derzelver reisgoed, en mat het agterste naar het bosch geplaatst, waar
van ik gesprooken heb; ze bestond in een twaalftal van tenten, geschikt
op eene linie langs de rivier; deeze tenten zijn van een vierkante
gedaante, van rendierenvellen gemaakt en met riemen aan stokken
opgehangen, die aan de vier hoeken gesteld zijn. Bundels met speeren, en
in de sneeuw gestokene pijlen voor iedere tent schijnen den ingang van
dezelve te verdedigen[117]; deeze is zeer laag en sluit zo digt dat 'er
niets uit vervliegen kan; men word daar binnen eene groote hette
gewaar, de rendierenvellen, welke de wanden en het bedekzel der tent
uitmaaken, zijn ondoordringbaar voor de lucht, en altoos is het hair
naar binnen geplaatst; derzelver bedden gelijken veel na die der
Kamschatters, wanneer die eene rustplaats in het open veld vervaardigen.
Zeer dunne takjes worden op de wijze als stof over de sneeuw verspreid,
vervolgens legt men daar andere rendieren vellen over heen, en hier op
is het, dat zich een geheel gezin nederlegt zonder onderscheid van
jaaren of sexe, de ruimte is zo eng, dat men niet kan begrijpen, hoe al
dat volk daar op nestelen kan; hier uit ontstaat eene onverdraagelijke
stank en morsigheid; het is genoeg te zeggen, dat zij zonder afkeer
hunne spijzen en dranken bij de vuilste dingen kunnen zien, want daar
zijn geen uitdrukkingen te vinden om de maat van hunne zorgeloosheid te
beschrijven.
[117] Het is aan de vrees van des nagts door de Koriaken te zullen
overvallen worden, dat men deeze voorzorg moet toeschrijven.
Onder het getal deezer Tchouktchis, het welk omtrent op veertig beliep,
waaren vijftien of zestien vrouwen[118], en bijna zo veele kinderen,
die alle bezig waaren met de toebereiding van de tenten en de spijzen.
Een ieder der voornaamste onder hun heeft knegts tot deszelfs dienst, om
de rendieren te hoeden, en dezelve geduurende den nagt tegen de wolven
te beschermen, die op deeze kusten in overvloed gevonden worden.
[118] De veelwijverij is bij dit volk in gebruik; men zou ook kunnen
zeggen, dat het daar aan de vrouwen geoorloft is meer dan een man te
hebben, want men geeft voor, dat zij tot die volkeren behooren, welke
de beleeftheid omtrent hunne gasten zo ver uitstrekken, van aan deezen
derzelver vrouwen of dogters aftestaan: het zou hun een hoon aangedaan
zijn, wanneer men die weigerde. Ik kan echter voor de waarheid van dit
bericht niet instaan.
Kleeding der Tchouktchische vrouwen.
De kleeding der vrouwen is allerzonderlingst, ze bestaat in een enkeld
rendierenvel, het geen aan den hals begint, alwaar het zelve van agter
en vooren evenwijd open is, en als een wijde broek tot onder de knie
afhangt, dit kleed word aan de opening van den hals doorgehaald, de
eenigste manier van 'er zich van te ontdoen is, dat men de knoopen, die
het zelve onder de kin ophouden, losmaakt, en aanstonds valt het in één
stuk op den grond en de vrouw is naakt, men kan begrijpen, hoe
ongemaklijk het is uit hoofde van de geduurige noodzaaklijkheid, om 'er
zich geheel van te ontdoen; wanneer zij reizen, draagen zij een
_Kouklanki_ op den rug, welke zij over haar gewoon kleed aantrekken;
laarzen van rendieren pooten zijn haar eenigste schoeizel; derzelver
hair is donker zwart, somtijds strikken zij het in bossen agter het
hoofd op, dog gewoonlijk dragen zij het op het voorhoofd gescheiden,
wanneer het met lange vlechten over zij afhangt; haare ooren en hals
zijn met vercierzelen van Koraalen in allerhande couleuren belaaden, en
als ze koud zijn, verstrekt hun de kap van het parque voor een
hoofddekzel.
