Een ieder onzer dagt er nabij te zijn, echter waaren wij 'er nog agt

wersten van af, na deezen togt gedaan te hebben, moesten wij de kleine

rivier[149] die langs den voet van die bergen slingert, overrijden,

vervolgens kwamen wij aan den Villégui, den hoogsten van allen, en die

aan den zelven keten den naam geeft. Op het eerste gezicht schijnt hij

ongenaakbaar. Eene naauwe engte vertoonde zich aan ons, en wij

ondernaamen het om hem te beklimmen op het goed vertrouwen, dat wij in

onzen princelijken geleider stelden; vier uuren waaren naauwlijks

voldoende om op den top te geraaken; daar verloor ik den moed, wanneer

ik zijne verbaazende hoogte in aanschouw nam; dat men zich inderdaad

eenen ontzagchelijken klomp voorstelle, die ten minsten honderd toises

of vijftig roeden bijna lijnregte hoogte heeft, omzoomt met rotsen en

steenen, waar op de sneeuw niet is kunnen blijven leggen, maar door de

orcaanen weggevoerd is; het weinige, dat 'er op is gebleeven, maakt den

weg zo glibberig, dat ieder oogenblik onze rendieren neervielen;

niettegenstaande onze pogingen om de sleeden te ondersteunen

veroorzaakte de steilte, dat deeze telkens agter uit raakten, het geen

ons ook geduurig deed terug deinzen, uit vrees, dat ze op ons mogten

vallen, het was met ons gedaan geweest indien de voet gemist had;

menigmaal wierd ik gewaar, dat, wanneer ik mij aan een rots hield, die

ik meende vast te zijn, dezelve mij onder de hand begaf en als dan

verloor ik het evenwicht. Zonder de hulp van Oumiavin en van mijne

soldaaten, die naast mij opklommen, en welken mij ter juister tijd

tegenhielden, zou ik ongetwijffelt ter neergestort hebben; wanneer ik om

hoog was, kon ik niet zonder afgrijzen den weg beschouwen, dien ik

gekomen was, het gezicht van het gevaar, het geen ik geloopen had,

veroorzaakte mij eene zodanige beklemdheid, dat ik genoodzaakt was mij

neer te zetten.

[149] Deeze rivier word Villéga genaamd.

Het was 'er verre af, dat ik mij behouden rekende, ik moest wederom

afklimmen; mijn ieverige Koriak beduide mij zeer naauwkeurig tot mijne

geruststelling, hoe ik zulks onderneemen moest, zijn onderricht benam

mij wel de vrees voor ongelukken, dog echter niet alle ongerustheid: ik

had een gedeelte van mijn reisgoed onder aan den voet van den berg

laaten staan; wie zal het zelve durven gaan haalen, zeide ik tot mij

zelfs? de moedige Oumiavin belaste zich daar mede, en vertrok aanstonds

met eenige manschap.

Een hevige dorst verslond mij: de kruin van den berg was wel met sneeuw

bedekt, dog hoe zou men dezelve doen smelten! geen heester zagen wij om

ons heen; de hoop van 'er in de laagte te zullen vinden deed mij

besluiten om mijn geleider niet aftewachten, maar van zijne

raadgeevingen in het klimmen gebruik te maaken; wij begonnen met onze

rendieren uittespannen; zij wierden agter de sleeden vastgemaakt, op

ieder van welken zich twee menschen plaatsten; wij lieten ons vervolgens

afglijden, even als de inwoonders van Petersburg, die zich op die wijs

in de Carneval met ysbergen vermaaken, welken zij op de Néva

vervaardigen; met behulp van onze stokken hielden wij het rijtuig tegen,

en bestierden het zelve; in minder dan agt of tien minuuten waaren wij

om laag; gelukkig wierd ik eenige kleine cederboomen gewaar, welhaast

hadden wij vuur, en ik kon mij verfrisschen; het was als toen twee uuren

in den namiddag, ten zeven uuren waaren wij allen weer bij den anderen.

