dit oogenblik op mijn hart, en ik moet mij verwijten van dezelve begeert
te hebben; wat kost het mij niet, om hem alleen in deeze woestijn agter
te laaten, zonder voor mijn vertrek te weeten, hoe hij 'er zich zelfs
uit zal redden! Het beeltenis van zijne treurige omstandigheid vervolgt
en ontroert mij. Ach! laat ik het nog eens herhaalen, om tot het besluit
te koomen van mij van hem te verwijderen, niettegenstaande het verbod,
het geen mij de Heer Graaf de la Perouze daar omtrent gedaan had moest
ik ongetwijffelt alleen gedrongen worden door de overtuiging, dat mij
geen ander middel overbleef om spoedig mijne brieven over te brengen;
zonder deeze reden, zonder dit eenige oogmerk mijner zending, zou niets
mijne begeerte om te vertrekken in mijne oogen kunnen verschoonen. Mogt
het getuigenis, dat mijne erkentenis altoos zal afleggen, zo omtrent de
door den Heer Kasloff aan mij beweezene weldaaden, als omtrent den
iever, dien hij in den dienst van zijne Souvereine betoonde, iets tot
zijne bevordering en tot zijn geluk toebrengen! als dan zou aan het
mijne niets anders ontbreeken, dan het vermaak van hem weêr te zien en
hem te omhelzen.
_Einde van het eerste Deel._
[Illustratie]
NABERICHT VAN DEN NEDERDUITSCHEN VERTAALER.
Wij hebben gemeent den Nederduitschen leezer geen ondienst te zullen
doen met kortelijk optegeeven de berichten, die men tot hier toe van den
Graaf _de la Perouse_ ontfangen heeft.
Het was den 17 October 1788, dat de Schrijver van dit werk de eerste
tijding van den togt des voorn. Graafs te Versailles overbragt, zijnde
gen. Graaf _de la Perouse_ benevens den Burggraaf _de Langle_ met de
schepen _la Boussole_ en _l'Astrolabe_ op den 1 Augustus 1785 van de
rhee van Brest vertrokken, om ontdekkingen te doen. Na de eilanden
_Madera_ en _Teneriffe_, ten einde zich aldaar van nog wat wijn te
voorzien, die van _Martinvas_ en _la Trinité_, om derzelver
aardmeetkundigen stand te bepaalen, en dat van _St. Katherina_ van
_Brezil_, om 'er eenige ververschingen in te neemen, aangedaan te
hebben, deed de Graaf _de la Perouze_ eenige navorschingen in de
_Zuidzee_, voer den 25 Januarij 1786, zijnde 69 dagen na zijn vertrek,
de straat _la Maire_ door, en bereikte den 9 Februarij den _grooten
Oceaan_, gemeenlijk de _zuid_ of de _stille zee_ geheeten; den 24 dier
maand wierp hij het anker in de baaij van _la Conception_, (een Stad in
Chili) en vertrok van daar den 19. Maart. Den 8 April ontdekte hij het
Paasch-eiland, waar hij aan land stapte; den 28 Maij kwam hij onder het
Eiland _Othahijtie_, een der Sandwichsche Eilanden, waar Capitein
_Coock_ zo ongelukkig het leeven liet; de Graaf _de la Perouse_ lag zich
voornamelijk toe, om die Eilanden op te neemen, welke de beroemde
Engelsche Zee-reiziger niet heeft kunnen bezichtigen. Hij verliet de
Sandwich 1 Junij, zette koers naar Noord-Amerika, en bereikte aldaar den
23 dier maand de hoogte van _Mont Saint-Elie_, op 60 graden breedte; van
de plaats, alwaar hij lande, tot aan de haven van Monterey, op 36
graaden en 2 minuuten breedte, nam hij de kust op; het geen Capt.
_Coock_, door tegenwinden belemmerd, slegts gedeeltelijk en van afstand
tot afstand had kunnen doen, zijnde niet verder geweest dan 43 graaden;
Hij vertrok uit de haven van _Montereij_ den 24 September, stak den
_grooten Oceaan_ over naar het vaste land van _Asia_, en ontdekte op
deezen Togt eenige onbewoonde Eilanden.
