der hoogste bergen des lands, omtrent vijftig wersten van Yamsk. De
Koriaken hebben aan denzelven den naam van _Babouschka_, of
_Grootmoeder_ gegeeven; zij verhaalen, dat op deszelfs kruin een oude
tovenaarster begraven legt, die even zo vermaard als gevreest is; mijne
leidslieden hielden staande, dat 'er in dit gedeelte van de waereld geen
hooger berg gevonden word; dog derzelver bijgeloovige vrees had na mijne
gedagten eenigen invloed op hun denkbeeld, want de Villégui scheen mij
veel stilder te weezen, ten minsten had ik meer moeite om ze
overtetrekken. Boven op de Babouschka gekomen, voorzagen mijne geleiders
derzelver voeten van krammen in de gedaante van kleine drievoetjes,
vervolgens maakten zij dwars onder de sleeden vrij groote stokken vast,
om ze in het afdaalen tegentehouden; men had eigentlijk geen andere
voorzorg behoeven te neemen dan de sleeden met den _Oschtol_ of met yzer
beslagenen stok te bestieren, ook kwamen wij zonder eenig toeval om
laag; de bewoonders van dit land beschouwen echter deeze afdaaling als
gevaarlijk, voor al wanneer de sneeuw zich in de oneffenheden
opeenhoopt, welke daar worden gevonden, en die als dan zo veele
onzichtbaare en bij gevolg onvermijdelijke klippen worden; ook ben ik
niet vreemd van te gelooven, dat daar meenigmaal reizigers omkoomen.
Ziet daar volgens alle waarschijnlijkheid den oorsprong der vrees, welke
deeze Babouschka aan de Koriaken inboezemd; door een natuurlijk gevolg
van hun vooroordeel zijn zij zeer tot dankbaarheid geneigt, wanneer zij
zich buiten gevaar zien; die, welke mijn gevolg uitmaakten, beieverden
zich om derzelver offerhanden, te weeten tabaksbladeren, stukken visch,
yzer &c. op de kruin van den berg agter te laaten, ter plaatze, alwaar
zij voorgeeven, dat de tovenaarster rust; anderen hadden daar reeds voor
hun oude yzeren krammen, messen, stukken van wapenen en pijlen
agtergelaaten. Ik bespeurde daar onder anderen een werpspiets der
Tchouktchis, met yvoor bezet, en ik ging derwaarts om ze weg te haalen,
met voorneemen om dezelve te bewaaren, mijne geleiders dit ziende gaven
een schreeuw, waardoor ik terug gehouden wierd; "Wat gaat gij beginnen,
zeide een hunner tot mij? wilt gij ons doen omkomen? zulk een
heiligschennis zou ons het grootste ongeluk berokkenen, en gij zoud uwe
reis niet kunnen volbrengen". Deeze redevoering zou mij over den
beangstigden propheet hebben doen uitschateren van lagchen, indien ik de
hulp van alle deeze luiden niet nodig had gehad; om mij dezelve verder
waardig te maaken moest ik hunne dwaaling eerbiedigen, en ik hield eene
houding, even of ik daar in deel nam; dog naauwlijks hadden zij zich
omgekeerd, of ik nam deeze schrikverwekkende pijl weg om die tot een
gedenkteeken van de dwaaze bijgeloovigheid deezer volkeren te bewaaren.
Ostrog van Srednoi.
Het eerste dorp, dat ik aantrof, was Srednoi; deszelfs ligging heeft
iets schilderachtigs, aan den oever van de zee, en aan den ingang van
eene diepe baaij, die zich tusschen het land verliest, terwijl ze het
bed voor eene kleine rivier vormt, welkers water nooit brak is; de
Koriaken, die daar woonen, onthaalden mij zeer vriendlijk; ik rustte
eenige uuren uit in een der twee yourtes, die met verscheide magazijnen
de eenigste wooningen van dit Ostrog uitmaaken; deeze yourtes zijn op
dezelfde wijs gebouwd, als die der Koriaken, welken een vast verblijf
hebben; het eenigste onderscheid bestaat daar in, dat dezelve niet
onderaardsch zijn, en dat men 'er door een deur gelijks gronds ingaat;
de mosselen zijn aan deeze kust eigen en de inwoonders maaken daar van
derzelver voornaamste voedzel.
