het zelve zijn naam geeft; het is door Russen en Yakouters bevolkt,
welken in Isbas en Yakoutsche yourtes woonachtig zijn, zij dragen zorg
voor een stoeterij van meer dan twee honderd paarden, die wij tien
wersten van het dorp ontwaar wierden: ik dagt daar ander voorspan te
neemen, en dadelijk te vertrekken, dog ik wierd mijnes ondanks
opgehouden door de moeijelijkheid om honden te krijgen; het opperhoofd
van de plaats was smoordronken; wij konden eerst, na een uur lang alle
moeite aangewend te hebben, het getal, dat wij benoodigd hadden,
verkrijgen.
Vijfentwintig wersten van Iné, (alwaar ik, om des te meer spoed te
kunnen maaken, mijn reisgoed onder de bewaaring van mijn getrouwen
Golikoff had agtergelaaten, met bevel van mij zo spoedig mogelijk te
volgen;) trok ik voorbij twee yourtes, door Yakouters en Toungoussen
bewoond; dit gehugt word _Oulbé_ genaamd. Wat verder ontmoette ik
verscheide convooijen van meel, die men naar de nabuurige dorpen bragt
om 'er beschuit van te maaken, geschikt ter verzorging van de scheepen
van den Heer Billings, waar van ik binnen kort nader geleegenheid zal
hebben om te spreeken.
1788. _Maij_ Den 5.
Aankomst te Okotsk.
Wij kreegen de zee weder in het oog, ik reisde zeven en veertig wersten,
zonder den oever te verlaaten, alwaar ik een gestranden walvisch en
verscheiden zeewolven zag; boven op den berg van Marikann, namelijk op
den afstand van vijf en twintig wersten, had ik het genoegen de stad
Okotsk te ontdekken, dog ik moest daar een storm uitstaan, die mij een
nieuw verwijl deed vreezen. Niets dan mijn ongeduld volgende, trok ik
voorwaards, met het besluit van alle tegenspoeden te braveeren: mijne
kloekmoedigheid wierd echter niet op de proef gesteld; aan den oever van
de zee weêrgekomen, was de lucht reeds bedaard, en ik kon mijne
nieuwsgierigheid voldoen met een verongelukt en op de kust geworpen
schip te bezichtigen. Eindelijk, na al beevende de rivier Okhota
overgereeden te hebben[159] kwam ik in den agtermiddag ten vier uuren,
alleen van Nédarezoff verzeld, binnen Okotsk.
[159] Bij iederen stap boog het ijs onder mijn slêe.
Ik begaf mij naar den Heer Majoor Kokh, die in afweezendheid van den
Heer Kasloff het bevel voerde, dien hij benevens mij zedert lang
verwachtte; de brief van deezen Commandant onderrichte hem van de
oorzaak onzer scheiding, en ik verhaalde hem daar van kortelijk de
droevige omstandigheden. Ik wilde mij spoeden, om mij aan Mevrouw
Kasloff te vertoonen, ten einde haar de brieven ter hand te stellen,
welken haar gemaal mij toevertrouwd had, dog zij was op haar buitengoed
vier wersten van Okotsk. Ik was zo vermoeid, dat de Heer Kokh niet wilde
toestaan, dat ik mij dien dag derwaards begaf. Een boode bragt de
brieven en mijne ontschuldiging over, en gaf tevens kennis van mijn
voorgenomen bezoek tegens den volgenden morgen; de beleefde Majoor,
oordeelende dat ik voornamelijk rust noodig had, geleide mij op het
oogenblik naar het vertrek, het welk in het huis van den Heer Kasloff
voor mij geschikt was. Ik vond daar alle die gerieflijkheden, waar van
ik zedert mijn vertrek van Ingiga bijna het gebruik verlooren had: in
den tijd van drie honderd vijftig uuren had ik maar eenmaal in een bed
te Yamsk geslaapen.
1788. _Maij_ Den 6. Te Okotsk.
