mij omging, de geest had meer dan het lighaam te lijden; de ongemakken,
die ik met mijne medemakkers doorstaan moest, gingen mij het minste aan
het hart, hun voorbeeld en mijne jeugd deeden mij alles met
kloekmoedigheid verdraagen; dog mijne standvastigheid verliet mij, zo
dra ik aan mijne brieven dagt; nagt en dag waaren dezelve onder mijne
bewaaring, ik raakte ze niet dan met schrik aan. Het ongeduld om mijne
zending te vervullen, de voorstelling der tegenspoeden, die ik te
overwinnen had, de onzekerheid van daar in zullen slaagen, alle deeze
denkbeelden ontrusten mij te gelijk, ik zogt 'er mij wel van te ontdoen,
dog een oogenblik daar na bragt mij eene nieuwe tegenkanting weder tot
deeze hoopelooze aanmerkingen.
Middelen, waar van wij ons bedienden, om onze honden te doen voortgaan.
Wanneer wij van Gavenki vertrokken, hadden wij de oostkust verlaaten,
die van het westen vertoonde zich aan ons oog, wanneer wij nog twee
wersten van Poustaretsk af waren, zo dat wij dit gedeelte van Kamschatka
in deszelfs geheele breedte doorkruist hadden, het welk, gelijk men
gezien heeft, maar twee honderd wersten of vijftig uuren is; wij deeden
deezen togt meer te voet dan in sleeden, onze honden waaren zo zwak, dat
wij liever verkoozen ons te vermoeijen, om dezelve eenigzints te gemoet
te komen, echter liepen ze daarom zelden te gaauwer; onze leidsluiden
konden hun niet doen voortgaan, als met zich zelfs even als de honden
aantespannen, om dezelve onze rijtuigen te helpen voorttrekken, en wij
hitsten ze aan met hun een neusdoek te toonen, die even als de visch in
een gedraaid was, zij volgden dit lokaas, dat voor hun uit vluchte, naar
maate zij het zelve naderden om het te vatten.
1788. _Maart_ Den 9. Te Poustaretsk.
Aankomst te Poustaretsk.
Het was door dit middel, dat wij ons oogmerk bereikten, om den berg, die
naar Poustaretsk leid, overtekomen. Ik rekende mij behouden, wanneer ik
in dit gehugt aankwam, uit hoofde van het vrindelijk onthaal, het geen
ons de vrouwen beweezen. Wij vonden 'er zes, die ons te gemoet kwamen,
en die ons met de dwaaste betooningen van vreugde inhaalden. Wij
begreepen uit eenige woorden, welke zij ons zeiden, dat hunne mannen
naar het Ostrog van Potkagornoï gegaan waaren, om walvischvleesch te
haalen; zij geleiden ons naar haare wooningen, rondom ons zingende en
danzende als uitgelaaten. Eene onder haar ontdeed zich van een parque
van een jong rendier, om 'er den Heer Commandant mede te omhangen; de
anderen betoonden haar genoegen over onze aankomst, welke zij volgens
haare verzekeringen niet wagtten, door een luidruchtig geschater van
lagchen; dit was niet zeer waarschijnlijk, dog wij gedroegen ons, of wij
zulks geloofden, in de hoop van daar door gemaklijker te zullen kunnen
handelen.
Vergeefsche naspooringen om visch te vinden.
Wij kwamen den 9. des namiddags ten drie uuren te Poustaretsk, en ons
eerste werk was om alle de bewaarplaatzen van de visch te doorzoeken.
Hoe groot was ons verdriet, wanneer wij ze ledig vonden! wij hielden op
het oogenblik de Inwoonders verdagt, dat ze dezelfde voorzorg als die
van Gavenki gebruikt hadden; en ziet daar ons bezig met die vrouwen te
ondervraagen, en met aan alle kanten te graaven, in de overtuiging, dat
de voorraad verborgen was. Hoe meer men het ontkende, zo veel te meer
vermeerderden wij onze naspooringen; dan deeze waaren vrugteloos en wij
konden niets ontdekken.
Treurig schouwspel het welk onze honden ons opleeverden.