Des avonds vervolgde ik, van andere honden voorzien, mijne reis: ik reed
omtrent agt wersten over de rivier Srednoi. Op verscheiden plaatsen brak
het ijs onder onze sleeden; de stoutmoedigheid en de behendigheid
mijner leidslieden onttrok ons aan het gevaar; wanneer ze genoodzaakt
zijn aan wal te komen om het rijtuig te ontlaaden, gebruiken zij de
voorzorg, om de raketten aan derzelver voeten gelijk en schoon te
maaken, ten einde daar door meer oppervlakte op het ijs te beslaan; dog
het geen ons meer hinder aanbragt, terwijl wij op deeze rivier reisden,
was de yzel: onze honden konden niet op de pooten blijven staan, ieder
oogenblik viel de een op den ander.
1788. _April_ Den 26.
Ostrog van Siglann.
Voor den middag kwamen wij aan het Ostrog van Siglann, aan de rivier van
denzelfden naam gelegen; dit is het laatste dorp van het land der
Koriaken, het welk geen meerdere uitgestrektheid, nog meerdere bevolking
bevat dan het voorige, en daar van zevenenzeventig wersten verwijderd
is: men ziet daar eene yourte op de wijze der Yakouters gebouwd, dog ik
stel de beschrijving daar van uit tot op mijn komst onder dit volk. Ik
bleef zo lang te Siglann, als noodig was om de schaatsen van onze
sleeden in order te doen brengen, namelijk om daar aan de walvischbeenen
plaaten te hegten, welken door het smelten van de sneeuw noodzaaklijk
wierden, en ik vertrok des avonds ten vijf uuren van daar.
Eerst reed ik over eene baaij, welke haaren naam van dit dorp ontleent;
ze scheen mij toe vrij groot en wel geslooten te weezen, uitgenomen in
het zuid en zuidwestelijke gedeelte: derzelver kust is bijna overal zeer
hoog, en ze is zo lang, dat ik agt uuren tijds noodig had om tot den
westelijken uithoek te geraaken; verder kwam ik aan eenen niet minder
aanmerkelijken inham, genaamt de _baaij van Olas_. Niettegenstaande
onzen snellen voortgang waaren wij echter tien uuren bezig om dien op
deszelfs grootste breedte overtetrekken.
1788. _April_ Den 27.
Des anderen daags, omtrent ten drie uuren in den namiddag, hield ik te
Ola, een Toungous Ostrog, honderd veertien wersten van Siglann, stil:
het zelve is gebouwd op een zandoever, aan den mond van de rivier Ola,
die ter deezer plaats breeder wordende een kleine haven vormt, waar
agter de Toungousen zich in den wintertijd begeeven, zij waaren zedert
weinig dagen van daar vertrokken, om zich naar de tien yourtes te
begeeven, die het dorp Ola uitmaaken, en welke zij in den zomertijd
bewoonen.
Yourtes der Toungousen.
Deeze zijn niet onder den grond, even als die der Kamschatters, en de
meesten der Koriaken, die een vast verblijf hebben; zij zijn veel langer
en beter gebouwd; dikke balken onderschraagen de muuren, en in den top
van het dak is van het eene eind tot het ander eene naauwe opening; de
haardstêe beslaat ook de geheele lengte van het huis; omtrent agt voet
boven het vuur, dat den gantschen zomer aangehouden word, maakt men den
voorraad van visch en zeewolven aan dwarsbalken vast, ten einde dezelve
te droogen en te rooken, want dit is het voornaamste nut, het welk deeze
wooningen aanbrengen; twee deuren, de eene over de andere aan de twee
einden geplaatst, verschaffen de mogelijkheid, om de boomen en
verbaazende groote stukken hout, waar mede men het vuur aan den gang
houd, binnen te brengen. Ieder geslacht heeft deszelfs bed in
afgescheiden huisjes aan de zijden van de yourte; dat, waar in ik mij
begaf, was met afschutzels verdeeld, die uit bereide vischvellen
bestonden, welken aan elkander genaaid en met verschillende couleuren
geverwt waaren; deeze kakelbonte tapijten zijn niet onbevallig.
