om zelfs de dieren, die 'er van

voorzien zijn, te vangen: en daar zij geen andere beletselen vreesden

dan die hen door de Inlanders konden veroorzaakt worden, hadden zij zich

van wapenen en kruid en lood voorzien, ten einde in staat te zijn om

derzelver aanvallen afteweeren.

Wanneer zij ons verlieten, sloegen zij een blijk van medelijden op onze

ellendige paarden, terwijl wij met een benijdend oog de sterkte en

welgesteldheid van de hunnen beschouwden. Uit den omtrek van Yakoutsk

gekomen, alwaar men wintervoeder opzamelt, vertoonden deeze dieren vlak

het tegengestelde van de onzen, welke mij nu door vergelijking nog veel

slegter voorkwamen.

Wanneer wij de rivier overgetoogen waaren, vroeg ik aan mijne

wegwijzers, of ik nu hoopen kon, dat dit voor de laatste keer zou zijn;

"Neen, zeiden zij, voor dat de dag geeindigt is, moeten wij 'er nog drie

overtrekken".

Uit de beschrijving, die zij 'er mij van deeden, maakte ik op, dat dit

wederom armen van de Ourak moesten weezen. Wat hier ook van zijn mogt,

mijn vrees vernieuwde bij iedere doortogt, het denkbeeld dat een paard

aan het waggelen raaken en met mijn kistje kon vallen, deed mij huiverig

zijn.

Uitsteekende dienst welke Golikoff mij bewijst.

Uit een digt bosch komende, bevond ik mij aan den oever van een

geweldigen waterstroom; deeze nieuwe rivier was van eene ongemeene

snelheid, en deszelfs breedte weinig minder dan twee honderd treeden, ze

valt hier digte bij in de Ourak. Echter oordeelden wij dezelve waadbaar,

en in dat vertrouwen zette ik mijn paard aan om 'er in te gaan: omtrent

in het midden voelde ik dat zijne beenen waggelden; ik moedigde het

beest aan, het hield stand, ging voorwaards, en het water ging mij maar

tot aan de knie-ën; stouter geworden zette ik mij weder in het zadel,

want het gezicht van den stroom veroorzaakte mij eene geduurige

ontroering, en mijn lighaam hing geheel over eene zij; als ik eindelijk

bijna aan den kant geraakte, welkers hoogte nieuwe poogingen vereischte,

moest ik, om daar op te komen, over een kaaij van ijsschotsen, die 'er

aan vast was klouteren; deeze was wel zeer steil, dog ik zou te

vergeefsch eenen anderen doortogt gezogt hebben. Ik nam dan mijn

besluit, en ik bragt het dier bij deezen gevaarlijken oever. Reeds

waaren zijne voorpooten daar op geplaatst, en het deed zijn best om ook

de agterpooten daar op vast te klampen, dog op het zelfde oogenblik

glijdt hij uit, en valt agter over; wij geraakten van elkander en beide

aan het zwemmen; de plaats was diep, de zwaarte mijner kleederen

belemmerde de minste beweeging, die ik maakte; door den geweldigen

stroom weggesleept, evenals mijn paard, dat digt bij mij zwom, verloor

ik ongevoelig mijne krachten; ik geraakte na de t'zamenvloeijing der

twee rivieren, wanneer ik mij eensklaps hoorde toeroepen: zoek uw paard

te vatten, of het is met u gedaan; deeze stem, en het nabijzijnde

gevaar versterkten mij; ik werkte met alle magt, strekte de hand uit, en

greep den teugel; de Hemel waakte ongetwijffelt over mijne behoudenis,

want ter zelfder tijd voelde mijn paard grond en stond stil; een

oogenblik laater en wij waaren verlooren geweest: ik hijste mij langs

den toom tot aan den hals van het paard, waar aan ik mij sterk

vasthield, ik bleef dus als tusschen leeven en dood hangen, vreezende

mij te verroeren en met een groot geschreeuw om hulp roepende; mijn

getrouwe Golikoff had te vergeefsch getragt mij te volgen, de sterkte

van zijn paard had niet aan deszelfs iever beantwoord. Hij was het, die

in zijne onverduldigheid mij den heilzaamen dog schrikkelijken raad

gegeeven had, van mij aan den toom te houden; zo dra hij 'er het goed

gevolg van zag, verdubbelde hij zijne poogingen om den oever te

bereiken, daar op te springen, naar mijn paard te loopen, hetzelve

buiten het water te trekken en mij het leeven wedertegeeven, dit alles

was voor hem het werk van vijf minuuten.

