Dit Ostrog, drie honderd wersten van Poustaretsk verwijderd, is op eene

hoogte bijna aan den oever van de zee, en aan de mond van de rivier de

Pengina gelegen; het bevat een groot getal balagans en een twaalftal

zeer ruime yourtes, gebouwd in den smaak van die, welke ik reeds

beschreeven heb. Hoe zeer digt bij den anderen geplaatst, beslaan deeze

wooningen een aanmerkelijke plek gronds; de palissaden waar van ze

omringt waaren, zijn met speeren, boogen, pijlen en snaphaanen behangen;

deeze palissaden zijn dikker en hooger dan die der Kamschatsche yourtes.

Onder beschutting van die jammerhartige vestingwerken achten deeze

Koriaken zich onoverwinlijk; het is van daar, dat zij de aanvallen

hunner vijanden afkeeren, onder anderen die der Tchouktchis, hunne

gedugtste nabuuren, zo om derzelver menigte als om derzelver

kloekmoedigheid[110].

[110] Men zeide mij hier, dat dit volk, gewaarschuwt van mijne

aanstaande reis door Ingiga, waarschijnlijk mij te gemoet zou komen,

al was het maar alleen uit nieuwsgierigheid.

De bevolking te Kaminoi beliep als toen weinig meer dan drie honderd

menschen, zo mannen, vrouwen als kinderen. Ik zal nog niets van

derzelver zeden vermelden, ik verschuif alle bijzonderheden over dit

onderwerp tot op mijn komst te Ingiga, alwaar ik binnen weinig dagen

hoop aantekomen.

Aanmerkingen over eenige baidars.

Ik zag nog voor mijn vertrek een twintigtal baidars of booten van

verschillende grootte. Dezelve geleeken na die, waar van ik voor mijn

vertrek van Khaluli gesprooken heb[111]. Alleen scheen derzelver maakzel

vrij beeter, en haare ligtheid meer geschikt, voor de scheepvaart.

Derzelver ongemeene breedte behaagde mij ook zeer, verscheiden van deeze

baidars konden vijf en twintig a dertig persoonen bevatten.

[111] Ziet het eerste deel _Bladz._ 188.

De Heer Schmaleff is genoodzaakt mij te verlaaten.

Zedert onze aankomst had de Heer Schmaleff reeds voorzien, dat het hem

niet gemaklijk zou vallen om met mij dit dorp te verlaaten; dagelijks

van den morgen tot den avond door alle de Soldaaten van het detachement

overvallen, die hem hunnen hooggaanden nood kwamen voorstellen, rekende

hij het van zijn plicht, om dezelve niet te verlaaten, maar om van alle

de hulpmiddelen, welke zijn post en eene volmaakte kennis van het land

hem aan de hand gaven, ter hunner ondersteuning gebruik te maaken. Hoe

zeer hij even ongeduldig was als ik om zich naar Ingiga te begeeven,

alwaar zijn broeder hem zedert lang wachtte, besloot hij echter om mij

alleen te laaten vertrekken.

Hij geeft mij eenen Soldaat genaamt Yegor Golikoff.

Hij gaf mij daar van met moeite kennis, en drong mij om een vertrouwd

soldaat genaamt _Yégor-Golikoff_ mede te nemen; dit was, zeide hij mij,

een wezentlijk geschenk, het geen hij mij meende te doen, en men zal in

het vervolg zien, dat hij de waarheid gesproken had.[112]

[112] Mijn geleide bestond dus uit vier mannen, te weeten, Golikoff,

den soldaat, dien ik van Poustaretsk mêe gebragt had, en twee anderen

uit het detachement van Ingiga gekoozen om mij tot wegwijzers te

dienen, dog ik meende daar en boven een Koriakschen leidsman te moeten

neemen, in dat vertrouwen, dat hij beter den weg zou kennen.