Oumiavin kwam onbeschadigd bij ons, dog zo vermoeid, dat wij niet

langer dan tot negen uuren konden voortreizen.

1788. _April_ Den 13.

De volgende dag was minder moeijelijk voor ons, dan wel voor onze

rendieren; de sneeuw lag meer dan drie voet dik, en zo los, dat de

dieren tot den hals daar inzonken; verscheiden weigerden volstrekt

dienst te doen, wij moesten ze op de weg agter laaten; dit is ook een

ongemak in het reizen met rendieren, wanneer men een grooten togt agter

den anderen wil afleggen; men mag ze spaaren zo veel men wil, zo dra ze

moede worden, is men genoodzaakt op te houden of ze agter te laaten, als

dan is het niet meer mogelijk om ze van de plaats te doen gaan.

Den 14.

Ik hoopte den 14. des morgens te Toumané te weezen; wij hadden niet meer

dan tien wersten afteleggen, wanneer een hevige wind ons overviel, en

ons sneeuwvlaagen aanbragt, die ons geheel verblinden; genoodzaakt om

onzen togt langzaamer interichten, konden wij dit dorp niet bereiken dan

des namiddags ten vier uuren.

Ostrog van Toumané.

Deszelfs ligging is ten zuidwesten van Ingiga, op den afstand van

vierhonderd veertig wersten, in een klein boschje, dat door de rivier

Toumane drie wersten van deszelfs mond gescheiden word. Drie yourtes,

even zo veel houten magazijnen en een twaalftal balagans maaken dit

Ostrog, en twaalf geslachten deszelfs bevolking uit; hoe zeer de rivier

zeer vischrijk was[150], heb ik echter sommige inwoonders, het zij uit

luijheid, het zij uit een bedorven smaak, zich met berken schors, in

walvischtraan gedoopt, zien voeden.

[150] Wij vischten daar uitmuntende lekkere forellen.

1788. _April_ Den 14. en 16.

Oumiavin is genoodzaakt mij te verlaaten.

Het slegte wêer hield den 15 en 16 aan, dog te vergeefs zou ik mij op

weg hebben willen begeeven, onze rendieren waaren buiten staat, om mij

verder te brengen. Oumiavin durfde mij zulks niet zeggen; uit zijne

treurigheid ontdekte ik reeds, het geen hij voor mij verbergen wilde; op

het eerste woord, het geen ik deswegens tot hem voerde, verzogt hij

reeds verschooning, even als of ik recht had gehad mij over hem te

beklaagen, om dat hij zich in de onmogelijkheid bevond, van mij volgens

zijne belofte naar Yamsk te brengen. Ik had veel moeite om hem te doen

begrijpen, dat ik van zijnen goeden wil volmaakt overtuigd, en hem

dankbaarheid voor alle zijne beweezene diensten verschuldigt was, ik

moest bijna boos worden, om hem eenige geschenken te doen aanneemen,

welken ik bij de kosten van de post meende te moeten voegen.

1788. _April_ Den 15. en 16.

Op zijn raad drong ik sterk bij de inwoonders aan, om mij alle de honden

te bezorgen, die zij krijgen konden; dog de naauwkeurigste navorschingen

verschaften mij 'er maar een gering aantal; en om die, welken ik noodig

had, aantevullen, kon men geen ander hulpmiddel uitdenken dan de jongen

en zelfs de wijfjes, die binnen kort werpen moesten voortespannen; de

edelmoedigheid deezer lieden ging zo verre, dat ze een gedeelte van

derzelver voorraad van gedroogden visch, die niet groot was, ten mijnen

behoeven afstonden.

1788. _April_ Den 17.

Vertrek van Toumane.

Des daags van den 17. ging de wind leggen, dog de lucht bleef met zwarte

wolken belaaden, die niet veel goeds voorspelden; na dat ik echter van

mijn getrouwen Siméon Oumiavin en van mijne vrienden te Toumané afscheid

genomen had, vertrok ik des namiddags ten een uuren, verzeld van mijn

geleide en al mijn reisgoed, op vijf open sleeden. Ieder voorspan was

van agt a tien honden; ik nam een man te meer om mij voor koetzier te

dienen, dewijl ik geen sterkte nog moeds genoeg bezat om 'er mij langer

van te kunnen ontdoen; deeze vermoeijende oeffening had mij de krachten

benomen.