Mijn eerste zorg was, na dat ik mijn verlosser omhelsd had, van de hand

in mijn gordel te steeken en daar mijn brievetas uittehaalen.

Niettegenstaande dat dezelve in gewast linnen gewonden was, had het

water 'er nogtans ingedrongen, en ik beefde over twee brieven van

belang, die mij bijzonder door den Heer Graaf de la Pérouze waaren

aanbevoolen, ik zag met blijdschap, dat dezelve niet zeer nat waaren.

Mijn kistje was aan den anderen kant gebleeven, dog mijne ongerustheid

deswegens verdween wel dra door de aankomst van den Heer Allegretti en

mijne andere meede reizigers, die het zelve in mijne handen stelden. Zij

waaren nog verbleekt en ontstelt over mijn wedervaaren, en beschouwden

mijne redding als een wonder. Ik was te nabij aan mijn einde geweest om

niet van dezelfde gedagten te zijn.

Wij steegen vervolgens wederom te paard, dog ik moet bekennen, dat bij

de nadering van eene rivier het bloed in mijne aderen stolde; ik zond

altoos een van mijne wegwijzers voor uit en ik was niet gerust, voor dat

hij mij van den overkant een teken gegeeven had.

Wij reisden deezen dag even als alle de voorigen, zedert mijn vertrek

van Okotsk, geduurig dwars door de bosschen, alwaar wij den loop der

rivieren volgden. In de bosschen zijn de boomen,[182] die langs de wegen

staan, klein, dog zo digt en bezet met struiken, dat mijne Yakouters

verplicht waaren ons een weg met de bijl[183] te baanen, het geen onzen

togt nog meer vertraagde, zelfs zo dat wij nooit anders dan stapvoets

voortreeden.

[182] Het zijn meest wilgen of elzen boomen; dog wanneer men zich

dieper in de bosschen begeeft, vind men daar denne en berkenboomen van

eene fraaije hoogte.

[183] Zij bedienen zich tot dat einde van eene breede en lange plaat,

aan het einde van een stok van drie voet lang vastgemaakt; dit

wapentuig dient hun zo wel voor een lans als voor een bijl.

Aankomst te Ouratskoïplodbisché. Inwoonders van dit gehugt.

Ik kwam redelijk vroegtijdig te Ouratskoïplodbisché; dit was de eerste

bewoonde plaats, die ik zedert de verlaate yourte der schuitevoerders

aan den oever van de Ourak aangetroffen had, en ik bleef daar dien

geheelen dag uitrusten; deeze rivier loopt ook langs dit gehugt; het

getal van deszelfs inwoonders bepaald zich tot vier soldaaten, die ieder

een isba bewoonen. Zij zijn belast met de bewaaring van een magazijn,

alwaar men de goederen bewaard, die aan de kroon toebehooren, komende

van Okotsk of van Yakoutsk. Bij gelegenheid vervoeren zij de goederen

tot aan den mond van de Ourak, dog deeze is zodanig belemmerd, dan eens

door ondieptens, en dan wederom door watervallen, ook zijn de vaartuigen

zo broos, dat de scheepvaart daar niet minder gevaarlijk dan moeijelijk

is.

Den 13.

Oorsprong van de Ourak.

In den vroegen morgen voer ik met een schuit deeze rivier over, welke

niet wijd van een zeer groot meir ontspringt, waar omtrent wij ons dien

zelven avond neersloegen; op eene hoogte gelegen, kan het omtrent zes a

zeven wersten in den omtrek beslaan; men zegt, dat het zelve zeer

vischrijk is.

1788 _Junij_ Den 14.

Gewoonte der Yakouters, wanneer ze een paard op weg laaten leggen.

