[142] Deeze behandeling was mij des te aangenaamer dewijl ik dezelve

niet verwagte; tot dus verre had ik van geen Koriak eenig geschenk

ontfangen. Ik zou zulks niet bemerkt hebben, indien ik niet, bij de

verlaating de goedaartige Kamschatters die mij met geschenken

overlaaden hadden, getragt had de hoedanigheden deezer twee volkeren

te vergelijken.

Uit erkentenis voor deeze beleeftheid, onthaalde ik de geevers op

brandewijn en tabak, waar van ik mij rijkelijk te Ingiga voorzien had,

en na dat ik hen had betuigd, hoe gevoelig ik voor hun verplichtend

onthaal was, nam ik van hen afscheid, voorzien van alle de noodige

onderrichtingen, welken wij verlangen konden om onzen weg wel te

bestieren.

Hoe zeer de sneeuw zeer dik lag, en geene vastheid had, zo liepen echter

onze rendieren met een verwonderenswaardig gemak en snelheid voort, zij

hebben dit boven de honden vooruit, dat derzelver voeten meer

oppervlakte beslaande, minder inzakken; men behoeft deeze met geene

raketten voor uit te loopen om hen den weg te baanen; dog de honden

worden niet zo spoedig moei, en bij gevolg bevrijden die de reizigers

van de onaangenaamheid, van om de twee of drie uuren te moeten ophouden.

Onder weg, schoot ik verscheide patrijzen, uit de menigte die wij 'er

van zagen is het optemaaken, dat ze zich in deeze streeken komen

verlustigen; eenige wilde rendieren namen op onze aankomst de vlugt en

lieten mij naauwelijks den tijd om ze te kunnen beschouwen, gelukkig dat

ik door den overvloed van mijnen voorraad niet in verzoeking geraakte om

dezelve te schieten.

Aankomst bij den Broeder van Oumiavin.

Op den middag konden wij reeds de Stoudé Naïa-reka onderscheidentlijk

zien, en ten één uur waaren wij die overgetrokken, of liever wij

bevonden ons bij den broeder van Oumiavin, bij wien Eviava aangenomen

had, mij te zullen overbrengen.

Mijn nieuwe Gastheer kwam mij aan het hoofd van zijn gezin te gemoet;

hun genoegen over mijne aankomst blonk hen ten oogen uit, ieder

beieverde zich het zeerst om mij te naderen; de aanspraak van den ouden

vorst was kort, dog hartelijk en vervuld van die genegenheid welke hij

mij reeds betoond had; hij verzogt mij, om van hem en alle de zijnen te

willen gebruik maaken alle hunne bezittingen waaren tot mijn dienst,

ieder bevlijtigde zich als toen om mijne sleeden en andere zaaken onder

dak te brengen, ik had alleen maar aan mijne brieven te denken, en om

deeze zelfs te kunnen draagen, moest ik hen uitleggen dat ik dit kistje

nooit verliet.

In de yourte getreden, betaalde ik de postkosten aan den prins Eviava.

Ik had twaalf sleeden ieder met twee rendieren bespannen; de weg dien

wij afgelegd hadden beliep honderd vijf en tagtig wersten, dus was ik

voor mijne vier en twintig rendieren, zeven roubels en veertig Kopecks

verschuldigt[143]; wanneer mijn goeden leidsman deeze som ontfing

verbaasde hij zich over mijne edelmoedigheid; wat ik ook deed om hem te

betoogen, dat het als geen gift kon aangemerkt worden, het geen ik hem

wettig schuldig was, het was onmogelijk om hem mijne berekening te doen

bevatten; zijn oude deun bleef altoos dat hij nimmer een zo braaf man

aangetroffen had: hem te betaalen om dat hij mij had verplicht, scheen

in zijne oogen een daad van verhevene deugd; uit zo veele lofspraaken,

zou men de Russen kunnen verdenken, van meerdere bezuiniging in het werk

te stellen; men meent in der daad, dat hunne reizen door deeze streeken

niet zeer kostbaar zijn.