Storm.

Het leed niet lang, of wij bereikten de zee, waar op wij ons begaven,

ten einde zeven bergen te ontwijken, die den gewoonen weg ten uitersten

moeijelijk maaken; naauwlijks hadden wij vijftien wersten gedeeltelijk

over het ijs, gedeeltelijk langs den oever, afgelegt, alwaar wij tot ons

geluk genoodzaakt wierden te rug te komen, dewijl de sneeuw op nieuw

met een zo onstuimigen wind nederviel, dat dezelve onze sleeden deed

waggelen en de honden te rug stiet. Mijne leidslieden waarschuwden mij

spoedig van het gevaar, en uit vrees van te verdwaalen, waaren zij van

oordeel, om daar digte bij een schuilplaats te zoeken in een verlaaten

yourte, die hun bekend was.

Verlaaten yourte, die ons ter schuilplaats verstrekt.

Zij is gelegen aan eene kleine rivier genaamt _Yovanna_, twintig wersten

van Toumané: wij kwamen daar verkleumd van de koude, en met sneeuw

bedekt; ieder wilde om het eerst daar in nederklimmen, ten einde zich in

veiligheid voor den wind te stellen, dog vier voet sneeuw bedekte

deszelfs opening; wij plaatsten onze sleeden in reijen, vervolgens

baanden wij ons een doortogt met onze raketten, bij gebrek van schoppen;

deeze arbeid duurde een uur; wij hadden geen ladder om er inteklimmen;

de stoutmoedigste waagde het om 'er in te springen, en de anderen

volgden hem; wij vielen op een hoop geheel bevroozen zeewolven, en waar

van sommigen half verscheurt waaren, ongetwijffelt door verslindende

dieren, aan wien in het hevigste van den winter deeze onderaardsche

wooning veelmaals ter schuilplaats zal gediend hebben. Eene ledere

zegen, in een hoek gesmeeten, was het eenigste kenteeken, dat

menschelijke weezens dit hol bezogt hadden. Het is waarschijnlijk, dat

eenige Koriaken uit de omleggende streeken daar van hun voorraadschuur

gemaakt hebben; de wanden waaren behangen met ijsschotzen, die in

krisstallijnen droppen afhingen; en waarlijk ik kon deeze wooning niet

beter dan bij een ruime ijskelder vergelijken; ze is vierkant, en heeft

vijf voet diepte op tien voet breedte.

Terwijl wij bezig waaren om de zeewolven ter zijde te plaatzen, ten

einde meer ruimte te hebben om ons te kunnen nederleggen, maakten mijne

geleiders onze honden vast[151] en gaven hun derzelver rantsoen van

gedroogden visch; terzelver tijd ontstak men het vuur, om ons te warmen

en om onzen avondmaaltijd gereed te kunnen maaken; daar na lag ik mij op

het lederen net, het welk wij in de yourte gevonden hadden: een zeewolf

diende mij tot een hoofdkussen; mijne medgezellen volgden mijn voorbeeld

na, en behalven de onaangenaamheid van een weinig digt bij den anderen

te leggen, bragten wij eenen zeer goeden nagt door, wij hadden aan de

Koriaken van mijn gevolg een geheelen hoek ingeruimd, dog zij lagen de

een op den ander, en konden zich zelfs niet uitstrekken; echter

beklaagde zich geen van hun deswegens, nog scheen 'er zelfs eenige

aandagt op te vestigen. Ik zag hen even als de aapen neerhuiken, het

hoofd in hun parque winden, vervolgens met de elleboogen op de knie-ën

leunende, zo rustig inslaapen, als of zij wel op hun gemak geplaatst

waaren geweest.