Den 15 December raakte hij in het gezigt van _Assonsong_, een der
Eilanden onder de kust van _China_, en wierp den 3 Januarij 1787 het
anker voor _Macao_; van daar vertrok hij 6 Februarij, en liep den 28 in
de baaij van _Manille_, voor _Cavita_, om zich van eenige ververschingen
en leevensmiddelen voor zijn laatsten Togt te voorzien; hij verliet de
_Manille_ den 9 April, en, ten oosten _Formosa_ voorbij zeilende, zette
hij kours tusschen door de Eilanden _Japan_ en _Korea_, bezag de
oostkust van dat schier-eiland, en voer tot op 52 graaden breedte, door
een vrij enge straat, bij de zeevaarders onbekend, en gevormd, van de
eene zijde door de oostelijke kusten van _Tartarijen_, en van den
anderen kant, door twee groote Eilanden, waar hij aan land stapte, en
dezelve gedeeltelijk bezigtigde; het noordelijk einde deezer zee-engte
door banken bezet vindende, welken den doortogt ondoenlijk maakten,
wendde hij te rug naar het zuiden, en zijne naspooringen voortzettende,
ontdekte hij, op 46 graaden breedte, een straat, die hem in de zee
bragt, gelegen ten oosten der _Kurillische_ Eilanden, tusschen welken
hij eenen weg vond, waar door hij naar de haven van _Avatska_ in
_Kamschatka_ gelegen kon zeilen: aldaar wierp hij den 6 September het
anker.
Deeze scheepstogt van 5 maanden in eene onbekende zee, onder bijna
onophoudelijke zwaare nevels, was inderdaad niet min gevaarlijk dan
moeijelijk: dezelve kan egter niet weinig ter opheldering dienen van een
voornaam punt der aardmeetkunde; zullende, gevoegd bij de ontdekkingen,
die de Russen in dit noordelijk deel des aardkloots gedaan hebben, ons
naauwkeurig kennis doen verkrijgen aan een uitgestrekt land, welks
bestaan tot nog toe betwist wierd; de volken, die de eilanden bewoonen,
door den Graaf _de la Perouse_ bezogt, hadden geene kennis aan de
_Europeaanen_, zo min als aan de overige bewooners van het groote vaste
land; zij zijn vriendelijk en gastvrij, dog hun grond levert geene
voortbrengzels op, welken de handeldrijvende natien derwaarts kunnen
lokken; den 30. September verliet de Graaf _de la Perouse_ de baaij van
Avatschka, om de nog overblijvende naspooringen in het zuidlijk Halfrond
te doen.
Zedert vernam men in het begin des voorleden jaars door den Heer
_Fournier_, Capitein van een Koninglijke Paketboot, dat de Heer _de la
Perouse_, die reeds van zijnen togt rondom den Aardkloot in den Jaare
1789 in Frankrijk te rug verwacht was, door een Spaansch Fregat, van de
_Manilla_ op den 21. Februarij 1789 vertrokken, op deszelfs thuisreize
was gepreid.
Vervolgens heeft men het gerucht verspreid, dat de Graaf _de la
Perouse_ zich den 20 Maij 1789 te Batavia bevond, en bezig was met zijne
twee Fregatten aldaar te laaten repareeren, met oogmerk om in de maand
Julij daar aan volgende van daar naar Frankrijk te vertrekken, en dat de
Heer _d'Angelet_, Astronomist en lid van de Fransche Akademie der
wetenschappen, op die reize overleeden was.