[143] Dat is te zeggen de waarde van vier paarden in Siberien en in

Kamschatka voor de postbodens.

Wij hielden ons vervolgens met ons middagmaal bezig, het geen aller

vrolijkst was, Eviava en mijn gastheer aten met mij, de brandewijn wierd

niet gespaard, en mijne verrukte gasten herinnerden zich niet, ooit zulk

een goeden cier gemaakt te hebben.

Bijzonderheden wegens mijne gastheer.

Het overige van den dag hield ik mij bezig om alles wat mij omringde

natespooren en te ondervraagen, dog de leezer zal mogelijk begeerig

zijn, meer bijzonder de braave Koriak te leeren kennen, die mij met zo

veel beleefdheids ontfing.

Hij is ook Oumiavin genaamd, en in zijne kindsheid onder de naam van

Siméon gedoopt, waar door hij van zijn broeder onderscheiden word, hij

erkende in de beste trouw dat hij geen het minste denkbeeld had van de

Christelijke Godsdienst; men had zo weinig zorg gedraagen om de jong

bekeerde te onderwijzen, dat hij in het minste geen bewustheid had van

zijne verplichtingen, nog van de eenvoudigste leerstukken der

Evangelische wet; overgegeeven aan het onzinnig mengsel der dwaalingen

van zijn land, en van eenige uitwendige gebruiken van het Christendom,

waar van hij zich een gewoonte gemaakt had[144], vond hij gelukkig in

zijn hart de grondbeginzels van eene natuurlijke zedeleer, die alleen

zijne daaden bestiert.

[144] In de tegenwoordigheid der Russen, liet hij nooit na om de

gewoonlijke Kruistekenen te maaken, namelijk bij het binnentreden in

de yourtes, en voor en na den eeten.

Even als alle de Koriaken, is hij klein van persoon en bruin van

couleur; op zijn aangezicht vertoont zich zijne ziel, een

klaarblijkelijke openhartigheid en goedaartigheid, die het geheel van

zijne gestalte oplevert, doet een gunstig vermoeden van hem opvatten,

en, zijn sneeuw wit hoofdhair, als mede de gelijkmaatigheid van zijne

wezenstrekken verschaffen hem een waarlijk verheven aanzien; hij is aan

de regter arm verminkt, door de gevolgen van een zeer gevaarlijk gevegt

het geen hij tegens een beer gevoerd had; de schrik had zijne

medemakkers van den anderen verspreid, alleen bood hij aan het dier

tegenstand, en hoezeer hij maar van een mes voorzien was, gelukte het

hem eindelijk van het zelve ter neer te werpen en te dooden; de jagt is

zijn grootste vermaak, niet minder behendig dan stoutmoedig, word hij

ook voor een zeer gelukkig jager gehouden.

Ontwerp van Siméon Oumiavin.

Dog het was boven al door zijne krachtige geestvermoogen dat hij mij

veel achtingswaardiger en belangrijker voorkwam; het ontwerp dat hij

gevormd had, en waar van het te bejammeren is dat men de uitvoering

belet heeft, kon niet anders dan uit wel geordende harssens voortkomen,

ten minsten duid het veel gezond verstand aan, en meer opmerkzaamheid

als men wel bij zijne landsgenooten zou verwachten, ziet hier wat daar

toe aanleiding gaf.

Zedert lang viel het, dit onbuigzaame en jaloursche volk omtrent hunne

vrijheid, moeijelijk om zich aan het denkbeeld te gewennen van

schatting-schuldigen van Rusland te weezen; het gestrenge bestier der

bevelhebbers wierd door deeze wilden voor een dwingelandsch misbruik van

magt gehouden; en inderdaad, onder het getal der mindere officieren,

waaren 'er zonder twijffel veelen die zich geweldenarijen veroorloofden

omtrent de nieuwe onderdaanen van het Russische rijk.