[151] De sneeuw viel in zulk een overvloed, dat die arme dieren onder

deszelfs dikte als begraaven waaren, dog gewoon aan het slegte wêer,

verzamelen zij zich in gelederen en steeken altoos den neus in den

wind, zo dat de warmte van derzelver adem, terwijl die hun koud

bekleedzel doordringt, voor de ophaaling een vrijen doortogt laat: zij

weeten ook zeer wel, wanneer dit dekzel te zwaar word, het zelve

afteschudden.

1788. _April_ Den 18.

Den volgenden dag veranderde de wind, dog even geweldig als die van

daags te vooren, was hij ons nog hinderlijker; hij joeg den rook weer in

de schoorsteen, zo dat wij 'er bijna van verstikten en blind wierden.

Toen beslooten wij, dat men geen vuur zou aansteeken dan tegens

eetenstijd.

Ik wilde beproeven, of ik dit ongemak niet door eenige schikkingen van

buiten kon verhelpen; wanneer ik buiten kwam, dagt ik door den wind

omver gesmeeten te zullen worden. De Heer Kisséliof, die mij volgde,

raakte zijn muts kwijt, hij wilde die met eenigen van onze leidslieden

naloopen, dog te vergeefs! wanneer hij zich maar vijftien passen van

onze schuilplaats verwijderd had, verloor hij die reeds uit het

gezicht, zonder te weeten, naar welken kant zich te wenden, om die

wederom te vinden, het was alleen door het beantwoorden van zijn geroep,

dat wij hem den weg konden aanwijzen.

Door veel arbeids verkreegen wij eindelijk een genoegzaam verheven wal

tegens den wind, ten einde een vrijen doortogt aan den rook te geeven:

van toen af hadden wij dag en nagt vuur, dog niettegenstaande onze

oplettenheid van het aan den gang te houden, waaren wij dikwils geheel

van de koude bevangen; de vogtigheid was niet minder onverdraagelijk als

de koude; het gestadige vuur deed de stukken ijs, welken ons omringden,

ongevoelig smelten; boven ons vormden zich duizenden van gooten, het

water stroomde onder onze voeten, en tot overmaat van ongeneugte

begonden de zeewolven te ontdooijen en van zich een bedorven lucht te

verspreiden. Die, welke uit onze ligchamen uitwaassemde[152], was meer

dan genoeg om van onze schuilplaats een wezentlijken afgrond te maaken;

daar het onmogelijk was de lucht te zuiveren, zogten wij ten minsten ons

van onze buuren, de zeewolven te ontdoen; mijne leidslieden waaren de

eerste in voortestellen, van daar mede zo lang onze honden te voeden,

als wij genoodzaakt waaren in deeze schrikkelijke spelonk te blijven. Ik

gaf daar aan des te gereeder mijne toestemming, uit hoofde dat ik door

mijnen weinigen voorraad van gedroogden visch met dezelve spaarzaam te

werk moest gaan; door mij dien, welke het goed geluk ons aanbood,

toeteeigenen, benadeelde ik ongetwijffeld eenige ongelukkige bewoonders

van deeze kusten; dog wanneer men tot het uiterste gebragt is, is de

eigenliefde somtijds geoorlooft.

[152] Wij waaren tien persoonen sterk, waar onder zeven Koriaken, wier

morsigheid bekend is.

Den 19.

Onverduldig om onze reis te vervolgen, zond ik mijne Koriaken naar

buiten om te zien, hoe het wêer was; na verloop van twee minuuten zag ik

ze half bevroozen nederwaarts komen; derzelver kleederen en mutsen

waaren als ééne sneeuw, de koude had hen zodanig bevangen, dat zij de

tanden niet van elkander konden krijgen. De slegte staat, waarin zij

zich bevonden, scheen invloed op hun bericht te hebben; dog onder al

derzelver verhaalen trof mij dit het meeste, dat sommige rotsen, eenige

treden van onze yourte afgelegen, van waar men ze daags te vooren nog

ontdekken kon, geheel onzichtbaar geworden waaren.

1788. _April_ Den 20.

