niet verwagte; tot dus verre had ik van geen Koriak eenig geschenk
ontfangen. Ik zou zulks niet bemerkt hebben, indien ik niet, bij de
verlaating de goedaartige Kamschatters die mij met geschenken
overlaaden hadden, getragt had de hoedanigheden deezer twee volkeren
te vergelijken.
Uit erkentenis voor deeze beleeftheid, onthaalde ik de geevers op
brandewijn en tabak, waar van ik mij rijkelijk te Ingiga voorzien had,
en na dat ik hen had betuigd, hoe gevoelig ik voor hun verplichtend
onthaal was, nam ik van hen afscheid, voorzien van alle de noodige
onderrichtingen, welken wij verlangen konden om onzen weg wel te
bestieren.
Hoe zeer de sneeuw zeer dik lag, en geene vastheid had, zo liepen echter
onze rendieren met een verwonderenswaardig gemak en snelheid voort, zij
hebben dit boven de honden vooruit, dat derzelver voeten meer
oppervlakte beslaande, minder inzakken; men behoeft deeze met geene
raketten voor uit te loopen om hen den weg te baanen; dog de honden
worden niet zo spoedig moei, en bij gevolg bevrijden die de reizigers
van de onaangenaamheid, van om de twee of drie uuren te moeten ophouden.
Onder weg, schoot ik verscheide patrijzen, uit de menigte die wij 'er
van zagen is het optemaaken, dat ze zich in deeze streeken komen
verlustigen; eenige wilde rendieren namen op onze aankomst de vlugt en
lieten mij naauwelijks den tijd om ze te kunnen beschouwen, gelukkig dat
ik door den overvloed van mijnen voorraad niet in verzoeking geraakte om
dezelve te schieten.
Aankomst bij den Broeder van Oumiavin.
Op den middag konden wij reeds de Stoudé Naïa-reka onderscheidentlijk
zien, en ten één uur waaren wij die overgetrokken, of liever wij
bevonden ons bij den broeder van Oumiavin, bij wien Eviava aangenomen
had, mij te zullen overbrengen.
Mijn nieuwe Gastheer kwam mij aan het hoofd van zijn gezin te gemoet;
hun genoegen over mijne aankomst blonk hen ten oogen uit, ieder
beieverde zich het zeerst om mij te naderen; de aanspraak van den ouden
vorst was kort, dog hartelijk en vervuld van die genegenheid welke hij
mij reeds betoond had; hij verzogt mij, om van hem en alle de zijnen te
willen gebruik maaken alle hunne bezittingen waaren tot mijn dienst,
ieder bevlijtigde zich als toen om mijne sleeden en andere zaaken onder
dak te brengen, ik had alleen maar aan mijne brieven te denken, en om
deeze zelfs te kunnen draagen, moest ik hen uitleggen dat ik dit kistje
nooit verliet.
In de yourte getreden, betaalde ik de postkosten aan den prins Eviava.
Ik had twaalf sleeden ieder met twee rendieren bespannen; de weg dien
wij afgelegd hadden beliep honderd vijf en tagtig wersten, dus was ik
voor mijne vier en twintig rendieren, zeven roubels en veertig Kopecks
verschuldigt[143]; wanneer mijn goeden leidsman deeze som ontfing
verbaasde hij zich over mijne edelmoedigheid; wat ik ook deed om hem te
betoogen, dat het als geen gift kon aangemerkt worden, het geen ik hem
wettig schuldig was, het was onmogelijk om hem mijne berekening te doen
bevatten; zijn oude deun bleef altoos dat hij nimmer een zo braaf man
aangetroffen had: hem te betaalen om dat hij mij had verplicht, scheen
in zijne oogen een daad van verhevene deugd; uit zo veele lofspraaken,
zou men de Russen kunnen verdenken, van meerdere bezuiniging in het werk
te stellen; men meent in der daad, dat hunne reizen door deeze streeken
niet zeer kostbaar zijn.