Siméon Oumiavin was de eerste, welke door deeze knevelarijen tot den

opstand verwekt wierd; nog meer verbitterd door de hardvogtigheid der

afperssers, dan wel over hunne plunderingen, was hij bij zich zelfs

overreed dat een zodanig gedrag niet door eene Souveraine kon

goedgekeurd worden, welkers goedheid en rechtvaardigheid men niet

ophield te roemen, deeze schrandere aanmerking maakte op zijn geest de

grootste indruk, en deed zijne natuurlijke kloekmoedigheid ontwaaken;

dadelijk eenige diergelijke slachtoffers, die even als hij van de

onrechtvaardigheid deezer kleine dwingelanden veel te lijden hadden

verzamelt hebbende, deelde hij hen zijne overleggingen, en zijn

voorneemen mede.

"Mijne broeders! zeide hij tot hen, gevoelt gij het gewicht uwer

ketenen? Zijn wij gebooren om die te draagen, om den prooij van deeze

gierige bewindvoerders te zijn, wier begeerlijkheid, onder het dagelijks

misbruik van hun gezag, ons beschouwd als een goed het geen zij na hun

welgevallen kunnen verteeren en gebruiken? wat hindert ons om ons van

dien geessel te verlossen? het is niet door de wapenen dat wij zulks

moeten beproeven; de onzen zouden onvoldoende zijn, en onze vijanden

zouden des te gedugter uit hunne assche te voorschijn komen, dog laaten

wij onderneemen de onmeetelijke ruimte der landen doortetrekken, welke

zij hebben weeten te doorloopen om tot ons te komen; laaten wij onze

klagten doen hooren tot in het verblijf van onze Keizerin; het is onder

haar naam en niet op haar bevel dat men ons knevelt, dat men ons

berooft; zo veele kwaade behandelingen, zo veele schelmerijen worden

door de wijsheid van haare regeering geloogenstraft; haare onwaardige

bewindslieden zijn de eerste om de zagtheid daar van te verkondigen;

spoeden wij ons aan haare voeten te werpen en onze klagten

voortestellen; zij is onzer aller moeder, zij zal aan het geschrei van

een gedeelte haarer onderdaanen gehoor geeven, die zij niet anders kan

kennen en beoordeelen dan uit de leugenachtige verhaalen van haare

afgezanten".

Deeze redevoering, die ik hier zodanig mededeel als mij dezelve ten

naasten bij door Oumiavin opgegeeven is, bezielde alle de gemoederen met

gelijke verontwaardiging en iever. Ieder wilde om het zeerst naar

Petersburg, de vermogendste en de stoutmoedigste verkreegen de voorkeur;

het vrij wel spreeken van de Russische taal verwierf den ontwerper van

dit denkbeeld, de eer om aan het hoofd van de bezending geplaatst te

worden, welke van een meenigte kostbaare zaaken tot geschenken voorzien

wierd; te Okotsk gekomen, hadden onze reizigers onderstand noodig, zij

vervoegden zich aan den bevelhebber, hem verzoekende van hun de

noodwendigheden te verschaffen, om ten minsten tot Irkoutsk te kunnen

geraaken: dan deeze had kennis van hun besluit gekreegen, hij voorzag

het gevaar daar van, en nam maatregelen om derzelver togt tegen te gaan.

Onder het spitsvondig voorwendzel van dadelijk de goedkeuring van het

generaal gouvernement te zullen vraagen, hield hij hen geduurende eenige

maanden bij zich. In dien tusschentijd deed hij alle de raderen der

verleiding speelen; redeneeringen, vleijerij, alles wierd in het werk

gesteld om hen van derzelver reis te doen afzien; dog ook alles was

vrugteloos, zij bleeven onverzettelijk; als toen nam men toevlucht tot

geweld, duizend strikken wierden hen gespannen; door de vervolging, de

opkooping (_monopole_) wist men hun onaangenaamheden te berokkenen; en

om hun voor dit alles te straffen, noodzaakte men hen eindelijk om

wanhoopend en schaamrood te rug te keeren over de opoffering en het

verlies van het grootste gedeelte hunner goederen en rendieren.