Bij mijn ontwaaken ontfing ik het bezoek van den Heer Kokh, en de
voornaamste Officieren en Kooplieden van de stad; onder dezelve bevond
zich de Heer Allegretti, Heelmeester, benoemd voor den togt van den Heer
Billings; de gemaklijkheid, waar meede hij het Fransch sprak, zou mij
hem voor een landsgenoot hebben doen begroeten, indien hij mij niet bij
het aanspreeken zelfs verwittigd had, dat hij een Italiaan was; deeze
ontmoeting was mij des te aangenaamer, dewijl ik op nieuw pijn op de
borst bespeurde. Ik aarselde niet om hem deswegens te raadpleegen, en
mijne dankbaarheid schept een welgevallen, in hier opentlijk te
betuigen, dat ik aan zijne kundigheden, en aan de zorg, die hij
geduurende mijn verblijf voor mij gedraagen heeft, mijne geheele
geneezing verschuldigt ben.
De Heer Kokh bragt mij vervolgens ten zijnent om het middagmaal te
houden, wanneer wij nadere kennis maakten[160]; zijne oplettenheid
omtrent mij ging zelfs zo ver, dat hij duizenderlei ontwerpen van
vermaaken vormde, die hij mij met veel iever mêedeelde, in de hoop van
mij eenigen tijd bij hem te zullen houden.
[160] In Duitschland gebooren, spreekt hij echter het Russisch als
zijne moedertaal, ook mangelt hem niets dan de vrijmoedigheid om zich
even goed in het Fransch uittedrukken; zedert lang met zijne vrouw en
drie kinderen in deeze plaats woonachtig, leeft hij daar in vreede in
het midden van zijn klein gezin, rijk door de algemeene achting, en
gelukkig door het goede, dat hij in staat is te verrichten.
Indien mijn plicht mij alle vrijwillig verwijl niet verboden had, geloof
ik dat het mij moeite zou gekost hebben, om zijne dringende noodiging,
en het genoegen, dat ik in zijn gezelschap smaakte, te wederstaan; dog
getrouw aan mijnen last, moest ik mijn geneigtheid en rust aan den spoed
van mijne reis opofferen. Ik stelde dit aan de beoordeeling van mijn
gastheer, die mijne redenen gehoor geevende, eindelijk mijne begeerte om
hem te verlaaten verschoonbaar vond; hij hield zich ook aanstonds bezig
met het noodige te verzorgen, om aan mijn verlangen te hulp te koomen.
Genomen maatregelen om mij rendieren te bezorgen.
Zedert mijn aankomst had het niet opgehouden met regenen; luiden
uitgezonden, om de wegen te bezichtigen oordeelden dezelve vooral met
honden onbruikbaar; volgens derzelver berichten, liet mij de
dagelijksche voortgang van den dooij geen hoop over om voorttespoeden
dan alleen door het gebruiken van rendieren; om 'er mij te bezorgen zond
de Heer Kokh een boode aan eenige zwervende Toungoussen, zedert weinig
dagen van Okotsk vertrokken.
Bezoek afgelegt bij Mevrouw Kasloff te Boulguin.
Deeze maatregelen genomen zijnde, gingen de Heer Majoor en ik naar
Boulguin, het lusthuis van Mevrouw Kasloff, die mij als den vriend en
den medgezel der gevaaren van haar man ontfing. Ons geheele gesprek liep
over dit voorwerp haarer tederheid; terstond vorderde zij een verhaal
van onze rampen op het oogenblik van onze scheiding; te vergeefs zogt ik
alles, wat deeze beschrijving voor haar te treurig kon maaken, te
verzagten, haare gevoeligheid raadde reeds, wat ik voor haar verbergen
wilde, en was 'er des te meer over aangedaan. Ik bevond mij weinig in
staat om haar gerust te stellen, want ik was zelf niet vrij van
ongerustheid over deezen beminnenswaardigen bevelhebber; dog door den
Heer Kokh geholpen, vertoonde ik een vrij gerust gelaat; ik nam mijn
toevlucht tot gissingen; hij verzamelde van zijn kant de meest
vertroostende waarschijnlijkheden, en wij stelden eindelijk deeze tedere
vrouw gerust met haar op de nabijzijnde terugkomst van den Heer Kasloff
te doen hoopen. Deeze dame, te Okotsk gebooren, scheen de beste
opvoeding genooten te hebben; zij spreekt het Fransch met zeer veel
bevalligheid. In de stilte haarer afzondering, stelde zij al haar
genoegen daar in, om haare dogter, omtrent drie jaaren oud, en het
levendig afbeeldzel van den vader, wel optevoeden.
