vergadering; ter zelver tijd wierd hun door een tolk kortelijk
uitgelegd, wie ik was, het gewicht mijner zending en dat ik noodwendig
hunne hulp noodig had. Op dit kort voorstel ontstond 'er een algemeen
gemor, te vergeefs wilde men de volstrekte beveelen van de regeering ten
mijnen opzichte doen gelden, het geschreeuw verdubbelde zodanig, dat het
in het eerst onmogelijk was elkander te verstaan en de oorzaak van hun
misnoegen te weeten; onder dit verward geroep ontdekte men eindelijk,
dat zij zich beklaagden, om dat zij alleen de heerendiensten moesten
draagen, terwijl de Koriaken, die steeds op eene bepaalde plaats
woonachtig zijn, daar van scheenen uitgeslooten te weezen. Om welke
reden genooten zij deeze beledigende vrijheid? door welk voorrecht
smaakten deeze vreedzaame kluizenaars in derzelver yourtes een gerust
verblijf? waarom deeze niet even als zij aan den voorspandienst
onderworpen? Deeze zeer gegronde vertoogen, welke echter met tekens van
ongenoegen uitgesproken wierden, begonnen mij zeer verlegen over den
uitslag mijner vraag te maaken, wanneer een oude Prins eensklaps
opstond, "Is dit het oogenblik, riep hij uit, waarin wij ons moeten
beklaagen? Indien men van onzen iever misbruik gemaakt heeft, is deeze
vreemdeling daar voor verantwoordelijk? heeft hij daar door minder recht
op onze goede diensten? Ik beloof hem de mijne, ik neem op mij van hem
zo ver te geleiden, als hij noodig zal oordeelen, stemt alleen toe om
hem bij mij te brengen, bevind 'er zich niemand onder ulieden, die hem
deezen geringen dienst wil bewijzen"?
[138] In deeze bijeenkomsten bestaan de plichtpleegingen niet als bij
ons, in eenige zoutelooze plegtigheden, of in koele beleeftheden,
verzeld van eenige woorden zonder betekenis.
Naauwlijks is de vergadering gezeten, of de brandewijn word
aangebragt, een bediende schenkt voor ieder vreemdeling in het rond
drie vreesselijke groote glaazen, waar van een elders genoeg zou zijn
om deswegens verschooning te vraagen; hier zou men zeggen, dat zulks
alleen een aanzoek was om de dosis te doen verdubbelen of drie maal te
vermeerderen; de Koriaksche drinker vergenoegd zich in der daad niet
met het eerste glas; onder het aanneemen van het zelve ziet men hem
tegens het geheele gezelschap vriendelijk glimlagchen, voor al tegens
den heer van het huis, aan wien hij eene kleine buiging met het hoofd
maakt, vervolgens verzwelgt hij de drie glazen het een na het ander,
die ook weêr aanstonds volgeschonken en geleegd zijn, zonder dat
iemand ooit het minste teken van afkeer geeft, zelfs niet de kinderen.
Ik zag er een van zes a zeven jaaren, aan wien zijn vader een deezer
glazen overgaf, en die het in eens uitdronk zonder zuur zien.
Bij deeze menigvuldige uitdeeling van brandewijn voegde de Heer Gaguen
altoos eenige geschenken van ijzer, stoffen of tabak; hij is zelfs zo
zorgvuldig, dat hij den smaak en de behoeftens van ieder persoon
raadpleegt, de Tchouktchis en de Koriaken, die een vaste woonplaats
hebben, ontfangen van hem, wanneer zij te Ingiga komen, het zelfde
onthaal, daar door heeft hij ongevoelig deeze woeste geesten weeten te
temmen, en op hun een zeker soort van vermogen en gebied te
verkrijgen; eene geringe schadeloosstelling der opofferingen, die hij
dagelijks moet doen om aan deeze mildadigheden te gemoet te komen,
want hij alleen draagt daar de kosten van, en de duurte van alle deeze
zaaken in dit land moet hem deeze uitgaaven zeer lastig maken.