En eindelijk heeft de Nationaale Vergadering in Frankrijk, uit hoofde
van de onzekerheid, waar deeze doorluchtige Reiziger en zijne
togtgenooten zich thans bevinden, op den 9 Februarij van dit jaar
deswegens het volgende besluit genomen:
"De _Nationaale Vergadering_ decreteert, dat de Koning zal verzogt
worden, om aan alle de Ambassadeurs, Residenten, Consuls en Agenten van
de Natie bij de resp. Mogendheden, de noodige bevelen te geeven, ten
einde zij bij de Souvereinen, alwaar zij resideeren, in den naam der
Menschlievendheid en van de Kunsten en Wetenschappen tragten te
bewerken, dat dezelven aan alle de zeevaarenden, welken tot hunne
onderdaanen behooren, en aan alle derzelver Agenten, hoe ook genaamd, en
waar die zich ook mogen bevinden, dog voornaamelijk in het _Zuidelijk
Halfrond_ en de _Zuidzee_, gelieven te gelasten, om alle onderzoek te
doen naar de twee _Fransche_ Fregatten, la _Boussole_ en _l'Astrolabe_,
onder bevel staande van den Heer _de la Perouse_ en derzelver
manschappen, als meede alle naspooringen in het werk te stellen, waar
door het nog in weezen zijn, of de schipbreuk der gem. Fregatten, zou
kunnen beweezen worden; ten einde, dat wanneer de Heer _de la Perouse_
en zijne togtgenooten, waar het ook zijn mogt, gevonden of ontmoet
zouden worden, aan hem de noodige hulp gegeeven, en alle de middelen
bezorgt worden, waar door zij in hun Vaderland konden te rug keeren, en
derwaarts al wat nog in derzelver bezit was met zich voeren; terwijl de
_Nationaale Vergadering_ zich verbind, om elk en een iegelijk, die aan
deeze zeevaarenden hulp zal verleenen, tijdingen van dezelve bezorgen,
of maar zouden kunnen gelegenheid geeven, dat de papieren en zaaken, van
welken aart ook, die tot derzelver Togt zouden behooren of kunnen
behoord hebben, aan _Frankrijk_ wierden terug bezorgd, naar maate van de
beweezene diensten, schadeloos te zullen stellen, en zelfs te beloonen.
Decreteert wijders, dat de Koning zal verzogt worden om één of meer
vaartuigen te doen uitrusten, waar op eenige Geleerden, Natuurkundigen
en Tekenaars zullen ingescheept worden, en om aan den Bevelhebber van
den Togt den tweevoudigen last te geeven, van den Heer _de la Perouse_
optezoeken, volgens de stukken, onderrichtingen en beveelen, die aan
hen zullen worden gegeeven, en tevens ter gelijker tijd naspooringen,
betrekkelijk de Wetenschappen en den Koophandel te doen; met alle de
noodige maatregelen te neemen, om deezen togt, afgezonderd van het
oogmerk om den Heer _de la Perouse_ opte spooren, of zelfs, na hem
ontdekt, of tijdingen van hem bekomen te hebben, nuttig voor de
Aardrijkskunde, den Koophandel en de Kunsten en Wetenschappen te doen
zijn. Decreteert eindelijk, dat de Minister van de Zee-zaaken onverwijld
aan de _Nationaale Vergadering_ een staat van de uitrusting, welke de
Koning zal nodig geoordeeld hebben te beveelen, zal overgeeven, ten
einde de noodige sommen ter bekostiging van deezen Togt kunnen
vastgesteld worden."
HISTORISCH DAGVERHAAL
DER
REIZE
VAN DEN HEER
_DE LESSEPS_,
_Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la
Perouse en zijne togtgenooten in de haven
van St. Pieter & Paulus op Kamschatka,
tot op zijne komst in Frankrijk,
den 17. October 1788._
NAAR HET FRANSCH.
TWEEDE DEEL.
_Met Plaaten en Kaarten._
[Illustratie]
_Te UTRECHT_,
BY B. WILD EN J. ALTHEER,
1792.
[Illustratie:
CARTE
de la
ROUTE de M. DE LESSEPS
Consul de France
_Depuis_ Avatscha, _ou le Port de
S^{t}. Pierre et S^{t}. Paul, au Kamschatka
Jusqu'à_ Paris
_En 1787 et 1788._
]
REIZE
VAN DEN HEER
_DE LESSEPS_,
UIT
KAMSCHATKA NAAR FRANKRYK.
1788. _Maart_ Den 18.
Vertrek van Poustaretsk.
Eindelijk kwam de 18. Maart en ik nam afscheid van den Heer Kasloff. Ik
zal van ons jongst vaarwel niet gewaagen, men zal ligt bevatten, dat het
zelve zo teder als moeijelijk was; Ik vertrok des morgens ten negen
uuren van Poustaretsk, en wel op een overdekte slêe, bespannen met zeven
honden, die ik zelfs mende, de soldaat die gelast was om mij ten geleide
te verstrekken, had 'er agt voor de zijne; voor ons uit reed een
wegwijzer, genomen uit de inwoonders van dit gehugt,[104] en deeze
voerde de slêe, waar op het reisgoed gelaaden was: twaalf honden waaren
voor die slêe gespannen, in dewelke het overschot van mijne goederen en
onzen voorraad was; ook wierd ik van den Heer Schmaleff en de
onder-officieren van zijn gevolg verzeld; dog in plaats van ons
gezamentlijk naar Ingiga te begeeven, zo als onze afspraak was,
scheidden wij eenige dagen daar na.
