[128] De zwervende Koriaken toonden zich langen tijd nog

onhandelbaarder, de onafhangelijkheid, aan welke zij gewoon waaren,

die natuurlijke onrustigheid, welke hun kenschetst, gaven hun geene

geneigtheid om het juk te draagen, daarenboven maakte de zucht tot

heerschen misschien in den beginne de Russen niet zo gematigd, als wel

behoord had; misschien gebruikten ze niet zo veel kunst om zich te

doen beminnen, als wel om zich te doen vreezen; dit is zekerder, dat

zij het verdriet gehad hebben, van geheele horden of benden op de

minste vertooning van onderdrukking te zien verloopen, en gezamentlijk

ver van de steden te zien vluchten, alwaar het lokaas van Koophandel

hoop had gegeeven, dat zij hun verblijf zouden neemen; deeze

menigvuldige ontvluchtingen hadden plaats tot op de aankomst van den

Heer Major Gaguen; door de zagtheid van zijn bestier, zijne herhaalde

aanzoeken en voordeelige inrichtingen, heeft hij van tijd tot tijd

deeze voortvluchtende geslachten weeten tot zich te trekken, aanstonds

is er een, vervolgens twee en drie te rug gekomen, de kracht van het

voorbeeld, een soort van naiever trok nog anderen derwaarts; men telde

reeds bij mijn doortogt elf Koriaksche yourtes rondom Ingiga.

Dog hierin heb ik gevonden, dat de schrandere staatkunde van den Heer

Gaguen nog beter den goeden uitslag van de inzichten zijner Souvereine

had weten voor te bereiden, namelijk, dat hij van de noodwendige

betrekkingen door den Koophandel heeft gebruik gemaakt, om

langzaamerhand tusschen de Russen en de zwervende en de andere

Koriaken van de omleggende streeken een wederkeerigheid van hulp

interichten, als mede een soort van overeenkomst tusschen ieder

persoon, welke de oude herbergzaamheid doet herboren worden, en die

zeker het zaad zal strooijen van eene omwending in de zeden der

laatsten.

Wanneer een Koriak genoodzaakt is uit hoofde van zijne zaaken den nagt

in de stad doortebrengen, gaat hij een schuilplaats bij zijn

Russischen vriend zoeken; zonder verdere omwegen dringt hij zich bij

zijn Gastheer in, die het zich een pligt rekent van hem wel te

onthaalen, en om zijne begeertens en behoeftens nategaan en te

voorkomen, niets word bespaart om hem wel te behandelen, dat is te

zeggen, om hem geheel dronken te maaken. Bij zijne haardstee te rug

gekomen, vermaakt hij zich in het vleijende onthaal te verhaalen, het

welk hij ontfangen heeft, dit is eene verplichting, eene geheiligde

schuld, die hij zich bevlijtigt, om zo dra als de gelegenheid zich

opdoet, te vereffenen; dit heeft zijn aangenaamheid, voor al voor den

Russischen soldaat, die in het geval is om menigvuldige reizen in de

nabuurige vlekken te doen; de erkentenis van den Koriak omtrent zijn

vriend bepaald zich niet alleen om hem een legerplaats te geeven, om

hem te onthaalen, om hem levensmiddelen te verschaffen tot

voortzetting van zijn reis; maar hij beschermt hem, hij word zelfs

zijn verdediger tegen zijne landsgenooten.

1788. _April_ van den 1. tot den 6. Te Ingiga.

Hunne bezigheden.

De jagt en de vischvangst maaken hunne gewoonlijke bezigheid uit, dog

alle de jaargetijden laaten niet toe om daar mede bezig te weezen;

geduurende deeze tusschenpoozingen in hunne diepe wooningen begraaven,

doen ze niets dan slaapen, rooken en zich dronken drinken; zonder zorg

voor het toekomende, zonder leedweezen over het gebeurde, komen zij niet

uit hunne yourtes, dan wanneer eene dringende noodzaaklijkheid hun daar

toe verplicht.

Wooningen.