Gelaatstrekken.
Het geheel des gelaats heeft niets bevalligs, de trekken daar van zijn
grof, over het algemeen echter hebben ze geene platte neuzen, nog
getrokkene oogen, gelijk de Kamschatsche vrouwen, zij gelijken haar daar
in minder dan de Koriaksche; haare gestalte is ook grooter, dog gantsch
niet zwierig; de belemmerende dikte en wijdte van de kleeding geeven
haar geen vlug aanzien; des niettegenstaande zijn zij met het zwaarste
werk belast, als het vuur aantemaaken, hout te draagen, water te haalen,
en al het geen zij verder voor haare huishouding noodig hebben.
Voornamelijk zijn het de oude vrouwen, die zich met deeze zaaken moeten
moeijen.
De trekken der mannen scheenen mij regelmaatiger toe, ze hebben niets
van het Asiatische, derzelver couleur is, even als die der vrouwen, zeer
bruin, en hunne kleeding, sleeden, en alle derzelver gewoontens zijn
volmaakt gelijk aan die der zwervende Koriaken. Ik zal hun ter gelijker
tijd met deeze nader leeren kennen.
Reizen, en Koophandel der Tchouktchis te Ingiga.
Deeze Tchouktchis doen tegenswoordig ieder jaar een reis naar Ingiga,
zij vertrekken uit hun land met het begin van den herfst, en komen niet
in deeze stad voor in de eerste dagen van Maart; naauwlijks hebben ze
hunne zaaken verricht, waar toe hun eenige dagen voldoende zijn, of zij
begeeven zich weder op reis, ten einde nog van het gemak der sleedevaart
gebruik te kunnen maaken; echter is het zeldzaam, dat zij voor het einde
van Junij t'huis kunnen zijn.
De Koopmanschappen, die zij derwaarts brengen, bestaan in parquen van
marter en vossevellen, en tanden van zee-paarden, die een fraaij ijvoor
uitleveren; zij neemen in ruiling ketels, tabak, speeren, snaphaanen,
messen en ander yzerwerk; nog weinig gewoon aan den snaphaan, bedienen
zij 'er zich ook zelden van, dog daar en tegen zijn zij zeer handig in
het afschieten van een pijl, en in het werpen van een lans; ook zijn dit
hunne voornaamste wapenen.
1788. _Maart_ Den 29.
Even als alle de Noordsche volkeren, zijn zij uitermaate geneigd tot de
dronkenschap, ze zijn zodanige liefhebbers van brandewijn, dat, zo dra
men hun daar van gegeeven heeft, men ook verplicht is hun zo lang
inteschenken, tot dat ze geheel dronken zijn; zonder dat zouden zij zich
beledigt achten, misschien zouden zij zelfs tot bedreigingen en tot
geweld overgaan om zich dezelve te verschaffen. Even zulke sterke
tabakrookers als de Koriaken, hebben zij ook diergelijke pijpen en de
eige manier van rooken.
Ik verlaat deeze Tchouktchis.
Mij niet langer willende ophouden, ging ik met het aanbreken van den dag
van deeze Tchouktchis in derzelver tenten afscheid neemen, dog de stank
en de hette deed 'er mij spoedig uitgaan. Ons scheiden was allertederst,
zij omhelsden mij beurtelings en overlaaden mij met beleeftheden; men
begrijpt, dat ik bij dit afscheid ook niet agterlijk bleef in
plichtpleegingen, en waarlijk ik kan het onthaal van dit herbergzaame
volk niet genoeg roemen.
Ik vertrok tijdig genoeg om in deezen dag bij de dertig wersten
afteleggen; ter halver weg vond ik op den oever van de zee twee balagans
en eene yourte, bewoond door een Koriaksch geslacht; één uur daar na
bereikte ik het Ostrog van Pareiné.
Beschrijving van Pareiné.
Hoe zeer dit minder groot is als Kaminoi, was het echter veel meer
bevolkt, deszelfs legging scheen mij toe zeer gemaklijk te weezen, het
legt aan de rivier, waar van het den naam draagt, omtrent drie wersten
van deszelfs uitwatering in de zee van Pengina, die op deeze hoogte een
zo naauwe golf formeert, dat men met schoon weêr van den eenen oever tot
den anderen kan zien.