Op deeze woorden was de verlegenheid op alle de aangezichten
geschilderd; de oproerigste wierden verstomd; na een oogenblik
stilzwijgens wilde zich ieder over het verwijt, het welk hij vreesde
verdient te hebben, zuiveren. Ik ontving verschooningen en aanbiedingen
zonder ophouden; ieder trachte de voorkeur te verkrijgen, om mijn
persoon, mijn gevolg en mijne goederen tot aan de Stoudénaïa-reka of
koude rivier overtebrengen, aan welkers oever de gedienstige Koriak,
welke zich verbonden had om mij tot leidsman te dienen, woonachtig was;
alle de zwaarigheden vereffend zijnde, vernam men na den dag van mijn
vertrek, het welk ik op den tweeden dag daar na of den 5 April bepaalde,
en de geheele vergadering verplichte zich om op den bepaalden dag tot
mijn dienst te zijn; de oude Prins, die zo edelmoedig mijne zaak bepleit
had, onttrok zich het eerst aan mijne dankzeggingen, dewijl hij op het
oogenblik vertrok, onder voorwendzel van verscheide toebereidzelen ten
zijnent te moeten maaken voor mijne aankomst; hoe groot was mijn
genoegen, wanneer ik vernam, dat hij, aan wien ik deeze verandering in
de geneigtheden was verschuldigt, de broeder van Oumiavin was, dien ik
zo zeer verlangde te leeren kennen!
Van dit oogenblik liet de Heer Gaguen niet af om alle mogelijke zorg te
besteeden tot de toebereidzelen van mijn vertrek; hij liet onder zijn
oog verscheide kleine tarwebroodjes en een voorraad van roggebeschuit
vervaardigen; een gedeelte der leevensmiddelen, welke hij tot zijn eigen
gebruik in gereedheid had, wierd tegens mijn wil en dank bij mijn
reisgoed ingepakt; hij voegde daar eenige geschenken bij, die hij mij
noodzaakte om aanteneemen door de bevalligheid en de aanhoudende
verzoeken, waar mede hij dezelve vergezelde. Eindelijk, ik kan alle
zijne beleeftheden, die hij mij bewees, niet optellen: ieder uur leverde
geduurende den tijd, welken ik bij hem doorbragt, bewijzen op van zijne
heuschheid en zorgvuldigheid; deeze dienden niet minder als de rust ter
herstelling van mijne gezondheid, waar over ik niet te roemen had zedert
de verkoudheid, welke ik na mijn vertrek van Poustaretsk had opgedaan.
Den 5.
Wanneer ik den 5, gelijk bepaald was, mij gereed bevond om te
vertrekken, zag ik tot mijne uiterste verwondering mijne leidslieden
niet aankomen. Verscheide persoonen wierden aanstonds uitgezonden om hen
optespooren, dog de dag verliep, zonder dat men 'er iets van vernam; het
was reeds nagt, toen zij kwamen opdaagen, wanneer de een zo wel als de
ander onverwachte beletzelen voorwende.
1788. _April_ Den 6.
Bijgeloovigheid van mijne soldaaten.
Den volgenden dag wederom een andere tegenspoed; dit was een zondag, en
het bekommerd gemoed van mijne soldaaten weigerde van zich op weg te
begeeven; moest ik derzelver schroom of liever angstvalligheid
eerbiedigen? Want dit was minder godsvrugt dan wel bijgeloof; zij
wierden niet terug gehouden door de heiligheid van den dag, maar alleen
door het denkbeeld, dat zulks hun eenig ongeluk op den hals zou haalen;
niettegenstaande de voorzorg, die ik gebruikt had om met hun een
Russische mis te hooren, was 'er echter geen middel uittedenken, om hun
tot vertrekken te doen besluiten. Na veele vergeefsche smeekingen en
redeneeringen was ik genoodzaakt, om weder bij den Heer Commandant het
middagmaal te gaan neemen, die op eene verplichtende wijze schertste met
deeze nieuwe zwaarigheid, waar omtrent hij de beleeftheid had van zich
geluk te wenschen; dog ziende, dat dezelve te veel invloed had op mijn
vergenoegen, sloeg hij mij voor om mijn volk van hunne ingebeelde
bevreestheid te geneezen; mijn antwoord was eene noodiging om zulks te
doen, welke hij aannam. Op zijn bevel wierd oogenbliklijk aan al mijn
volk zo Russen als Kosakken rijkelijk brandewijn geschonken; ongevoelig
raakten de zinnen opgewekt, de vrolijkheid deed het vermeende gevaar
vergeeten; die er het meest tegen hadden, zijn de eerste, welke
verzoeken, dat men de rendieren voorspant; zo gezegt, zo gedaan en ziet
daar mijne sleeden in gereedheid.