Veel grooter dan die der Kamschatters van het noorden, vertoonen deeze

ten naasten bij dezelfde verdeeling, ik twijffel of de morsigheid daar

niet nog afzigtelijker is; men vind daar geen deur nog joupan of

rookgat, ook is de rook 'er onverdraaglijk.

Voedzel.

Dit volk, vijandig van den arbeid, leeft even als dat van Kamschatka,

van drooge visch, van walvisschen en zeewolvenvleesch en vet[129]; het

eene word gewoonlijk raauw gegeeten, het andere word gedroogd en gekookt

op dezelfde wijs als de visch, dog de zenuwen, het merg, de harsens en

dikwils geheele stukken van het vleesch, worden geheel raauw met eene

woeste gretigheid verslonden; het rendierenvleesch is het meest geacht;

de Koriaken trekken daar dezelfde partij van als van de zee-wolven,

walvisschen en andere dieren, waar op zij jagt maaken; zij voeden zich

ook met aardgewassen, zij plukken in den herfst verscheide soorten van

vrugten, een gedeelte van den oogst dient om daarvan verkwikkende

dranken te vervaardigen[130], het overige word verbrijzeld en gekneed

met olie van walvisschen of zee-wolven; Dit beslag of ingemaakte vrugten

word _toltchoukha_ genaamd. Men maakt 'er hier te land veel werk van,

dog volgens mijn smaak is 'er niets onaangenaamers.

[129] Alle de Koriaken, die ik op mijn weg van Poustaretsk af ontmoet

heb, leeden niet minder gebrek als de inwoonders van dit gehugt;

berken-schors, gemengt met zee-wolven vet, maakte als toen hun geheel

voedzel uit.

[130] De rivieren in de nabuurschap van deeze Ostrogs, zijn bijna alle

zo klein, dat met de minste koude dezelve geheel digt raaken, en

geduurende meer dan de helft van het jaar zijn de inwoonders

genoodzaakt om sneeuw of bezonken ijs te drinken.

Dranken.

Hunne zucht tot sterke dranken aangezet door de duurte van de brandewijn

en de moeijelijkheid, om 'er zich zo veel van te verschaffen, als men

begeert, uit hoofde van hunne verafgelegenheid, heeft hun een even

koppigen drank doen uitdenken, welke zij uit een roode paddestoel

trekken, in Rusland voor een hevig vergift onder den naam van

_moukhamorr_ bekend;[131] zij doen denzelven in een pot met eenige

vrugten, en naauwlijks geeven ze dien den tijd om klaar te worden; de

vrienden worden verzogt, eene edele mededinging ontvlamt de gasten,

ieder zoekt om het zeerst den huisheer van deszelfs nectar te ontlasten,

het feest duurt een twee of drie dagen, tot dat de voorraad op gebruikt

is; dikwils eeten zij ter zelfder tijd deeze paddestoel geheel raauw, om

des te zekerder te zijn van de reden te zullen verliezen; het is

onbegrijpelijk, dat 'er geen meer voorbeelden van schadelijke

uitwerkzelen deezer dronkenschap gevonden worden. Ik heb echter

liefhebbers daar van zeer onpaslijk gezien, die veel werk hadden om te

herstellen; dog de ondervinding verbeterd hun niet, bij de eerste

gelegenheid geeven ze geen gehoor, dan alleen aan hunne verdwaasde en

beestachtige onmaatigheid; want het is bij hun eigentlijk geen involging

van lusten, het is ook niet het vermaak om aandagtig den drank te

proeven, welke hun een onwederstaanbaare behoefte word, zo dra zij

denzelven gesmaakt hebben; zij zoeken eigentlijk in deeze Bacchusfeesten

niets anders, dan de bewustheid van zich zelfs te verliezen, een staat

van bezwijming, en geheele redenloosheid, eene ophouding van bestaan te

ondergaan, indien ik mij dus mag uitdrukken; ziet daar hun eenigste

vermaak, ziet daar voor hun het waar genoegen.

[131] Men bediend zich daar van in de Russische huizen, om de insecten

te verdrijven.