[104] Geduurende mijn verblijf te Poustaretsk had de Heer Commandant
onze Kamschatsche leidslieden afgedankt. Eenige hoorden in den omtrek
van Bolcheretsk t'huis, en waren daar bijna vierhonderd uuren van
verwijderd! Deeze arme lieden zagen zich genoodzaakt, na dat ze
omtrent alle hunne honden hadden zien sterven, van te voet te rug te
keeren.
Uit Poustaretsk komende begaven wij ons op de golf. In het eerst was
onze togt vrij gemaklijk, het ijs was overal sterk en effen, in weinig
uuren bereikten wij den mond; daar wierd de weg moeijelijker; verplicht
over de zee te reizen zonder ons van den oever te verwijderen,
ontmoeteden wij telkens ijsklompen, die als zo veele klippen scheenen,
tegens dewelken wij verbrijzeld konden geraaken. Te vergeefs wilden wij
beproeven, om ze door omwegen te vermijden, de oneffen keten van deeze
bergjes strekte zich langs de kust uit, en belette ons den doortogt; wij
moesten besluiten van dezelve over te rijden; met gevaar van bij iederen
stap omvergeworpen te zullen worden; meer dan eens, ontsnapte ik het, om
mij in deeze tuimelingen gevaarlijk te kwetsen; mijn snaphaan, dien ik
aan mijn slêe had vastgemaakt, wierd verwrongen en als een boog gekromd,
verscheidene mijner medemakkers kreegen zwaare kneuzingen, geen één kwam
'er zonder eenig letzel af.
Verlaate gehugt.
Bij het vallen van den nagt bereikten wij een gehugt, gelegen aan den
oever van de zee, en bestaande uit twee yourtes en drie balagans in een
zeer slegten staat en geheel verlaaten; de eenigste man, welke de yourte
bewoonde, waar wij ingingen, had zich op onze aankomst van daar
begeeven.[105] Ik vernam van een der onzen, die derwaarts vooruitgereden
was, dat deeze man een Chaman of tovenaar was, die, wanneer hij vernomen
had, dat wij den volgenden dag moesten aankomen, van schrik bevangen,
dadelijk bij de Oluteriers was gevlugt,[106] hij zou daar blijven, tot
dat de Heer Kasloff voorbij was.
[105] Alle de zwervende Koriaken vlugteden insgelijks voor ons, ten
einde niet genoodzaakt te weezen van ons de behulpzaame hand te
bieden.
[106] Dit volk woont ten zuiden der Tchouktchis op de Oost-kust.
Ontdekking van voorraad in dit gehugt verborgen.
De Kosak, die mij deeze bijzonderheden verhaalde, was door den Heer
Schmaleff daags voor ons vertrek vooruitgezonden, deeze had hem bevolen
van in dit gehugt stiltehouden, en aldaar, terwijl hij ons afwachtte,
onderzoek te doen, of 'er geen voorraad van visch in de eene of andere
onderaardsche kelder verborgen was; deeze voorzorg was ons van veel nut,
de Kosak bragt ons bij onze aankomst naar een keldertje, dat hij ontdekt
had, wij vonden het zelve vol visch, en ik maakte mij van een goed
gedeelte meester, dewijl ik maar voor twee dagen leevensmiddelen van
Poustaretsk mêegenomen had.
1788. _Maart_ Den 19.
Een zeer lastige dag.
Den 19 begaven wij ons wederom in den vroegen morgen op weg; deeze dag
was nog vermoeijender dan de voorige, de weg was verschriklijk, meer dan
twintigmaal zag ik mijn slêe op het punt van verbrijzeld te worden, en
het zou 'er mede gedaan geweest zijn, indien ik niet eindelijk beslooten
had om te voet te gaan; Ik wierd daar toe genoodzaakt, wilde ik mij
zelfs aan de gevaaren van het omvallen niet blootstellen, zo dat ik
bijna den geheelen dag moest wandelen, dog ik ontweek het eene kwaad
maar, om in het andere te vallen.