Verhaal van een vrouw van Ingiga.
Het eerste mensch, dat ik in dit dorp ontmoete, was eene oude mestische
vrouw, wier bedroefde houding mij trof; ik zogt haar aantespreeken, het
zij dat ik door medelijden of door nieuwsgierigheid gedreven wierd;
mijne vraagen over de oorzaak van haare droefheid deeden haar een
geweldigen schreeuw geeven, en zij antwoorde alleen met haare traanen;
eindelijk verkreeg ik door onophoudelijk aanzoek en tekens van
belangneeming het verhaal van haare rampen.
1788. _Maart_ Den 29. Te Pareiné.
Het was bijna veertien dagen geleden, dat zij, benevens haar man, haar
zoon en verscheidene van hunne vrienden van Ingiga vertrokken waaren, om
te Pareiné hunne naastbestaanden te gaan bezoeken; onder weg overvallen
door een van die schrikkelijke orcaanen, welkers droevige uitwerkzels ik
meer dan twintigmaal vreesde te zullen ondervinden, waaren deeze
reizigers verdwaald geraakt en de een van den anderen gescheiden; de
vader en de zoon waaren op dezelfde slêe gezeten; na lang gezworven te
hebben, om een schuilplaats of eenig punt van hereeniging te zoeken,
waaren zij geheel afgedwaald; men had alle moeite van de waereld om hun
te ontdekken, men vond hen eerst na twee dagen in de sneeuw bedolven en
van koude gestorven, derzelver geheele lighaam was bevroozen, de houding
toonde duidelijk aan, dat deeze twee ongelukkigen, geen krachten meer
overhebbende om voort te komen, zich ter verwarming den een om den
ander gestrengeld hadden, en dat zij in elkanders armen dood gevonden
waaren, de vrouw gelukkiger dan haar man had een schuilplaats bereikt
aan den oever van eene rivier, omtrent vijftien wersten van Pareiné,
alwaar zij en haare reisgenooten eindelijk uitgeput van krachten en ten
uitersten bedroefd aangekomen waaren. Zij voegde 'er bij, dat zij allen
geduurende deezen storm nog hemel nog aarde konden onderscheiden; de
sneeuw in de lucht bevroozen verdikte zich in het vallen, en scheen een
regen van brokken ys; hunne kleederen waaren daar van zodanig
doortrokken, dat ze dezelve niet meer gebruiken konden. Dog het geen de
droefheid van deeze vrouw vermeerderde, was van zich buiten staat te
zien om in haar land te rug te keeren, niemand scheen hier geneigt om
haar daar toe de middelen te verschaffen, die zij niet ophield van te
verzoeken, dog altoos te vergeefs. Op deeze woorden stroomde een vloed
van traanen over haare wangen. Ik wist niet hoe haar te vertroosten, ik
zeide haar alles wat mij het mededogen opgaf, dog dewijl ik van geen de
minste hulp kon zijn, verliet ik haar met het leedweezen van geen andere
hulp toegebragt te hebben, dan alleen het geen een weinig verzagtende
meewarigheid kan te weeg brengen.
Ongerustheid welke mij een Opperhoofd der Koriaken verwekt, die mij wil
aanhouden.
