Ik heb beloofd eenige bijzonderheden wegens de zending van den Heer
Billings te zullen meede deelen: reeds heb ik gezegd, dat zijne twee
scheepen op de werf van Okotsk gebouwd wierden, dog ik zou mij zeer
verlegen vinden om optegeeven, naar welken oord zij zich 't zeil zullen
begeeven; het is mij onmogelijk geweest dit geheim te ontdekken; al het
geen 'er mij van bekend is, bestaat hier in, dat de Heer Billings uit
hoofde van zijn verkreegen roem en de proeven van bekwaamheid, welken
hij op een der reizen van Capitein Cook zijn landsgenoot betoond heeft,
naar Rusland geroepen is met den rang van Scheeps Capitein, om op eenen
geheimen togt het bevel te voeren, dien men meent eenige ontdekking ten
doel te hebben; het gezag, dat men hem toegestaan heeft, schijnt zeer
uitgestrekt te weezen; de bouwstoffen, werklieden, matroozen, en al het
geene hij noodig zou kunnen hebben, is hem door het hof bezorgd.
Om meerder spoed te kunnen maaken, had de Heer Billings zijn volk
verdeeld; een gedeelte wierd onder bevel van den Heer Hall, zijn
lieutenant, naar Okotsk gezonden ter bouwing van de twee vaartuigen,
terwijl hij zich met de overige manschap, voorzien van sterke sloepen en
andere vaartuigen, die hij in allen spoed op de rivier Kolumé had doen
vervaardigen, naar de ijs-zee begaf.
Niemand wist voor als nog het oogmerk van deezen eersten togt, een ieder
verloor zich in gissingen; de waarschijnlijkste waren, dat deeze zeeman
getragt had om dit gedeelte van Asia om te reizen, van de rivier Kolumé
af, en de caap Sutoï voor bij te zeilen, tevens een weg zoekende om door
de zee van Kamschatka naar Okotsk te rug te komen; dog indien dit zijn
oogmerk mogt geweest zijn, is het waarschijnlijk, dat hij in de
uitvoering onoverkomelijke zwaarigheden zal ontmoet hebben, vermits hij
na eenen moeijelijken togt van eenige maanden in de rivier Kolumé is
binnen geloopen, en zich van daar naar Yakoutsk heeft begeeven.
De arbeid onder het bestuur van den Heer Hall te Okotsk was geduurende
een groot gedeelte van den winter gestaakt, dog terwijl ik mijn
verblijf aldaar hield, wierd dezelve hervat en met iever voortgezet;
reeds was het beloop van een schip in gereedheid, en de kiel van het
ander op de werf opgezet; de lijndraaijers, smeeders, timmerlieden
zeilemakers; & kalfaters[171] hadden bijzondere werkplaatsen; de
tegenwoordigheid der Officieren, onder welkers opzicht deeze arbeid
geschiede, wakkerde onophoudelijk den iever der werklieden aan;
niettegenstaande den grooten spoed, dien ik van alle kanten aan deeze
bouwing zag toebrengen, twijffel ik echter, of deeze vaartuigen binnen
twee jaaren nog wel in staat zullen weezen om onder zeil te kunnen gaan.
[171] Deeze waren benevens de werkbaazen en bevaaren matroozen allen
uit Rusland gekomen. Om echter het noodige getal matroozen te bekomen,
was de Heer Hall genoodzaakt recruuten aanteneemen; en de orders, waar
mede hij voorzien was, waaren zo sterk, dat de Commandant hem op zijne
eerste vordering al de noodige manschappen en materiaalen bezorgde.
De rivier Okhota ontdoed zich van het ijs.