Onvoorzigtigheid die mijne gezondheid benadeelde.
Na verloop van eenige uuren gevoelde ik mij zodanig vermoeid, dat ik
weer op mijn slee stapte, en in dit oogenblik wierd dezelve overzij
gesmeeten, zo dat mij de lust verging; Ik wierd genoodzaakt om mij zo
goed voort te sleepen, als ik kon, mijne beenen waggelden onder mij, ik
was zeer bezweet, en eene hevige dorst kwam nog bij mijne vermoeidheid;
de sneeuw verschafte mij maar een zwak hulpmiddel, niets kon mij laaven,
bij ongeluk wierd ik een kleine rivier gewaar, uit nooddwang ging ik
derwaarts, en zonder de gevolgen van mijne onvoorzigtigheid te
berekenen, was mijn eerste werk om het ijs te breeken en zulks aan
mijnen mond te brengen; het duurde niet lang, of ik beklaagde mij deeze
zuiver werktuigelijke onbedagtzaamheid, mijn dorst was gelescht, dog van
de groote hette, waar over ik te onvreden was, geraakte ik eensklaps in
het tegenovergestelde uiterste, eene doorgaande koude beving mij en alle
mijne leden beefden.
Rustplaats.
De koude van den nagt vermeerderde mijne grillingen, en ik wierd zo
zwak, dat het mij onmogelijk was verder te gaan, ik verzogt mijne
mede-reizigers, om in het midden van deeze woestijn stil te houden; uit
achting voor mij stemden zij daar in toe, want de moeijelijkheid, om
zich hout te verschaffen, maakte dit hun niet zeer begeerlijk,
naauwlijks had men zoveel geraapt, dat men de ketel kon overhangen, dit
bepaalde zich tot eenige kleine geheel groene heesters, die niet branden
wilden; wij rekenden ons zeer gelukkig, dat wij thee konden drinken.
van den 20. tot den 24.
De beweeging doet mij herstellen.
Na daar eenige koppen van genomen te hebben, begaf ik mij onder mijne
tent,[107] ik lag mij op een kleine matras, die op de sneeuw geplaatst
was, en dekte mij met verscheidene bontwerken, in de hoop van de
uitwaasseming weder te zullen herstellen, dan dit was tevergeefs, en ik
deed den gantschen nagt geen oog toe. Bij de benaauwtheden van eene
heete en brandende koorts voegden zich eene geduurige bezetheid op de
borst, en de gewoonlijke ongerustheid bij de eerste voortekens van eene
ziekte. Ik erken, dat ik mij verbeeldde gevaarlijk ziek te zijn, te
meer, toen ik bij mijn opstaan geen geluid kon geeven. Ik leed geweldig
op de borst en in de keel, de koorts was niet verminderd, nogtans deed
mij het denkbeeld, dat een langer rust mij van geen nut kon weezen, en
dat ik geen hulp kon erlangen, dan met voorwaards te trekken, het
besluit neemen om mijn lijden voor den Heer Schmaleff te verbergen. Ik
was de eerste, die van vertrekken sprak, dog daar in raadpleegde ik meer
mijne drift dan wel mijne krachten.
[107] Deeze tent was van lijnwaat. Ik had dezelve van den Heer
Vorokoff gekogt, voor dat ik van Poustaretsk vertrok.
Ik had maar weinige wersten afgelegt, wanneer mijne smerten
onverdraaglijk wierden, ik was verplicht zelfs te mennen, en daar door
in eene geduurige beweeging te zijn, somtijds was ik daar en boven door
de slegte wegen genoodzaakt naast mijn slêe te loopen, of tot mijne
honden te spreeken om ze voort te doen gaan, mijne heeschheid liet niet
toe om mij te doen verstaan, ik kon daar toe niet geraaken, dan met
poogingen te doen, die mij de krachten benamen en de borst als van een
scheurden. Behalven deeze pijniging had ik reden om over die beweeging
te vreden te zijn; zo moeijelijk als ze ook was, zo heilzaam wierd mij
dezelve, langzamerhand bevorderde ze de uitwaasseming, des avonds haalde
ik vrijer adem, de koorts verliet mij, en ik behield alleen eene zwaare
verkoudheid, die ik in weinig dagen kwijt raakte. Eene dagelijksche
vermoeijing was mijn eenigste hulpmiddel, ik droeg voor al zorg, om het
zweet dat mij daar door bezorgd wierd, aan den gang te houden, en ik ben
overtuigd, dat ik daar aan alleen mijne spoedige geneezing te danken
had; wat 'er van zij, mijn borst had zodanig geleden, dat ze 'er nog
lang gevoel van gehad heeft.