Een dusdanig vriendlijk gedrag vermeerderde mijn leedweezen, zo spoedig

genoodzaakt te zijn, om dien waardigen en braaven Officier te verlaaten;

mijne erkentenis omtrent hem wenschte hier te kunnen herhaalen, het geen

de Engelschen van zijn menschlievendheid en beleeftheid vermeld hebben,

dog ik laat voor den Heer Graaf de la Pérouse het vermaak over, om de

schuld van allen, die tot onzen togt behoorden, te vereffenen, aan welke

de Heer Schmaleff geduurende hun verblijf te St. Pieter & Paulus zich

bevlijtigd had alle diensten te bewijzen, die in zijn vermogen waaren.

1788. _Maart_ Den 26. Vertrek van Kaminoi.

Vertrek van Chestokova.

Ik vertrok den 26. des morgens ten agt uuren van Kaminoi, met vrij goed

weer[113]; vijftien wersten verder vond ik dezelfde keten van bergen,

die ik aan den anderen kant van dat dorp ontmoet had, ik trok ze op

nieuw over, vervolgens een rivier, genaamt _Chestokova_ na een Russisch

onder-officier, die aldaar aan het hoofd van een detachement van vijftig

Kosakken gedood wierd, derwaards gezonden om eenige oproerige Koriaken

in toom te houden; deeze verrasten hem, onder begunstiging van den nagt,

aan den oever van deeze rivier, en lieten 'er geen een van ontkomen,

alle de Russen wierden vermoord. Ik hield ter zelfder plaatse stil.

[113] De schaarschheid van honden te Kaminoi, en de slegte staat van

de mijne, had den Heer Schmaleff doen besluiten, om mij die van het

detachement te geeven.

Stormwind.

Ik ontwaakte door een allerhevigsten storm, draaijkringen van sneeuw

verduisterden de lucht, naauwlijks kon men onderscheiden of het dag

was; niettegenstaande deezen ijsselijken orcaan besloot ik mij weder op

weg te begeeven, dog ik kon mijne leidslieden maar niet beweegen om het

te beproeven, zij weigerden de plaats te verlaaten, uit vreeze van te

verdwaalen, en van andere gevaaren te loopen door een zo slegt weder.

1788. _Maart_ Den 27.

Aankomst van zeven Tchouktchis.

Daar mij alles tegenliep, begaf ik mij vrij misnoegd in mijn tent; des

middags wierd ik aangenaam verrast door de aankomst van zeven

Tchouktchis, zij waaren op sleeden gezeten, gelijk aan die van de

zwervende Koriaken, en insgelijks door rendieren voortgetrokken. Ik

ontfing dezelve onder mijn tent en verzogt hun daar te blijven, tot dat

de bui over was, ik kon hen niets aangenaamers voorstellen, na ik uit

het vergenoegd gelaat, het geen mijn aanbod op alle de aangezichten

verspreide, moest oordeelen.

Gesprek met hun Opperhoofd.

Onder deeze Tchouktchis bevond zich het hoofd van de horde of bende,

genaamt _Tummé_; hij nam aanstonds het woord om mij te betuigen, hoe

gevoelig zij waaren over mijn vriendelijk onthaal, hij verzekerde mij,

dat zedert ze van mij hadden hooren spreeken, hun grootste verlangen

daar in bestaan had om mij te leeren kennen, dat hun eenigste vrees

geweest was, dat ze mij niet zouden ontmoeten, dat zij nimmer mijne

gedaante nog mijne beleeftheden zouden vergeeten, en dat zij daar van

een naauwkeurig verslag aan hunne landsgenooten zouden doen; uitvoerige

dankzeggingen waaren mijne antwoorden, door dewelke ik hun deed

begrijpen, dat men mij van hunne begeerte om mij te zien reeds

verwittigd had, en dat ik niet minder dan zij naar deeze bijeenkomst had

verlangd.