Bij niemands geheugen was de rivier Okhota langer met ijs bezet geweest
dan tot den 20 Maij; dit jaar echter raakte dezelve tot groote
verwondering der inwooners niet los dan in den namiddag van den 26; dit
schouwspel lokte de geheele stad uit, en ik wierd daar bij genodigt als
tot eene partij van vermaak; dog in het denkbeeld zijnde, dat ik niets
anders zien zou dan het geen ik te Petersburg bijgewoond had, toonde ik
even weinig begeerte als nieuwsgierigheid. Men verdubbelde de noodiging
en ik ging meede naar den oever; de meenigte was reeds daar: ik wierd op
het oogenblik door een aantal lieden omringd, die zich in eene
eenstemmige opgetogenheid bevonden, op het gezicht der verbaazende
ijsschotsen, welken door den snellen stroom van alle kanten weggevoerd
wierden. Zij botsten met geweld tegens, en stapelden zich op elkander.
Een oogenblik daar na hoorde ik een sterk gekerm; ik zag rondom, van
waar dit geschreij kwam, en ik ontdekte een troup mannen en vrouwen, die
even als wanhoopigen langs den oever liepen: ik naderde al beevende in
de gedagte, dat het een of ander ongelukkig kind in leevensgevaar was;
dog ik vond mij bedroogen.
Veertien à vijftien honden waaren oorzaak van deeze beweeging; derzelver
meesters kermden gezamentlijk, het zij uit meedelijden of uit
gierigheid, over het lot van deeze arme dieren, welker verlies zeker
scheen. Gerust op de ijsschotsen gezeten, waar door ze weggevoerd
wierden, zagen ze met eene verwonderde houding de geschaarde menigte
langs den oever; nog het geroep, nog de teekens, welken door al dit volk
gedaan wierden, konden deeze in beweeging brengen; twee evenwel zogten
zich te redden, en zij geraakten met veel moeite aan den anderen kant:
de overigen verdweenen binnen eenige minuuten; eenmaal in volle zee
zijnde hebben zij daar ongetwijffelt den dood gevonden.
Dit waaren de eenigste slagtoffers van het losgaan der rivier; dog de
uitwerkzelen hier van zijn menigmaal zo gedugt geweest, dat men
jaarlijks alle de huizen in de nabuurschap der rivier ontruimt[172]; de
verstrooide overblijfzelen langs den oever bevestigen, dat 'er veelen
door diergelijke treurige gebeurtenissen weggesleept zijn. Men heeft mij
verzekert, dat in eenige jaaren bijna een vierde gedeelte van de stad
daardoor verwoest is geworden.
[172] Men heeft in de beschrijving van Okotsk gezien, dat deeze
gebouwen de wijk der Kooplieden uitmaaken; uit bevreestheid hadden zij
allen hunne winkels op de plaats van het gouvernement overgebragt: zij
beslooten zich in het vervolg daar neer te zetten; en dienvolgens
herbouwde men aldaar hunne wooningen, wier getal aanmerkelijk
vermeerdert wierd.
Men wagte met ongeduld, dat deeze rivier deszelfs loop hernam: het wierd
tijd, dat zo dra mogelijk de vischvangst levensmiddelen verschafte
tegens het gebrek, het geen zich begon te doen gevoelen, de voorraad
van visch, in den voorigen zomer verzameld, was van weinig belang
geweest, en bijna verbruikt; het meel was insgelijks zeer geminderd, en
het geen 'er nog van overig was, wierd tot zulk een aanmerklijken prijs
verkogt, dat het gemeen 'er niets van bekomen kon. In deezen nood
vertoonde de menschlievendheid van den Heer Kokh zich op het sterkst. In
de magazijnen van de kroon was nog roggemeel in voorraad, en hij deelde
zulks aan het behoeftigste gedeelte der inwoonders uit; deeze afgifte
verschafte wel eenige ondersteuning, dog het was van geen langen duur;
de Heer Kokh, die dagelijks verscheide persoonen uit de stad aan zijne
tafel ontfing, zag zich zelfs genoodzaakt om van den weinigen voorraad,
dien hij van het voorige jaar overgehouden had, gebruik te maaken.