Den 7.
Na dat ik alle mijne bezoeken bij de Officieren van de bezetting
afgelegt had, keerde ik volgens mijne belofte naar Boulgum om aldaar het
middagmaal te houden, wanneer Mevrouw Kasloff mij voor haare ouders te
Moscou brieven meedegaf.
1788. _Maij_ Den 8. Te Okotsk.
Onmoogelijkheid om rendieren te bekomen en toebereidzelen.
Den volgenden morgen kwam onze boode te rug, dog hij had de Toungoussen
niet kunnen agterhaalen, die zich landwaards in verspreid hadden; dus
bleef 'er geen hoop meer overig om rendieren te bekomen: echter kwam het
mij van belang voor om mijn vertrek niet te vertraagen, dewijl de wegen
dagelijks slegter wierden; hoe langer ik wacht, zeide ik tot mij zelfs,
hoe moeijelijker het word om het kruis van Yudoma, voor dat de rivieren
geheel ontdooijt zullen zijn, te bereiken, en hoe meer ik waagde, van
door de overstroomingen te zullen opgehouden worden; vervuld van deeze
bedenkingen, viel ik den Heer Majoor op nieuw lastig; het baatte niet om
mij alle de onaangenaamheden voortestellen, die ik zou moeten ondergaan,
de beletzelen, waar meede ik zou te strijden hebben, de gevaaren zelfs
waar door ik zou bedreigt worden, daar het jaargetij reeds te ver voor
de sleedenvaart verloopen was; ik meende van mijn verzoek niet te moeten
afgaan. Door mijn lang aanhouden overgehaalt, beloofde hij mij eindelijk
de noodige beveelen te zullen geeven, ten einde dat mij niets zou
verhinderen om twee dagen daar na te vertrekken; alleen voegde hij daar
als eene voorwaarde bij, dat zo dra ik mij in groot gevaar zou bevinden,
ik als dan aanstonds moest terugkomen: ik was zo verheugt over het
verkrijgen van mijne vrijheid, dat ik mij tot alles verbond, wat hij
maar begeerde; het overige van den dag wierd besteed met door de stad te
wandelen, ten einde daar van een denkbeeld te vormen; verscheiden
persoonen van ons gezelschap verzelden mij om mij in mijne naspooringen
te regt te helpen.
1788. _Maij_ Den 9. Te Okotsk.
Beschrijving van de stad Okotsk.
De stad Okotsk, die langer als breed is, strekt zich van het oosten naar
het westen bijna op een en dezelfde lijn uit; aan den zuidkant ziet men
de zee omtrent honderd treeden van deszelfs wooningen; deeze
tusschenruimte bestaat uit een zandoever met keizelsteenen bezet: ten
noorden bespoeld de rivier Okhota deszelfs muuren; de mond van deeze is
ten oosten, namelijk, aan de punt van de landengte, waar op de stad
gebouwd is, en die zich vervolgens westwaards verbreed; van binnen heeft
deeze hoofdstad niets aanmerkenswaardig; de huizen zijn bijna allen van
het zelfde maakzel, het zijn niet anders dan isbas, waar van eenigen ten
oosten gelegen, ruimer en beter ingericht dan de anderen, door de
Officieren bewoond worden. De Heer Kokh woont in het tegenoverleggende
wijk; de deur van zijne plaats komt in de groote straat uit, dewelke
door een vierkante ruimte afgedeeld word, alwaar men het huis van den
Commandant en de Cancelarij ziet, dat te zamen maar een gebouw uitmaakt;
regt tegen over is het wagthuis, en ter slinker zijde de parochie kerk;
alle deeze gebouwen maaken geene groote vertooning: eertijds waaren ze
binnen eene palissadeering beslooten, waar van naauwlijks eenige
overblijfzelen te zien zijn. Eene overgebleeven poort ten westen van het
gouvernement toont nog de plaats aan, het geen men de fortres noemt;
daar agter is een straat na bij de rivier, en door kooplieden bewoond,
welkers winkels gelijkvormig geplaatst beide zijden van de straat
beslaan.