De treurige ondervinding hier van deed het opperhoofd van het Koriaksche

bondgenootschap den moed niet verliezen. In zijne oogen was dit een

nieuw bewijs voor de noodzaaklijkheid van zijn voorneemen, en van

deszelfs uitvoering; zedert hield hij zich daar altoos mêe bezig, in de

hoop, dat eenmaal de omstandigheden hem gunstiger zouden weezen;

wanneer ik bij hem kwam, brande zijn hart nog van verlangen om die reis

te onderneemen; "Ja, zeide hij tot mij, ik zou niettegenstaande mijne

hooge jaaren op het oogenblik vertrekken; mijn oogmerk zou niet meer het

zelfde zijn, en zeker zou ik diergelijke hindernissen niet meer te

vreezen hebben, want alle onze bevelhebbers verdienen tegenswoordig ons

vertrouwen en onze lofspraaken, mijne begeerte zou, daar heenen strekken

om onze souveraine te zien, somtijds, voegde hij 'er bij, zoek ik mij

een denkbeeld te vormen van haar prachtig verblijf, van den rijkdom en

de verscheidenheid, die daar heerscht; dit vernieuwt mijne aandoeningen

van haar niet te hebben kunnen beschouwen in het midden van haare

grootheid en roemrijke regeering. Zij zou ons eene godheid toegescheenen

hebben, en het getrouw verslag, dat ieder van ons des wegens aan zijne

landgenooten had kunnen mededeelen, zou in alle de harten den eerbied en

de onderwerping hebben ingeprent; veel meer geketend door de liefde, als

weleer door de vrees, is 'er niemand onder ons, die niet met blijdschap

de schattingen, met gematigdheid opgelegd, zou willen voldoen; wij

hadden onze nabuuren geleerd om haare regeering te beminnen, wanneer

wij hen getuigen gemaakt hadden van ons geluk en van onze dankbaarheid."

Bijna alle mijne gesprekken met deezen welmeenenden Koriak, waaren van

dien aart: ik heb gemeent dezelve hier te moeten afschrijven; om de

afbeelding van zijne hoedanigheden geheel te schetzen; dat het mij nu

geoorloofd zij van 'er nog eenen trek bij te voegen.

Edelmoedige trek van deezen Koriakschen Prins.

De verbaazende kosten, welke hij gemaakt had, scheenen zijn geheelen

ondergang na zich te zullen sleepen; hij had lang werk om zijne kudde

weder aantevullen, welke, in zijne afweezendheid, uit gebrek aan

oppassing en door de ongetrouwheid der wachters, versmolten was; het was

in dit oogenblik, dat hij zich noch edelmoediger betoonde. Eenige

maanden te vooren had een zijner naastbestaanden alle zijne rendieren

verlooren, en zag zich tot de dienstbaarheid gebragt. Siméon Oumiavin

kwam ter zijner hulp, en leende hem zonder intrest eene kleine kudde.

Bij zijne terugkomst van deszelfs mislukte zending, weigerde hij,

niettegenstaande zijnen uitersten nood, dezelve te rug te neemen, dewijl

hij die niet genoegzaam vermeerderd vond, om daar van een zeker getal

aan zijnen schuldenaar, ingeval die zijn schuld afdeed, te laaten

behouden.

Kudde van rendieren.

Dit is in der daad de eenigste rijkdom van dit zwervende volk; het

opperhoofd van een horde bezit zelden minder dan twee of drie honderd

rendieren; verscheiden hebben 'er drie à vier duizend; de kudde van

Siméon Oumiavin kon als toen op agt a negen honderd beloopen, welkers

gezicht mij het grootste vermaak verschafte.