In dien tusschentijd had men onze honden uitgespannen, om ze volgens
gewoonte op reijen vast te maaken; zo dra ze aan de paal waaren, vraten
ze derzelver riemen en tuigen op, in een oogenblik was alles verslonden;
te vergeefsch tragte men om hun daar af te houden, het grootste gedeelte
ontvlugte in het veld, alwaar zij ginds en herwaards zworven, alles
opeetende, wat hunne tanden verscheuren konden; alle oogenblikken
stierven 'er eenigen, die te gelijker tijd een prooij voor de anderen
wierden; deeze wierpen zich op deeze doode lighamen en scheurden ze aan
stukken, ieder lid wierd den roover betwist door een troup mededingers,
die hem met gelijke hevigheid aanvielen: zo hij onder de menigte leggen
bleef, was hij op zijn beurt het voorwerp van een nieuw gevegt[97]; op
de afschuwelijke vertooning van hun zich dus onderling te zien
verscheuren, volgde het droevig schouwspel van de geenen, die de yourte
belegerden, alwaar wij ons verblijf hielden. Deeze arme dieren waaren
zodanig vermagerd, dat men 'er meelijden mede hebben moest, zij konden
zich naauwlijks beweegen, door hun klaagend en geduurig gehuil scheenen
ze ons te smeeken, om hun te helpen, en tevens ons te verwijten de
onmogelijkheid, waar in wij waaren om het te kunnen doen; verscheidene
die zo veel van de koude als van den honger te lijden hadden, lagen zich
neder aan den rand van de uitwendige opening, in het dak van de yourte
gemaakt, en waar door de rook uittrekt. Hoe meer ze de hette gevoelden,
hoe digter ze daar bij naderden; eindelijk vielen zij voor onze oogen in
het vuur, het zij uit zwakheid, of dat ze het evenwicht verlooren.
[97] Om ons tegen deeze uitgehongerde honden te verweeren, waaren wij
genoodzaakt van niet zonder onze stokken, of zonder wapenen, waar mede
men dezelve verdrijven kan, uittegaan.
De Soldaat, die naar Kaminoi gezonden was, moest onderweg blijven.
Weinig oogenblikken na onze aankomst zagen wij den leidsman van den
soldaat, die den 3. naar Kaminoi gezonden was, om aldaar onderstand te
haalen, te rug komen, hij gaf ons te kennen, dat onze zendeling zelf de
spoedigste hulp nodig had, dat hij het geluk had gehad om twaalf wersten
ten noorden van Poustaretsk eene slegte verlaate yourte aantetreffen,
dat hij zich daar in veiligheid tegens de winden geplaatst had, die hem
tien reizen hadden doen verdwaalen, dat de voorraad, dien wij voor hem
en voor zijne honden medegegeeven hadden, gebruikt was, en dat hij daar
met ongeduld afwagte, dat men hem uit de verlegenheid kwam redden,
dewijl het hem anders onmogelijk was uit zijn schuilplaats te komen, nog
om de bevelen, waar mede hij belast was, uittevoeren, nog om zich
wederom bij ons te voegen.
Bode naar Potkagornoi gezonden, om aldaar walvischvleesch te gaan
haalen.
De Heer Kasloff, wel verre van zich door deezen nieuwen tegenspoed te
laaten neêrslaan, boezemde ons moed in, wanneer hij ons de laatste
hulpmiddelen, die hij voorneemens was in het werk te stellen,
mededeelde; reeds had hij op de verzekering, die men ons gegeeven had,
dat 'er een walvisch nabij Potkagornoi op het drooge voorvallen was,
iemand derwaarts gezonden, de meeste spoed was hem aanbevolen, en hij
moest zo veel vleesch en vel van dien visch medebrengen, als hij maar
krijgen kon.
1788. _Maart_ Den 10. Te Poustaretsk.
De Sergeant Kabéchoff vertrekt naar Kaminoi, met het overschot van onzen
voorraad.
Deeze hulp nog onzeker zijnde, stelde ons de Heer Commandant voor, om de
weinige levensmiddelen, die ieder van ons voor zijne eigen honden meende
te bewaaren, opteofferen; de vraag was om 'er ons van te ontdoen ten
behoeven van den Sergeant Kabéchoff, die zich aanbood om naar Kaminoi te
gaan. In den nood, waar in wij ons bevonden, was de minste straal van
hoop genoegzaam om ons te doen besluiten van alles te waagen; wij
omhelsden dan deezen raad met vervoering, ons geheel en al op den iever
en de kundigheid van dien Sergeant verlaatende.