Als toen wierd het gesprek algemeener; het zelve liep over verscbeide

onderwerpen, voornamentlijk over hun en mijn vaderland; mijne

nieuwsgierigheid evenaarde de hunne, het was over en weer een geduurig

vraagen. Wanneer ik hen verhaalde, dat ik om wederom in Frankrijk te

komen, de stad, welke derzelver Souvereine bewoonde, moest doortrekken,

verzogten ze mij om aan Haar van hun een getrouw verslag te doen, en aan

haaren Throon het getuigenis afteleggen van hunnen eerbied en

gehoorzaamheid; zij voegden daar bij, dat zij zich tegenswoordig des te

gelukkiger achten, om schattingschuldigen van Rusland te zijn, dewijl

zij in hunnen handel met de Russen dagelijks van derzelver kant de

grootste gerieflijkheid en blijken van genegenheid, welke hun zeer

aangenaam waaren, ondervonden; zij waaren voornamentlijk zeer te vreden

over den Heer Gaguen, bevelhebber van Ingiga.

Het jammerde hun uit hoofde van deeze goede behandeling, van niet in de

gelegenheid te zijn, om met de Russen meerdere betrekkingen te

onderhouden; het geschiktste middel, zeiden ze, om alle de

moeijelijkheden te vereffenen, zou zijn, dat deeze wederom eene nieuwe

volkplanting op de rivier Anadir kwamen stichten, zij beloofden, dat ze

voortaan, verre van ze te verontrusten, zouden trachten om dezelve door

alle betooningen van vriendschap de onrechtvaardigheid van hun gehouden

gedrag te doen vergeeten; dit had zijn oorsprong genomen uit eene

dwaaling, die hun met de Koriaken gemeen was; zij verbeelden zich

eertijds, dat het geheele Russische volk bestond in dat klein getal

persoonen, die zich onverschrokken op hunnen grond en in hunne

nabuurschap kwamen neerzetten; door een vrij natuurlijk gevoel van

naiever zagen deeze volkeren in die Emigranten, wier vernuft en

arbeidzaamheid hun verdagt voorkwamen, zo veele vijanden; zij meenden

het hun dringendst belang te zijn om 'er zich van te ontdoen, overtuigd

dat, met dezelve uitteroeijen, zij daar van het geheele geslacht

vernietigden.

De Tchouktchis erkenden, dat zij hunne dooling en ongelijk ontwaar

waaren geworden, zo dra ze de Russen hadden leeren kennen. Te vergeefsch

zou men hun thans tot een opstand aanzetten, zij waaren integendeel

geneigd om de geheime oproerige laagen van een Prins of Opperhoofd der

Tchouktchis, die een vaste woonplaats hadden, genaamt _Khérourgui_, te

veriedelen, het zij door zijn gezag intebinden, of zelfs met hem aan de

Russen overteleveren.

Niet kunnende bevatten, in welk gedeelte van de waereld ik gebooren was,

vroegen ze mij of mijn vaderland niet aan de andere zijde van de groote

rivier gelegen was; om hun te kunnen antwoorden, wilde ik eerst weten,

wat zij daar door verstonden; ziet hier het zelve: zij verbeelden zich,

dat aan geene kant van Rusland, waar van zij naauwlijks een denkbeeld

hebben, een zeer groote Rivier is, die het van een ander land, dat door

verscheide volken bewoond word, afscheid.