Op de kruin van een berg, in de nabuurschap van de Stoudenaïa-reka, zag

men die menigte van rendieren, dan eens bij den anderen, dan wederom

verstrooid, zoekende de mos onder den sneeuw; zelden dwaalen ze af en

altijd vind men ze zonder moeite wederom; des avonds van mijne aankomst

zag ik deeze vertooning; men verzamelde ze, om er het getal, dat ik

benoodigt had, uittekiezen; in minder dan een quartier uurs was zulks

gedaan: op het geschreeuw der herders naderden de tamgemaakte rendieren;

de jongen, en die geenen, welken vrij van of buiten den dienst waaren,

liepen ter zijde weg; die, welken de sleeden voorttrekken, en de

onhandelbaaren wierden in een kring gejaagd, en door middel van een

strik, dien men dezelve met eene bijzondere behendigheid omwierp,

bemagtigde men ze spoedig; de keus gedaan zijnde, wierden die voor mij

geschikt waaren afgezondert, en indien men die niet vastgemaakt had,

zouden zij zich spoedig bij de anderen gevoegd hebben.

Men spant de wijfjes gemeenlijk niet voor, deeze worden bewaard tot

voortplanting van het geslacht. In den herfst worden ze gepaard, en in

de lente werpen ze haare jongen; de jonge mannetjes, voor de sleeden

geschikt, ondergaan de ontmanning ten naasten bij op dezelve wijze als

de honden in Kamschatka.

Onder eene kudde, vind men altoos drie of vier rendieren tot de jagt

aangelegt; de natuurlijke neiging (_instinct_) van dit dier is

onbegrijpelijk; hij jaagt al weidende: ontmoet hij een wild rendier, dan

bootst hij dikwils, zonder eenig teken van vreugde of verwondering te

geeven, al graazende den gang en alle de gewoontens van het zelve na,

dat somtijds zonder den strik te bemerken zich bij den ander vervoegt;

welhaast ziet men ze te zaamen speelen, hunne hoornen vlegten zich door

een, zij verlaaten elkander, keeren wederom, vlugten en vervolgen zich

beurtelings; geduurende dit speelen weet het tamme rendier langzamerhand

zijn prooij onder het bereik van het schot van den jager te brengen. Met

een wel afgericht rendier heeft men het vermaak het beest levendig te

vangen, het is genoeg om aan de hoornen van den eersten een strik vast

te maaken, dien hij al speelende om de hoornen van zijn tegenpartij

vastmaakt, hoe meer de een pogingen aanwend om 'er zich van te ontdoen,

hoe vaster de strik toegaat, en de ander meer en meer na zich toetrekt,

ten einde zijn meester tijd te geeven om 'er bij te komen: dikwils

gebeurt het ook, dat het wilde rendier de list mistrouwt, en zich aan

het gevaar door de vlugt onttrekt.

Wanneer een Koriak des morgens uit zijne yourte te voorschijn komt, ziet

men zijne rendieren zich rondom hem verzamelen, ten einde hunnen drank

te bekomen, die derzelver grootste lekkernij uitmaakt, dit is

menschenpis, dien men zorgvuldig in potten of in korven verzamelt[145].

De geheele kudde werpt zich om het zeerst op deezen drank, die in een

oogenblik verzwolgen is, hoe groot de portie ook zijn mag.

[145] Deeze korven van stroo gemaakt zijn zo kunstig gevlogten, dat

het vogt 'er niet kan doorzijgen.

Geschenk van Oumiavin.

Siméon Oumiavin liet in mijn bijweezen een jong rendier dooden, zijnde

het beste, dat hij bezat, men sneed het in stukken, om tot voorraad voor

mij te kunnen dienen, en hij voegde 'er de helft van een wild rendier

bij, waar van het vleesch mij nog sappiger voorkwam; hij gaf mij ook

vier zeer fraaije rendieren vellen[146]. Wij keerden vervolgens naar

zijne yourte, alwaar ik den nagt op mijn matras doorbragt, die ik in

een hoek had doen uitspreiden.

