Naauwlijks hadden wij ons klein leger opgebrooken, of wij ontdekten op

eenigen afstand een sleep van vijf Koriaksche sleeden door rendieren

getrokken; onze honden, aangelokt door den reuk van deeze beesten,

liepen derwaarts op aan met eenen verwonderlijken iever; hoe meer wij

voorwaards kwamen, hoe meer deeze Koriaken zig verwijderden, eerst

meende ik, dat dit een uitwerkzel van hun aangebooren wantrouwen was,

dog uit het gehuil en de drift van onze honden begreep ik, dat zij de

oorzaak waaren van de vrees, welke onze nadering inboezemde; zij zouden

in der daad ongetwijffelt op de rendieren aangevallen zijn, indien ze

onder derzelver bereik geweest waaren. Ik gaf dus bevel om optehouden,

het was zeer moeijlijk onze dravers te doen stilstaan, en wij geraakten

daar niet toe dan met veel moeite; wij zogten door tekens deeze Koriaken

te doen begrijpen, dat ons oogmerk was om met hun een oogenblik te

spreeken; als toen scheenen zij raad te houden, na verloop van eenige

minuuten kwam een van hun naar ons toe, dog drie honderd treden van ons

af stilhoudende, verzogt hij ons insgelijks door teekens om hem ook

iemand van de onzen te zenden, en vooral om onze honden tegen te houden.

Ik gelaste een mijner soldaaten om op zijne raketten dien Koriak te

gemoet te gaan, en hem te vraagen, welken weg zij naamen, van waar zij

kwamen, of zij niets van den Heer Kasloff vernomen hadden, en

voornamelijk, hoe ver wij ten naasten bij nog van Ingiga verwijderd

waaren.

Een half uur daar na kwam mijn afgezondene met het volgende verhaal te

rug; deeze Koriaken hadden geen vaste woonplaats, zij gingen naar hunne

bloedverwanten, die zij verlaaten hadden, om te Ingiga rendieren vellen

te gaan verkoopen en hunne vrienden daar te zien; zij meenden daar te

hebben hooren spreeken van eene versterking van honden en

leevensmiddelen, zedert kort den Heer Commandant te gemoet gezonden, dog

zij hadden verder niets van hem vernomen; ten opzichte van den afstand

van die stad waaren derzelver antwoorden volmaakt overeenstemmend met de

gedagten van mijn leidsman, dien ik weinig oogenblikken te vooren

deswegens ondervroeg, bij gelegenheid van een nieuw verschil, tusschen

mijn volk en mij ontstaan; ziet hier, wat daar toe aanleiding gaf.

Verschil tusschen mijn volk en mij over het wêer.

Terwijl wij de terugkomst van dien soldaat afwachtten, zag ik snellijk

over ons heen drijven eenige wolken, wier gedaante en richting mij in

het denkbeeld bevestigden, dat wij met eenen aanstaanden storm bedreigt

wierden; mijn soldaat Golikoff was niet minder ongeloovig dan de

anderen, hij had gaarne het tegendeel gewed, echter erkende hij, dat tot

heden toe de uitkomst bijna altoos mijne voorzeggingen had bewaarheid,

hij had mij zelfs, zeide hij, aan de Koriaken als een waarzegger in dit

vak voorgedraagen, en het deed hem leed van mij eensklaps te zien faalen

en in minachting vervallen.