Het was niet gemaklijk hun hier omtrent intelichten, ik sprak een wijle

tijds tot hun, zonder dat zij een woord van mijne aardrijkskundige

verhandeling begreepen; zij hadden geen het minste juiste denkbeeld nog

van de uitgestrektheid nog van het getal der landen, het was hun niet

minder moeijelijk om eenig begrip te vormen van de sterkte of rijkdom

van een staat, en van de magt van een Souverein. Nimmer hadden zij zelfs

getragt om al het zelve van Rusland na te gaan; om hen daar van

duidelijk te doen oordeelen, was ik verplicht hun den overvloed van de

voortbrengzelen, van de geldspecien en van de bevolking van dat rijk

optehelderen, door eene vergelijking, genomen van de meenigte der dieren

waar op ze jagt maaken, en van de hoeveelheid visch, die ze jaarlijks

vangen, zonder dat hunne rivieren daar door uitgeput worden. Deeze

ophelderingen, hun zo na mij mogelijk was aan het verstand gebragt,

behaagden hun ongemeen; ik bediende mij van dezelve leerwijze om hen de

uitgestrektheid te leeren bevatten; de ruimte van mijne tent gebruikte

ik het eerst tot mijne betoogingen, vervolgens nam ik een vel papier, en

maakte daar een Geographische kaart van, ten einde hun ten naasten bij

de gelegenheid en den afstand van Rusland en Frankrijk, in betrekking

van hun land, aanteduiden.

Het was niet zonder moeite, dat ik mij deed begrijpen. Ik achte mij daar

voor wel beloond, door den aandagt en het belang, waar mede zij mij

hoorden. Over het algemeen was ik verwonderd over derzelver sterkte van

geest, en over de begeerte die zij toonden om onderricht te verkrijgen.

Daar in boven hunne nabuuren de Koriaken verheven, schijnen ze ook meer

het geen ze spreeken, zien en hooren, te overweegen; deeze twee volkeren

hebben bijna dezelfde taal; het eenigste onderscheid, dat ik in de wijze

van spreeken der Tchouktchis bemerkte, bestaat daar in dat zij de

laatste letters der woorden uitrekken, en dat derzelver uitspraak veel

zagter en langzaamer is, dan die der Koriaken; met behulp van mijn

wegwijzer, die mij voor tolk diende, hield ik zeer wel het gesprek aan

den gang.

Mijne oplettenheid in het bezichtigen hunner kleeding wekte in hun de

begeerte op om insgelijks Fransche te kennen[114], en ik liet mijn

monteering uit de mantelzak haalen; op deszelfs gezicht was de

verwondering op elks gelaat verspreid, ieder wilde ze eerst betasten, en

elk vergaste zich op deszelfs zonderlingheid en fraaijheid. Mijne

knoopen met het Fransche wapenschild trokken boven al derzelver

aandacht; ik moest op nieuw alle mijne scherpzinnigheid te werk stellen,

om hun op eene bevatbaare wijze te doen begrijpen, wat dit graveersel

verbeelde, en waartoe zulks diende; zij lieten mij niet uitspreeken, zij

sprongen over mijne knoopen, en verzogten mij zonder ophouden van 'er

hun allen eenige van te geeven, ik stemde daar in toe op de beloften,

die zij mij deeden, van dezelve met groote zorgvuldigheid te zullen gade

staan. Hun oogmerk met ze te bewaaren, was om daar van een

herkenningsteken te maaken, het geen zij aan allen, die op hunne kusten

mogten aanlanden, zouden laaten zien, in de hoop, dat 'er eindelijk

mogelijk de een of andere Franschman zou aankomen.

[114] De leezer zal zich herinneren, dat ik als toen in eene

Kamschatsche kleeding was.

Hunne landsgenooten hadden wel voor eenige jaaren Engelschen gezien:

"Waarom, zeiden zij, zouden de Franschen ons ook niet komen bezoeken?

zij konden verzekert zijn van door ons met vreugde en hartelijke

vriendschap te zullen ontfangen worden". Ik bedankte hun voor derzelver

vriendelijke genegenheid, dog ik verborg voor hun niet, dat onze

afgelegenheid een hinderpaal was om dikwils van hunnen goeden wil de

proef te neemen, ik beloofde hun echter, dat ik bij mijn komst in mijn

Vaderland daar van een getrouw getuigenis zou afleggen.