De yourtes voor den winter geschikt zijn rond[157], en even als de
zomerwooningen op den grond geplaatst, groote stukken houts, die recht
over einde staan, maaken de muuren daar van uit; het dak heeft dezelfde
helling als de onzen, en deszelfs top is open om den rook door te
laaten; deeze huizen zijn gelijks gronds van een deur voorzien; sommigen
zijn van binnen door een soort van galderij doorsneeden, waar door de
colomlucht gebrooken word, zo dat de rook er des te vrijer uittrekt.
[157] Onder deeze wooning ziet men een isba.
Opschik der Toungouse vrouwen.
Eenige oogenblikken na mijn aankomst te Ola, ontfing ik een bezoek van
verscheidene vrouwen, waar van sommigen op de Russische, en anderen op
de Toungouse wijze gekleed waaren. Dewijl ik mij verwonderd toonde van
ze allen zo netjes te zien, verhaalde men mij, dat het thans het feest
van het dorp was, en dat het daar en boven tot haaren opschik behoorde,
van zich aan de vreemdelingen met alle haare cieraaden te vertoonen;
onder de vercierselen, welken het meest bij haar in achting zijn,
schijnen ze de voorkeur te geeven aan het stikzel met glascoraal: men
ziet 'er, die van een zeer goeden smaak zijn, ik wierd 'er onder anderen
een op de laars van een jong meisje gewaar, de tekening daar van was met
eene bevallige zwier ingericht; hier door wierd niets van het schoone
van het been weggenomen, het zelve was met een vel zeer fraaij bekleed,
op het welke een soort van kleine vrouwerok nederhong.
Gelaatstrekken, en aart van de Toungousen.
De gelijkenis tusschen de Toungousen en de Russen is zeer sterk, ze
hebben dezelfde trekken en de eige taal, de mannen zijn sterk en wel
gemaakt, onder de vrouwen vind men eenige gedaantens, die na de Azianen
zweemen, dog zij hebben geen platte neuzen en breede aangezichten even
als de Kamschatters en de meesten der Koriaken; de zagtaartigheid en
herbergzaamheid maaken de hoofdtrekken van het Toungouse volk uit; het
heeft hen aan geen iever ontbroken om mij al de hulp toe te brengen, die
ik van nooden had, dog derzelver vermoogen is zo bepaald, dat zij niet
meer dan een gedeelte mijne honden konden verruilen.
Wanneer wij dit dorp verlieten, reeden wij over de zee; het ijs maakte
ons deezen nagt zeer bezorgt, het geduurig gekraak, het geen wij onder
ons hoorden, was niet geschikt om ons zeer gerust te doen zijn.
1788. _April_ Den 28.
Met het aanbreeken van den dag bereikten wij het vaste land om een steil
voorgebergte overtetrekken. Onze weg was zodanig afgemeeten, dat wij
voor zeven uuren weder op de zee dagten te weezen, dog de afdaaling was
moeijelijker, dan men mij gezegd had; wij moesten ons een weg door een
berkenbosch baanen. Een mijner geleiders, die zich even als de anderen
van boven van den berg naar beneden liet gleijen, wierd door een slêe
omvergeworpen, die hem een schok toebragt, juist wanneer hij wilde
draaijen; hij wilde zich aan de stam van een boom vasthouden, en viel
ongelukkig op de punt van zijn met yzer beslagen stok; hij was hier door
in de zijde gekwetst en kreeg eene sterke kneuzing aan het hoofd; wij
waaren genoodzaakt om hen op een slêe, waar op reisgoed gelaaden was, te
leggen.
Ongelukkige tegenspoed.