Terwijl ik met haar sprak, waaren de inwooners van Pareiné rontom mij
verzameld; hun Opperhoofd of Prins genaamt _Youltitka_ naderde mij om
mij te verzoeken van den nagt in zijn dorp te blijven; zijn valsch
voorkomen bevestigde al het geen men mij van zijne trouwloosheid
verhaald had, ik deed hem begrijpen, dat ik geen de minste genegenheid
had om mij optehouden; op mijne weigering stelde hij mij de
onmogelijkheid voor van mij honden en levensmiddelen voor den volgenden
morgen te kunnen bezorgen; de redenen, die hij deswegens gaf, kondigden
opentlijk zijn onwil aan[119], ik meende daar zelfs gevaarlijke
voorneemens in te ontdekken. Daar ik besloten had om tot wat prijs ook
hem niet te wille te zijn, antwoorde ik, dat ik zou moeten ontbeeren,
het geen ik niet verkrijgen kon, dog dat niets mij zou verplichten om te
blijven; hij veinsde mij niet te begrijpen, en wende een nieuwe
hinderpaal voor, ter zelver tijd zag hij mij met een schamperen glimlach
aan, die mij toescheen wantrouwen omtrent mijn vertrek te moeten
inboezemen. Ik gevoelde, dat ik mij met de grootste standvastigheid
moest wapenen, of besluiten om geduldig aan het bevel te gehoorzaamen,
het welk de plicht zou goedvinden mij opteleggen; al de inwoonders van
het dorp waaren daar, ten minsten twee honderd menschen drongen zich op
eene onstuimige wijze rondom mij heen, het zij om mij schrik
aantejaagen, of het zij om mijne verlegenheid te bespieden. In deeze
gevaarlijke omstandigheid bedagt ik om hun in het Russisch
aantespreeken, in de hoop, dat 'er zich onder de menigte misschien
eenigen zouden bevinden, van wie ik mij zou kunnen doen verstaan, en die
minder onhandelbaar zouden weezen als derzelver opperhoofd.
[119] Ik had te meer grond om hem te verdenken, dewijl de aanvang
zijner reden mij de middelen herinnerde, die hij het voorige jaar
gebruikt had, om een matroos optehouden, die door de regeering met
brieven van aanbelang belast was; deeze haast hebbende om zich naar
zijne bestemming te begeeven, stelde zich voor, Pareiné te verlaaten,
wanneer Youltitka hem drong om tot den volgenden morgen met het
vervorderen zijner reis te wachten, de matroos wilde daar aan niet
voldoen, maar op het oogenblik vertrekken, het verschil wierd
heftiger, de woedende Koriak viel op hem aan en zou hem dadelijk
vermoord hebben, indien men hem niet uit zijne handen gerukt had, hij
deed hem boeijen en geduurende drie dagen opsluiten, eindelijk na hem
allerlei kwaade bejegeningen te hebben doen ondergaan, stemde hij in
zijn vertrek, mogelijk in de hoop van zich dus te gemaklijker van hem
op de reis te zullen ontdoen, dog zijn prooij ontsnapte.
Mijne aanspraak was kort maar kragtig. Ik deed mijne hoedanigheid van
vreemdeling, mijn recht op hunne ondersteuning, en voor al de begeerte
gelden, die ik had, om door mijn gedrag ten hunnen opzichte die
belangneeming te verdienen, welke alle hunne landgenooten mij op mijn
reis betoond hadden, van deeze, voegde ik er bij, had ik nooit de hulp,
die ik nodig had behoeven te vorderen; deeze hadden nimmer, om mij
dezelve te verschaffen, de vertooning der bevelen, waar van ik voorzien
was, afgewacht, maar altoos zich bevlijtigd om mijne vraagen
voortekomen.
Op het woord van bevelen zag de een den ander verwonderd aan, naar maate
mijne rede indruk op hun scheen te maaken, verdubbelde ik mijnen iever
en stoutmoedigheid, vervolgens haalde ik eensklaps mijnen vrijgelei
brief voor den dag, en terwijl ik Youltitka met een oog van
verontwaardiging aanzag, liet ik ze hem zien, tevens hun verklaarende,
dat ik op het langst binnen twee uuren meende te vertrekken. Deeze
barsche sluitrede bragt hem van zijn stuk, hij zag, dat hij mij niet
langer te leur kon stellen zonder zich schuldig te maaken; het mandaat
van den Heer Commandant was al te nadruklijk en te gebiedende, dan dat
hij het zelve zou hebben durven wederstreeven; hij nam dan de partij van
te beveelen, dat men aanstonds uit alle de bewaarplaatzen den voorraad
van visch, dien ik verlangde zou verzamelen, mij verzoekende van in
aanmerking te willen neemen de middelmaatigheid van hunnen voorraad,
welke daar door veel zou verminderen; het was alleen daardoor, zeide hij
mij, dat hij getragt had mij eenige zwaarigheden voortehouden, even als
of hij gevreest had dat ik hunne kelders zou uitgeplunderd hebben! Dog
dit was ook maar een uitvlucht, ik was welhaast overtuigd, dat dezelve
overvloedig voorzien waaren.