Ik moet hier van eene gebeurtenis melding maaken, die deezen dag onder

mijne Yakouters voorviel, wegens een paard, dat men op den weg moest

laaten leggen; zij hielden stil, en beraadslaagden zamen rondom het

dier, wat hen te doen stond. Onverduldig om die zamenspraak te zien

eindigen, ging ik derwaards om hun mijn misnoegen te betoonen, dog zij

kwamen mij voor, verzoekende mijne toegevendheid voor het uitstel dat

zij mij veroorzaakten; daar zij verantwoording schuldig zijn van de

paarden, welken men hen toevertrouwd, zo hebben zij de gewoonte, wanneer

zij, het zij door toeval of door zwaare vermoeidheid 'er eenige

verliezen, om die als dan den staart en de ooren aftesnijden, welken zij

aan hunne meesters te rug brengen, dewijl zij anders genoodzaakt zijn om

'er de waarde van te betaalen. In dit oogenblik was de vraag, of zij het

stervende paard zouden dooden; dit vereischte eenigen tijd, en ik was

niet zeer genegen om hun dien toetestaan. Ook antwoorde ik vrij bars,

dat 'er een veel eenvoudiger, veel korter, en minder wreed middel was.

Ik beloofde hen een getuigschrift het welk hun verlies zou inhouden, en

in plaats van de gewoonlijke bewijzen voldoen kon, terwijl ik het op mij

zou neemen dat zij dezelve niet mêebragten. Zij stemden zonder aarsselen

in mijn voorstel, en men zeide mij, dat ik hun verplichting schuldig was

voor deeze toegeevendheid.

1788. _Junij_ Den 16.

Ongeval het welk mijn Soldaat Golikoff bejegende.

In de hoop van spoediger te vorderen, belastte ik den ouden Nédarézoff

om op ons reisgoed te passen, en ik trok met de Heer Allegretti,

Golikoff en een Yakouter voor uit; wij naderden een moeras, deszelfs

diepte was omtrent van een voet; de Heer Allegretti en ik reeden daar

in, Golikoff volgde ons, houdende mijn kistje op zijn zaal, naauwlijks

was hij tien treeden voorwaards, of zijn paard viel voor over, en wierp

hem ter zijde; dog meer bezorgt over het geen onder zijne bewaaring was

dan wel omtrent zich zelfs, rolde hij over het kistje dat hij zorgvuldig

vast hield. Ik stapte aanstonds af om hem te helpen, hij was in de slijk

gevallen zonder zich te bezeeren; zijne meeste bevreesdheid was dat mijn

kistje nat zoude zijn, en hij kon zich deswegens niet gerust stellen,

dan wanneer hij zag dat het van binnen droog was.

Onze paarden waaren zodanig vermoeijd, dat wij genoodzaakt wierden te

voet te gaan, en dezelve bij de toom te trekken, terwijl onze Yakouter

ze van agter heftiglijk voortzweepte; wij reisden dus den geheelen dag,

om het half uur stilhoudende ter plaatze alwaar het nieuwe gras zich

begon te vertoonen[184], teneinde onze paarden gelegenheid te geeven van

zich te kunnen herstellen.

[184] Ik heb reeds van de spoedige groeijing gewag gemaakt, dagelijks

wierd deszelfs vordering zichtbaarder; de zo lang ontbloote boomen

verkreegen langzaam derzelver bladeren, en welhaast veranderden de

velden in een uitgestrekte weide, met bloemen geschakeerd; welk een

toneel voor een man wiens oog geduurende zes maanden niet anders dan

bevroozene vloeden, en met sneeuw bedekte bergen en vlaktens beschouwd

had! ik verbeeldde mij nu met de natuur te herleeven en van onder

deszelfs puinhoopen opterijzen.

Komst bij het kruis van Yudoma.

Omtrent ten drie uuren in den namiddag, bereikten wij Yudomokoï-krest,

of het kruis van Yudoma[185]. Op eene hoogte, van waar men de

overstroomingen deezer rivier kan braveeren, welke deszelfs onstuimig

water zeer ver voortstuuwt, ziet men verscheide magazijnen door vier

soldaaten bewaard, die derwaards vlugten, wanneer het water derzelver

wooningen, welke digter aan de rivier gelegen zijn, bereikt; deeze

dienen aan de reizigers ook tot schippers.

[185] Hier staat inderdaad een groot kruis aan den oever van de rivier

geplaatst.