Deeze openhartige bekentenis was mij des te vermaakelijker, dewijl mijne

leidslieden daar bij waaren; dit deed in mij de begeerte opkoomen om mij

op mijn beurt met hunne onkundige eenvoudigheid te vermaaken; de

omstandigheden waaren gunstig, ik herhaalde, dat zij ten hoogsten binnen

twee uuren van mijne wetenschap zouden overtuigt zijn, dog dat ze mij

voor alles moesten waarschuwen, of wij op onzen weg eenige plaats zouden

aantreffen, alwaar wij ons in veiligheid konden stellen. "Geen een,

antwoorde mij één van de twee, tot aan de rivier van Ingiga zullen wij

niets anders doortrekken dan een groot en open veld, alwaar het oog

naauwlijks eenige oneffenheden van den grond, of sneeuw, door de

orcaanen aangebragt en door den hagel verhard, ontdekken kan". Deeze

ophelderingen maakten mij verlegen, terwijl ik voorzag, dat wij

genoodzaakt zouden zijn om te rug te keeren, ten einde bij een klein

bosch, dat wij voorbijgekomen waaren, een schuilplaats te zoeken, wij

waaren 'er nog maar een half uur van af, dog de hoofdigheid mijner

wegwijzers, in staande te houden, dat wij niets te vreezen hadden,

verdreef de zwaarigheid; stout op hunne ingebeelde ondervinding, waaren

zij van begrip, dat wij onzen weg moesten vervolgen, dit was het geen ik

verlangde, in de hoop van des avonds te Ingiga aantekomen.

Ik gebruik mijn Compas tot grote verwondering mijner leidslieden.

Om te zekerder mijn ontwerp uittevoeren, nam ik mij voor om tot mijn

Compas toevlucht te neemen, het geen ons alleen dwars door de

wervelwinden heen kon geleiden. Ik vernam derhalven van den bekwaamsten

mijner wegwijzers, in wat streek Ingiga gelegen was, hij wees ze mij op

het oogenblik aan, met mij van verre, een berg te doen opmerken, welkers

spits zich in de wolken scheen te verliezen; "de stad, zeide hij, tot

mij, is eenige wersten aan geenen kant en in dezelfde richting gelegen,

wij zijn daar nog vijftig à vijfenvijftig wersten van af". Ik viel hem

in de reden, om de windstreek hoger te zetten als waar ze gebleeven was,

en om met mijn orlogie de snelheid van onzen voortgang te kunnen

bepaalen; van de rustplaats af hadden wij zes a zeven wersten in het uur

afgedaan, dog ik moest mij voorstellen, om veel langzaamer voorttekomen,

wanneer de storm opkwam, ook rekende ik maar op drie wersten in een uur,

het was zes uuren des morgens, en na mijne berekening, had ik hoop van

voor middernagt te Ingiga te kunnen zijn. Ik vernam nog van mijn

geleider, dat om bij de rivier te komen, die derwaarts geleid, wij een

zeer groot bosch moesten bereiken, dat door dezelve gescheiden wierd,

dit stelde mij verder gerust, de groote uitgestrektheid van dit bosch zo

ter regter als ter linker hand verzekerde mij, dat wij het zelve niet

missen nog verdwaalen konden.

Alle deeze maatregelen genomen hebbende, zeide ik aan mijn volk, dat ik

niets liever wenschte dan voorttereizen, dog dat ik beslooten had van

niet stil te houden, wat 'er ook gebeuren mogt. Ik belaste hun, dat zij

mij zouden waarschuwen, zo dra zij meenden den weg niet meer te kunnen

vinden, dewijl ik als dan voorneemens was om hun te geleiden; de

ernstige toon, waar meede ik dit bevel gaf, verbaasde hun; zij zagen

elkander verwonderd aan, en durfden mij niet opentlijk zeggen, dat ik

verdwaasd was; de vrijmoedigste nam echter het woord op, om mij

voortestellen, dat daar ik nooit dien weg afgelegt had, ik ook niet op

mij kon neemen om hun te geleiden zonder gevaar te loopen van allen

verlooren te raaken, en dat ik zonder twijffel wilde spotten; om 'er in

eens af te weezen, zond ik ze op een barssen toon ieder naar zijne slêe,

onder bedreiging, dat ik die niet gehoorzaamde zou doen straffen, en ter

zelver tijd gaf ik het teken om te vertrekken.

Eene heftige orcaan.