Echter, het zij dat hij eene vertooning wilde maaken, als of hij zijn
onbeleefd onthaal wilde verbeteren, of mogelijk in het vooruitzicht van
mij des te beter te doen berouwen, dat ik hem uit zijne laatste
verschanssingen verdreven had, verzogt hij mij om in zijne yourte te
wachten, tot dat mijne luiden de nodige toebereidzelen tot mijn vertrek
zouden gereed gemaakt hebben; dit te weigeren zou een overblijfzel van
ongerustheid vertoond hebben, ik wilde hem in tegendeel van mijne
onvertzaagdheid wel overtuigen, daarenboven was het eetenstijd, en in de
hoop van ongevoelig den verrader te zullen winnen, nam ik zijn verzoek
aan, hem tevens aanbiedende van eenen beteren maaltijd te zullen laaten
aanrichten dan hij mij geeven kon, ik volgde hem, met zulk een gerust
gelaat, als of ik mij volmaakt veilig oordeelde. Om echter de waarheid
te zeggen, ik gevoelde mij aangedaan, wanneer ik, om in deeze yourte te
komen, veertig voeten onder de aarde moest afdaalen; de ongemeene diepte
van deeze schuilplaats gaf mij aan de genade van mijn gastheer over,
mijn gevolg kon mij daar nog hooren nog te hulp komen, ik beefde over
mijne onvoorzigtigheid, dog het was geen tijd meer om agter uit te gaan,
ik was wel gewapend, en ik was op mijne hoede om mij in geval van
belediging zo goed mogelijk te verdedigen.
Het eerste, dat Youltitka verrichte, was mij op de plaats van eer
neertezetten, namelijk in dat soort van alcove, het welk geschikt is
voor het hoofd van het geslacht, het zijne was zeer talrijk; bijna
tagtig persoonen bewoonden met hem deeze yourte; al dit volk was op het
gerucht van mijn aankomst naar buiten gekomen, en was daar rondom mijn
gevolg verbleeven, zo dat ik alleen was, om aan drie of vier medgezellen
of naastbestaanden van Youltitka, dewelke mij omringden en onder de
oogen zagen, het hoofd te bieden. Bij hun zelfs overtuigd, dat zij het
Russisch wel verstonden, om reden zij 'er eenige verminkte woorden van
uitspraken, deeden zij mij beurtelings vraagen, waar van de een nog
ongerijmder was als de andere, mijn toestand vorderde beleeftheid, en
ik antwoorde een ieder met zagtheid en naauwkeurigheid. Ik bragt dus
bijna een uur in het midden van deeze onmenschelijke gedaantens door,
die waarlijk geschikt waaren om mij vrees aantejaagen, inzonderheid die
van derzelver opperhoofd[120]. Mijn soldaat kwam niet naar beneden, en
ik begon zeer ongerust te worden, op de beweeging, die ik maakte van
naar buiten te willen gaan, stelden zich deeze Koriaken voor mij, een
hunner nam mij bij den arm om mij weder te doen zitten, terwijl hij mij
vroeg, of ik wilde vluchten; ik toonde goed gelaat, dog ik erken dat
mijn hart toesloot, ik herstelde mij en niettegenstaande de
verlegenheid, welke zij op mijn aangezicht konden leezen, antwoorde ik,
dat ik niet vermeende hun te moeten vreezen. Youltitka zogt mij toen
gerust te stellen, hij zwoer dat hij de grootste achting voor mij had,
en dat ik bij hem in veiligheid was, zijn gehouden gedrag, voegde hij
'er bij, kon hem in mijne oogen verdagt doen voorkomen, dog hij rekende
het zijn plicht om mij omtrent hun andere gedagten te moeten inboezemen.
Trots op zijne benoeming onder de rechters in het gericht van
Ingiga,[121] nam hij zijnen roem te zeer ter harte, om te gedogen, dat
men mij onder zijn oog zou mishandelen.