Na hun zo veel mogelijk op tabak onthaald te hebben, dewijl ik met niets

hen meer vermaak kon aandoen, scheiden wij de beste vrienden des

waerelds; zij zeiden mij in het heengaan, dat ik misschien spoedig hunne

goederen en vrouwen zou ontmoeten, die ze agter gelaaten hadden, ten

einde meer spoed te kunnen maaken.

Weinig tijds na het vertrek van deeze Tchouktchis stilde de wind, en ik

begaf mij op weg.

1788. _Maart_ Den 28.

Des anderendaags, op het oogenblik, wanneer ik dagt stil te houden bij

een bosch, alwaar ik een gemaklijke rustplaats ontdekt had, wierd ik

verder voor mij uit eene talrijke kudde van rendieren gewaar, die op de

kruin van een berg in vrijheid liepen weiden; wanneer ik met

oplettenheid derwaarts zag, onderscheide ik eenige manspersoonen, die ze

scheenen te bewaaken. Ik wist in het eerst niet, of ik dezelve moest

vermijden dan mij bij hun voegen, dog de nieuwsgierigheid haalde het

over, en ik trok voort om hun van nader bij te zien.

Ontmoeting van het gevolg deezer Tchouktchis.

Men zou gezegt hebben, dat ik het bosch langs trekkende hun spoedig zou

bereiken. Ik twijffelde echter niet, dat wanneer ik aan het einde kwam,

ik nog van dezelve zou afgescheiden zijn door eene vrij breede rivier,

waar van ik een quartier uurs te vooren een kleinen arm overgetrokken

was. Terwijl ik van den eenen oever tot den anderen deeze lieden

beschouwde, wierd ik door twee vrouwen aangesprooken, die in den omtrek

wandelden; de oudste voerde het woord, en hoe groot was mijne

verwondering, van haar beide Russisch te hooren spreeken! Zij verhaalden

mij dat ik omtrent twee honderd treden van de legerplaats der

Tchouktschis af was, die het bosch voor mijn oog bedekt hield; wanneer

ik op de rivier kwam, zag ik in der daad de sleeden en de tenten, en ik

verzogt die vrouwen mij derwaarts te geleiden.

Geschiedenis van de twee vrouwen die mij aangesproken hadden.

Onder weg vroeg ik hun, van waar zij waaren, dewijl derzelver spraak

niet te kennen gaf, dat zij onder dit volk gebooren waren of altoos

geleeft hadden.

De eene verhaalde mij, dat ze een Russische was, en dat de moederlijke

liefde haar noopte om deeze Tchouktchis te volgen; gevaaren,

vermoeijenissen, kwaade bejegeningen, alles braveerde zij, in het vuurig

verlangen van zich met hun naar derzelver land te begeeven, ten einde

haar dogter te rug te vorderen, die daar in gijzeling gehouden wierd:

ziet hier hoe zij dezelve verlooren had.

Dit jonge kind reisde twee jaar geleeden met haar vader en verscheide

andere Russen op de rivier de Pengina; deeze Caravane, bestaande uit

negen persoonen, trok gerust voorwaards tot in het midden der Koriaken,

welke als toen door een gedeelte der Tchouktchis bedreigd wierden, aan

welkers hoofd zich diezelfde Kérourgui bevond, van wien hier boven

gesproken is. Om deeze gevaarlijke vijanden van zich aftewenden,

bedagten de Koriaken om hen van den doortogt dezer vreemdelingen bericht

te geeven[115], even als van een roof, die ze zich niet moesten laaten

ontsnappen; deeze kunstgreep gelukte; verleid door het lokaas van een

grooten buit in ijzer en tabak, vervolgde die Tchouktchis deeze

reizigers, derzelver moed kon hun niet behouden, vier kwamen met de

wapenen in de hand om, en wierden slachtoffers van hunnen nutteloozen

tegenstand. De man van deeze vrouw wierd gedood, terwijl hij zijn dogter

verdedigde, die de overwinnaars uit zijne armen rukten, en haar benevens

zijne drie overige ongelukkige lotgenooten wegvoerden; zedert dien tijd

hadden de Russen niet afgelaaten van onophoudelijk de teruggaaf deezer

gevangenen te vorderen, ook hadden zij daar wel de beloften toe

verkreegen, dog tot op dien dag waaren 'er maar twee van ontslaagen.