[146] Men moet opmerken, dat men onder honderd jonge rendieren vellen,

pouijiki genaamd, er naauwlijks twee aantreft, die voor kleeding

kunnen gebruikt worden. Men vind er ook, die geheel wit zijn.

Yourte van de zwervende Koriaken.

Hoe zeer de benaaming het zelfde is, heerscht er echter geene de minste

gelijkheid tusschen de wooningen der zwervende Koriaken, en de

onderaardsche verblijfplaatzen der Koriaken, die een vaste woonplaats

hebben; het schijnt, dat de Russen, niet weetende, hoe de verschillende

legerplaatzen van deeze volkeren te benoemen, voor die allen maar den

naam van _yourte_ aangenomen hebben, zonder zich te bekommeren over

deszelfs oorsprongelijke betekenis, namelijk, die van onderaardsch

verblijf; de yourtes, waar van hier gesprooken word, zijn, om eigentlijk

te spreeken, tenten, die in de gedaante van hutten op den grond

geplaatst zijn. Om 'er de fondamenten van te stellen, doed men niets

anders dan den omtrek op de sneeuw aftetekenen, die sneeuw, welke binnen

de lijn gevonden word, werpt men naar buiten; vervolgens plaatst men op

gelijke tusschenwijdte een groot aantal stokken, die zich van boven

zamenvoegen, en de een aan den ander tot ondersteuning dienen; deeze

boersche timmeragie word door een slegt dak van bereide rendieren vellen

bedekt, het zelve bevat den geheelen buitensten omvang van de yourte,

van deszelfs grondvesten af[147] tot op eenige voeten afstand van den

top, die open blijft om van binnen lucht te geeven, en een doortogt aan

den rook te laaten; hier spruit uit voort, dat men in het midden van de

woonplaats aan den regen en sneeuw is blootgestelt, alwaar die zonder

eenige tegenstand doordringt; echter plaatst men daar de haardstee, en

de keuken; het gezin, en de knegts, die de kudden bewaaken, slaapen

onder _pologs_, zijnde een soort van huisjes of zeer laage tenten, bij

verdeelingen rondom en tegens het behangzel van de yourte gerangschikt;

deeze pologs zijn even als de vierkante tentjes der Tchouktchis.

[147] De yourte van mijn gastheer bestond uit omtrent vier toises

(halve roeden) middellijns, en was ten naasten bij van dezelfde

hoogte; deszelfs omtrek was van twaalf toises, en het dak eindigde in

een kegelvormige gedaante.

Men kan aan de ongestadigheid van dit zwervende volk de uitvinding

hunner wooningen toeschrijven; de overbrenging van het huis zeer

gemaklijk zijnde, kost het hun weinig moeite om te besluiten van eene

andere streek te gaan bewoonen. Bij de eerste behoefte of de minste

verdrietelijkheid word de tent opgenomen; men maakt de stokken langs de

sleeden vast, op dewelke de bekleedzels met het reisgoed ingepakt word.

Wanneer de nieuwe grond uitgekoozen is[148], zet men zich daar zodanig

neder, dat men ieder oogenblik wederom opbreeken kan: men laat

dienvolgens bij de wooningen de gelaaden sleeden staan; en de goederen

worden niet ontpakt, dan naar maate men dezelve benoodigt heeft.

[148] De nabuurschap der rivieren, en boven al der plaatzen, waar men

overvloed van mos vind, word, gelijk ik reeds gezegt hebbe, altoos het

meest gezogt.

1788. _April_ Den 10.

Vertrek.

Wanneer ik bij Siméon Oumiavin aankwam, vond ik daar twaalf sleeden tot

mijne vervoering geschikt; het eerste, dat die prins deed, was mij te

verzekeren, dat hij mijn leidsman zou zijn, en dat hij mij, indien het

noodig waare, tot aan Yamsk zou vergezellen. Ik was over dit

verplichtend aanbod zeer te vreden, en den 10. namen wij des morgens ten

agt uuren de reis aan; des middags trokken wij de Tavatoma over, na dat

wij reeds vijfentwintig wersten afgelegd hadden.