In dien tusschentijd had ik ten minsten niet van de strengheid der
winden te lijden, de lucht was bedaard en het wêer helder, wij hadden
als toen de schoonste winterdagen, zonder dat had ik misschien nimmer
mijn Vaderland wederom gezien; dog de Hemel scheen mijn togt te
begunstigen, om mij het geen ik geleden had te doen vergeeten.
Ontmoeting van drie Convooijen die aan den Heer Kasloff gezonden
wierden.
Welhaast volgde de levendigste vreugd op de droefheid, die mij
overstelpt had, wij ontmoeteden in verscheide bezendingen drie
Convooijen voor den Heer Kasloff door den Sergeant Kabéchoff afgezonden!
Deeze onverwachte hulp verschafte mij des te meer vermaak, als ik mij
zonder ophouden voor den geest bragt den beklaagelijken staat, in welken
ik dien bevelhebber gelaaten had. Welk eene spoedige verandering in
zijne omstandigheden! honderd vijftig vlugge en wel doorvoede honden
gingen hem te gemoet en bragten hem leevensmiddelen aan; hij kan, zeide
ik tot mij zelfs, den volgenden dag vertrekken, en in dien ik mij niet
meer vleijen kan van hem wedertezien, ten minsten zal hij buiten
verlegenheid zijn; deeze zekerheid stelde mij omtrent zijn lot gerust.
De Soldaat, die deeze bezending begeleide, bood mij aan een gedeelte van
deezen voorraad te geeven, dog ik wachtte mij wel om ze aanteneemen;
dezelve was zo overvloedig niet en daar en boven hadden wij ze niet
nodig, ik hield hem dan niet langer op als noodzakelijk was.
Voor dat hij mij verliet, verhaalde hij mij dat de Prins Eitel of het
opperhoofd der Koriaken van Kaminoi, dien men van oproerigheid
beschuldigt had, in aantogt was om in persoon den Heer Commandant van
het tegendeel te gaan overtuigen.
Onzen weg vervolgende, vonden wij aan de overkant van eene kleine
rivier, omzoomd van eenig heestergewas, een keten van steile bergen, die
wij de een na den ander moesten overtrekken, vervolgens kwamen wij op
eene andere rivier genaamt _Talofka_; deszelfs twee oevers verwijderen
zich, naarmaate dat men den mond nadert, ze zijn met houtgewas bezet, en
ik zag daar vrij zwaare boomen; wij verlieten deeze rivier op eenige
afstand van Kaminoi, om een ruim hei-veld over te trekken, en vervolgens
een groot meir; eindelijk, gingen wij over de rivier de Pengina bijna
aan deszelfs mond, en in de richting van het zuid-oosten naar het
noord-westen.
Overtogt van de rivier van Pengina.
Deszelfs breedte is verbaazend, het gezicht der ysschotzen, welke ze
bedekten, en die tot eene verschrikkelijke hoogte op den anderen gehoopt
waaren, zou mij nog schilderachtiger toegescheenen hebben, indien wij
maar een gemaklijker weg hadden kunnen neemen, dog 'er was geen keus,
zo dat wij, om zo te spreeken, onze honden en sleeden van den eenen
schots op den anderen moesten hijssen; men kan gemaklijk oordeelen over
de moeijelijkheid en de langduurigheid van deezen arbeid, ik had alle
moeite van de waereld om 'er wel aftekomen.
Aankomst te Kaminoi.
Wij waaren nog bijna twee uuren bezig om tot Kaminoi te geraaken, alwaar
wij den 24. voordemiddag binnenkwamen, wij wierden 'er door de inwooners
uitermaate wel ontfangen. In de afwezigheid van Eitel, voerde een ander
Prins genaamt _Eila_ het bevel over hun, hij kwam ons te gemoet, verzeld
van het Russisch detachement, men geleide ons naar de yourte van Eitel,
die zedert lang tegens de aankomst van den Heer Kasloff schoongemaakt en
toebereid was.