Gelaatstrekken.

De gelaatstrekken van het grootste aantal hebben niets van het

Asiatische; buiten derzelver kleine gestalte, de gebreken hunner

aangezichten, en de couleur van hun vel, zouden zij vrij veel

overeenkomst hebben met de Europeaanen; de overige Koriaken hebben

dezelfde trekken in het gelaat als de Kamschatters, onder de vrouwen

vooral zijn 'er weinigen, die geen getrokken oogen, platte neuzen en

hangende wangen hebben; de mannen zijn bijna zonder baard en draagen het

hair zeer kort; de vrouwen geeven daar weinig acht op, en laaten ze

langs de schouders hangen, eenigen binden ze in vlechten of steeken ze

in een neusdoek.

Wat de kleeding der mannen en vrouwen betreft, deeze is zodanig, als ik

bij mijn doortogt te Koriagin en te Poustaretsk beschreeven heb.

Wieg voor de kinderen.

De vrouwen draagen haare kinderen in een wieg, welkers gedaante mij

zonderling voorkwam, het is een soort van nis of korf, dien men op den

rug draagt, welke van boven boogsgewijs gemaakt, en waar in het kind

gezeten en overdekt is.

Huwelijken.

Onder de allervreemdste gebruiken zal ik hier opgeeven de proef, waar

aan een jongman, die trouwen wil, zich moet onderwerpen. Wanneer hij

zijn keus gedaan heeft, gaat hij zich bij de ouders van zijne minnaares

vertoonen, en zich aanbieden om te werken; dit is het oogmerk; aanstonds

belaad men het meisje met een onnoemlijk aantal kleederen, die haar

zodanig verbergen, dat men naauwlijks het aangezicht zien kan; als dan

is ze geen oogenblik meer alleen, haar moeder en verscheidene oude

vrouwen volgen haar overal, slaapen aan haare zijde, en verliezen haar

nimmer, onder wat voorwendzel ook, uit het oog; de behendigheid van den

minnaar, alle zijne pogingen moeten daar heen strekken om het geluk te

hebben van zijne beminde ontbloot aan te raaken; dit is het eenigste

middel om haar te verkrijgen; ondertusschen verricht hij met iever en

onderwerping allen arbeid, welken de ouders hem opleggen; hij, om dus te

spreeken, de slaaf van het gezin geworden, word belast met al het

huisselijke werk, als om het hout te hakken, het water of den voorraad

van ijs te haalen; de liefde, de tegenwoordigheid van zijne aanstaande

geeven hem moed; een enkel opslag van het oog, al was het ook

onverschillig, doet hem zijne vermoeijenissen en de verdrietelijkheden

van den dienst vergeeten; de hoop om de duurzaamheid daar van te

verkorten, bestiert alle zijne daaden; het oog altoos gevestigt op den

afgod van zijn harte, bespied hij alle haare beweegingen, volgt haare

gangen, en vertoont zich zonder ophouden, waar zij ook gaan mag; dog

door welk middel zal hij het geleide van Argusoogen, welke haar

omringen, bedriegen? Het is eene geduurige strijd van de waakzaamheid

tegens de list; een ieder neemt zich in acht en gaat met gelijken iever

en gelijke standvastigheid te werk; men zou uit zoo veel ernst, uit

deeze verliefde onrustigheid van den minnaar, uit de genomen maatregelen

om zijne pogingen te doen mislukken, moeten besluiten, dat het te doen

was om eene zeldzaame schoonheid te schaaken: wie zou gelooven, dat het

voorwerp der begeerte en der gedagten van den zugtenden Koriak de

leelijkheid zelf is, en dat hij tot prijs van zo veel arbeids alleen

haakt om een vereelt, geel en smeerig vel aanteraaken? In zijne

oogenblikken van werkeloosheid vrijheid hebbende om zijne meesteresse te

zien en te naderen, tragt hij somtijds haar door eene steelswijze

aanraaking te verdienen, dog het aantal en de dikte der kleederen

veroorzaaken hem een onoverkomelijken hinderpaal; verwoed over zo veel

tegenstands, rukt en scheurt hij deeze lastige kleederen; wee den

roekeloozen, indien hij in zijne poging betrapt word; de ouders, de

onverbiddelijke bewaaksters vallen op hem aan, en noodzaaken hem om zijn

prooij te verlaaten; het is gewoonlijk door schoppen of stokslagen, dat

men hem verzoekt van heen te gaan en een beter gelegenheid uittekiezen:

indien hij tegenstand bied, word hij bij de hairen gesleept, of de

nagels van die oude Megera's worden op zijn aangezicht gedrukt; indien

hij zich verzet, zo hij te onvreeden is over deeze wreede behandeling,

word hij aanstonds afgedankt en verliest voor altoos zijne aanspraak op

deeze verbintenis, hetwelk de grootste belediging is, die een verliefd

Koriak kan wedervaaren. Dog de zwaarigheden doen zijne begeertens des te

heviger ontsteeken; wel verre van zich te beklaagen, verre van door zo

veele gestrengheden den moed te laaten ontzinken, vermeend hij de

gelukzaligheid, welke hij zich belooft heeft, des te waardiger te zijn;

hij verheugt zich, hij acht zich alle de kwellingen, die hij in zijne

verliefde en moeijelijke slavernij ondergaat, tot een eer; het gebeurt

dikwils niet, dan ten einde van twee of drie jaaren, meer of min, dat

hij tot den eindpaal van zijnen arbeid, tot het oogmerk, het geen zo

ongemaklijk te bereiken was, geraakt; trots op zijne zege, haast hij

zich, om die aan de ouders van de overwonnene te gaan aankondigen; de

getuigen worden geroepen, de dogter ondervraagt[132], men vordert haare

bekentenis, men eischt bewijs, dat zij verrast is geworden, dat zij

vergeefsche pogingen aangewend heeft om zich te verdedigen, als dan is

haare hand aan den overwinnaar toegestaan, van wien men nog een uitstel

vordert, om verzekert te zijn, of de Juffrouw zich zal kunnen gewennen

om met hem te leeven; van dit oogenblik af, bevrijd van allen arbeid,

maakt hij zonder hinder zijn hof aan zijne aanstaande bruid, die zelfs

niet treurig is van verlost te weezen van den last haarer talrijke

kleederen. Het is zeldzaam, dat zij deeze tweede proef lang uitrekt,

welhaast geeft zij, in tegenwoordigheid van de bloedverwanten, haare

toestemming aan haar man, en dit is voldoende om hem in alle zijne

rechten te doen treden. De plegtigheden en het huwelijksfeest worden in

een vergadering der naastbestaanden voltrokken, die zich op het

voorbeeld der getrouwden om het zeerst dronken drinken, de veelwijverij

schijnt aan de Koriaken verboden te zijn, echter heb ik 'er gezien, die

zich deeze zonder den minsten schroom veroorloofden.

[132] Het is waarschijnlijk, dat de schoone niet altoos ongevoelig is,

en dat zij even ongeduldig als haar minnaar om deezen werkzaamen

proeftijd te doen ophouden, wel eens erkent aangeraakt te zijn, hoe

zeer zulks niet met de waarheid overeenkomt.

Lijkplegtigheden.