[143] Dat is te zeggen de waarde van vier paarden in Siberien en in
Kamschatka voor de postbodens.
Wij hielden ons vervolgens met ons middagmaal bezig, het geen aller
vrolijkst was, Eviava en mijn gastheer aten met mij, de brandewijn wierd
niet gespaard, en mijne verrukte gasten herinnerden zich niet, ooit zulk
een goeden cier gemaakt te hebben.
Bijzonderheden wegens mijne gastheer.
Het overige van den dag hield ik mij bezig om alles wat mij omringde
natespooren en te ondervraagen, dog de leezer zal mogelijk begeerig
zijn, meer bijzonder de braave Koriak te leeren kennen, die mij met zo
veel beleefdheids ontfing.
Hij is ook Oumiavin genaamd, en in zijne kindsheid onder de naam van
Siméon gedoopt, waar door hij van zijn broeder onderscheiden word, hij
erkende in de beste trouw dat hij geen het minste denkbeeld had van de
Christelijke Godsdienst; men had zo weinig zorg gedraagen om de jong
bekeerde te onderwijzen, dat hij in het minste geen bewustheid had van
zijne verplichtingen, nog van de eenvoudigste leerstukken der
Evangelische wet; overgegeeven aan het onzinnig mengsel der dwaalingen
van zijn land, en van eenige uitwendige gebruiken van het Christendom,
waar van hij zich een gewoonte gemaakt had[144], vond hij gelukkig in
zijn hart de grondbeginzels van eene natuurlijke zedeleer, die alleen
zijne daaden bestiert.
[144] In de tegenwoordigheid der Russen, liet hij nooit na om de
gewoonlijke Kruistekenen te maaken, namelijk bij het binnentreden in
de yourtes, en voor en na den eeten.
Even als alle de Koriaken, is hij klein van persoon en bruin van
couleur; op zijn aangezicht vertoont zich zijne ziel, een
klaarblijkelijke openhartigheid en goedaartigheid, die het geheel van
zijne gestalte oplevert, doet een gunstig vermoeden van hem opvatten,
en, zijn sneeuw wit hoofdhair, als mede de gelijkmaatigheid van zijne
wezenstrekken verschaffen hem een waarlijk verheven aanzien; hij is aan
de regter arm verminkt, door de gevolgen van een zeer gevaarlijk gevegt
het geen hij tegens een beer gevoerd had; de schrik had zijne
medemakkers van den anderen verspreid, alleen bood hij aan het dier
tegenstand, en hoezeer hij maar van een mes voorzien was, gelukte het
hem eindelijk van het zelve ter neer te werpen en te dooden; de jagt is
zijn grootste vermaak, niet minder behendig dan stoutmoedig, word hij
ook voor een zeer gelukkig jager gehouden.
Ontwerp van Siméon Oumiavin.
Dog het was boven al door zijne krachtige geestvermoogen dat hij mij
veel achtingswaardiger en belangrijker voorkwam; het ontwerp dat hij
gevormd had, en waar van het te bejammeren is dat men de uitvoering
belet heeft, kon niet anders dan uit wel geordende harssens voortkomen,
ten minsten duid het veel gezond verstand aan, en meer opmerkzaamheid
als men wel bij zijne landsgenooten zou verwachten, ziet hier wat daar
toe aanleiding gaf.
Zedert lang viel het, dit onbuigzaame en jaloursche volk omtrent hunne
vrijheid, moeijelijk om zich aan het denkbeeld te gewennen van
schatting-schuldigen van Rusland te weezen; het gestrenge bestier der
bevelhebbers wierd door deeze wilden voor een dwingelandsch misbruik van
magt gehouden; en inderdaad, onder het getal der mindere officieren,
waaren 'er zonder twijffel veelen die zich geweldenarijen veroorloofden
omtrent de nieuwe onderdaanen van het Russische rijk.