Hij vertrok den 10. van de nodige onderrichtingen en van het overschot
van onzen voorraad voorzien. In deszelfs weg moest hij onzen armen
soldaat opneemen, en van daar den last gaan vervullen, waar van deeze
zich niet had kunnen kwijten. Na alle deeze maatregelen genomen te
hebben, vermaanden wij elkander tot geduld, en wij zogten ons van onze
bekommernissen aftetrekken, in afwachting, dat het de voorzienigheid
behaagen mogt ons daar van te bevrijden. Ik gaa van deezen tijd gebruik
maaken om rekenschap te geeven van de waarneemingen, die ik te
Poustaretsk gemaakt heb.
1788. _Maart_ van den 10. tot den 12. Te Poustaretsk.
Beschrijving van Poustaretsk en de omliggende streeken.
Dit gehugt is op het hangen van een berg, die door de zee bespoeld word,
gelegen, want men kan geen rivier noemen[98], het geen eigentlijk maar
een zeer naauwe golf is, die zich tot aan den voet van deezen berg
uitstrekt; het water is brak en in het geheel niet drinkbaar; om daar
aan te gemoet te komen, dronken wij bezonken sneeuw, het welk ons
eenigste zoet water was; twee yourtes, alwaar omtrent vijftien persoonen
in leeven, maaken het geheele gehugt uit, men kan 'er ook nog eenige
balagans onder rekenen, welke de inwoonders met het begin van den zomer
betrekken, zij hebben die eenige wersten van de yourtes af, en meer
voorwaards in de velden gebouwd.
[98] De inwoonders noemen ze POUSTAÏA-REKA, dat is te zeggen, eenzaame
rivier; die golf was als toen geheel bevroozen.
Spijze der inwoonders gedurende ons verblijf aldaar.
Zij brengen daar den zomer met visschen door, en om hunnen voorraad voor
den winter te verzamelen; naar het voedzel, dat ik hun zag gereed maaken
en gebruiken, te oordeelen, moet de visch er niet overvloedig zijn;
geduurende ons verblijf bepaalde zich hunne spijze tot vleesch of vet
van walvisschen, tot raauwe boomschors, en tot boomknoppen met olie van
walvisschen, zee-wolven of vet van andere dieren; zij verhaalden ons,
dat ze somtijds in volle zee kleine kabbeljaauwen gevangen hadden; ik
weet niet of ze 'er in den een of anderen hoek van verborgen hadden,
dog wij hadden zo veele naspooringen gedaan, en wij zagen hun zulke
slegte cier maaken, dat ik hun eindelijk waarlijk zo arm geloofde, als
ze scheenen te zijn.
Wijze, waarop de rendieren gevangen worden.
Hunne manier om de rendieren te vangen, die in een groot aantal in deeze
streeken gevonden worden, is niet minder zeker als gemaklijk; ze
omzetten eene zekere uitgestrektheid gronds met palissaden, laatende
daar in alleen eenige openingen: het is in deeze naauwe doortogten, dat
zij hunne netten of strikken spannen, zij scheiden zich vervolgens van
elkander, om de rendieren in deeze strikken te jaagen. Deeze beesten,
zich zoekende te redden, loopen daar in en raaken met den hals of de
hoornen vast; daar ontkomen 'er altijd een groot getal, die de strikken
breeken of de palissaden omwerpen; echter heeft ééne jagt, door twintig
of dertig menschen ondernomen, wel eens meer dan zestig rendieren
uitgeleverd.
Bezigheden der vrouwen.
Behalven het huishoudelijke werk zijn de vrouwen belast met de vellen
van verschillende dieren te bereiden, bijzonder van de rendieren, en met
dezelve te verwen en te naaijen; zij schraapen dezelve eerst af met een
scherpen steen, die in een stok vastgemaakt is. Na 'er het vet afgehaald
te hebben, gaan ze voort met afschraapen, ten einde ze dunder en
buigzaamer te maaken; de eenigste couleur, waar van zij gebruik maaken
om ze te verwen, is een zeer donker rood, zij trekken het zelve uit een
boomschors in het Russisch _Olkhovaïa-déréva_ genaamt, en bij ons onder
de naam van _elze_ bekend; men laat deeze schors kooken, vervolgens
vrijven zij daar het vel mede, tot dat de verf wel doordrongen is; de
messen, welke dienen om vervolgens deeze vellen te snijden, zijn
geboogen en waarschijnlijk van de uitvinding dezer volkeren.
Zeer dunne rendieren zenuwen, door dezelfde vrouwen toebereid,
verstrekken hun tot draaden, zij verstaan het naaijen zeer wel, haare
naaldens komen van Okotsk en zijn niet buitengewoon, derzelver
vingerhoeden gelijken na die van onze kleermaakers, ze plaatzen die
altoos aan den voorsten vinger.