Afscheid van Oumiavin
In dien tusschentijd had ik eene ontmoeting, welke mij eenigen tijd
ophield, dog waar over ik onophoudelijk lagchen moest. Oumiavin had uit
genegenheid voor mij een geheelen roes gedronken; de levendigheid zijner
aandoeningen over het verlaaten van mij deed hem allerlei dwaasheden
bedrijven, dewelke hij zijne afscheidsgroeten noemde; hij ging, kwam te
rug, en wilde aan alles helpen, naauwlijks was mijn slêe gereed, of hij
meende die te moeten opligten om van derzelver zwaarte te oordeelen, dog
de staat, waarin zich deeze goede Koriak gebragt had, deed hem het
evenwicht verliezen, en door zijn val brak hij de punt van mijn sabel;
zijne droefheid op het gezicht van dit kleine ongeluk was uitermaaten;
ik zag hem zich aan mijne voeten werpen, die hij omhelsde en met zijne
traanen besproeide, mij bezweerende van niet te vertrekken, voor dat ik
hem zulks vergeeven had. Ik spande alle mijne krachten in om hem
opteheffen, ik verzekerde hem van mijne vriendschap; hij bleef even
halsterrig aan mijne knieën, en zijne traanen hielden niet op; het was
eerst na verloop van een half uur, dat ik door onophoudelijke
vriendelijkheden hem eindelijk gerust stelde.
Vertrek van Ingiga.
Ik ging te voet de stad uit, geleid door bijna alle de inwoonders, die,
volgens hun zeggen, begeerte hadden om den eenigsten Franschman, welke
tot hier toe onder hun verkeerd had, eere aan te doen; de Heer Gaguen en
de Officieren van de bezetting wilden mij volstrekt tot buiten de poort
brengen, alwaar, na herhaalde dankzeggingen van mijn kant over derzelver
beleeftheden, en na de afscheidsgroet van mijne wegwijzers en verder
gevolg ontfangen te hebben, onze scheiding plaats greep.
Ik neem een Reisgenoot met mij.
Van de vier soldaaten, die mijn gevolg bij mijn vertrek van Kaminoi
uitmaakten, bleeven mij nu maar over Golikoff en Nédarézoff, ik had de
twee anderen te Ingiga gelaaten, zijnde derzelver gewoone
verblijfplaats; dog ik nam daar met mij op de aanbeveeling van den Heer
Gaguen een jong Russisch koopman, genaamt Kissélioff, die mij verzogt
had om met mij naar Okotsk te reizen. In onze meenigvuldige gesprekken
had ik geduurende mijn verblijf te Ingiga in de gelegenheid geweest het
aangenaame van zijn gezelschap te leeren kennen, en mijn geluk te
waardeeren van hem tot reisgenoot te hebben.
Te vergeefs had ik mij voorgesteld om mijn slee zelfs te mennen, ieder
een had zich daar tegens verzet, uit vreeze, dat onkunde en ongewoonte
omtrent mijn nieuw voorspan mij in gevaar zou brengen; men had mij zeer
aanbevolen van ten minsten mij den eersten dag te laaten rijden. Bij
mijn rijtuig gekomen, vond ik in der daad mijn geleider reeds voor op
gezeten; ik nam mijn plaats zonder veel acht op hem te geeven, dog hij
draaide het hoofd om, en ik herkende in hem een Koriakschen prins
genaamt _Eviava_; hij betuigde mij zijne vreugde, dat hij het genoegen
had van mij te geleiden, en vervolgens stelde hij zich in staat om weder
in den trein te komen.