Siméon Oumiavin was de eerste, welke door deeze knevelarijen tot den
opstand verwekt wierd; nog meer verbitterd door de hardvogtigheid der
afperssers, dan wel over hunne plunderingen, was hij bij zich zelfs
overreed dat een zodanig gedrag niet door eene Souveraine kon
goedgekeurd worden, welkers goedheid en rechtvaardigheid men niet
ophield te roemen, deeze schrandere aanmerking maakte op zijn geest de
grootste indruk, en deed zijne natuurlijke kloekmoedigheid ontwaaken;
dadelijk eenige diergelijke slachtoffers, die even als hij van de
onrechtvaardigheid deezer kleine dwingelanden veel te lijden hadden
verzamelt hebbende, deelde hij hen zijne overleggingen, en zijn
voorneemen mede.
"Mijne broeders! zeide hij tot hen, gevoelt gij het gewicht uwer
ketenen? Zijn wij gebooren om die te draagen, om den prooij van deeze
gierige bewindvoerders te zijn, wier begeerlijkheid, onder het dagelijks
misbruik van hun gezag, ons beschouwd als een goed het geen zij na hun
welgevallen kunnen verteeren en gebruiken? wat hindert ons om ons van
dien geessel te verlossen? het is niet door de wapenen dat wij zulks
moeten beproeven; de onzen zouden onvoldoende zijn, en onze vijanden
zouden des te gedugter uit hunne assche te voorschijn komen, dog laaten
wij onderneemen de onmeetelijke ruimte der landen doortetrekken, welke
zij hebben weeten te doorloopen om tot ons te komen; laaten wij onze
klagten doen hooren tot in het verblijf van onze Keizerin; het is onder
haar naam en niet op haar bevel dat men ons knevelt, dat men ons
berooft; zo veele kwaade behandelingen, zo veele schelmerijen worden
door de wijsheid van haare regeering geloogenstraft; haare onwaardige
bewindslieden zijn de eerste om de zagtheid daar van te verkondigen;
spoeden wij ons aan haare voeten te werpen en onze klagten
voortestellen; zij is onzer aller moeder, zij zal aan het geschrei van
een gedeelte haarer onderdaanen gehoor geeven, die zij niet anders kan
kennen en beoordeelen dan uit de leugenachtige verhaalen van haare
afgezanten".
Deeze redevoering, die ik hier zodanig mededeel als mij dezelve ten
naasten bij door Oumiavin opgegeeven is, bezielde alle de gemoederen met
gelijke verontwaardiging en iever. Ieder wilde om het zeerst naar
Petersburg, de vermogendste en de stoutmoedigste verkreegen de voorkeur;
het vrij wel spreeken van de Russische taal verwierf den ontwerper van
dit denkbeeld, de eer om aan het hoofd van de bezending geplaatst te
worden, welke van een meenigte kostbaare zaaken tot geschenken voorzien
wierd; te Okotsk gekomen, hadden onze reizigers onderstand noodig, zij
vervoegden zich aan den bevelhebber, hem verzoekende van hun de
noodwendigheden te verschaffen, om ten minsten tot Irkoutsk te kunnen
geraaken: dan deeze had kennis van hun besluit gekreegen, hij voorzag
het gevaar daar van, en nam maatregelen om derzelver togt tegen te gaan.
Onder het spitsvondig voorwendzel van dadelijk de goedkeuring van het
generaal gouvernement te zullen vraagen, hield hij hen geduurende eenige
maanden bij zich. In dien tusschentijd deed hij alle de raderen der
verleiding speelen; redeneeringen, vleijerij, alles wierd in het werk
gesteld om hen van derzelver reis te doen afzien; dog ook alles was
vrugteloos, zij bleeven onverzettelijk; als toen nam men toevlucht tot
geweld, duizend strikken wierden hen gespannen; door de vervolging, de
opkooping (_monopole_) wist men hun onaangenaamheden te berokkenen; en
om hun voor dit alles te straffen, noodzaakte men hen eindelijk om
wanhoopend en schaamrood te rug te keeren over de opoffering en het
verlies van het grootste gedeelte hunner goederen en rendieren.