[120] Men kan zich geen lelijker mensch voorstellen; zwaarlijvig en in
een gedrongen, het aangezicht van de kinderziekte en door verscheiden
lidtekens geschonden, een somber gelaat, zwarte hairen, die zich tot
aan een verschriklijke groote wenkbraauw uitspreidden, onder welke men
één diep ingezonken en wild oog ontdekte, hebbende hij het andere door
toeval verlooren; dit is de naauwkeurige tekening van deezen
Koriakschen vorst.
[121] Die rechtbank word in het Russisch _nijenei-zems-koisond_, of
laag grondgericht genaamd; de rechters, die daar zitting in hebben,
worden beurtelings in de Ostrogs onder de boeren van ieder district
gekozen, de tijd hunner bediening is op drie jaar bepaald, men noemt
deeze rechters _zassédatels_.
Ik kende hem reeds genoeg, om geen geloof aan zijne fraaije betuigingen
te geeven; ik rekende mij gelukkig, dat hij vreesde uittevoeren dat
geen, het welk in zijn vermogen was, en waar toe hij waarschijnlijk wel
genegenheid had. Ik spoede mij dan om uit de yourte te komen, onder
voorwendzel van te gaan zien, waar mijn volk gebleeven was, en om bevel
tot onzen maaltijd te geeven. Ik kon mij van den trouwloozen Koriak nog
niet ontdoen, hij was halstarrig genoeg om mij te willen vergezellen,
terwijl ik bezig was om mijn gevolg bijeentezamelen, ieder woord, dat ik
sprak, scheen hem te ontrusten; dewijl hij het Russisch niet verstond,
vroeg hij aanstonds daar van de betekenis, en hij sloeg alle mijne
gangen met eene bijzondere opmerkzaamheid gade.
Ik vond mijne luiden bezig met de slegte honden, die ze over hadden,
tegens bontwerk en kleedingen van rendieren vellen te verruilen; de
winzucht had hun mijne bevelen doen vergeeten, als mede het gevaar, waar
in ze mij gelaaten hadden, dog ik verborg mijn misnoegen uit hoofde van
de getuigen; ik klom weder in de yourte, gevolgt van Youltitka en van
mijne twee Soldaaten, die aanstonds aan het werk gingen om ons
middagmaal toetebereiden; de vrouwen hielpen ons servies schoon
maaken[122], en langzamerhand met behulp van brandewijn volgde de
vrolijkheid op de vrees en het mistrouwen; wij hielden een zeer lustigen
maaltijd, ik tragte zelfs dikwils om het uitbundig geschater van lagchen
van mijne gasten na te doen, ten einde hun te meer mijn vergenoegen te
betuigen; want de overdreeven betooning van gevoel en gewaarwording is
de eenigste die hun behaagt, de maaltijd gedaan zijnde, zond ik een
mijner Soldaaten, om bevel te geeven, dat men mijne honden zou
voorspannen, welke men reeds gedeeltelijk verruild had, mijn voorraad
was ook opgelaaden, in tien minuuten was ik in staat om van de Koriaken
afscheid te neemen; zij scheenen zeer wel over mij te vreden, ik weet
niet of ze het in der daad waaren. Wat mij betreft, ik was het veel
meer, wanneer ik van hun verlost was, en ik verwijderde mij zo spoedig
mogelijk.
[122] Zij bedienen zich daar toe van geene doeken nog servetten, zij
neemen een stok, en schrapen die af, met dit afschrapzel wrijven en
maaken ze vrij wel het vaatwerk en ander keukengereedschap schoon.
1788. _Maart_ Den 29.
Vertrek van Pareiné.
Het was nog maar twee uuren in den agtermiddag; ik meende van het
overige van den dag gebruik te moeten maaken, om mij schadeloos te
stellen over het gedwongen vertoeven, het welk ik ondervonden had; ik
wilde geen rustplaats houden, voor dat ik vijftien wersten van Pareiné
af was.
1788. _Maart_ Den 30.