Beschrijving van een Koriaksche slêe.
Zedert lang ben ik den leezer eene beschrijving van een Koriaksche slêe
verschuldigt; nu bevind ik mij in staat deszelfs nieuwsgierigheid te
voldoen; mogt ik mijne beschrijving belangrijk genoeg inrichten, om over
het lang uitstel verschooning te erlangen!
Op twee evenwijdige schaatzen, dat is te zeggen, op twee takken van
boomen van zes en een half voet lengte en drie duimen breedte, vrij
slegt geschaafd, en welkers voorste einden zich ter halver weg
boogsgewijs verheffen, is het lighaam van de slêe geplaatst; het is
eigentlijk maar een raam van latwerk, van twee voet en eenige duimen
hoogte boven den grond; deszelfs breedte is van agttien duimen en de
lengte vijf voet. Twee kleine stokken van omtrent vijf duimen in den
omtrek verbinden het latwerk te zamen, het welk van grove latten, die de
een in de ander gevoegd zijn, is gemaakt. Een sterker dwarshout als de
twee voorigen vereenigt van vooren de uiterstens der latten, welke zich
daar op dadelijk met de geboogene einden der schaatzen voegen en met
riemen daar aan vast gemaakt zijn. Het onderste gedeelte van den raam
draagt op boogswijze gekromde stokken, waar van de zijdelingsche punten
te gelijk in deeze schaatzen komen; en het bovenste gedeelte eindigt
van agteren op de wijze van een kleine overdekte koetskar, van zestien
duimen hoogte en twee voet diepte, en als een halve cirkel gemaakt met
korte stokjes in halve hoepen ingevoegt, ten naasten bij als de
agterleuningen van onze tuinstoelen. Het is in deezen naauwen omtrek,
dat men gewoonlijk of den voorraad van levensmiddelen, of een gedeelte
der zaaken, die van een dagelijks gebruik zijn, plaatst. Wat mij
aangaat, ik borg daar het kistje met mijne brieven, en ik ging daar op
zitten, tot dat ik de plaats van mijn geleider innam. Zijn zitplaats is
omtrent in het midden van den raam, niet ver van het dwarshout; hij zet
zich daar schrijelings op, en zijne voeten rusten op de schaatzen.
Wijze waar op men de rendieren voorspant en ment.
Het voorspan is van twee rendieren, derzelver tuigen bestaan in een
lederen halsband, die gedeeltelijk over de borst en tusschen de
voorbeenen van het beest doorgaat, en op zijde eindigt in een riem, op
de wijze als een trekzeel, welke van het rendier, dat van de hand loopt,
aan het dwarshout van de slêe word vastgemaakt, en van het geen bij de
hand loopt aan de schoor van een der boogsgewijze steunzels, die op
denzelfden kant van het rijtuig gevonden word. Voor teugels gebruikt men
twee lederen riemen, waar van het eene eind als een band onder aan de
schagt van de hoornen van ieder rendier gehegt word[139]; wil men ter
regterhand wenden, trekt men zagtjes de teugel naar die kant, terwijl
men het dier dat buiten de hand is van agteren slaat; om links te
rijden, is het voldoende eenige sterke schokken aan de regter teugel te
geeven, en daar mêe het rendier het welk door deeze bestierd word
aanteraaken; de linker teugel dient nergens anders toe, dan om het dier
welke ze bereikt tegentehouden. Den rijder heeft daarenboven een stokje,
welks eene eind van een soort van hamer voorzien is; dit is een
horisontaal geplaatst been, het welk aan de eene zijde zeer dun is, het
vertoont een punt van bijna twee duimen lang, die voornamelijk dient, om
zonder te behoeven optehouden, de trekzeel der rendieren wanneer die om
derzelver pooten verward raakt, na zich te trekken, het welk voor één
der voornaamste handgreepen van den koetzier gehouden word; het andere
einde van dit been is een weinig ronder en verstrekt tot een zweep, dog
de slagen daar mêe toegebragt zijn veel smertelijker, men bedeeld 'er
deeze arme dieren ook zo rijkelijk mede, dat men somtijds hun bloed ziet
vloeijen, dewijl dit stokje zeer ligt aan breeken onderhevig is,
gebruikt men de voorzorg van zich van een zeker aantal te voorzien,
welke ter zijde van de slêe vastgemaakt worden.