Derzelver lijkplegtigheden gelijken veel na de oude instellingen van het

heidendom, tans nog bij verscheide woeste volkeren van het nieuwe

halfrond in gebruik. Wanneer een Koriak gestorven is, vergaderen zijne

naastbestaanden en zijne vrienden om hem de laatste eer te bewijzen; zij

rechten een houtmijt op, waarop men een gedeelte der rijkdommen van den

overleedenen en een voorraad van leevensmiddelen plaatst, als

rendieren, visch, brandewijn, in een woord, alles wat men meent, dat hij

noodig kan hebben, om de groote reis te doen, en om niet van honger in

de andere waereld te sterven. Indien het een zwervende Koriak is, word

hij door zijne rendieren naar de houtmijt gebragt, zo het een Koriak is,

die een vaste woonplaats heeft, word hij door zijne honden getrokken of

door zijne naastbestaanden gedraagen; het lijk word met deszelfs

fraaijste kleederen en leggende in een soort van doodkist ten toon

gestelt; daar ontfangt hij het laatst vaarwel van de omstanders, die,

van toortzen voorzien, het zich een eer rekenen, om spoedig hun

bloedverwant of vriend in asch te doen verteeren. Zijn verlies

veroorzaakt geen andere droefheid, dan alleen het gemis van zijn

bijzijn, en niet die wegens eene eeuwige scheiding; men kent daar geen

rouw, en de lijkplegtigheid word door een Bacchusfeest onder de

naastbestaanden geeindigt, alwaar de dampen van den drank en tabak

langzamerhand het aandenken aan den dooden verdrijven; na verloop van

eenige maanden weduwe geweest te zijn, is het aan de vrouwen geoorloft

om weêr te hertrouwen.

Deeze bijgeloovige gebruiken bij de lijkplegtigheden in acht genomen, en

de kortstondige droefheid van hun, welke een wezen overleeven, dat hun

waard kon zijn, dit alles is na mijn inzien een ontegenzeggelijk bewijs

van hunne onverschilligheid voor het leeven, waar van de korte

duurzaamheid hun nog verbaast nog bedroefd. Hun godsdienstig zamenstel

streelt hun waarschijnlijk met de vertroostende hoop van een

voortduurend bestaan; de dood is in hunne oogen niets anders dan een

overgang tot een ander leeven, wanneer zij de waereld verlaaten,

gelooven ze niet, dat zij ophouden te genieten, het zijn andere

genoegens, die ze zullen wedervinden; dit vleijend vooroordeel, het welk

ik reeds door het verhaal van mijn eerste gesprek met _Bumiavin_ heb

doen kennen, geeft de beste reden van zijne twijffelingen in

godsdienstige zaaken, en van de woeste kloekmoedigheid zijner

landsgenooten. Dog hunne ongerijmde leerstellingen vereisschen eene

meerdere ontwikkeling, hoe zeer de dienst, waar van ze den grondslag

uitmaaken, zeer eenvoudig is, en dat het wonderbaare daar van weinig

verleidends in zich bevat; zie hier, waar in het geslachtregister der

Koriaksche Goden bestaat[133].

[133] Dit is even het zelfde bij de Tchouktchis, en ook eertijds bij

de Kamschatters, voor de invoering van het Christendom.

Godsdienst.

Zij erkennen een Opperst Wezen, Schepper van alle dingen; volgens het

denkbeeld deezer volkeren, bewoont hij de zon; welkers vuurige bol hun

toeschijnt het paleis, de throon van den beheerscher der natuur te

weezen; misschien verwarren zij hem met dat hemelsch vuur, het welk zij

vooronderstellen zijn verblijfplaats te zijn. Het geen mij dit deed

denken, was, dat ze hem nog vreezen nog aanbidden; geene gebeden worden

tot hem opgezonden; de goedwilligheid, zeggen ze, is zijn hoofdbestaan,

hij zou geen leed kunnen doen; al het goede, het geen op deeze aarde

gebeurt, daalt van hem af; schijnt het na dit alles niet, dat de

vertooning der onafgebrooken en algemeene weldaaden van den Koning der

schitterende lichten, die aan alles op het aardrijk leeven, werking en

kracht geeft, dit blind vertrouwen hun heeft ingeboezemd, met dit licht

des waerelds als haar beschermgod voortestellen?