Mijn reis geduurende deezen en den volgenden dag leverde mij niets
bijzonders op. Ik trok over verscheide rivieren, geen van deeze was van
belang, en zeer weinige waaren met eenig heestergewas aan deszelfs
oevers bezet; van Pareiné vertrekkende had ik de zee verlaaten, die ik
niet weder kon ontmoeten, dan aan geene zijde van Ingiga, bij gevolg
hadden wij geen toevlucht tot het doode hout, het geen wij somtijds op
den oever vonden, deeze berooving was ons grootste ongemak door de
moeijelijkheid, waar in wij ons onophoudelijk bevonden om telkens ter
ontdekking van het minste heestertje uittezien, en door de vrees van
'er geen te zullen vinden.
Zedert lang leefde ik alleen van rendieren, hoe smakelijk dit vleesch
ook zijn mag, is 'er echter geen, zo ik geloof, dat men zo ligt moede
word; het geen nog erger was, bestond daar in, dat de voorraad, dien ik
daar van opgedaan had, na het einde liep, wij aten 'er maar eens daags
van, onze overige maaltijden bestonden in gedroogde visch en in gekookte
zee-wolven, dus was ik zeer in mijn schik over den gelukkigen vond,
welken ik dien dag van twee patrijzen had, ik doode ze en vermeerderde
daar mijn pot mêe; deeze maaltijd was eene aangenaame verscheidenheid
ten opzichten van de verveelende eenvormigheid van mijn dagelijks
voedzel.
Rustplaats.
Zeer fraaij wêer begunstigde onzen togt, een heldere lucht scheen ons
een frisscher koude aantekondigen, waar na wij ook verlangden, want de
sneeuw was zo week, dat onze honden daarin tot den buik toe inzakten,
ieder onzer was, om hun den weg te baanen, verplicht op raquetten voor
uittegaan; de hoop op een schoonen volgenden dag bemoedigde mijne
geleiders en wij maakten een langen dag; wij hielden niet dan zeer laat
stil op een plaats, die gantsch niet beschut was, daar groeide geen
ander hout dan een soort van klein, laagstammig en geheel bogtig,
hartsachtige ceder. Voor dat ik mij in mijn tent ter rust begaf, wierd
ik geduurende den nagt, aan het uiterste van den gezichteinder, wolken
gewaar, die niet veel goeds aankondigden. Ik was reeds genoeg aan het
climaat gewend, om op de minste verschijnzelen over het te wachtene
weder te kunnen oordeelen, en ik deelde die vermoedens aan mijne
leidslieden mede; dog deeze vermeenden oneindig meerdere kundigheden dan
ik ten dien opzichte te bezitten, zij zeiden mij, dat de zon te fraaij
was ondergegaan om voor slegt weder te vreezen; nimmer hadden zij
volgens hun zeggen zich daaromtrent bedroogen, en ik moest mij geheel op
derzelver ondervinding verlaaten. Bij nadere overweeging was ik blijde
hun in deeze verzekering te zien, dit benam mij de ongerustheid van door
hun genoodzaakt te worden, om den dag ter plaatse, waar wij waaren, te
verblijven, op deeze zouden wij het met den eersten rukwind niet hebben
kunnen houden.
1788. _Maart_ Den 31.
Ik wierd bij het aanbreeken van den dag door een van mijne geleiders
wakker gemaakt; hij kwam op eenen spottenden toon mij aanzetten om te
vertrekken, ten einde van den aanstaanden fraaijen dag gebruik te
maaken; de maan gaf nog haar schijnzel, en de hemel was zonder wolken;
terwijl ik volgens gewoonte mijn ontbijt nam met thée en roggebeschuit,
waar van het overschot door mijn volk bewaard was, die liever 'er zich
zelfs van beroofden, dan dat ik 'er gebrek aan zou hebben, vroegen ze
mij de een na den ander, wat ik van het wêer dagt; ieder schertste daar
mêe om 't zeerst, dog ik hield mijn gezegde staande, hun beweegende om
tot aan den avond te wachten, en als dan te oordeelen, of ik gelijk of
ongelijk gehad had, wanneer ik hen een storm voorspelde.
Ontmoeting van zwervende Koriaken.