Eindelijk aten wij geen ander dan in de zon gedroogd ossevleesch. Om
versch vleesch te verkrijgen liet de Heer Majoor op de rendieren en
argalis jaagen, dog men had maar eenmaal het geluk om er van
aantebrengen.
De rivier geheel van het ijs bevrijd zijnde, deed hij aanstonds de zegen
uitwerpen; ik was daar met een groot gedeelte der inwoonders van de
stad, en na mijne gedagten, was dit schouwspel veel fraaijer dan het
eerste: onbeschrijflijk waaren de gewaarwordingen en de blijdschap van
deeze menigte getuigen, bij het eerste ophaalen van het net; het was met
een verbaazend aantal kleine visch gevuld, als spiering, haring enz. op
dit gezicht vermeerderde de vreugd en het gejuich; de meest verhongerden
wierden eerst geholpen; men gaf hen al het geen, het welk dit gelukkig
begin opgeleverd had. Ik kon mijne traanen niet wederhouden, wanneer ik
de graagte van deeze ongelukkigen zag; geheele huisgezinnen betwisten
zich onderling de visch, en verslonden dezelve geheel raauw voor onze
oogen.
Op deeze vischvangst, die van dag tot dag overvloediger wierd door het
terugkomen van de salm[173] en andere groote visschen in deeze rivieren,
volgde de jagt op de watervogels[174], die welhaast de oppervlakte 'er
van bedekten; dit was een nieuw middel van bestaan voor de inwoonders.
[173] De toebereiding van de salm geschied hier op dezelfde wijze als
in Kamschatka.
[174] Ik meen reeds rekenschap gegeeven te hebben van de wijze, waar
op deeze jagt zeer gemaklijk in den ruij-tijd deezer vogelen geschied.
De stok is het eenigste wapentuig, waar meede men dezelve aanvalt.
Toebereidzelen tot mijn vertrek.
Ondertusschen vorderde het jaarsaisoen, en niettegenstaande zeer
menigvuldige nevels zagen wij bij tusschenpoozen eenige schoone dagen.
Deeze kwamen ons des te fraaijer voor, dewijl in den nagt van den 29.
twee duim sneeuw viel, en dat de koude een graad boven nul aanwees; het
water liep langzaamerhand af, dog men wierd nog geene teekens van
groeijing gewaar. Eenige verrotte grasscheuten, de ellendige vrugten der
laatste poogingen van de natuur bij het eindigen van den voorigen
herfst, waaren het eenigste voedzel, welk het aardrijk voor de paarden
opleverde, in afwachting van dat, welk de terugkomst van de lente hen
beloofde.
Reeds brande ik van begeerte om te vertrekken, en hoe zeer ik voor mij
zelfs niet verbergen kon den slegten staat, waar in deeze dieren zich
nog moesten bevinden, drong ik echter den Heer Kokh om spoedig allen die
voor mij aangehouden waaren, te verzamelen, dewijl ik beslooten had om
mij uiterlijk den 6 Junij op reis te begeeven. Zijne beveelen wierden
stiptelijk ter uitvoer gebragt, en het was door zijne voorzorg, door de
goedheid van Mevrouw Kasloff, en door de geschenken van verscheide
vrienden, welken ik in deeze stad agterliet, dat ik mij eensklaps van
een ruimen voorraad van beschuit en brood voorzien zag; zonder het
terugdenken op het gebrek, het geen wij ondervonden hadden, kon ik niet
anders dan zeer vergenoegd over deeze weldaaden zijn; dog het denkbeeld,
dat ik mij met de opofferingen der vriendschap zou moeten voeden,
kwetste mijne gevoelige ziel, en het kostte mij zeer veel om te
behouden, het geen ik niet te rug kon doen neemen; want hoe meer
zwaarigheden ik maakte, des te meer beklag en aanhoudende verzoeken,
voor welken ik eindelijk moest zwichten, had ik doortestaan.