[139] Somtijds is het onderste van deeze band voorzien van kleine
puntige beentjes, welke, bij de minste terugtrekking van de teugels,
tot spooren van de onbuigzaame rendieren verstrekken; men gebruikt
dezelve gewoonlijk om ze te leeren; wanneer men ze voorspant gebruikt
men alle oplettendheid om het rendier dat voor de linker hand geleerd
is niet aan de regter te plaatsen; dit zou veroorzaaken dat de slêe in
plaats van voorwaards te gaan rondom zou draaijen, dit is een trek
welke de Koriaken aan de Russen waar over ze meenen reden te hebben
van onvergenoegt te zijn, wel eens speelen.
Wij reisden zeer gemaklijk tot aan den avond; mijn eenigste ongenoegen
bestond hier in dat ik bij gebrek van een tolk geen gesprek met mijn
prinselijke leidsman kon voeren. Ik verloor daar door ongetwijffelt veel
van het geen hij mij anders zou hebben kunnen verhaalen, en onze
onderlinge stilzwijgendheid verfraaijde de weg niet in mijne oogen.
Rustplaats.
Wij hielden ten zeven uuren stil, wij moesten eenen berg, die aan onze
Koriaken bekend was, bereiken, welke deeze voor de eerste rustplaats in
onze reismaat hadden aangetekent. Te vergeefs zou ik verlangt hebben om
een schuilplaats in de bosschen te zoeken[140], dewijl het gemak van
den reiziger in het minste niet in de keus der rustplaatzen in
aanmerking komt; dat der rendieren word alleen geraadpleegt, en de
plaats, die het meeste mos opleevert, heeft altoos de voorkeur; ter
halver weg van den berg wierden onze rendieren uitgespannen, men
vergenoegde zich om dezelve aan leissels vasttemaaken, oogenbliklijk zag
ik ze bezig met de sneeuw om te krabben, onder welke zij zeer wel hun
voedzel weeten te vinden. Eenige treden verder wierd onze kookketel
geplaatst, de duurzaamheid van onzen avondmaaltijd was evenredig aan
deszelfs soberheid, ik verzogt mijn Koriaksche prins daar op, die
bijzonder vergenoegt scheen over zulk een eerbewijs. Ik lag mij
vervolgens op de sneeuw, alwaar men mij eenige uuren slaapens vergunde;
de tijd verstreeken zijnde, kwam men mij onmeedogend wekken ten einde
ons wederom op weg te begeeven.
[140] _Gelijk ik doen kon, zo lang ik door honden getrokken wierd._
Het is noodig te weeten, dat de Koriaken in togten van vier, vijf of zes
dagen bijna geen rust neemen; de rendieren zijn gewoon om dag en nagt,
twee of drie agtereenvolgende uuren te loopen, vervolgens spant men ze
uit, om dezelve omtrent één uur te laaten weiden; waar na ze met
denzelfden iever wederom vertrekken, en herhaalen dit alle dagen tot aan
het einde van de reis. Hier uit kan men ligt opmaaken dat ik mij
gelukkig rekende, wanneer men mij des nagts twee uuren lang de slaap
vergunde; dog dit duurde niet lang, langzamerhand wierd ik genoodzaakt
van mij aan de gewoonte mijner onbuigzaame geleiders te gewennen, en ik
moet bekennen dat zulks mij moeijelijk viel.