De treurige ondervinding hier van deed het opperhoofd van het Koriaksche
bondgenootschap den moed niet verliezen. In zijne oogen was dit een
nieuw bewijs voor de noodzaaklijkheid van zijn voorneemen, en van
deszelfs uitvoering; zedert hield hij zich daar altoos mêe bezig, in de
hoop, dat eenmaal de omstandigheden hem gunstiger zouden weezen;
wanneer ik bij hem kwam, brande zijn hart nog van verlangen om die reis
te onderneemen; "Ja, zeide hij tot mij, ik zou niettegenstaande mijne
hooge jaaren op het oogenblik vertrekken; mijn oogmerk zou niet meer het
zelfde zijn, en zeker zou ik diergelijke hindernissen niet meer te
vreezen hebben, want alle onze bevelhebbers verdienen tegenswoordig ons
vertrouwen en onze lofspraaken, mijne begeerte zou, daar heenen strekken
om onze souveraine te zien, somtijds, voegde hij 'er bij, zoek ik mij
een denkbeeld te vormen van haar prachtig verblijf, van den rijkdom en
de verscheidenheid, die daar heerscht; dit vernieuwt mijne aandoeningen
van haar niet te hebben kunnen beschouwen in het midden van haare
grootheid en roemrijke regeering. Zij zou ons eene godheid toegescheenen
hebben, en het getrouw verslag, dat ieder van ons des wegens aan zijne
landgenooten had kunnen mededeelen, zou in alle de harten den eerbied en
de onderwerping hebben ingeprent; veel meer geketend door de liefde, als
weleer door de vrees, is 'er niemand onder ons, die niet met blijdschap
de schattingen, met gematigdheid opgelegd, zou willen voldoen; wij
hadden onze nabuuren geleerd om haare regeering te beminnen, wanneer
wij hen getuigen gemaakt hadden van ons geluk en van onze dankbaarheid."
Bijna alle mijne gesprekken met deezen welmeenenden Koriak, waaren van
dien aart: ik heb gemeent dezelve hier te moeten afschrijven; om de
afbeelding van zijne hoedanigheden geheel te schetzen; dat het mij nu
geoorloofd zij van 'er nog eenen trek bij te voegen.
Edelmoedige trek van deezen Koriakschen Prins.
De verbaazende kosten, welke hij gemaakt had, scheenen zijn geheelen
ondergang na zich te zullen sleepen; hij had lang werk om zijne kudde
weder aantevullen, welke, in zijne afweezendheid, uit gebrek aan
oppassing en door de ongetrouwheid der wachters, versmolten was; het was
in dit oogenblik, dat hij zich noch edelmoediger betoonde. Eenige
maanden te vooren had een zijner naastbestaanden alle zijne rendieren
verlooren, en zag zich tot de dienstbaarheid gebragt. Siméon Oumiavin
kwam ter zijner hulp, en leende hem zonder intrest eene kleine kudde.
Bij zijne terugkomst van deszelfs mislukte zending, weigerde hij,
niettegenstaande zijnen uitersten nood, dezelve te rug te neemen, dewijl
hij die niet genoegzaam vermeerderd vond, om daar van een zeker getal
aan zijnen schuldenaar, ingeval die zijn schuld afdeed, te laaten
behouden.
Kudde van rendieren.
Dit is in der daad de eenigste rijkdom van dit zwervende volk; het
opperhoofd van een horde bezit zelden minder dan twee of drie honderd
rendieren; verscheiden hebben 'er drie à vier duizend; de kudde van
Siméon Oumiavin kon als toen op agt a negen honderd beloopen, welkers
gezicht mij het grootste vermaak verschafte.