Ten half negen hadden wij omtrent vijftien wersten afgelegd, 'er bleeven

mij nog veertig volgens mijne berekening over, dog het was reeds meer

dan een uur geleden, dat de gezichteinder met donkere wolken bezet

wierd, men zag den storm trapsgewijze naderen, en de wind begon de

sneeuw met draaijkringen opteheffen; mijne reisgenooten bewaarden het

stilzwijgen, de vrees werkte op hun bijna zo veel als de verwarring, ze

wisten niet hoe ze het hadden; welhaast overviel ons de orcaan met zo

veel hevigheid, dat daar door eenige van onze sleeden in verwarring

geraakten, door hevig schreeuwen bragt men ze weder bij een, mijne

wegwijzers erkenden overwonnen te zijn, en kwamen mij verzoeken om stil

te houden, hoe zeer wij ons in het open veld bevonden; verblind door den

wind, die hun in het aangezicht speelde, vreesden zij, dat wij zouden

verdwaalen.

Ik herinnerde hun mijne belofte, en bleef bij mijn besluit om voorwaards

te trekken; ik beval, dat alle de sleeden zo digt mogelijk de een de

ander zouden volgen, ten einde men bij het minste toeval elkander hooren

en hulp toebrengen kon, vervolgens stelde ik mij, met behulp van mijn

Compas, dat ik onder mijn kleed vastgemaakt had, om het telkens onder

het oog te hebben, in staat om onze Caravane te bestuuren, wij reisden

in deeze order het overige van den dag, om zoo te spreeken, in het

midden der duisternis, want de Soldaat, die de slêe mende, welke op de

mijne volgde, was voor mij onzichtbaar, naauwlijks kon ik zijn voorste

honden onderscheiden.

Des avonds ten zeven uuren, vermoeid van de klagten en de vertoogen van

mijn volk, die niet ophielden van te verzoeken om stil te houden, en

daar en boven meenende, dat wij nog maar vijf of zes wersten van het

bosch moesten afzijn, verzekerde ik hun, dat zo wij het zelve ten negen

uuren niet bereikten, wij des nagts niet verder zouden voorttrekken, ten

minsten zo zij, wanneer wij aan het bosch en de rivier mogten komen,

niet liever dan tot aan Ingiga wilden voortreizen, waar wij als dan zo

digt bij zouden zijn, dog dat ik hun volkomen vrij liet om dan te doen

wat zij zouden goedvinden; deeze voorwaarde scheen hun tot bedaaren te

brengen, niet dat zij meenden, zo veel voorwaarts gekomen te zijn als

zij waaren, waarschijnlijk zelfs dagten zij niet meer op de streek te

zijn, en zij verlangden alleen maar naar eene rustplaats, in de hoop om

met den dag den weg weer te kunnen vinden.

Omtrent een quartier over agt uuren, wierd ik als een donker gordijn

gewaar, dat zich voor ons ontwikkelde; het voorwerp verspreide en

verdonkerde zich, naar maate dat wij het naderden, een oogenblik daar

na, riepen mijne leidslieden, dat zij boomen ontwaar wierden en behouden

waaren; en inderdaad, wij bevonden ons in het bosch van Ingiga, ik zond

hun eenige treden voor uit om zich te herkennen, en welhaast kwamen zij

verrukt van blijdschap mij zeggen, dat wij bij de rivier waaren.

De eerbiedige toon, waar op zij mij dit bericht kwamen brengen,

vermaakte mij zeer; terwijl zij mij bedankten van hun zo wel geleid te

hebben, hield de Koriak staande, dat geen hunner Chamans ooit zo iets

wonderbaars verricht had; daar ik hun het slegte weer had voorspeld,

wanneer alles in hun oog het tegendeel scheen aantekondigen, en

vervolgens hun had weeten te leiden en te bewaaren in het midden van

deeze _pourga_[123], scheen hun zo veel wijsheids bovennatuurlijk te

zijn; de erkentenis van mijn overig gevolg was bijna even dwaas, zij

konden van hunne verbaasdheid niet te rug komen; te vergeefsch toonde ik

hun mijn compas, te vergeefs wilde ik hun uitleggen, hoe dat daar in

mijne geheele wetenschap gelegen was, zij beslooten met te zeggen, dat

een zodanig toverboek niet verstaanbaar was, dan voor diergelijke

verstanden als ik, die in de toverkunst onderweezen waaren.