De oorsprong van het kwaad is volgens hun niets anders dan een booze

geest, die met het volmaakte goede weezen de beheering van de natuur

deelt[134], hun magt is gelijk; zo veel als de een zich bezig houd met

het geluk der menschen, zo sterk zoekt de ander dezelve ongelukkig te

maaken; de ziektens, de stormen, de honger, allerlei rampen zijn

deszelfs werk en de werktuigen zijner wraak; om hem te ontwapenen is

het, dat het eigenbelang zich verbind en waar op de godsvrugt zich

toelegt; het afgrijzen, het welk deeze dreigende godheid in alle de

harten verspreid, is de gewaarwording, welke den eerbied voorschrijft,

de dienst, dien men hem toezwaait, bestaat in zoenofferhanden; men

offert hem jonggebooren beesten, rendieren, honden[135], de eerstelingen

van de jagt en vischvangst, en al het kostbaare, wat men maar bezit; de

gebeden, die men tot hem opzend, bestaan in verzoeken of in

dankzeggingen; men heeft geene tempels, geene heiligdommen, alwaar zijne

aanbidders zich moeten verzamelen; overal kan men deeze ingebeelde

godheid eerbiedigen; hij hoort den Koriak, die hem alleen in de

woestijn aanbid, even als het vereenigt gezin, dat zijn gunst meent te

verwerven met zich in hunne yourte godvrugtig dronken te drinken; want

de gewoonte der dronkenschap is bij dit volk een godsdienstige oeffening

en de grondslag van alle plegtigheden geworden.

[134] Zij neemen echter ook eenige mindere Goden aan; sommigen zijn

een soort van huisgoden, beschermers van hunne boersche daken. In de

meest in het oog loopende plaats van de yourte is het, dat zij deeze

afgoden, ruw uitgehouwen en zwart van den rook, plaatzen; zij kleeden

ze op de Koriaksche manier, en behangen ze met schelletjes, ringen, en

allerlei soort van yzeren en koperen gereedschappen. De andere mindere

goden, welke zij zich verbeelden, bewoonen de bergen, de bosschen en

de rivieren; dit alles doet ons denken aan de verdeeling der Nijmphen

in de Fabelgeschiedenis der oude Grieken.

[135] Ik heb dikwils op mijn weg overblijfzels van honden, en gedoode

rendieren gevonden, die aan paalen opgehangen waaren, het welk dan

blijken gaf van de Godsvrugt van den offeraar.

Die Duivel, die gedugte geest, is zonder twijffel dezelfde als de

Koutka, van wien de Kamschatsche Chamans zich de dienaars en de

werktuigen zeggen te zijn; hier, even als in het schier-eiland, jaagt de

geheimzinnige taal van deeze toveraars het bijgeloof vrees aan, en

verwerft hun den eerbied van de menigte; zij oeffenen de genees- en

heelkunde met denzelfden uitslag; deeze uitsluitende bedieningen, die

men meent, dat veeleer door de hulp der ingeeving ondersteunt worden,

dan wel door de verkreegene kundigheden der ondervinding, vergewissen

hen van eene onbepaald gezag; overal worden ze geroepen, en bij voorraad

worden hun de betuigingen van erkentenis toegezwaaid; zij vorderen uit

der hoogte al het geene hun behaagd, en ontvangen als een schatting al

het geen men hun aanbied; altoos is het onder voorwendzel van eene

aangenaame offerhande aan den God, welken zij doen spreeken, dat zij

zich het beste en fraaijste toeeigenen, het welk de inwoonders van deeze

streeken bezitten; men moet niet gelooven, dat door het ten toon

spreiden van eenige deugden, door een streng voorkomen, of door eene

stipter zedekunde, deeze bedriegers hunne misleide onderhoorige

betoveren; zonder teugel nog geweeten, doen zij hunne ondeugden te meer

gelden, en betoonen des te minder maatigheid; daags voor derzelver

toverplegtigheden neemen ze eene houding aan, als of ze den geheelen dag

vasten zouden, dog des avonds stellen zij zich schadeloos, met zich

moukhamorr, zijnde dat dronkenmaakend vergift, het welk ik beschreeven

heb, op te laaten disschen, zij drinken en eeten daar van tot

verzadigens toe, deeze voorbereidende dronkenschap strekt tot een goed

begin, het is waarschijnlijk, dat zij den volgenden dag daar van nog

gewaarwording hebben, het geen hun die verhitting van hooft bezorgt,

welke derzelver redenloosheid vermeerdert, en hen de nodige krachten

bijzet om zich aan hunne buitenspoorige vervoeringen te kunnen

overgeeven.