Een ander ongeval wachtte mij aan den voet van deezen berg; de zee was
reeds losgeraakt; welk een gevaar had ik geloopen! daar ik den geheelen
nagt op dezelve gereist had; mijne leidslieden waaren op dit gezicht
niet minder verbaasd dan ik: "Wat zal ervan ons worden, riepen zij uit?
nu zullen wij nog met veel grooter zwaarigheden te worstelen hebben". Ik
verborg mijne ongerustheid, terwijl ik hen moed zogt in te boezemen; wij
volgden eenigen tijd den oever van de zee: een diep stilzwijgen
heerschte onder al mijn volk, de verlegenheid was op de aangezichten
geschilderd.
Na verloop van een half uur hield hij, die zich aan het hoofd van den
trein bevond, eensklaps stil, roepende, dat hij geen weg meer zag. Ik
meende in het eerst, dat de zwaarigheden door de vrees in zijn oog
vergroot wierden, en ik zond mijn soldaat Golikoff met den ervaarensten
mijner wegwijzers om denzelven optespooren. Bij derzelver terugkomst
verzekerden mij de een zo wel als de ander, dat 'er geen mogelijkheid
was om verder te komen. Golikoff was van oordeel, dat wij moesten te rug
keeren, en een weg landwaarts in zoeken; mijne leidslieden verworpen
dien raad, staande houdende, dat het bijna onmogelijk was, om van deezen
kant den berg, dien wij afgedaald waaren, weder overtetrekken, dog in de
vooronderstelling, dat wij dit oogmerk konden bereiken, zou dan nog de
omweg veel te groot en te gevaarlijk weezen, uit hoofde van den
spoedigen dooij en de onkunde van den weg, dien men zou moeten volgen;
eindelijk stelden zij mij voor om onze sleeden te verlaaten, daar het
kostbaarste uitteneemen, en te besluiten om de baaij overtetrekken met
van de eene ijsschots op de ander te springen; dog de stroom begon
dezelve wegtevoeren en de zee was er mêe bedekt, het is gemaklijk
nategaan, dat ik weinig lust betoonde om deeze manier van reizen te
onderneemen, waar toe echter deeze volkeren soms genoodzaakt zijn. Ik
wist niet wat te kiezen, eindelijk besloot ik om zelf te gaan
onderzoeken, of ik langs den oever niet een bruikbaaren weg kon
ontdekken.
Weg over een lijstwerk van ijs.
Deeze bestond uit een keten van rotsen, die bijna in deszelfs geheele
lengte aan de zee eene platte oppervlakte voordoet, en bij gevolg niets
van een zandoever heeft; de zee had in het wegvoeren van deszelfs ijs
eene lijst ter zijde van deezen ontzaglijken muur agtergelaaten, dog dit
soort van kroonlijst was niet meer dan twee voet breed, somtijds nog
maar de helft, en deszelfs dikte was zelden meer dan een voet; wij
zagen agt voet laager de golven tegen de rots staan, en een onnoemlijk
getal klippen uit het midden der baaren zich wel den voeten boven
deszelfs oppervlakte verheffen.
Wel verre van door deeze vertooningen den moed te laaten zakken, begaf
ik mij op het gevaarlijke lijstwerk; stoutmoediger geworden door
deszelfs stevigheid, ging ik zagtjes voorwaards langs den kant, met den
buik tegens de rots aan; ik zag niets waar aan ik mij kon vasthouden,
behalven eenige inschietende hoeken, waar aan ik mij plaatste om adem te
scheppen, wanneer ik de openingen, die zich van tijd tot tijd onder
mijne voeten vertoonden, overgestapt was, want op sommige plaatsen was
het ijs geheel van elkanderen afgescheiden en verscheiden van deeze
gaapingen waaren twee of drie voet breed. Ik erken, dat ik in het eerst
mij zeer bevreest gevoelde, en dezelve niet dan al beevende oversprong;
bij een misstap, of bij de minste verbijstering was ik verlooren, nimmer
zouden mijne reisgezellen mij hebben kunnen vinden of te hulp komen; na
drie quartier uurs op zulk eenen moeijelijken weg doorgebragt te hebben,
bereikte ik het andere einde van de rots; ik was niet zo dra daar
gekomen, of ik vergat het gevaar van den togt om alleen aan mijne
brieven te denken. Ik had dezelve onder de bewaaring mijner soldaaten
gelaaten, dog aan mij alleen was de zorg toevertrouwd om ze in
veiligheid te stellen; de genoomene proef gaf mij daar hoop toe, en
zonder aarselen keerde ik te rug, trotsch op mijne gedaane ontdekking.