[123] _Dus noemen zij deeze stormwinden._

Ik was wel overtuigd, dat, daar zij zich op zo een kleinen afstand van

Ingiga bevonden, zij niet meer denken zouden om stil te houden, ieder

was verlangende zijn vrouw weder te zien, en zijne kinderen te omhelzen;

wel verre van mijn voorstel aanteneemen om in dit bosch te vernachten,

drongen zij mij om ons naar de rivier te begeeven, vorderende maar drie

uuren om tot hunnent te komen; wij reeden dan van den oever af, en

dezelve langs tot op de hoogte van de stad; daar moesten wij de rivier,

die haare muuren bespoelt, overrijden, het ijs was sterk genoeg, dog de

hevigheid van den wind had deszelfs oppervlakte met water bedekt, zo dat

wij zeer natte beenen kreegen.

Aankomst te Ingiga.

Voor de poorten van Ingiga moest ik de gewoone ondervraaging in

versterkte plaatzen gebruikelijk, ondergaan, en was verplicht te

wachten, tot dat men den bevelhebber gewaarschuwt had; zedert lang van

mijn aanstaande komst verwittigt, had de Heer Major Gaguen de

beleeftheid van mij aanstonds te komen verwelkomen en mij zijn huis

aantebieden; juist ten half twaalf uuren kwam ik in deeze stad, de

aanzienlijkste en meest bevolkte, welke ik nog op mijne reis gezien had.

1788. _April_ Den 1. Te Ingiga.

Beschrijving van de stad.

Gelegen op de rivier van denzelfden naam, dertig wersten van deszelfs

mond, vertoond dezelve van buiten een vierkanten omtrek, verdedigd door

eene palissade, over welkers hoogte en dikte ik mij verwonderde, en door

houten bolwerken, die zich op geheid paalwerk aan de vier hoeken van de

plaats verheffen; ieder deezer bolwerken is van Canon voorzien, en daar

in worden verscheidene oorlogsbehoeftens bewaard; dag en nagt worden

dezelve door schildwagten bewaakt[124] even als de drie stadspoorten,

waar van maar eene open is; voor het huis van den Commandant is een

kleine plaats, een wagthuis aan een der zijden verbied den toegang

derwaarts. Ik was niet minder getroffen over de zamenstelling der

huizen, ze zijn allen van hout en zeer laag, dog ook allen hebben ze een

bijna regelmaatigen voorgevel, en men ziet, dat men voor ieder het

zelfde plan aangenomen heeft. De Heer Gaguen was voorneemens

langzamerhand zijne stad aldus optecieren; de Isbas, zedert zijn

verblijf alhier gebouwd, voegen bij eene uiterlijke bevalligheid alle de

inwendige gemakken, waar voor deeze wooningen vatbaar zijn; hij heeft

daar en boven het voorneemen van de kerk te doen herbouwen, welkers

bouworde onbehaaglijk is, en die daarenboven dreigt intestorten.

[124] Zij roepen onophoudelijk _werda_, uit vreeze van door de

omleggende Koriaken verrast te zullen worden, welkers oproerige en

stoute aart hun menigmaal tot den opstand brengt, en om de stad te

komen aanvallen, wanneer men daarop het minst verdagt is, ook is het

hun niet geoorloft van aldaar lang te blijven, wanneer zij om handel

te drijven derwaarts komen.