Voor dat ik mijn slêe beklom, zeide mij Eviava dat hij de
noodzaaklijkheid gewaar wierd om het rijtuig te verligten, dewijl het
gewicht van twee persoonen op den duur te zwaar voor onze dravers zou
vallen, en dat zo ik zelfs wilde beproeven om te mennen, hij zich op een
der sleeden zou plaatzen, die ons leeg volgden, om ingeval van eenig
ongeluk of verlies van rendieren te kunnen gebruikt worden; het voorstel
was te zeer na mijn smaak, dan dat ik geaarzeld zou hebben om het zelve
aanteneemen, ik vatte spoedig de teugels aan en begon mijne
oeffenschool.
Ik begon zelfs te mennen.
Ik vond het zelve niet minder ongemaklijk, dan dat waaraan ik mij te
Bolcheretsk onderworpen had, met dit onderscheid echter, dat ik als toen
de eerste was, die lagchen moest om mijne menigvuldige tuimelingen,
terwijl ik hier de verschrikkelijke proef van derzelver grootste
gevaarlijkheid ten mijnen koste meende te ondergaan; het rendier, ter
slinkerzijde aan het steunpunt van de slêe aangespannen zijnde, raakt
deszelfs trekzeel bijna aan den linker voet van den rijder, die met
eene geduurige oplettenheid moet zorgen, dat hij 'er niet in verwart.
Eens miste mij dit, het zij uit agteloosheid of onervaarendheid, en een
schok wierp mij over de linkerhand, terwijl mijn been in deeze
noodlottige trekzeel bleef vastzitten; de geweldige stoot die ik in het
vallen onderging, of, zo ik geloof, de hevige en oogenblikkelijke smert
welke mij dit been veroorzaakte, deed mij onvoorzigtiglijk de leissels
ontglippen om de hand daar aan te brengen; door welk middel mij nu te
ontwarren? de rendieren denzelfden teugel niet meer gevoelende, sleepten
mij met des te meerdere snelheid voort, iedere pooging die ik tot mijne
verlossing aanwende, deed dezelve moediger en meer verhit worden; dus
door mijne rendieren voortgetrokken sleepte mijn hoofd over de sneeuw en
sloeg zonder ophouden tegen de schaats van de slêe; dat men zich mijne
smerten voorstelle; ieder oogenblik scheen mijn been te zullen breeken;
reeds begaven mij de krachten om te roepen, ik verloor mijne kennis,
wanneer ik door eene werktuigelijke beweeging de linker arm juist op
mijne leissels sloeg die ginds en herwaards slingerde; een nieuwe schok
van het rijtuig deed mij den arm terugtrekken, en dit was genoeg om
mijne rendieren optehouden welke ter zelfder tijd door eenige van mijn
gevolg wierden ingehaald; de anderen liepen naar mij toe, niet anders
verwachtende dan dat ik gevaarlijk gekwetst zou zijn. Ik vernam
vervolgens van mijne soldaaten dat zij gevreest hadden van mij niet meer
levendig te zullen vinden. Echter na eene flaauwte van eenige minuuten,
zijnde een natuurlijk gevolg van de ontroering en schrik die ik gehad
had, bekwam ik mijne zinnen en krachten allengskens wederom; ik geraakte
met een sterke kneuzing aan het been en pijnen in het hoofd die geen de
minste gevolgen hadden vrij, het genoegen dat ik aan dit gevaar ontsnapt
was, deed mij de moed hervatten; ik beklom op nieuw mijn slêe en
vervolgde mijn weg even als of mij niets wedervaaren was.
Hier door omzichtiger geworden, gebruikte ik de voorzorg, om wanneer ik
omviel, aanstonds mijne rendieren op te houden; want ik had alle reden
mij gelukkig te achten, dat deeze in derzelver onstuimige woede mij niet
tusschen de bergen vervoerd hadden[141]; en hoe zou men dezelve dan
hebben kunnen agterhaalen? Somtijds brengt men drie of vier dagen door
om ze te volgen, en het gelukt niet altoos om ze wederom te krijgen;
dit bericht, het geen mij door onze Koriaken gegeeven wierd, deed mij
voor mijne brieven beeven, terwijl de kist waar in die geplaatst waaren,
op mijn slêe was vastgemaakt, en mij dus alle oogenblikken kon ontvoerd
worden.