Het wêer schijnende te bedaaren, en het sneeuwen optehouden, gaf ik de

noodige bevelen tot ons vertrek; reeds waaren onze honden

voorgespannen, en wij buiten de yourte gehijst, wanneer een

schrikkelijke storm alle onze genomen maatregels in wanorder bragt; de

sneeuwvlaagen begonnen op nieuw, wij moesten spoedig naar binnen gaan,

ons gelukkig achtende, dat wij wederom een schuilplaats konden vinden.

Een oogenblik daar na bevond ik mij gantsch niet wel. Het is mij

onbewust, of dit een uitwerkzel was van den schielijken overgang der

koude in de warmte, of van de walgende uitwaassemingen, die ik inademde,

wanneer ik mij op nieuw in dien afgrond wierp, dan wel, van den spijt,

welke mij door zo veel tegenspoeds veroorzaakt wierd; dit is zeker, dat

ik meer dan een quartier uurs buiten kennis was. Ik ondervond bij deeze

gelegenheid den iever van mijne soldaaten, terwijl de een op mij een

vloed water neerstorte, wreef de ander mij intusschen zo hevig met

sneeuwvlokken, dat ik geloof, dat hij mij het vel zou hebben

weggevreeven, om mij maar weer te doen bijkomen.

Bijzonderheden nopens het plan mijner reis.

Mijne overdenkingen waaren na deeze flaauwte even zo treurig, als de

omstandigheden, waar in ik mij bevond; ik beschouwde het plan van mijne

reis door zo veele hinderpaalen en genoodzaakte rustdagen geheel

omvergeworpen. Ik vreesde, dat ik mij niet voor het losraaken der

rivieren naar Okotsk zoude kunnen begeeven; echter was dit

onvermijdelijk, indien ik van den nog overigen tijd, die tot de

sleedevaart geschikt was, wilde gebruik maaken, om tot de plaats te

komen, genaamd _het kruis van Yndoma of Yndomskoikrest_. Van daar tot

aan Yakoutsk was het zeker, dat ik door den omweg, dien ik mij

voorgestelt had, over de rivieren Yndoma, de Maija en Aldann[153] te

neemen, de verhinderingen, door den dooij veroorzaakt, zou ontsnappen,

welke de wegen zelfs voor de paarden onbruikbaar maakt; dog in mijne

bereekening moest ik geen oogenblik verliezen; een onvoorziene hindernis

van éénen dag kon 'er mij een van meer dan twee maanden berokkenen; men

moet zich in mijne plaats stellen, om te kunnen beoordeelen, hoe weinig

bemoedigend dit vooruitzicht was; ik kan betuigen, dat de dreigende

gevaaren mij veel minder verbaasden.

[153] Hoe zeer dit een omweg van meer dan zeven honderd wersten is,

was ik door den snellen stroom van deeze rivieren echter zeker van

eene gemaklijke vaart, die mij ter gelijker tijd een aanmerkelijken

winst van tijd, en tevens het vermaak van het begin der lente zou

bezorgt hebben.

1788. _April_ Den 21.

Eindelijk wierd het den 21. mogelijk om ons op reis te begeeven: de

lucht was geduurig bezet, de nevel zeer dik, dog de wind gaan leggen,

het geen ons deed besluiten om te vertrekken, niettegenstaande het

vooruitzicht op een nieuwen orcaan, die ons in eene vreesselijke

verlegendheid zou gebragt hebben, want wij konden voor onze aankomst te

Yamsk op geen schuilplaats hoopen; wij keerden naar de zee, op welke wij

ten naasten bij twee wersten van de kust aanhoudend voortreisden; wij

meenden het echter best te weezen, om tegens den avond weder naar den

oever te keeren, ten einde aldaar stil te houden; het ijs was zeer

effen, en de plaatzing van ons kleine leger aan geene zwaarigheden

onderhevig.

Den 22.

Het wierd vroeg opgebrooken, en om de bogten van den oever te vermijden,

begaven wij ons weer op de ruimte; daags te vooren hadden wij eenige

baaijen gezien, dog in verre na zo groot niet, als die, welke wij deezen

dag in den agtermiddag overreeden; wanneer wij 'er vlak voor waaren,

ontstond 'er ongelukkig een storm, die mij geene waarneemingen

hoegenaamd toeliet.