De dag voor mijn vertrek wierd tot het afscheid neemen besteed. Ik had
het genoegen te verneemen, dat de Heer Loftsoff voorneemens was mij tot
Moundoukann te vergezellen; eenige zaaken betreklijk deszelfs opbouwing
vorderden ook, dat de Heer Hall derwaards ging, die ook dadelijk besloot
om met ons daar heen te reizen. Ik verwachtte niet van nog een ander
reisgezel, voor wien ik eene dubbelde achting bezat, te zullen bekomen;
de Heer Allegretti verwittigde mij des avonds, dat hij zich voorgesteld
had om mij tot aan het kruijs van Yndoma te vergezellen: en hoe groot
was mijne verwondering en erkentenis, wanneer ik vernam, dat zijne
verkleeftheid aan mij de eenigste beweegoorzaak van zijn reis was! Van
mijne twee soldaaten ging Golikoff alleen met mij. Nedarézoff bleef te
Okotsk, dog ik nam zijn vader mêe, die mij gegeeven wierd om voor
stuurman op de rivier Yndoma te dienen. Een aantal werklieden moesten
volgens mijne afspraak met den Heer Kokh dadelijk na ons vertrekken, om
onder mijne oogen de vaartuigen, welken te zeer beschadigt zouden zijn,
te herstellen, ten einde ik aan geene nieuwe gevaaren of aan langer
uitstel blootgesteld zou weezen.
Alle mijne toebereidzelen in gereedheid zijnde, scheurde ik mij uit de
armen van den Heer Kokh. Verscheiden der inwoonders deeden mij de eer
aan, van mij tot buiten de poorten der stad te geleiden, alwaar onze
paarden reeds te vooren gebragt waaren; daar scheiden wij onder
wederzijdsche zegenwenschen, en het verschaft mij altoos genoegen van
zeker te weezen, dat mijne herbergers mij verlaatende de blijken met
zich voerden van geenen ondankbaaren wel gedaan te hebben.
Op het gezicht van het ros, dat ik beklimmen moest, sprong ik van schrik
en meedelijden agter uit; nimmer had ik een diergelijk slegt paard
gezien; ontvleeschte en ingezonken heupen, een smal en puntig kruis,
alwaar men alle de beenen kon tellen, een uitgerekte hals, de kop
tusschen de beenen, en waggelende op zijne kooten, ziet daar een getrouw
afbeeldzel van het beest, dat mij draagen moest: dat men de gedaante der
andere paarden beoordeele, dewijl het mijne voor een der minst slegte
gehouden wierd; het zadel scheen mij toe veel na de onzen te gelijken;
die der vervoerders van ons reisgoed waaren veel kleinder, van hout en
open; boven op dit draagzadel stonden twee kruisgewijze stokken, waar
aan men den last[175] ophing en vastmaakte, evenwel met in achtneeming
van het gewicht aan beide zijden gelijk te maaken, want de minste
onevenredigheid zou wel dra deeze arme dieren het evenwicht hebben doen
verliezen.
[175] Dit waren lederen en mantelzakken, ze hebben dit vooruit, dat de
zijden van het paard daar door niet kunnen gekwetst worden; derzelver
gewicht is gewoonlijk van vijf pouds of twee honderd ponden, en nooit
zijn ze zwaarder dan zes pouds of twee honderd veertig ponden; men
noemt dien last _riouki_ en derzelver draagers RIOUSCHNI-LOSCHADEI;
wanneer de goederen minder zwaar of van een klein begrip zijn, plaatst
men dezelve op den rug van het dier, en maakt die meteen paardenhairen
riem die onder den buik doorgaat, daaraan vast.
Zoutgroef drie uuren van Okotsk.
Het was in deeze erbarmelijke uitrusting, dat onze caravaane zich op weg
begaf. Om ons eenigzints over den langzaamen voortgang te vertroosten,
vervrolijkte zich een ieder ten kosten van deszelfs ros; twaalf wersten
van Okotsk toonde men mij aan den oever der zee eene vrij aanmerkelijke
zoutgroef; de menschen, die daar werken, zijn allen kwaaddoenders, of
lieden door de justitie gestraft; dat huis voorbij zijnde, lieten wij de
zee aan onze linkerhand, om eenigen tijd de Okhota langs te rijden.