Warme bronnen van Tavatoma.

Begeerig om eene warme bron te zien, die Oumiavin mij in de nabuurschap

aanwees, bond ik raketten aan, om te voet een klein bosch doortegaan,

aan welkers zoom dezelve een beek vormt van zes voet breed, die in de

Tavatoma valt. Ik scheide van mijn gevolg aan de bogt, welke die rivier

ter deezer plaats beschrijft. Ik was met hen overeengekomen, dat zij

geduurende dien tijd den hoogen berg, die ter onzer rechterhand lag,

zouden overrijden, en daar, terwijl ze mij wachtende waaren, onze

rendieren laaten weiden, en al het nodige tot het middagmaal gereed

maaken; Ik, alleen van den Heer Kissélioff verzeld, moest twee wersten

gaan om aan de bron te komen.

Deeze heeft het voorkomen, als of ze uit verscheide anderen bestaat,

welken uit een berg ter slinkerzijde van de rivier hervoortkomen, en

zich in derzelver val vereenigen. Een dikke rook verheft zich

wolksgewijze boven dit water, dog het verspreid geen de minste kwaade

lucht, de hette is zeer sterk, en de kooking onophoudelijk; het zelve

heeft eenen onaangenaamen en bijtenden smaak, welke zwavel en zoutdeelen

aanduid, mogelijk zou men door de ontbinding daar ook ijzer en koper in

ontdekken, dit is zeker, dat de steenen, die ik langs de beek opraapte,

allen van dien aart scheenen, als of ze door een vuurspuwenden berg

uitgeworpen waaren; dog ik moet meede opgeeven het uitwerkzel, dat dit

water op ons voortbragt. Ik had 'er maar even den mond mêe gespoelt, en

ter zelver tijd waschte de Heer Kisséliof zich daar meede het

aangezicht; een half uur daar na, wierd zijn vel opgezet, en mijn tong

en gehemelte van het vel ontbloot: lang bleef mij het ongemak bij, dat

ik niets heets, of dat van een sterken smaak was, kon gebruiken.

Mijne nieuwsgierigheid voldaan zijnde, begonden wij weer te denken om

tot ons gevolg te rug te keeren; tot dat einde meenden wij een zeer

steilen berg tegens over dien, waar deeze heete wateren ontspringen, te

moeten overklimmen; dog verplicht zijnde van onze raketten aftedoen, die

ons veel meer agter dan voorwaards deeden gaan, moesten wij denzelven op

handen en voeten overklauteren; het drie vierde gedeelte van den berg

beklommen hebbende, verzogt ik, overstelpt van vermoeijdheid, en daar en

boven vreezende, dat ik mij in den weg bedroogen had, mijn reismakker,

die meerder dan ik geoeffend was om dus over de sneeuw voort te kruipen,

dat hij zou tragten den top te bereiken, van waar ik hoopte, dat hij

onze sleeden zou ontdekken; hij slaagde daar in, en na een uur wagtens

en ongerustheids, zag ik den goeden Oumiavin verschijnen, die mij een

slêe bragt; wij waaren volgens zijn zeggen waarlijk verdwaald, en

Kisséliof had meer dan tien maalen gedagt te zullen bezwijken, voor dat

hij onze kleine legerplaats vond; men begaf zich bij mijne aankomst

wederom op weg en wij hielden niet dan zeer laat stil, wanneer wij meer

dan vijfentwintig wersten van de heete bronnen van Tavatoma afwaren.

1788. _April_ Den 11.

Wij meenden den 11. tot aan de keten van bergen te komen, die

_Villéguinskoikhrébent_ genaamd word, dog dit was onmogelijk; bij het

eindigen van den dag begonden wij ze eerst te ontdekken; wij wilden ze

ten minsten zo digt naderen, om zeker te zijn van ze den volgenden

morgen te kunnen overtrekken.

1788. _April_ Den 12.

Bergen van Villegui.

Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz. · 第 19 / 31 段