[115] De trouwloosheid der Koriaken heeft bijna altoos getracht om den

haat der Tchouktchis tegens de Russen aantestooken, het zij door

valsche berichten, het zij door deeze overteleveren, wanneer zij hun

zelfs niet konden of durfden aanvallen. Deeze looze streeken kunnen

reden geeven van zo veele wreedheden, die de Russen aan de Tchouktchis

verwijten, en die echter niet tot den aart van dit volk behoorden.

Het aandoenlijk verhaal van deeze ongelukkige moeder, waar in zij meer

dan eens door haare traanen verhinderd wierd, boezemde mij voor haar de

levendigste belangneeming in; zonder nog te weeten, of mijne bemiddeling

van eenig gewicht bij deeze Tchouktchis kon zijn, gevoelde ik mij reeds

aangespoord om mijne poogingen bij de haare te voegen, en ik had het

genoegen van te ondervinden, dat dezelve niet vrugteloos waaren.

Van de andere vrouw vernam ik, dat zij eene Tchouktchische van geboorte

was; in haare jeugd was zij door de Russen op de rivier Anadir gevangen

genomen; naar Yakoutsk gebragt, wierd zij daar gedoopt en zo veel

mooglijk onderweezen. Vervolgens had haar een soldaat getrouwt, die na

verloop van eenige jaaren was komen te sterven; en eindelijk was zij op

bevel van de regeering naar haar vaderland met haare kinderen te rug

gekeerd, ten einde aldaar van de verplichtingen, die zij aan de Russen

had, te kunnen getuigen; haar was aanbevolen, om alle de bijzonderheden,

daar van ter kennis van de Tchouktchis, zelfs van die het

wijdafgelegenste waaren, te brengen[116], als mede om hun te doen

begrijpen, dat ze oneindige voordeelen zouden vinden in het oprichten

van eenen veiligen en vreedzaamen handel met haare weldoenders.

[116] Dat is te zeggen, de geenen, die zich aan geene zijde van de

Kaap Tchouktchi ophouden, in de landkaarten bekend onder den naam van

Tchoukotskoi-noss.

Deeze vrouw spreekt de Russische, Yakoutsche en Tchouktchische taalen

even gemaklijk; zij zeide mij, dat de weinige kundigheden, welke zij aan

haare opvoeding verschuldigt was, haar van derzelver aankomst af een

zeker soort van vertrouwen onder haare landgenooten had doen verwerven;

dat zij zelfs reeds van haar verkregen gezag op de geestvermogens

gebruik had gemaakt, om eenige van hunne vooroordeelen uitteroeijen, en

zij vleide zich om hun ongevoelig derzelver waare belangens te doen

kennen. Haare hoop in dat opzicht was grootendeels gegrond op den aart

van dat volk, welke zij mij verzekerde in der daad herbergzaam,

edelmoedig, zagt-aartig en in allen opzichte beter te zijn dan de

Koriaken.

Mijne aankomst in de legerplaats der Tchouktchis.

Het gesprek met deeze vrouwen had zodanig mijn aandagt afgetrokken, dat

ik mij reeds in de legerplaats der Tchouktchis bevond, voor en aleer ik

zulks gewaar wierd, derzelver vreugde was ongemeen, wanneer ze mij

zagen, in een oogenblik zag ik mij omringt, zij spraken mij alle te

gelijk aan, ten einde mij te beweegen om bij hun den nagt doortebrengen,

ik antwoorde hun dat zulks mijn voorneemen was, en aanstonds vertoonde

zich eene vernieuwde blijdschap en geschreeuw. Ik gaf bevel, dat men

mijne tent aan het uiterste van 't leger opsloeg; terwijl men hier mede

bezig was, liet ik alle de opperhoofden verzoeken om mij te komen zien;

vaardig om van de vrijheid, welke ik hun gaf, gebruik te maaken,

wachtede zij niet, tot ik binnen mijne tent gegaan was om mij te

volgen, ik vond ze daar reeds in zo eene menigte vergaderd, als dezelve

maar bevatten kon.