Mijn gevolg veroordeelde reeds mijne stoutmoedigheid, die zij voor
roekeloosheid hielden; ze scheenen zelfs verwonderd van mij weer te
zien. Ik verborg voor hun niet, dat de weg gevaarlijk was "dog dewijl
mij niets overkomen is, voegde ik er bij, waarom zoud gijlieden het dan
niet waagen om mij te volgen? Ik gaa dien togt nog eens onderneemen, en
ik hoop bij mijne terugkomst u allen gerust te zullen vinden, en gereed
om mij na te volgen".
Ter zelfder tijd nam ik mijn brieventas en het kistje, waar in mijne
depeches beslooten waaren; mijne twee soldaaten Golikoff en Nédarézoff,
wier behendigheid ik meermaalen ondervonden had, beslooten mij te
vergezellen; zonder derzelver hulp zou het mij niet mogelijk geweest
zijn dit vertrouwd pand in veiligheid te kunnen brengen; wij droegen het
zelve beurtelings, en gaven het de een aan den ander over; de laatste,
die het aannam, namelijk die geen, welke op deeze naauwe borstweering
den voortogt had, wierp het spoedig in een hol van de rots, ging eenige
treeden voorwaards, en de anderen na hem komende, namen het er wederom
uit en begonnen op nieuw den zelven arbeid. Het is mij onmogelijk mijne
gewaarwordingen geduurende deeze overvoering meedetedeelen; bij iederen
stap over deeze openingen vreesde ik, dat mijn kistje in zee zou vallen,
dikwerf scheen het ons uit de hand te zullen glijden, en het bloed
stolde mij in de aderen, even als had ik den dood voor oogen. En ik weet
waarlijk niet, waar toe mij de wanhoop zou vervoerd hebben, indien ik
het ongeluk had gehad van het zelve te verliezen; ik kon eerst vrijelijk
ademhaalen, wanneer ik dien schrikkelijken last in veiligheid gesteld
had, en toen was ik even zo van vreugde getroffen, als ik te vooren met
zorg was aangedaan geweest.
Deeze tweede gelukkige uitslag boezemde mij zo veel vertrouwen in, dat
ik niet langer aan de mogelijkheid twijffelde om onze sleeden over
denzelfden weg heen te kunnen brengen. Ik deelde die gedagten aan mijne
soldaaten meede: door mijn voorbeeld en de gelukkige proef, die zij
genoomen hadden, aangemoedigd, keerden zij vrolijk met mij terug om ons
gevolg te zoeken: op mijn bevel had men een gedeelte der honden
uitgespannen; men hegtte aan de vier hoeken der sleeden lange riemen,
die ik voor en agter liet vasthouden; wij wierden daar van wel haast de
nuttigheid gewaar, somtijds waaren onze rijtuigen breeder dan het
lijstwerk en steunden maar op eene schaats, dus zou de zwaarte ze na den
anderen kant hebben doen overhellen, indien ze niet met alle kracht
waaren tegengehouden; somtijds moest men dezelve ter plaatze, waar het
ijs zich scheidde, spoedig oplichten, om ze in evenwicht te houden; de
welgespierde armen van mijne geleiders bezweeken onder den last, en onze
vereenigde krachten waaren naauwlijks toereikende om ze staande te
houden: men mogt zich zo goed mogelijk vasthouden, het was echter te
vreezen, dat de een met den ander zou mêegesleept worden, of dat het ijs
eensklaps onder onze voeten zou bezwijken; dog wij raakten met den
schrik vrij.