Baaij Iret.

Ik vernam van mijne leidslieden, dat deeze baaij den naam van de rivier

Iret draagt, welke daar invalt; dat dezelve bijna geheel geslooten is en

des zomers bij een laage zee droog loopt, de watervogels worden 'er in

dat jaarsaisoen bij meenigte gevonden; men komt van Yamsk en deszelfs

nabuurschap die, wanneer ze in het ruijen zijn, met netten vangen of

met stokken doodslaan; de ondiepte van deeze baaij, die overal waadbaar

is, moet de onderneemingen der jagers begunstigen.

Bij het vallen van den avond trokken wij wederom naar den oever, en wij

sloegen ons in een schoon mastbosch nabij de rivier Iret ter neder.

1788. _April_ Den 23.

Aankomst te Yamsk.

Deeze dag leverde niets bijzonders op; de wind overviel ons vrij

geweldig in het midden van eene vlakte, die omtrent vijf en twintig

wersten uitgestrektheids heeft. Ik nam nogmaals toevlucht tot mijn

kompas, en wij hadden nog geen vijftien wersten afgelegt, of de lucht

klaarde geheel op; wij ontmoeteden op deeze hoogte een sergeant van

Okotsk afgezonden; een weinig verder vertoonde de rivier Yamsk omtrent

drie wersten van deszelfs uitwatering zich aan ons oog; zijn loop

volgende, ontdekten wij ter regterhand een visschers wooning, die zich

daar alleen des zomers verzamelen. Ik trok nog zes wersten over het ijs,

en vervolgens kwam ik in dit Ostrog, het geen meer dan honderd vijftig

wersten van Toumané afgelegen is; dewijl het mij aan beschuit begon te

ontbreeken, was ik niet alleen genoodzaakt daar te slaapen, maar 'er

zelfs een gedeelte van den volgenden dag te blijven, om mijnen voorraad

te vernieuwen.

De Sergeant, die aldaar het bevel voert over de bezetting, uit twintig

man bestaande, ontfing mij zeer beleefd; op de aanbeveeling van den

Heer Commandant te Ingiga beieverde hij zich, om alles wat ik noodig

had, voor mij gereed te doen maaken, en hij gaf mij alle onderrichting,

die ik maar verlangde.

1788. _April_ Den 24.

Beschrijving van dit Ostrog.

Het Ostrog of het fort Yamsk is op den oever van de rivier van

denzelfden naam, omtrent tien wersten van deszelfs mond gelegen, alwaar

ze een baaij vormt, die van uitmuntende ankerplaatsen schijnt voorzien

te weezen, dog verscheiden zeer uitsteekende kaapen en eene groote

meenigte van klippen, waar mede deszelfs inkomen, om zo te spreeken, als

omzoomt is, maaken deeze des te gevaarlijker, naar maate van den engen

doortogt, en noodzaakt de scheepen een geruimen tijd te laveeren, of een

gunstigen wind aftewachten om dezelve doortevaaren, want men verzekert,

dat die vaartuigen moeijelijk bij den wind zeilen. Uit dit alles is

optemaaken, dat, indien die oord van meer belang was en meer bezogt

wierd, er ook gewis het schipbreuk lijden meer gemeen zou weezen[154].

[154] Het is eenige jaaren geleden, dat een vaartuig van Okotsk

komende aldaar ongelukkig verging; de geheele lading in levensmiddelen

bestaande was verlooren, men kon alleen zeer weinige manschappen

redden.

Men telt te Yamsk vijf en twintig houten huizen, waar van een gedeelte

ter plaatze, waar ook de kerk gevonden word[155], met eene vierkante

palissadeering omgeeven is, op dezelfde wijs als die te Ingiga, dog van

eene mindere hoogte en dikte; de bevolking bestaat in twintig

geslachten, die ten naasten bij even als de Russen leeven.