Zwaarigheden die ik bij mijne inscheeping ontmoet.

Op het zien der bevelen die ik bij mij had, waaren ze ter mijner hulp

bereid. Ongelukkig bevonden zich derzelver schuiten in den aller

slegtsten staat. Ook waaren 'er geen werklieden nog gereedschappen om

dezelve te herstellen bij der hand: die mij van Okotsk nagezonden

moesten worden kwamen nog niet opdagen, en mijne inscheeping[186] ten

einde de rivieren Yudoma, Maija en Aldann aftezakken vereischte spoed.

Onder deeze soldaaten had 'er maar een die reis gedaan; het was reeds

negen jaaren geleden en hij had geheel de weg vergeeten: men raadde mij

om mij niet van hem te bedienen, dan wanneer alle de anderen zulks

weigerden.

[186] Het water viel dagelijks zichtbaar: een langer uitstel zou mij

aan het gevaar der ondieptens blootgesteld hebben, en hoe hadden wij

als dan de gedugte waterval vermijd!

Nédarézoff alleen was dus al mijn toevlucht; men had hem mij voor

stuurman gegeeven, dog welk een stuurman! twaalf jaaren waaren 'er

verloopen, zedert dat hij eenmaal die rivier was opgevaaren, en de

eenigste zaak waar van hij geheugen droeg, bestond hierin dat hij drie

jaar op den togt van Yakoutsk tot Okotsk toegebragt had; als toen

geleidde hij een aanzienlijk convooij van bouwstoffen, ankers, touwwerk

en meer andere zaaken, tot eene uitrusting dienende.

Verbeteringen aan een schuit gemaakt om meede te vertrekken.

Van de vier schuiten die aan den oever lagen, nam ik de beste en de

enigste[187]; in evenredigheid van twaalf voet lengte op de helft

breedte; dezelve nader beschouwende, bemerkte ik dat het gestopt,

geteerd en van vooren met een boord meerder bezet moest worden, ten

einde meer tegenstands aan het bruisschen der golven te kunnen bieden.

Een der Soldaaten die een weinig van het timmermans ambacht verstond,

was het gelukt om met twee planken en met spijkers uit een oude schuit

getrokken dit boord te maaken en vasttehegten, dog om het zelve verder

te herstellen ontbrak ons alles; de nagt overviel ons, zoekende

allerwegen in de magazijnen om iets te vinden, dat in de plaats van

hennip en teer kon dienen; alle onze naspooringen waaren te vergeefsch,

en tot aan den volgenden morgen kwelde ik mij onophoudelijk om eenig

hulpmiddel uittedenken.

[187] Deeze schuiten zijn plat en eindigen aan beide de uiterstens

puntig.

Met het aanbreeken van den dag, mijne arbeiders gaande bezoeken, trad ik

op een oud dik touw aan den oever geworpen; verheugd over deeze vond,

bragt ik het zelve aan mijne Soldaaten, op het oogenblik was het

doorgesneeden, en ontvlogten, ik bekwam vlas, en ziet daar ons bezig om

de drie voornaamste boorden te calfateren; het moeijelijkste was om het

werk te doen kleeven en vasttehegten; mijne werklieden sloegen mij voor

van deeze reeten met latwerk te stoppen; wanneer wij die vast wilden

maaken, ontdekten zich nieuwe zwaarigheden, zij hadden geen yzere haaken

nog spijkers, dog de behoefte wekt de schranderheid op. Aan iedere kant

van deeze naaden maakten wij gaaten met een boor, het welk ons eenigste

gereedschap was; zeer dunne ledere riemen welken ik onder mijn reisgoed

vond, wierden door deeze gaaten doorgehaald, en vervolgens met kleine

pinnen gestopt, waar door wij deeze latten geslooten kreegen en ons

vaartuig ondoordringbaar voor het water maakten; des namiddags ten drie

uuren was onzen arbeid volbragt, het roer op zijn plaats en de riemen in

gereedheid; ik beval mijn volk om zich tegens den anderen dag

reisvaardig te houden.

1788. _Junij_ Den 18.

De Heer Allegretti keert naar Okotsk te rug.