Op de kruin van een berg, in de nabuurschap van de Stoudenaïa-reka, zag
men die menigte van rendieren, dan eens bij den anderen, dan wederom
verstrooid, zoekende de mos onder den sneeuw; zelden dwaalen ze af en
altijd vind men ze zonder moeite wederom; des avonds van mijne aankomst
zag ik deeze vertooning; men verzamelde ze, om er het getal, dat ik
benoodigt had, uittekiezen; in minder dan een quartier uurs was zulks
gedaan: op het geschreeuw der herders naderden de tamgemaakte rendieren;
de jongen, en die geenen, welken vrij van of buiten den dienst waaren,
liepen ter zijde weg; die, welken de sleeden voorttrekken, en de
onhandelbaaren wierden in een kring gejaagd, en door middel van een
strik, dien men dezelve met eene bijzondere behendigheid omwierp,
bemagtigde men ze spoedig; de keus gedaan zijnde, wierden die voor mij
geschikt waaren afgezondert, en indien men die niet vastgemaakt had,
zouden zij zich spoedig bij de anderen gevoegd hebben.
Men spant de wijfjes gemeenlijk niet voor, deeze worden bewaard tot
voortplanting van het geslacht. In den herfst worden ze gepaard, en in
de lente werpen ze haare jongen; de jonge mannetjes, voor de sleeden
geschikt, ondergaan de ontmanning ten naasten bij op dezelve wijze als
de honden in Kamschatka.
Onder eene kudde, vind men altoos drie of vier rendieren tot de jagt
aangelegt; de natuurlijke neiging (_instinct_) van dit dier is
onbegrijpelijk; hij jaagt al weidende: ontmoet hij een wild rendier, dan
bootst hij dikwils, zonder eenig teken van vreugde of verwondering te
geeven, al graazende den gang en alle de gewoontens van het zelve na,
dat somtijds zonder den strik te bemerken zich bij den ander vervoegt;
welhaast ziet men ze te zaamen speelen, hunne hoornen vlegten zich door
een, zij verlaaten elkander, keeren wederom, vlugten en vervolgen zich
beurtelings; geduurende dit speelen weet het tamme rendier langzamerhand
zijn prooij onder het bereik van het schot van den jager te brengen. Met
een wel afgericht rendier heeft men het vermaak het beest levendig te
vangen, het is genoeg om aan de hoornen van den eersten een strik vast
te maaken, dien hij al speelende om de hoornen van zijn tegenpartij
vastmaakt, hoe meer de een pogingen aanwend om 'er zich van te ontdoen,
hoe vaster de strik toegaat, en de ander meer en meer na zich toetrekt,
ten einde zijn meester tijd te geeven om 'er bij te komen: dikwils
gebeurt het ook, dat het wilde rendier de list mistrouwt, en zich aan
het gevaar door de vlugt onttrekt.
Wanneer een Koriak des morgens uit zijne yourte te voorschijn komt, ziet
men zijne rendieren zich rondom hem verzamelen, ten einde hunnen drank
te bekomen, die derzelver grootste lekkernij uitmaakt, dit is
menschenpis, dien men zorgvuldig in potten of in korven verzamelt[145].
De geheele kudde werpt zich om het zeerst op deezen drank, die in een
oogenblik verzwolgen is, hoe groot de portie ook zijn mag.
[145] Deeze korven van stroo gemaakt zijn zo kunstig gevlogten, dat
het vogt 'er niet kan doorzijgen.
Geschenk van Oumiavin.
Siméon Oumiavin liet in mijn bijweezen een jong rendier dooden, zijnde
het beste, dat hij bezat, men sneed het in stukken, om tot voorraad voor
mij te kunnen dienen, en hij voegde 'er de helft van een wild rendier
bij, waar van het vleesch mij nog sappiger voorkwam; hij gaf mij ook
vier zeer fraaije rendieren vellen[146]. Wij keerden vervolgens naar
zijne yourte, alwaar ik den nagt op mijn matras doorbragt, die ik in
een hoek had doen uitspreiden.