Deeze Eila betoonde ons alle eerbewijzingen, wij hadden altoos een
schildwagt aan de deur, zijn order was van dezelve niet te openen, dan
voor die geenen, welken wij meenden het minste te moeten mistrouwen.
1788. _Maart_. Den 24. Te Kaminoi.
Rechtvaardiging van deeze Koriaken, valschelijk van oproer beschuldigt.
Het was niet alleen, dat de gerugten van oproer, die men op rekening van
deeze Koriaken verspreid had, ons klaarblijkelijk valsch toegescheenen
hadden;[108] hun gedrag ten onzen opzichte en het onthaal, het welk zij
zich voorstelden aan den Heer Commandant te doen, kon geen de minste
twijffel overlaaten omtrent hunne tegenwoordige geneigtheid; ook was het
niet te denken, dat dit alles het uitwerkzel was van de tegenwoordigheid
der van Ingiga gezondene Soldaaten. De ellende waar toe die gebragt
waaren[109], stelde hun buiten staat, om aan menschen die een zodanigen
aart als deeze Koriaken bezaten, schrik aan te jaagen; zij geeven te
weinig om het leeven, zo ik als nader zal doen zien, om immer bevreest
gemaakt te kunnen worden, niets zou in staat geweest zijn om hun te
kunnen wederhouden, indien ze de minste reden van misnoegen gehad
hadden.
[108] Deeze geruchten waaren door de ontrouwe berichten van den
Ingenieur Bogenoff geloofbaar geworden, men zal zich herinneren, dat
hij ons verzekerde dat deeze Koriaken hun gewapenderhand belet hadden,
om op de rivier de Pengina te komen; wanneer ik hun daar over
onderhield, betuigden ze mij alle, dat zij wel verre van zich tegens
den doortogt van dien Ingenieur verzet te hebben, zij hem geduurende
zijn verblijf met veel beleeftheid en vriendschap behandeld hadden.
[109] Dit detachement was van veertig mannen geweest, dog op de
begeerte van Kabéchof, wierd het met tien Kosakken versterkt, die te
Kaminoi aankwamen, met de hulp, die wij onder weg ontmoet hadden.
Het gezicht van het Canon en van deeze gewapende Kosakken, die echter
in het dorp getrokken waaren zonder eenig vijandelijk oogmerk
aantekondigen, had hun in het eerst eenige ongerustheid veroorzaakt; al
aanstonds wendden zij zich tot den Onderofficier, die het bevel voerde,
en vorderden van hem een verklaaring, of hij het op hun vrijheid kwam
toeleggen dan of hij hun kwam uitroeijen; daar bijvoegende, dat, indien
de Russen zodanige voornemens hadden, alle de Koriaken zich liever
zouden laaten dooden dan zich onderwerpen. Die Onder-officier stelde hun
gerust, hen zeer verstandig antwoordende, dat het oogmerk van zijne
zending hen geenszints ontrusten moest; dat hij gelast was om den Heer
Kasloff te gemoet te gaan; dat dit een eerbewijs was het geen men aan
zijn rang verschuldigt, en voorgeschreeven was door de Krijgswetten in
Rusland omtrent de Commandanten, wanneer zij door de plaatsen van hun
gebied trokken. Deeze opheldering was voldoende om alle agterdogt te
verdrijven, en van dat tijdstip af leefden Koriaken en Russen in de
beste verstandhouding. De gerustheid der eerste was zo groot, dat zij
geen de minste maatregels namen ingeval van verrassing, zij zouden zelfs
geene acht gegeeven hebben op het langduurig verblijf van deeze
soldaaten onder hun, indien het gebrek hun deeze gasten niet zeer tot
last had doen worden.
1788. _Maart_ Den 25. Te Kaminoi.
Ik had niet gedagt langer te Kaminoi te blijven, dan noodig was om mijne
honden te laaten uitrusten, dog in den nagt van den 24 op den 25. wierd
de lucht bezet, en eenige rukwinden bedreigden ons met eenen aanstaanden
storm; de vrees dat die mij in het open veld mogt overvallen, deed mij
mijn vertrek uitstellen.
Beschrijving van Kaminoi.