1788. _Junij_ Den 6.
Aanmerkingen over de Okhota en bijzonderheden omtrent mijne reis.
Daar het ontdooijen der rivier zo veel vrees in de stad verwekte, zijn
deszelfs overstroomingen echter niet minder gevaarlijk voor de
omleggende streeken; treed zij haare oevers te buiten, niet alleen
overstroomt zij als dan de nabuurige landen, en nu een geweldige stroom
geworden, verheft zij zich te heviger, naar maate zij veld wind; men
verhaald, dat men wel eens deszelfs water twee voet boven de kruin der
hoogste boomen heeft gezien; hier uit kan men opmaaken, hoedanige
verwoestingen zij aanricht; dit is altans zeker, dat ik in de bosschen
holle wegen heb aangetroffen van eene verbaazende diepte, welken men mij
zeide haar werk te weezen.
Ten naasten bij te Medvéjé Golova gekomen, viel mijn paard onder mij
neder, zonder dat het mogelijk was het weder te doen opstaan; gelukkig
had ik tijds genoeg om het zadel te verlaaten, en ik wierd niet in
deszelfs val mêegesleept; het beest bleef op de plaats leggen[176]
alwaar het zelve ongetwijffeld eenige uuren daar na zal omgekomen zijn;
wij behielden nog elf paarden; mij wierd dadelijk een ander gegeeven; en
ik kwam zonder eenig ander ongeval in het dorp.
[176] Het verlies van deeze dieren schijnt de Yakouters weinig aan te
doen; het komt in hen zelfs niet eens op om ze hulp toetebrengen; zo
dra zij weigeren dienst te doen, of dat zij van verzwaktheid of
vermoeitheid neervallen, geeft men ze aan hun jammerhartig lot over;
ook ziet men de wegen met derzelver lijken bezaaid, die ten voedzel
voor de beeren verstrekken, welken hun roof niet verlaaten, voor en
aleer 'er niets meer dan de beenen overblijft. Geen tien treeden ver
of wij vonden van deeze geraamtens van paarden, en ik geloof, dat ik
tot aan het kruis van Yndoma, er meer dan twee duizend gezien heb.
Mijne geleiders verhaalden mij, dat de meesten het voorige jaar
omgekomen waaren, bij gelegenheid van de overvoering der bouwstoffen,
geschikt voor den togt van den Heer Billings van Yakoutsk naar Okotsk;
men was door de overstroomingen overvallen geworden, en naauwlijks
hadden de menschen zich kunnen bergen. Een gedeelte der laadingen was
nog onder een soort van lootsen, en die labazis geplaatst, waar van ik
gesprooken heb, alwaar de reizigers hunne goederen bergen, tot dat de
afloop van het water hen de gelegenheid verschaft om dezelve te komen
weghaalen; men voegde daar nog bij dat de Yakouters dus jaarlijks vier
a vijf duizend paarden, in de overvoering der Koopmansgoederen, waar
toe ze gebruikt worden, verliezen.
1788. _Junij_ Den 7.
Den anderen dag des morgens ten negen uuren vertrokken wij van daar en
doorwaadden de rivier Okhota, welke wij vervolgens verlieten. Ik
ontdekte hier en daar op den weg, op een vrij grooten afstand den een
van den ander geplaatst, eenige Yakoutsche yourtes. Zeldzaam ziet men
'er eenigen bij elkander.