Na de eerste plichtplegingen, wierd het gesprek van den een en den

anderen kant levendig en wel met eene gelijke graagte om onderricht te

bekomen; wij spraken breedvoerig over ons wederzijdsch vaderland, zeden

en gebruiken, hunne redeneeringen waaren ten naasten bij dezelfde, als

die welke Tummé en zijne medgezellen met mij gevoerd hadden; zij

betuigden mij hunne onderwerping aan Rusland, hun oprecht verlangen om

de onderlinge eensgezindheid door betrekkingen van koophandel te

onderhouden, en boven al om de volkplanting op de Anadir weder te zien

vernieuwen, vervolgens lieten zij zich uit over de beweegredenen van

hunne reis, zij hadden voornamelijk beoogd om eenige hunner

naastbestaanden, aan Russen verbonden, en te Ingiga woonachtig, te komen

bezoeken; misschien waaren zij ook derwaarts gebragt door eenig ontwerp

van koophandel, dog na hunne opgaaf, was de genegenheid tot derzelver

landsgenooten de eenigste beweegoorzaak van hunne verplaatzing; en in

der daad, ik meende deeze Vaderlandlievende gewaarwording in hun ontdekt

te hebben in de blijkbaare achting, welke zij aan de tot hun

wedergekeerde Tchouktchische vrouw toedroegen, als mede in de

liefkoozingen, welke zij aan haare kinderen bedreeven.

Zij herhaalden telkens, dat ik alle agterdogt moest laaten vaaren, en op

hunne vriendschap staat maaken; zij vooronderstelden zeker in mij die

agterhoudenheid, welke de Russen hun nog in derzelver ontmoetingen

betoonen; dog dewijl ik dezelfde redenen niet had om hun te vreezen, was

ik er ook ver af om hun te verdenken; dit deed ik hen ook begrijpen,

wanneer ik hun antwoorde, dat, daar ik niet voorneemens was om iemand

hoe genaamd op mijne reis te beledigen, ik dus ook niet kon denken, dat

iemand mij zou willen verontrusten, en te minder zulks wachtte in het

midden van een volk zo als zij, wier goedwilligheid en rechtvaardigheid

mij reeds bekend was; deeze redenen behaagden hun, zij scheenen

deswegens zo wel te vreden als over mijne onbekommerdheid, ik meende

dierhalven ook mijne wapenen te moeten verborgen houden, en het

voorstel, dat mij mijne soldaaten deeden, van een schildwagt voor mijne

tent te plaatzen, van de hand te moeten wijzen.

Ik deelde aan de voornaamste deezer Tchouktchis tabak uit, en liet hun

vervolgens thee met beschuit van rogge toedienen; derzelver opperhoofd

of vorst genaamt _Chegouiaga_, gelijk aan Tummé in aanzien en gezag,

twee van zijne bloedverwanten, en de twee vrouwen die mij tot tolken

dienden, gebruikten het avondeeten met mij; de maaltijd was

allersoberst, dog zeer vrolijk, mijne gasten vertrokken zo vergenoegd

als of ze het best mogelijke onthaal genooten hadden; de

noodzaaklijkheid om rust te neemen deed ons scheiden.

Zo dra ik alleen was, hield ik mij bezig om de aanmerkingen, welke het

onderhoud met hun, en mijne bijzondere waarneemingen mij opgeleverd

hadden, in geschrift te brengen.

Beschrijving van de legerplaats.

Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz. · 第 14 / 31 段