Op het oogenblik van ons vertrek, zagen wij een Caravaane van

Yakoutsksche Kooplieden opdaagen; zij gingen naar Okotsk, en ik raadde

de Heer Allegretti om van derzelver gezelschap gebruik te maaken. Wij

scheidden ten negen uuren; de dienstbewijzen en de betuigingen van

genegenheid, welke ik van dien achtingswaardigen heelmeester ontfangen

had, vertoonden zich op het oogenblik van ons laatste vaarwel allen te

gelijk voor mijnen geest en aan mijn hart.

Overtogt van de waterval.

Twee Soldaaten had ik voor roeijers genomen, en daar onder die geen

welke eertijds deeze reis gedaan had. Nédarézoff was aan het roer;

Golikoff en ik moesten hem vervangen, wanneer hij te zeer vermoeid

wierd; de snelheid van de stroom voerde ons met eene zodanige spoed

voort, dat wij niet behoefden te roeijen; volgens den weg dien wij

afleiden, twijffelden mijne twee Soldaaten niet, of wij zouden voor het

einde van den dag nog aan de vermaarde waterval komen, die omtrent ruim

tagtig wersten van de plaats van ons vertrek afgelegen was; derzelver

gesprekken liepen alleen over de gevaaren die ons daar wagtende waaren;

daar ik hunne onervaarendheid uit deeze redeneeringen, door de vrees

opgegeeven, kon bemerken, besloot ik zelfs daar van de proef te neemen;

ik meende alle voorzigtigheid te moeten gebruiken, ten einde mij niets

te verwijten te hebben. Ik liet mij dikwils aan land zetten en ik ging

langs den oever voor uit, om te ontdekken tot hoe ver wij zonder vrees

vaaren konden; tegens den avond verhief zich een west-noord-weste wind

die ons regen aanbragt. Ik wilde liever stil houden dan ons aan een zo

slegt wêer blootstellen, en ik liet mijne tent op de schuit opslaan.

1788. _Junij_ Den 19.

Na vier uuren vaarens, telkens afgebrooken door het aan de wal gaan, ten

einde te ontdekken of wij de waterval naderden, kreegen wij dezelve

eindelijk in het gezicht; verzeld van mijne twee stuurlieden, ging ik

aanstonds de plaats in oogenschijn neemen. Niet ver van daar wierd ik

een klein steenachtig eiland gewaar, het geen men niet ontdekt voor dat

het water begint afteloopen; mijne Soldaaten raadden mij het canaal in

te vaaren het geen wij aan onze rechterhand zouden vinden; hoe zeer

deszelfs loop zeer snel was, verzekerden zij mij echter dat deeze bijna

geene beweeging had, in vergelijking van de waterval; ons bleef dus maar

overig te weeten of het water hoog genoeg was. Deeze onderrichting

overwoog ik van alle kanten, en alle mijne beschouwingen mij van

deszelfs nuttigheid overtuigd hebbende, ging ik weder op het vaartuig

met het vaste voorneemen om 'er gebruik van te maaken. Ik moedigde zo

veel ik kon mijn volk aan, en plaatste mij vervolgens aan het roer;

Nédarézoff bleef bij mij; Golikoff plaatste zich zodanig dat hij een der

roeijers helpen kon, want wij hadden niet meer dan twee riemen. Wij

vorderden dus, met opgeheeven roeijspaanen, tot daar de twee stroomen

zich ontmoeten, waar van den een naar het canaal loopt en den ander zich

in de waterval verliest. De onstuimigheid van deeze zou ons in den

draaikolk weggesleept hebben, indien de juistheid en de poogingen mijner

roeijers zulks niet belet hadden; naauwlettend op het gegeeven teken,

zetten hunne gespierde armen de roeispaan kracht bij, en worstelen

tegens de golven; deeze verheffen zich en bruisschen; de geweldige

schokken welken die aan het vaartuig toebrengen, mijne geduurige

aanmoedigingen, en boven dat alles, de vrees van om te komen,

verdubbelde den iever mijner Soldaaten; eindelijk geraakten wij uit de

gevaarlijke stroom en roeijden het canaal in. Hoe bedaart scheen ons

deszelfs water na deezen verschrikkelijken doortogt! Om mijn volk wat

uit te laaten rusten, gaf ik mij geheel over aan het bespiegelen van den

zagten afloop: het roer alleen was genoegzaam om het vaartuig te

bestieren.