De neiging van deeze geslachten om zich dus ieder op zich zelven te
plaatzen, zou die niet deszelfs oorsprong ontleenen uit een beweegreden
van eigen belang, van zeer veel gewicht voor dit volk? daar de paarden
derzelver eenigsten rijkdom uitmaaken, hoe zouden de eigenaars derzelven
(men vind 'er die duizend en meer paarden bezitten) indien de wooningen
bij elkander geplaatst waaren, aan hunne talrijke stoeterijen voedzel
kunnen bezorgen? de weilanden in den omtrek zouden welhaast uitgeput
zijn. Om daar aan te gemoet te komen, zou men genoodzaakt zijn de kudde
ver weg te zenden, en hoeveel ongemaks zou zulks niet berokkenen, zo
door de nalaatigheid als ontrouw der hoeders?
Den 8.
Wanneer wij te Moundoukann aankwamen, waaren onze paarden zodanig
vermoeid, dat wij daar den nagt en den dag van den 8. doorbragten.
Ik heb boven reeds gezegt[177] dat dit dorp twintig wersten van
Medvéjé-Golova afgelegen is; de rivier, die er langs loopt, ontleend
deszelfs naam van het dorp.
[177] Ziet mijn eerste reize van Okotsk, Bladz. 171.
1788. _Junij_ Den 9.
Met het aanbreeken van den dag verliet ik de Heeren Hal en Loftsoff, die
hier blijven moesten; en aanstonds moest ik een hoogen berg genaamt
_Ourak_ overrijden, welkers top nog met sneeuw bedekt was; onze paarden
liepen tot den buik er door, en hadden op deezen weg veel te lijden.
Langs den voet van deezen berg stroomt de rivier, die denzelfden naam
draagt; zo breed als diep, is haar loop ook niet minder sterk; op den
oever ziet men eene yourte, welke men mij zeide door lieden bewoond te
worden, die het ambacht van schuitevoerders waarnamen, dog nu waaren ze
allen van huis, mogelijk wel op de jagt. Uit derzelver openstaande
wooning was optemaaken, dat ze zich maar zedert weinige dagen uit
bevonden.
Wanneer het ons verveelde om hen langer te roepen en te wachten, bragten
wij het minst beschadigde vaartuig van die, dewelken aan den oever
vastgemaakt waaren, te water; na lang zoekens vonden wij de riemen; men
ontlaadde en ontzadelde de paarden en de goederen wierden in de schuit
gebragt, die ons beurtelings aan den anderen kant bragt; nu bleeven onze
harddraavers nog overig, en ik was zeer bevreesd, dat ze de rivier niet
zouden kunnen overzwemmen; de gerustheid, die mijne Yakouters daar
omtrent vertoonden, kwam mij onbegrijpelijk voor; door stokslaagen
dwongen zij ze in het water te gaan, de schuit ging vooraf om ze te
bestieren, terwijl een der geleiders aan land gebleeven dezelve met
steenen wierp, en ze door zijn geschreeuw schrik aanjoeg, ten einde ze
het te rugkeeren te beletten; na verloop van een half uur kwamen ze
onbeschadigd weder bij ons; dadelijk wierden ze gezadeld, op nieuws
belaaden[178], en wij vervorderden onze reis.
[178] De Yakouters zijn hier aan zodanig gewoon, dat ze zulks den
handigsten stalknecht niet zouden gewonnen geeven; ze maaken de
lastpaarden drie aan drie met de staarten aan elkander vast, en eene
riem is genoegzaam om ze allen te mennen.
De kragteloosheid onzer paarden noodzaakte ons vijf en twintig wersten
van Moundoukann stiltehouden, ter plaatze die hen het meeste voedzel
aanbood, en alwaar men het spoor der beeren het minst ontdekte.
Na een vasten van zes maanden, dat is te zeggen, na het eindigen van den
winter, begrijpt men dat de gulzigheid der beeren verbaazend is; uit
hunne schuilplaatzen gekomen, verspreiden zij zich door de velden; en
bij gebrek van visch, die de rivieren als dan nog in geen groote
hoeveelheid opleeveren, vallen zij woedend op alle dieren, die zij maar
vinden en voornamelijk op de paarden aan; wij waaren ter onzer eige
behoudenis verplicht middelen uittedenken om ze afteweeren: ziet hier
eene beschrijving van onze gewoonlijke voorzorgen, waar door de leezer
zich een denkbeeld van onze rustplaatsen zal kunnen vormen.