De bevolking bestaat in vier of vijfhonderd inwoonders, alle kooplieden

of aan den dienst verbonden; de laatste maaken het grootste gedeelte en

de bezetting uit; zij zijn aan eene gestrenge krijgstucht onderworpen,

welke de menigvuldige noodzaaklijkheid van zich te moeten verdeedigen

onvermijdelijk maakt; de wakkerheid en de iever van den Commandant doet

ten deezen opzichte niets meer verlangen; de rechtbanken zijn dezelfde

als te Nijenei-Kamschatka.

Koophandel.

De Koophandel van Ingiga bestaat in bontwerk, en voornamelijk in

rendierenvellen. In het algemeen leveren de pelterijen hier meer

verscheidenheids op als in Kamschatka, zij scheenen mij ook van betere

hoedanigheid te zijn; men trekt wel uit dat schier-eiland de Otter en

Zee-beerenvellen, dog de sabelmarters zijn daar zo fraaij niet als hier,

alwaar ze echter zeldzaamer zijn, daar en boven bezitten de Kamschatters

de gemeene marter niet[125], nog de grijsachtige, nog de americaansche

rotten genaamt _rissei_, welke de Koriaken bij ruiling van de

Tchouktchis, hunne nabuuren, verkrijgen, en die zij naar Ingiga met

hunne rendierenvellen brengen; deeze worden daar ruw en zeer goedkoop

verkogt, zij worden vervolgens bereid en bewerkt op eene wijze, die des

te behaagelijker is, dewijl de arbeidzaame naarstigheid der werklieden

geen gebruik maakt van de gereedschappen, welke door de Europeesche

schranderheid zijn uitgedagt; de fijnheid en de fraaijheid van hun werk

behoeft alleen voor de sterkte te wijken, men ziet uit derzelver handen,

handschoenen, en volmaakt vervaardigde koussen te voorschijn komen, het

stiksel en het borduurzel is van rendierenhair, van zijde of goud en

zou aan onze bekwaamste handschoenmaakers tot eer verstrekken.

[125] De Russen noemen deeze soort van marter _kounits_.

Dog het word tijd om van de gewoontens der Koriaken melding te maaken,

ik heb de beschrijving daar van alleen tot op heden uitgesteld, ten

einde des te breedvoeriger daar omtrent te kunnen weezen. Bij de

verkreegen aantekeningen op mijn togt in hunne verschillende Ostrogs,

heb ik nog meer naauwkeuriger waarneemingen willen voegen, steunende op

geloofwaardige verhaalen; hier in en in mijne gesprekken met den Heer

Gaguen en eenige anderen der voornaamste Inwoonders heb ik gezogt de

nodige inlichtingen omtrent dit onderwerp te bekomen, dog de man, die

mij daarin van het meeste nut is geweest, was een Koriak, dien ik eerst

en voor al moet leeren kennen.

Bijzonderheden omtrent een Koriaksch Prins genaamt Bumiavin.

Ik had hem al aanstonds te Kaminoi ontmoet; verwonderd over de

beleeftheden, die de Heer Schmaleff hem bewees, was ik begeerig om den

rang en den staat van deezen persoon te verneemen; men zeide mij, dat

hij een _zassédatel_ of rechter van Ingiga was, die ons te gemoet was

gekomen, om ons zijn dienst aantebieden; de gemaklijkheid, waar mede hij

het Russisch sprak en de juistheid van zijn oordeel bekoorde mij; ik zou

hem voor een Rus gehouden hebben, indien hij niet op het zelfde

oogenblik zijn moedertaal gesproken had; als toen vernam ik, dat hij een

Koriaksch prins, genaamt _Bumiavin_, en een broeder van een der hoofden

van zwervende Koriaken was.