Wij gingen wederom te rug om onze overige honden aftehaalen; men zou
gezegd hebben, dat deeze arme dieren meer het gevaar dan wij inzagen,
zij huilden en kroopen agterwaards, voor al op de ongemaklijkste
plaatzen; te vergeefs spoorde men dezelve door de stem aan, men moest ze
slaagen geeven en met geweld na ons toehaalen. Daar waaren 'er vier, die
het zij door den wederstand, welken zij booden, of door derzelver
domheid, niet even als de anderen wisten overtespringen; de eerste
verongelukte voor onze oogen, zonder dat het mogelijk was het beest
eenige hulp toetebrengen[158], de tweede bleef aan zijne voorpooten
hangen; een mijner leidslieden, door zijn makker vastgehouden, gelukte
het, al bukkende dit arme dier weder te krijgen; de twee anderen wierden
door derzelver leissel ondersteund en gemakkelijk gered.
[158] Dit was waarlijk een verlies voor mijne leidslieden; er zijn
diergelijke honden, die vijftig roubels waardig zijn, en geene
dezelver word minder dan ~voor~ vijf roubels gekogt.
Tot deeze verscheidene heen en weergangen besteedden wij zeven uuren
arbeids in eene geduurige bekommering. Zo dra zagen wij ons niet buiten
gevaar, of wij dankten den hemel, even als luiden, die den dood ontsnapt
waaren, wij omhelsden elkander met blijdschap, even of ieder onzer
deszelfs leeven aan de hulp van zijn meedemakker verschuldigt was: in
een woord, ons genoegen wierd veel beter ondervonden, dan ik in staat
ben om het zelve uittedrukken.
Men maakte allen spoed om onze beschadigde sleeden te herstellen;
vervolgens vervorderden wij onzen weg over een zandigen oever, met
keizelsteenen bezet, welkers breedte en vastheid ons geen den minsten
schroom overliet; na verloop van twee uuren ontmoeteden wij niet ver
van het ostrog Armani verscheiden sleeden, die ledig naar Ola
terugkeerden, en die bij gevolg genoodzaakt zouden weezen den eigen weg
te neemen; wij waarschuuwden de geleiders van dezelve, terwijl wij hen
een gelijken goeden uitslag toewenschten.
Twee yourtes, de eene voor den zomer, en de andere voor den winter
geschikt, maaken het dorp van Armani uit, langs het welk de rivier van
denzelfden naam vloeit omtrent een en tagtig wersten van Ola. Ik trok
hier door, en hield omtrent drie honderd treeden verder bij een Yakouter
stil, die zedert dertig jaaren in eene yourte, in het midden van een
groot mastbosch, woonachtig is, en bij wien men mij verzekert had, dat
ik een geschikter verblijf zou vinden.
Rustplaats bij een Yakouter.
In deszelfs afweezenheid ontfing mij zijne vrouw ongemeen wel; zij bood
ons melk aan, benevens een zuurachtigen drank, bestaande uit gekarnde
melk van eene merrie, genaamd _koumouiss_. Deeze drank kwam mij niet
onaangenaam voor, en mijne Russen dronken daar van met veel vermaak,
niettegenstaande derzelver bijgeloovigen afkeer van alles, wat van een
paard komt. Intusschen kwam de man t'huis; dit was een goede grijsaard,
die nog sterk en gezond was; na dat hij van de oorzaak mijner reis door
zijn vrouw en door mijn soldaat Golikoff onderricht was, welke laatste
te Yakoutsk gebooren mij ten tolk diende, beieverde zich mijn gastheer
om de beste plaats van zijn huis schoon te laaten maaken, ten einde ik
mij ter rust kon begeeven. Ik wierd door het geloei van de kudde, die in
de yourte kwam, wakker; agt koeijen, een stier en verscheiden kalveren
besloegen met ons het binnenste van de wooning; niettegenstaande dit
gezelschap heerschte 'er een zekere zindelijkheid, en de lucht, die men
daar inademd, is zuiver en gezond; deeze Yakouter brengt zijn leeven
niet door met visschen, en het droogen van dezelve, zo als de Koriaken
en de Kamschatters, zijnde dit een voedzel, waar van hij weinig werk
maakt; het onderhoud van zijne runderen en de jagt, deszelfs eenigste
bezigheden, voldoen aan alle zijne behoeftens; hij heeft daar en boven
tien paarden, die hem toebehooren, en welken tot allerlei arbeid dienen;
deeze zijn in een perk op een weinig afstands van de yourte geplaatst,
alwaar alles eene zekere welgeschikte order aanduid, en vrede en
vrolijkheid inboezemd. Ik weet niet of het bijzijn van de kudde, het
gezicht en de goede smaak van de melkspijs eenige bekoorlijkheid aan
onzen maaltijd bijzette, dog het kwam mij voor, dat ik zedert lang
zulken goeden cier niet gemaakt had; de huisheer gebruikte voor mijn
vertrek de voorzorg, om eenige stukken wild op mijn voorraad-slêe te
doen laaden.