1788. _Maij_ Den 10. Te Okotsk.
De haven is niet minder dan ruim; ik zou haar zelfs met dien naam niet
bestempelen, indien ik daar niet zeven of agt kleine vaartuigen of
galjooten geteld had, waar van sommigen aan de kroon, en anderen aan
kooplieden toebehooren, die in Americaansch bontwerk handel drijven;
deeze haven is ten oosten, bijna aan het uiterste van de stad, en digt
bij de rivier, die dezelve door haare kronkelingen vormt. Op het verzoek
van den Heer Hall, scheepsluitenant, ging ik op de werf twee kleine
vaartuigen bezichtigen, die men bezig was te vervaardigen voor den togt,
tot ontdekkingen geschikt, en aan den Heer Billings toevertrouwt. Het
scheepsvolk, de soldaaten en de arbeiders waaren met groote kosten
herwaards gezonden; allen werkten zij met den meesten iever aan deeze
uitrusting [161], welke na mijne gedagten aan de Keizerin vrij wat
kosten zal.
[161] Welhaast zal ik geleegenheid hebben hier van nader te spreeken.
Vertrek.
De Heer Kokh had volgens zijne belofte in alle de toebereidzelen tot
mijn vertrek voorzien; des avonds van den 10. waaren mijn zes sleeden
gelaaden en voorgespannen; terstond nam ik afscheid van den braaven
Majoor, en de Officieren, die mij bij het vaarwel zeggen, derzelver
wensch om mij wedertezien vernieuwden.
Mijn gevolg was met twee man vermeerderd, die mij voor stuurlieden op de
rivier Yndoma moesten dienen; niettegenstaande de slegte wegen reisde ik
echter den gantschen nagt door, want ik ondervond welhaast, dat men mij
deswegens een naauwkeurig bericht gedaan had; ik vond dezelve met water
vervuld, en op sommige plaatzen, voornamelijk in de bosschen, liepen
onze honden tot den buik 'er door; de wind was geduurig zuidelijk en de
lucht zeer bezet; alles duide aan, dat de dooij voortgang zou hebben.
1788. _Maij_ Den 11.
Na de rivier Okhota overgereeden te hebben, bereikte ik echter zonder
eenigen ramp het dorp Medvejé-goloije, of het _beerenhoofd_, vijf en
veertig wersten van Okotsk gelegen, en bewoond door Russen en Yakouters.
Ik kwam daar met het aanbreeken van den dag, dog mijne honden waaren zo
vermoeid, dat ik besloot om aldaar dien dag en zelfs den volgenden nagt
te verblijven, dewijl 'er geen nieuw voorspan in deeze plaats te
verkrijgen was.
1788. _Maij_ Den 12.
Gevaarlijke overtogt.