Rustplaatzen der Yakouters.
De plaats uitgekoozen zijnde, ontlaad men de paarden en laat die in
vrijheid wijden, rondom ons kleine leger staken wij van afstand tot
afstand vuuren aan, vervolgens deed ik verscheide snaphaanschooten, voor
dat ik mij in mijn tent begaf; men had mij verzekert, dat het geluid en
de reuk van het kruid de beeren doed vluchten; wanneer de dageraad
aanbrak, verzamelde men de paarden: indien 'er zich eenigen wat ver af
begeeven hadden, kwamen ze op het geschreeuw mijner Yakouters aanstonds
opdagen: deeze bezitten daar in dezelfde bekwaamheid als de Koriaken
omtrent derzelver rendieren.
Den 10.
Verwonderd zijnde van geduurig paardemaanen of staarten aan de takken
van de boomen te zien hangen, vroeg ik daar van de reden, en ik vernam
dat dit offerhanden waaren, gedaan door de Inwoonders des lands aan de
bosch en weg Goden: mijne wegwijzers hadden daar derzelver begunstigde
plaatsen, alwaar zij op eene Godsdienstige wijs diergelijke gaaven
gingen vastmaaken; deeze bijgeloovigheid heeft ten minsten die
nuttigheid, dat de offers, welke zij aanbrengt, tot wegwijzers kunnen
dienen.
1788. _Junij_ Den 11.
Den voorigen dag hadden wij verscheiden armen van de rivier Ourak
doorwaad, die zich in onnoemlijk veel takken verspreid; door geen
derzelven waaren wij opgehouden geworden. Den 11, des middags ten vijf
uuren, kwamen wij weder aan deeze rivier; deszelfs breedte was niet zeer
aanmerkelijk, en indien de regen[179] die tot aan den avond viel,
dezelve niet zeer vergroot had, zouden wij niet geaarzeld hebben om die
even als daags te vooren doortetrekken; het opperhoofd van mijne
geleiders zeide mij, dat hij 'er gevaar in zag; dog men had mij
gewaarschuwt, dat, indien ik zwak genoeg was om na hunnen raad te
hooren, zij op de minste zwaarigheid mij dringen zouden om op den vollen
dag stil te houden, meer om zelfs uit te rusten, dan wel om hunne
paarden verkwikking toetebrengen. Ik besloot derhalven hen te noodzaaken
om ten minsten den doortogt te beproeven, en de uitslag overtuigde mij
van de juistheid der gemaakte aanmerking; hij, aan wien ik bevel gaf om
in de rivier te gaan, wierd genoodzaakt van spoedig weer aan land te
komen; zijn paard had eenige treen van den oever den grond verlooren:
wij moesten ons in de nabuurschap legeren, alwaar onze paarden gelukkig
te graazen vonden. Om geen tijd te verliezen deed ik geene andere
maaltijd dan des avonds, terwijl ik over dag niets anders dan
roggebeschuit gebruikte; dog ik had al mijn volk gelast van mij te
waarschuwen, wanneer men eenig wild zou ontdekken[180], zo dat wij een
geruimen tijd alleen van de jagt leefden; de nooddruft is een goed
meester; en door de gewoonte verkreeg ik allengskens de bekwaamheid.
[179] Ik was dien dag ooggetuige van eene zaak, welke verdiend
verhaald te worden: mijne Yakouters trokken met behendigheid groote
stukken schors van pijnboomen af, en wisten zich daar van een soort
van parapluie te vervaardigen, waar onder zij den nagt doorbragten.
[180] Behalven het watergevogelte vonden wij zeer dikwijls op onzen
weg korhaanen, witte patrijzen, jonge hoenderen, en wij raapten
insgelijks de eijeren, wanneer wij die aantroffen.