[155] De Koriaken, een vaste woonplaats hebbende, welken men tusschen

Ingiga en Yamsk aantreft, zijn allen gedoopt; deeze twee steeden

worden maar door eenen priester bediend: zijn gewoon verblijf is te

Ingiga, en zeldzaam bezoekt hij zijn district, het geen zich tot aan

het Ostrog van Taousk uitstrekt, het welk van den pastoor van Okotsk

afhangt.

Wijze waar op de Inwoonders het zout maaken.

Zij hebben een manier om zout te maaken, welke mij niet bekend is; al

het hout, dat de zee somtijds op den oever werpt, word met de grootste

zorgvuldigheid opgezameld; zo dra het droog is, verbrand men het zelve,

vervolgens kookt men de assche, en het overblijvende bezinkzel is een

zeer wit zout.

Kleeding der zwervende Tongousen.

Twee dagen voor mijn aankomst te Yamsk was van daar eene horde van

zwervende Tongousen vertrokken; om mij den spijt te vergoeden, dat ik ze

niet had kunnen zien, toonde men mij derzelver plechtgewaaden, zo wel

van de mannen als vrouwen; zij draagen geen hemden, dog een soort van

borstlap, die van agteren vastgemaakt word, en tot op de knieën als een

voorschoot afhangt; deeze is met rendieren hair geborduurd, en met

glaskoraalen van verschillende couleuren vercierd: men behangt dezelve

van onderen met yzeren en koperen plaaten en een groot aantal

schelletjes. Onder dit voorschoot hebben zij een vellen broek of hansop,

en lange geborduurde laarzen van rendieren vel, waarvan het hair naar

buiten gekeerd is, dienen hen tot een schoeizel; een lang kamizool

bedekt de schouders, aan het einde der mouwen worden handschoenen

vastgehegt, welken onder het gewrigt der hand open zijn, ten einde er

dezelve door te kunnen steeken; dit kamisool, dat zeer naauw op de borst

en aan het lijf is, eindigt bijna op de helft der deijen, en is op

dezelfde wijs met borduursel en glaskoraalen vercierd; onder de ribben

begind een staart van twee voet lang, dog die niet zeer dik is en

agterwaards afhangt, ze is van geverwd zee-wolven hair; derzelver hulsel

is een kleine ronde muts, waar van de wangen de ooren bedekken; de

geheele kleeding bestaat uit jonge rendieren vellen, met randen van een

sabel marter, bever, of diergelijke kostbaare pelterijen voorzien.

De kleeding der vrouwen is ten naasten bij dezelfde, alleen is 'er geen

staart nog handschoenen aan vast, en haare muts is op de kruin van het

hoofd open; deeze opening is van omtrent twee duimen middellijns, waar

door ongetwijffelt het hair heen gaat.

Zodanig zijn de plechtgewaaden van dit volk. In den winter hangen zij

gevoerde en veel dikker kleederen om, dog zij gebruiken de voorzorg, om

die bij het intreeden in de yourte afteleggen; de vrees van ze te

bederven doet hen aanstonds de slegtste aantrekken, en bij de geringste

behoefte ontkleeden zij zich geheel.

Op deezen dag begon de zon te schijnen, en den naderenden dooij

aantekondigen; derhalven voorzag ik mij van walvischbeenen plaaten, om

die onder de schaatzen van mijne sleeden in geval van noodzaaklijkheid

vast te maaken; en volgens raad van de bewoonders, gegrond op de

ondervinding der reizigers in dit saisoen, nam ik de partij van des

nagts te reizen, ten einde over dag, wanneer de zon op zijn sterkst was,

te kunnen uitrusten. Ik vertrok van Yamsk des avonds ten elf uuren; onze

caravane bestond uit negen groote sleeden of _nartas_[156].

[156] De postkosten worden hier op denzelfden voet als in Kamschatka

voor de gewoone sleeden betaald, hoezeer het voorspan der nartas meer

als tweemaal zo sterk is, ziet Deel I, pag. 100.

1788. _April_ Den 25.

Berg, genaamt de Babouschka.

Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz. · 第 20 / 31 段