[146] Men moet opmerken, dat men onder honderd jonge rendieren vellen,
pouijiki genaamd, er naauwlijks twee aantreft, die voor kleeding
kunnen gebruikt worden. Men vind er ook, die geheel wit zijn.
Yourte van de zwervende Koriaken.
Hoe zeer de benaaming het zelfde is, heerscht er echter geene de minste
gelijkheid tusschen de wooningen der zwervende Koriaken, en de
onderaardsche verblijfplaatzen der Koriaken, die een vaste woonplaats
hebben; het schijnt, dat de Russen, niet weetende, hoe de verschillende
legerplaatzen van deeze volkeren te benoemen, voor die allen maar den
naam van _yourte_ aangenomen hebben, zonder zich te bekommeren over
deszelfs oorsprongelijke betekenis, namelijk, die van onderaardsch
verblijf; de yourtes, waar van hier gesprooken word, zijn, om eigentlijk
te spreeken, tenten, die in de gedaante van hutten op den grond
geplaatst zijn. Om 'er de fondamenten van te stellen, doed men niets
anders dan den omtrek op de sneeuw aftetekenen, die sneeuw, welke binnen
de lijn gevonden word, werpt men naar buiten; vervolgens plaatst men op
gelijke tusschenwijdte een groot aantal stokken, die zich van boven
zamenvoegen, en de een aan den ander tot ondersteuning dienen; deeze
boersche timmeragie word door een slegt dak van bereide rendieren vellen
bedekt, het zelve bevat den geheelen buitensten omvang van de yourte,
van deszelfs grondvesten af[147] tot op eenige voeten afstand van den
top, die open blijft om van binnen lucht te geeven, en een doortogt aan
den rook te laaten; hier spruit uit voort, dat men in het midden van de
woonplaats aan den regen en sneeuw is blootgestelt, alwaar die zonder
eenige tegenstand doordringt; echter plaatst men daar de haardstee, en
de keuken; het gezin, en de knegts, die de kudden bewaaken, slaapen
onder _pologs_, zijnde een soort van huisjes of zeer laage tenten, bij
verdeelingen rondom en tegens het behangzel van de yourte gerangschikt;
deeze pologs zijn even als de vierkante tentjes der Tchouktchis.
[147] De yourte van mijn gastheer bestond uit omtrent vier toises
(halve roeden) middellijns, en was ten naasten bij van dezelfde
hoogte; deszelfs omtrek was van twaalf toises, en het dak eindigde in
een kegelvormige gedaante.
Men kan aan de ongestadigheid van dit zwervende volk de uitvinding
hunner wooningen toeschrijven; de overbrenging van het huis zeer
gemaklijk zijnde, kost het hun weinig moeite om te besluiten van eene
andere streek te gaan bewoonen. Bij de eerste behoefte of de minste
verdrietelijkheid word de tent opgenomen; men maakt de stokken langs de
sleeden vast, op dewelke de bekleedzels met het reisgoed ingepakt word.
Wanneer de nieuwe grond uitgekoozen is[148], zet men zich daar zodanig
neder, dat men ieder oogenblik wederom opbreeken kan: men laat
dienvolgens bij de wooningen de gelaaden sleeden staan; en de goederen
worden niet ontpakt, dan naar maate men dezelve benoodigt heeft.
[148] De nabuurschap der rivieren, en boven al der plaatzen, waar men
overvloed van mos vind, word, gelijk ik reeds gezegt hebbe, altoos het
meest gezogt.
1788. _April_ Den 10.
Vertrek.
Wanneer ik bij Siméon Oumiavin aankwam, vond ik daar twaalf sleeden tot
mijne vervoering geschikt; het eerste, dat die prins deed, was mij te
verzekeren, dat hij mijn leidsman zou zijn, en dat hij mij, indien het
noodig waare, tot aan Yamsk zou vergezellen. Ik was over dit
verplichtend aanbod zeer te vreden, en den 10. namen wij des morgens ten
agt uuren de reis aan; des middags trokken wij de Tavatoma over, na dat
wij reeds vijfentwintig wersten afgelegd hadden.