Taal.

De taal der Koriaken heeft de minste overeenkomst met die der

Kamschatters; de uitspraak van dezelve is veel scherper en langzaamer,

dog ze is gemaklijker, ze bezit niet die vreemde klanken, die

uitblaazingen, welke even moeijelijk in het spreeken als in het

schrijven zijn[136].

[136] De leezer kan deeze twee taalen vergelijken uit het woordenboek,

het welk hij aan het einde van dit dagverhaal zal vinden.

Nu blijft mij nog overig om eenige bijzonderheden omtrent de zwervende

Koriaken optegeeven; dog maar maatig te vreden over de aantekeningen,

welke ik omtrent dit onderwerp heb getragt op te zamelen, zal ik mij

voorbehouden om de waarheid daar van vast te stellen op mijn aankomst

bij den broeder van Oumiavin, alwaar ik de voorwerpen onder mijn bereik

kan hebben.

Toebereidzelen tot mijn vertrek.

Zedert mijne aankomst te Ingiga had de Heer Gaguen, toegeevende aan

mijne verzoeken, zich bezig gehouden met de middelen te beraamen, om mij

ten spoedigsten te doen vertrekken; indien dit van mij afgehangen had,

zou ik 'er niet langer dan vierentwintig uuren verbleeven zijn;

ongelukkig waaren mijne honden afgemat[137], en men zou in de geheele

stad niet dan een klein aantal, en welke altans niet beter waaren,

hebben kunnen verzamelen; men sloeg mij dan voor om rendieren te neemen,

ik stemde daar in des te gereeder toe, dewijl ik daar door meende meer

spoed te zullen maaken, en ook reeds zedert lang begeerte gehad had om

daar van de proef te neemen; men verborg voor mij niet de meerdere

ongemakken, waar mede deeze manier van reizen verzeld is, meerdere

vermoeijenissen en minder rust, op dit alles zou ik moeten staat maaken;

dog mijn ongeduld beschoude niets anders dan de mogelijkheid om

voorwaards te komen, en om het vermaak te genieten van de gezwindheid

dezer dieren zelfs door de ondervinding te kunnen beoordeelen.

[137] Ik dankte uit dien hoofde mijne wegwijzers af. Ik heb tot hier

toe van mijne reiskosten niet gesprooken, om reden, dat zo lang ik met

den Heer Kasloff gereist had, hij zich belast had met daar in te

voorzien, en ik had, wanneer ik hem verliet, niet anders te doen, dan

hem zijne verschotten te rug te geeven; nu ben ik aan den leezer eene

opgaaf van deeze kosten verschuldigt; ziet hier dezelve.

In Rusland noemt men dezelve _progonn_; voor de Couriers of postbodens

bedragen ze twee Kopecks per werst en voor ieder paard, en vier

Kopecks voor de andere reizigers (een Kopeck is zo veel als een

Fransche stuiver). In Kamschatka en in Siberien zijn de kosten half zo

veel, dog dewijl men zich in het schier-eiland zelden anders dan van

honden bediend, betaald men daar voor bij podvods of bij voorspan van

vijf honden; drie podvods of vijftien honden staan gelijk met den

prijs van een paard in Siberien, namelijk een kopeck per werst voor de

Couriers, en twee Kopecks voor de reizigers.

Om mijne begeerte te voldoen en mij in staat te stellen van mijne reis

zonder hinderpaalen voorttezetten, besloot de Heer Gaguen van deswegens

met de opperhoofden der zwervende Koriaken uit de nabuurschap een

overleg te maaken; bij gevolg deed hij dezelve verzoeken om bij hun te

komen; twee dagen daar na zag ik twaalf van deeze Prinsen aankomen,

benevens verscheide andere Koriaken, welke de Commandant insgelijks had

doen waarschuwen.

Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz. · 第 17 / 31 段