[141] Zij waaren wel van de weg afgeweeken, dog zij sleepten mij maar
omtrent vijftig treeden voort.
1788. _April_ Den 7.
Dorp van Karbanda.
Ik liet ter slinkerzijde het dorp van Karbanda, gelegen aan den oever
van de zee, omtrent negentig wersten van Ingiga; dat Ostrog is van geen
het minste belang, na het geen men, ten minsten op de afstand van een
werst daar van kan oordeelen: drie wersten verder, wierd ik aan dezelfde
kant, twee yourtes en zes balagans gewaar, alwaar inwoonders van dat
dorp de zomer komen doorbrengen.
Rustplaats in een gehugt aan den oever van de Noijakhona.
Wij reisden nog zeven wersten om onze bepaalde rustplaats te bereiken,
namelijk, een slegt gehugt, in het midden van een klein bosch, het geen
door de rivier Noyakhona bespoeld word; het bestaat uit eene enkelde
yourte, en drie of vier balagans, daar woonen 's zomers en 's winters
tien a twaalf Koriaken, die mij vrij wel ontfingen; ten minsten bevond
ik mij daar onder dak, en dit was zeer veel voor iemand die dikwils
genoodzaakt was in de open lucht, en op een bed van sneeuw te slaapen.
1788. _April_ Den 8.
Des morgens tegens twee uuren, lieten wij onze rendieren opzoeken, die
van de wooningen verwijderd waaren, om reden van daar door beter in
derzelver voedzel te kunnen voorzien, en ze voor de verslinding der
honden van het gehugt te bewaaren. Wij begaven ons weder op weg, dog den
dag leverde niets bijzonders op.
Eviava niet recht weetende waar de yourte van Oumiavin's broeder gelegen
was, stelde mij des avonds voor, om een berg die aan onze linkerhand nog
overterijden, dewijl hij hoopte op denzelven een zijner landgenooten te
zullen aantreffen, die misschien daar beter bekend zou weezen dan wij;
na anderhalf uur wegs afgelegt te hebben, bereikten wij den top, van
waar wij, de oogen ginds en herwaards slaande, te vergeefs zogten te
ontdekken de wooning van dien andere zwervende prins; niets duide zijn
verblijf aan, en de nagt belette ons gezicht zich verder uittestrekken.
Eviava was mistroostig, dewijl ik zeer vermoeijd en weinig geschikt was
om voorwaards te komen. Om hem genoegen te geeven, zeide ik hem dat hij
alléén zijn vriend zou gaan opzoeken, en zich ter dezer plaats weer bij
mij voegen, alwaar ik, terwijl ik hem wagtende was, zou uitrusten; na
verloop van drie uuren, kwam hij zeer verheugd mij wakker maaken, hij
had de prins Amoulamoula en zijne geheele horde gevonden; de een en den
ander verzogten mij aanhoudend van de plaats waar ik mij bevond niet te
verlaaten, voor den volgenden morgen, dewijl zij mij gezamentlijk
wilden te gemoet komen. Ik was deswegens zeer wel te vreden, nadien ik
daar door een goede nagt maakte.
1788. _April_ Den 9.
Bezoek en geschenk, het welk ik van den Prins Amoulamoula ontfang.
Bij het aanbreeken van den dag zag ik deeze nieuwsgierigen verschijnen;
het opperhoofd naderde mij het eerst, om zijne plichtpleeging op de
Koriaksche wijs afteleggen, het geen hij, met een fraaije rood en
zwartachtige vos, of _séva-douschka_ tot een geschenk verzelde, welke
hij onder zijn parque van daan haalde, en mij drong het zelve
aanteneemen[142].