Mijne nieuwsgierigheid deed mij hem verscheide vraagen doen, hij

beantwoorde dezelve met zo veel fijnheid en verstand, als ik nog onder

geen zijner landsgenooten was gewaar geworden; het gemak van met hem

zonder behulp van een tolk te kunnen spreeken, deed mij zijn omgang des

te meer op prijs stellen, en zo lang ik te Kaminoi bleef, was dezelve

voor mij een bron van vermaak en onderwijs; onder de verscheidene

onderwerpen, die wij behandelden, was het voornaamste dat van den

Godsdienst; even goed in dien van de Russen onderweezen, als in dien van

de Koriaken, beleed hij inderdaad geen van beiden; hij scheen echter

geneigd om zich te doen doopen, zo dra hij meer omtrent zekere punten,

welke hij niet begreep, zou ingeligt zijn; vervuld van bewondering over

de verhevenheid der voorschriften van het Evangelie, en over de eerbied

verwekkende pracht van den uiterlijken dienst, erkende hij, dat niets

meer geschikt was om hem het verlangen inteboezemen van het Christendom

te omhelzen; dog de strenge vorderingen van eenige onzer Godsdienstige

oeffeningen[126], de onzekerheid van eene hemelsche gelukzaligheid, en

boven al het denkbeeld van een God, die de eeuwige straffen bedreigt,

vervulden hem met schrik en twijffelmoedigheid; de Godsdienst van zijn

land, zeide hij, verschafte onder alle haare droomerijen, en alle haare

ongerijmdheden, ten minste meer hoop dan vrees; deeze kondigde hem geen

straffen aan dan in deeze waereld, en beloofde hem belooningen in de

andere, de booze geest kon hem niet langer dan geduurende zijn leeven

pijnigen, het geluk wachtte hem bij zijn dood; door alle deeze

bedenkingen geslingerd, was zijn geest in eene geduurige twijffeling en

radeloosheid, hij durfde het geloof zijner vaderen niet verlaaten nog

zig daar aan houden, hij wierd 'er schaamrood over, en ter gelijker tijd

liefkoosde hij de dwaalingen daar van.

[126] Hij was voornamelijk afgeschrikt door de vasten, die men weet,

dat bij de Grieksche kerk zeer gestreng en meenigvuldig zijn.

De bevalligheid, waar mede hij zijn besluiteloosheid erkende, was voor

mij te belangrijker, dewijl ik in zijne redeneeringen en in zijn hart

een trap van ongemeene deugd en bijzonder de liefde tot de waarheid

ontdekte. Om deeze besluitloozen geest te bepaalen, zou men hebben

moeten beginnen om hem de vooroordeelen, die zijn verstand benevelden,

te ontneemen, welke derzelver oorsprong genomen hadden in de verkeerde

begrippen, die hem gegeeven waaren. Een ander zou mogelijk ondernomen

hebben van die te willen wegneemen; ik wierd daar in wederhouden door de

vrees van mijne pogingen vrugteloos te besteeden, dewijl ik maar weinig

tijds met hem kon doorbrengen, zo te Kaminoi als te Ingiga, alwaar hij

een dag na mij aankwam, gelijk hij mij beloofd had. Hij bewees mij daar

de grootste diensten door zijne oplettenheid om mij alle de

ophelderingen over zijn land te bezorgen, die ik maar verlangde, en om

mijne verlangens en behoeftens tot het vervolgen van mijne reis

voortekomen.

Uitgestrektheid van het land der Koriaken.

Tusschen de Koriaken, welke eene vaste woonplaats hebben en die welke

zwervende zijn, bestaat in veele opzichten eene groote gelijkheid. De

geringe vereeniging, ik zal meer zeggen, de tweespalt, die onder hun

heerscht, schijnt daar om te vreemder; men zou zeggen, dat het twee

verschillende volken waaren, door onmeetelijke scheidpaalen van den

anderen verwijderd; zij hebben echter het zelve vaderland, dit beslaat

eene groote uitgestrektheid, ten zuiden bepaald door het schier-eiland

van Kamschatka en door de golf van Pengina, ten oosten door het land der

Oluteriers, ten noorden door dat der Tchouktchis, en ten westen door de

Toungousen, de Lamouten, en de Yakonten.

Bevolking.