Ik dagt den volgenden morgen mij naar Moundoukan te begeeven, omtrent
twintig wersten van het voorige dorp afgelegen; ter halver weg weigerde
een gedeelte van ons voorspan langer dienst te doen; niettegenstaande
onzen weerzin begaven wij ons echter op eene rivier, die ons een
gemaklijken weg scheen aantebieden; naauwlijks waaren wij eenige treden
voorwaards gereeden, of een onverwagt gekraak deed zich onder onze
sleeden hooren; een oogenblik daar na gevoelde ik mij zagtjes
ingezonken, een ysschots ondersteunde mij; deeze brak op nieuw en de
schaatzen van mijne slêe raakten meer als voor drie vierde gedeelte
onder water; tevergeefsch trachte ik 'er uittekomen, de minste waggeling
zou mij meer voorwaards in het water gestort hebben. Gelukkig was
deszelfs diepte maar vier voet; door veel arbeids gelukte het mijn
gevolg om 'er mij uittehaalen, dog zij, welken mij te hulp kwamen,
hadden die bijna ter zelfder tijd noodig; wij moesten de een den ander
de hand geeven om weer op het land te komen; want ik wilde, doof voor de
vertoogen van mijne geleiders, mijn weg vervolgen; de sneeuw smolt
echter zo spoedig, dat onze honden door het water plompten zonder
voorwaards te geraaken, zij vielen de een op den ander afgemat neder.
Voorstel van een mijner wegwijzers.
Onder mijne leidslieden bevond zich een sergeant, dien de Heer Kokh mij
tot meerdere zekerheid meedegegeeven had; daar hij voor zeer
onverschrokken en als een man van ondervinding bekend stond, beschouwde
ik hem als mijn compas en beveiliger: het oog onophoudelijk op hem
vestigende, sloeg ik alle zijne beweegingen, en zijne houding gaade, en
tot hier toe scheen hij mij eene onverzettelijke gerustheid te bezitten.
Onder alle de murmureeringen van mijne andere medgezellen was 'er uit
zijn mond geen ekel woord gekomen; hij had zelfs geene vertooning die
eenige verbaasdheid aanduide, doen blijken. Ik moest natuurlijk deeze
stilzwijgendheid voor eene afkeuring der vrees, die men mij trachtte
inteboezemen, en deszelfs gerust gelaat voor eene aanmoediging, om mijn
weg te vervolgen, houden; nimmer verwonderde ik mij meer, dan wanneer ik
dien man eensklaps zag stilhouden, te kennen geevende, dat hij niet
verder zou gaan. Ik ondervroeg hem, ik drong hem om zich nader te
verklaaren. "Te lang heb ik reeds gezweegen, antwoorde hij mij;
teruggehouden door mijne eigen-liefde, door niet gerekend te willen
worden minder kloekmoedigheid te bezitten, heb ik telkens uitgestelt om
u mijn gedagten meedetedeelen weegens de gewaagde onderneeming, welke
gij wilt ter uitvoer brengen; dog hoe meer ik uwe stoutmoedigheid
bewonder, des te meer vind ik mij verplicht om voor te komen, dat
dezelve u niet in onoverkomelijke rampen stort, en ook om u de gevaaren
en de hinderpaalen van allerlei aart voor oogen te houden, die op
iederen tred voor u zullen ontstaan; reeds ontdoen zich de meeste
rivieren van het ijs; wanneer gij uw oogmerk, het geen ik echter niet
geloof, bereikt om ze overtekomen, meent gij dan, dat gij niet in weinig
tijds verrast, en door de overstroomingen zult ingeslooten worden? Waar
in zal dan uwe toevlucht bestaan? mogelijk om een schuilplaats op een
berg of in een bosch te zoeken: zult gij dan gelukkig genoeg zijn om 'er
een aantetreffen? Zult gij even als de inwoonders van deeze
streeken[162], in diergelijke omstandigheden, u zelven een hut op de
kruin van een boom vervaardigen, om daar vijftien dagen te verblijven,
tot dat het water afgeloopen zal zijn? Wie zal instaan, dat het zelve
niet vooraf tot uwe schuilplaats toe zal steigeren, dat het u niet met
den boom, die u draagt, zal wegsleepen? zijt gij eindelijk verzekert,
dat de voorraad uwer levensmiddelen u geduurende dien tijd voor gebrek
zal kunnen behoeden? Indien dit kort voorstel van de rampen, die u
wachten, niet voldoende is om u afteschrikken, zo gij aarzelt mij te
gelooven, vertrekt dan, gij zijt daar meester van, ik heb mij van mijn
plicht omtrent u gekweeten, staa mij toe, dat ik u verlaat".