Zo dra wij aan den voet van de waterval waaren, deed mij de

nieuwsgierigheid agterwaards zien. Op deszelfs ijsselijk gezicht, beefde

ik; en dankte den hemel van mij een andere weg te hebben aangeweezen.

Van de tien vaartuigen die verplicht zijn deeze te volgen, kan men

rekenen dat 'er negen schipbreuk moeten lijden; dat dan de leezer

oordeele.

Wat zal 'er van dat brooze schuitje worden, het welk, het gevaar

tartende, zich door den vloed laat meesleepen? In deszelfs overhaastende

val, zie ik het de speelbal der watergolven worden, die den een op den

ander volgen, en die met een sterk geluid van de hoogte van twintig

voeten, op drie verbaazende rotzen neervallen, welken zij met schuim

bedekken. Hoe zal het zelve, zonder een wonderwerk, niet verzwolgen

worden? Hoe ontgaat het de verbrijzeling tegens deeze dreigende klippen,

langs welken het moet heenvaaren? En echter, wanneer het Canaal door

gebrek aan water onbevaarbaar is, word dit de eenigste weg die men

neemen kan. Mijne geleiders verhaalden mij dat voor en aleer men 'er

zich op waagt, men altoos de schuiten ontlaad, en dat daarin de voorzorg

en wetenschap der stuurlieden bestaat; deeze watervallen worden _Porog_

genaamt.

Wij moesten nog eene plaats doorvaaren dewelke mijn volk ongerust

maakte; deeze noemen zij _Podporojenei_, het laagste of de zuiging van

de waterval, die van deeze, eene werst afgelegen is. Zij hadden

naauwlijks hun gesprek deswegens geeindigd, of wij bevonden ons reeds

daar: ik had naauwlijks de tijd om hen te beduiden wat ik noodig

oordeelde dat in het werk gesteld moest worden; de zaak was dat wij de

diepste zijde koozen, de zwartheid van het water scheen mij die aan te

wijzen, en ik stuurde derwaards, de bruissching en de zwaare golven,

deed ons meer slingeren en op en neer gaan dan in volle zee: dog

eensklaps wierd ons schuitje gelijks het water, tegens een rots

gesmeeten die niemand onzer ontdekt had; door de geweldige schok vielen

wij om ver: mijne makkers meenden verlooren te zijn en durfden zich niet

oprichten; ik schreeuwde te vergeefs dat zij roeijen zouden, dan niemand

gaf daar acht op. Ik vatte het roer wederom aan, en ziende dat 'er niets

gebrooken was, stelde ik hen gerust, en ik bragt het zo ver dat ze

derzelver plaatsen hernamen; wij waaren onze bevrijding aan het mos

verschuldigt waar meede deeze rots bedekt was; zij bewaarde ons

schuitje, dat 'er van terzijde tegenkwam en daar over heen gleed, zonder

eenigzints beschadigt te zijn.

Om dit te vermijden moet men juist door het midden van de rivier vaaren,

en niet bekommert weezen over de golven, die zich daar verheffen en

tegen de rotsen schijnen te verbrijzelen; de doortogt is omtrent van

honderd vijftig toises of halve roeden; beneden deeze Podporejenei

stroomt eene andere rivier; deszelfs klaar en stil water, naast de

beroering en de drabbigheid van de Yudoma, veroorzaakt eene zo merkbaare

tegenstrijdigheid, dat het oog een geruimen tijd de eene van de andere

kan onderscheiden.

Arm van de Yudoma, die de DUIVELS-ARM genaamt word.

Aan de linker kant van deeze laatste, ziet men nog een arm die niet

minder geducht is. Ook heeft men die de naam van _Fschortofskoi-protok_,

of duivels arm gegeeven, hij loopt in het bed van de Yudoma, dertig

wersten van de mond van deeze in de Maya. Men herkent dien arm aan het

aantal doode boomen en rotzen die deszelfs inkomen opstoppen; een zeer

snel vlietende stroom sleept u daar in om 'er nimmer weer uittekomen,

indien men de voorzigtigheid niet gebruikt om altoos langs de regter

hand te houden.

Den 20.

Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz. · 第 25 / 31 段