1788. _April._ Den 29.
Het Fort Taousk.
Wij scheiden denzelfden avond zeer vergenoegt de een van den ander; ik
reisde den gantschen nagt, en des morgens bevond ik mij, na twee en
veertig wersten afgelegd te hebben, in het Fort van Taousk; dit Ostrog,
alwaar wij volgens onze gewoonte den dag doorbragten, is aan de rivier
Taou geleegen; het bestaat uit omtrent twintig isbas, eene kleine kerk,
die door den pastoor van Okotsk bediend word, en een gebouw, waar in men
de schattingen bewaard: dit magazijn is met palissaden in de gedaante
van bolwerken omheint; twintig Yakouters, twee van derzelver Prinsen en
eenige Koriaken, welke de bekoorlijke gelegenheid derwaarts heeft
getrokken, maaken al de inwoonders van Taousk uit; de bezetting word
door vijftien soldaaten uitgemaakt, onder het bevel van een sergeant
genaamd _Okhohu_; ik verbleef bij hem tot aan den avond.
Dorp Gorbé.
Ik trok des nagts door het dorp Gorbé, het geen door Yakouters en een
zeer klein getal van Koriaken bewoond word; met het aanbreeken van den
dag zagen wij de zee niet meer; wij hadden eerst langs de Taou gereeden,
dewijl wij ons niet op het ijs durfden waagen, vervolgens waaren wij
ongevoelig landwaarts in geraakt, wij reisden voorts over het veld en
op de rivier Kava, zonder een eenige wooning te ontdekken.
1788. _Maij_ Den 3.
Op het oogenblik, waar in wij ons gereed maakten, om in het midden van
een mastbosch stil te houden, verhief zich eensklaps een storm, die ons
sneeuw in overvloed aanbragt; mijne tent, over de sleeden gehangen, die
met reisgoed geladen waaren, verstrekte ons ten schuilplaats; dog wij
moesten ook de kookketel overhangen; mijne geleiders bezig zijnde met
hout te zoeken, wierden tot boven den gordel met sneeuw bedekt, en zelfs
zonken ze met derzelver raketten tot aan de knien toe 'er in. In den
agtermiddag veranderde de wind en de lucht klaarde op; dadelijk
beklommen wij onze sleeden, dog de dikte van de sneeuw noodzaakte ons om
'er beurtelings aftekomen, om een weg voor onze honden te baanen.
1788. _Maij_ Den 4.
Des morgens trokken wij den berg van Ine over, twee honderd zeventig
wersten van Taousk afgeleegen; deszelfs hoogte is gelijk aan die van de
Babouschka. Op den top gekomen, beving ons de koude zodanig, dat wij
daar stilhielden om vuur aan te maaken; na vijf uuren reizens vonden wij
den zeeoever weder, welken wij op eenigen afstand van Iné verlieten,
alwaar wij bij het vallen van den avond aankwamen.
Dorp Iné.