[162] Deeze, gewoon aan diergelijke beletselen, wanneer zij in dit
jaargetij reizen, vlugten op de hoogste boomen, en maaken van de
takken een soort van hutten, die zij _labazis_ noemen, dog dikwils
gebeurt het, dat zo de watervloed hen al geen hinder aanbrengt, zij
echter door gebrek aan levensmiddelen omkomen.
Ik keer te rug.
Dit onverwachtte voorstel, de schrikkelijke voorspelling, welke het
zelve behelsde, liet niet na om indruk op mijn geest te maaken; daar op
doordenkende, gevoelde ik dat ik niets beters kon doen dan aanstonds
naar Okotsk te rug te keeren, van waar ik nu maar vijfenvijftig wersten
verwijderd was.
1788. _Maij_ Den 13.
Den zelfden avond tot Medveje-golova te rug gekomen, bleef ik daar tot
den volgenden namiddag ten vier uuren; van daar, tot aan de rivier
Okhota, ondervond ik geen andere onaangenaamheid, dan dat ik zeer
langzaam vorderde; dog wanneer wij ze moesten overtrekken, hadden wij
op nieuw gevaar en angst uittestaan. Ik beken, dat ik in die van mijn
volk deelde: ik durfde de breedte van de rivier niet meeten[163], nog
het spoor van mijne slêe uit het oog verliezen; de beweegbaarheid van
het ijs, het welk de stroom van alle kanten ophefte, deed mij vreezen,
dat het zelve onder het gewicht van zo veel reizigers zou bezwijken;
ieder oogenblik scheen het mij toe, dat de afgrond zich onder den een of
ander van ons opende. Eindelijk, wanneer wij den oever bereikt hadden,
telden wij elkander onderling, om ons te overtuigen, dat wij niemand
verlooren hadden, en de blijdschap, dat wij aan dit laatste gevaar
ontkomen waaren, verschafte ons vleugelen om het overige van den weg tot
aan Okotsk afteleggen, alwaar wij op den middag van den 14 aankwaamen.
[163] Zij heeft ten naasten bij de breedte van de Seine te Parijs.
1788. _Maij_ Den 14. Te Okotsk.
Verblijf te Okotsk.
Een zo spoedige terugkomst deed den Heer Kokh en de andere Officieren in
het eerst met mij schertzen, een ieder herinnerde mij, dat hij het mij
voorspeld had, dog ik was minder verlegen over de dwaasheid mijner
onderneeming, dan wel wanhoopend over deszelfs nutteloosheid. Ik
berekende met aandoening, dat mijn verblijf in deeze stad mogelijk wel
een maand zou duuren; door de treurigste denkbeelden bestormt[164], had
ik veel moeite om de blijken van vreugde en vriendschap, die mij zo
rijkelijk toegezwaait wierden, te beantwoorden; het goed onthaal, dat ik
van alle kanten genoot, verschafte eene zo aangenaams wending in mijn
verdriet, dat ik eindelijk omtrent het vaarwel zeggen van dit alles
niets verdienstelijks meer bezat.