Men verzekert, dat voortijds deeze streek uitermaate sterk bevolkt was,

dog dat de kinderziekte aldaar een groote slagting heeft aangericht; ik

twijffel echter, of dezelve meer inwoonders weggerukt heeft dan

derzelver menigvuldige geschillen met de Russen en hunne andere

nabuuren; het getal der Koriaken, die een vaste woonplaats hebben, is

thans niet boven de negen honderd; en hoewel het bijna onmogelijk is, om

juist de bevolking der zwervende te bepaalen, meent men echter, dat zij

het getal der andere Koriaken niet te boven gaan.

Zeden der Koriaken, die eene vaste woonplaats hebben.

De zeden van deeze zijn niet minder dan achtenswaardig, het is niet

anders dan een mengzel van dubbelhartigheid, wantrouwen en gierigheid;

zij bezitten alle de ondeugden der volken uit het noorden van Asia,

zonder iets van derzelver deugden; dieven van aart, zijn zij

achterdogtig, wreed, en kennen nog de goedwilligheid nog het medelijden.

Om van hun den minsten dienst te verkrijgen, moet men 'er hun eerst de

belooning daar van laaten zien[127]; men kan dezelven niet dan door

geschenken bewegen en doen handelen.

[127] Ik moet erkennen, dat ik geen reden heb van mij zo veel over de

zwervende Koriaken te beklaagen. In het algemeen heb ik hen veel

openhartiger en gedienstiger gevonden; en ik zal 'er welhaast de

bewijzen van kunnen opgeeven.

Met deezen trouwloozen en beestachtigen inborst moet het hun niet

gemaklijk vallen, om in vrede te leeven, nog om duurzaame verbintenissen

met derzelver nabuuren aantegaan. Uit deezen geest van ongezelligheid

moest de afkeer voor eene vreemde heerschappij gebooren worden, van daar

hunne geduurige opstanden tegen de Russen, hunne afschuwelijke

roverijen, hunne dagelijksche stroperijen bij de volken, die hun

omringen; van daar de wederzijdsche wraakoeffeningen, die telkens

wederom opwellen.

Onverzettelijke kloekmoedigheid van alle de Koriaken.

Deeze geduurige oorlog voed en onderhoud den woesten aart in alle de

harten; de gewoonte van zich te verdedigen en aantevallen bezorgde hun

die onverzettelijke kloekmoedigheid, welke de gevegten vereeuwigt en een

roem stelt in de verachting van het leven. Het bijgeloof werkte mede, om

in hunne oogen dien bloeddorst te veredelen, met hun de wet opteleggen

van te sterven of te dooden. Hoe ernstiger de zaak is, die hun de

wapenen doet opneemen, hoe gretiger zij na den dood haaken; de

dapperheid, het aantal hunner tegenstanders heeft niets schrikbaarends

voor hun, dan is het, dat zij zweeren _de zon niet meer te zullen

aanschouwen_; zij vervullen deezen schrikkelijken eed met hunne vrouwen

en kinderen te vermoorden, met alles te verbranden, wat zij bezitten, en

met zich vervolgens woedende in het midden der vijanden te werpen; het

gevegt eindigt niet dan met de geheele verwoesting van een der twee

partijen, men ziet de overwonnenen hun heil in de vlucht niet zoeken, de

eer verbied zulks aan de Koriaken, geen een wil de slagting zijner

landsgenooten overleeven.

Levenswijze der Koriaken, die een vaste woonplaats hebben.

Tot heden toe heeft de nabuurschap der Russen geen de minste verandering

gemaakt in de levenswijze der Koriaken, welke eene vaste verblijfplaats

hebben; de band des Koophandels, die hun meer en meer met deeze

vreemdelingen bekend maakt, heeft op hun geen andere uitwerking gehad,

dan de bekooring tot rijkdom en tot roof in hun te ontsteeken;

onverschillig omtrent de voordeelen van een meer geregeld leeven,

schijnen zij de beschaafdheid van zich afteweeren, en hunne zeden en

gebruiken als de bestmogelijke te beschouwen[128].

Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz. · 第 16 / 31 段