Warme bronnen van Tavatoma.
Begeerig om eene warme bron te zien, die Oumiavin mij in de nabuurschap
aanwees, bond ik raketten aan, om te voet een klein bosch doortegaan,
aan welkers zoom dezelve een beek vormt van zes voet breed, die in de
Tavatoma valt. Ik scheide van mijn gevolg aan de bogt, welke die rivier
ter deezer plaats beschrijft. Ik was met hen overeengekomen, dat zij
geduurende dien tijd den hoogen berg, die ter onzer rechterhand lag,
zouden overrijden, en daar, terwijl ze mij wachtende waaren, onze
rendieren laaten weiden, en al het nodige tot het middagmaal gereed
maaken; Ik, alleen van den Heer Kissélioff verzeld, moest twee wersten
gaan om aan de bron te komen.
Deeze heeft het voorkomen, als of ze uit verscheide anderen bestaat,
welken uit een berg ter slinkerzijde van de rivier hervoortkomen, en
zich in derzelver val vereenigen. Een dikke rook verheft zich
wolksgewijze boven dit water, dog het verspreid geen de minste kwaade
lucht, de hette is zeer sterk, en de kooking onophoudelijk; het zelve
heeft eenen onaangenaamen en bijtenden smaak, welke zwavel en zoutdeelen
aanduid, mogelijk zou men door de ontbinding daar ook ijzer en koper in
ontdekken, dit is zeker, dat de steenen, die ik langs de beek opraapte,
allen van dien aart scheenen, als of ze door een vuurspuwenden berg
uitgeworpen waaren; dog ik moet meede opgeeven het uitwerkzel, dat dit
water op ons voortbragt. Ik had 'er maar even den mond mêe gespoelt, en
ter zelver tijd waschte de Heer Kisséliof zich daar meede het
aangezicht; een half uur daar na, wierd zijn vel opgezet, en mijn tong
en gehemelte van het vel ontbloot: lang bleef mij het ongemak bij, dat
ik niets heets, of dat van een sterken smaak was, kon gebruiken.
Mijne nieuwsgierigheid voldaan zijnde, begonden wij weer te denken om
tot ons gevolg te rug te keeren; tot dat einde meenden wij een zeer
steilen berg tegens over dien, waar deeze heete wateren ontspringen, te
moeten overklimmen; dog verplicht zijnde van onze raketten aftedoen, die
ons veel meer agter dan voorwaards deeden gaan, moesten wij denzelven op
handen en voeten overklauteren; het drie vierde gedeelte van den berg
beklommen hebbende, verzogt ik, overstelpt van vermoeijdheid, en daar en
boven vreezende, dat ik mij in den weg bedroogen had, mijn reismakker,
die meerder dan ik geoeffend was om dus over de sneeuw voort te kruipen,
dat hij zou tragten den top te bereiken, van waar ik hoopte, dat hij
onze sleeden zou ontdekken; hij slaagde daar in, en na een uur wagtens
en ongerustheids, zag ik den goeden Oumiavin verschijnen, die mij een
slêe bragt; wij waaren volgens zijn zeggen waarlijk verdwaald, en
Kisséliof had meer dan tien maalen gedagt te zullen bezwijken, voor dat
hij onze kleine legerplaats vond; men begaf zich bij mijne aankomst
wederom op weg en wij hielden niet dan zeer laat stil, wanneer wij meer
dan vijfentwintig wersten van de heete bronnen van Tavatoma afwaren.
1788. _April_ Den 11.
Wij meenden den 11. tot aan de keten van bergen te komen, die
_Villéguinskoikhrébent_ genaamd word, dog dit was onmogelijk; bij het
eindigen van den dag begonden wij ze eerst te ontdekken; wij wilden ze
ten minsten zo digt naderen, om zeker te zijn van ze den volgenden
morgen te kunnen overtrekken.
1788. _April_ Den 12.
Bergen van Villegui.