[164] Alle de wederwaardigheden, die ik zedert mijne ontscheeping in
de haven van St. Pieter & Paulus ondergaan had, vertoonde zich allen
tegelijk voor mijnen geest; overal meende ik de onoverwinlijke
beheersching van het noodlot te ontdekken, dat zich tegens den goeden
uitslag van mijne zending aankantte; te vergeefs had ik alles in het
werk gesteld om meer spoed te maaken: te vergeefsch had mijn iever,
tot roekeloosheid overgeslaagen, mij in verschillende gelegenheden
mijn leeven en het mij aanbetrouwde pand in de waagschaal doen
stellen; ook was ik nog ver van Petersburg verwijderd: nogtans is het
algemeen bekend, dat het mogelijk is deezen togt binnen zes maanden op
zijn hoogst afteleggen, dat men zich tot dat einde in het begin van
Julij op het galjoot van de regeering of op een koopmans vaartuig kan
inscheepen, wanneer men zonder tegenwind te Okotsk binnen drie weeken
of een maand aankomt, en zelfs heeft men mij voorbeelden bijgebragt
van luiden, die deeze reis in twaalf of veertien dagen hebben
afgelegt: den weg van Okotsk tot Yakoutsk kan men in een maand te
paart doen; denzelfden tijd heeft men noodig om tot Irkoutsk te komen,
het zij dat men de Lena wil opvaaren, het zij dat men verkiest om die
te paard langs te rijden; dus moet men in het begin van October daar
zijn: ik vooronderstel, dat men geduurende één en een halve maand het
begin der sleevaart aldaar afwacht; dus is het in dit jaargetij en op
deeze wijs zeer gemaklijk, van zich in zes weeken naar St. Petersburg
te kunnen begeeven; de Gouverneur Generaal van Irkoutsk was in agt en
twintig dagen derwaards gereist.
Ik weet geene uitdrukkingen te vinden, om mijn ongeduld en wanhoop te
schetzen, wanneer ik na deeze berekening weder mijne gedagten over de
langduurigheid van mijne reis liet gaan; na agt maanden tijdverloop
nog niet verder dan Okotsk! Ik was wel geen meester geweest van het
jaargetij uit te kiezen, en ik had drie maanden te Bolcheretsk
verlooren in het afwachten van de slêevaart; daar en boven in de
noodzaaklijkheid zijnde om te land het schiereiland van Kamschatka
omtereizen, had ik met de stormen en duizenden wederwaardigheden, de
eene al verdrietiger als de andere, te worstelen gehad; zo veel
beletselen waaren zonder tegenspraak even onvermijdelijk als tegens
wil en dank (dit word ook bevestigt door het geschrift, het geen de
Heer Kokh mij ter hand heeft gesteld, en het welk de leezer aan het
einde van dit werk bij het getuigschrift van den Heer Kasloff zal
gevoegd vinden); dog indien de zwaarigheden, die men ontmoet, al eene
voldoende vrijspraak opleveren, is echter het hartzeer, deswegens niet
minder onafscheidelijk van het aandenken aan dezelve; altoos is het
treurig zijn pligt niet te kunnen volbrengen, vooral wanneer het
beweezen is, dat in andere gevallen en met andere hulpmiddelen het
zelve gemaklijk heeft kunnen geschieden; dog ik acht het dubbel
smertelijk, wanneer de eindpaal van onze poogingen en verlangens ons
vaderland is, en het genoegen van de waardste panden wedertezien;
zoodanig waren de overdenkingen die mij bij mijn terugkomst te Okotsk
voor den geest zweefden; hier door wierden geduurende verscheiden
dagen de vermaaken giftigt, die ieder een mij poogde te verschaffen.
1788. _Maij_ Te Okotsk.
Bevelen door den Heer Loftsoff ten mijnen voordeele gegeeven.
Onder de Officieren van de bezetting had ik voornamelijk zeer veel
verpligting aan den Heer Loftsoff, Capitein Ispravnik; hij zond met
allen spoed naar de omgelegen streeken bevel, om op het oogenblik de
minst slegte paarden optezamelen, en die gereed te houden om op de
eerste tijding op reis te kunnen gaan[165]; deeze voorzorg stelde mij in
staat om van het gunstig oogenblik zo dra het zich maar vertoonde
gebruik te maaken, want ik vleijde mij nog altoos van dit tijdstip veel
eer te zullen zien opdaagen, dan men mij wel deed hoopen.