Manier van tabakrooken.
Bij mijn doortogt van Karagui heb ik opgegeeven de wijze, waar op deeze
volkeren tabak rooken, dog ik kan niet voorbij 'er nog eens van te
spreeken, om de nadeelige gevolgen daar van te doen kennen, waar van ik
hier verscheide voorbeelden gezien heb; derzelver pijpen[99] kunnen
naauwlijks een vingergreep tabak bevatten, het geen zij tot verveelens
toe herhaalen; en zie hier, hoe ze zulks verrichten; door den rook met
geweld doorteslikken, in plaats van denzelven uitteblaazen, worden zij
langzamerhand dronken, zelfs tot dien trap, dat ze in het vuur zouden
vallen, indien ze 'er na bij waaren. Gelukkig heeft de gewoonte hun
geleerd, om de gewaarwording van deeze bezwijming optevolgen, zij
gebruiken de voorzorg van zich nedertezetten of zich aan het eerste
voorwerp, dat zij vinden, vast te houden. Hun flaauwte duurt ten minsten
een vierendeel uurs, geduurende welken tijd zij in eene zeer gevaarlijke
omstandigheid zijn, het klamme zweet overdekt hun lighaam, de kwijl
loopt van de lippen, de ademhaaling is moeijelijk en van een gestadigen
hoest verzeld. Wanneer zij in deezen staat geweest zijn, meenen zij
smakelijk gerookt te hebben.
[99] De lengte van deeze pijpen is van hout en hier en daar geborsten,
in de midden kan men ze opendoen, en de zuinigheid der rookers doet
hun het aangeslagene afkrabben, om vervolgens dit afschraapzel te
rooken.
Kleeding.
Vrouwen nog mannen draagen hier hemden; hun gewoone kleeding heeft 'er
bijna de gedaante van, ze is minder kort en van een rendieren vel
gemaakt; wanneer zij uitgaan, trekken zij 'er een, dat warmer is,
overheen; des winters draagen de vrouwen in plaats van rokken, gevoerde
broeken[100].
[100] In de beschrijving van de kleeding der Kamschatters heeft men
gezien, dat zij onder hun parque een klein hemd van nankin of van
katoen draagen.
Den 12.
De Heer Schmaleff voegt zich weder bij ons.
Den 12. kwam de Heer Schmaleff wederom bij ons, zijn terugkomst was ons
des te aangenaamer, vermits wij zeer ongerust over hem wierden; het was
zes weeken geleeden, dat wij van hem gescheiden waaren[101], en bijna
was er een maand verstreken na het bepaalde tijdstip, waar in wij ons
weder hereenigen moesten. Er bleef hem weinig voorraad over, dog zijne
honden beter zijnde dan de onze, maakten wij daar van gebruik om onze
goederen aftehaalen, die wij genoodzaakt geweest waaren van onder weg te
laaten, en waar van wij zedert onze aankomst geen het minste naricht
bekomen hadden.
[101] De leezer zal zich herinneren, dat hij ons te Apatchin op den 29
Januarij verlaaten had.
1788. _Maart_ van den 12. tot den 17. Te Poustaretsk.
De zuidweste wind, die ons op reis zo zeer gehinderd had, bleef met
dezelfde hevigheid geduurende verscheide dagen waaijen, vervolgens liep
dezelve in het noord-oosten: dog het wêer wierd 'er des te slegter door.
Het scheen, als of de vertoornde natuur ook tegen ons zamenspande om de
zwaarigheden te vermeerderen en onze ellende te verlengen. Ik beroep mij
op een ieder, die zich immer in eene zodanige omstandigheid bevonden
heeft, hem is bekend, hoe smertelijk het valt van dus door telkens
wederopkomende beletselen gekluisterd te zijn; men mag alles aanwenden
om zich afleiding te bezorgen, en zich met geduld te wapenen, op den
duur worden de krachten uitgeput en de reden verliest haare werking;
niets maakt ons lijden onverdraaglijker, dan wanneer wij 'er geen einde
aan zien.
Bedroevend antwoord van den Sergeant Kabétchoff.
Wij ondervonden dit alles maar al te zeer, wanneer wij de brieven van
Kaminoi ontfingen. Kabéchof melde ons, dat van daar geen hulp te wachten
was; de van Ingiga afgezondene manschap was buiten staat om ons te
gemoet te komen; over twee maanden reeds te Kaminoi gekomen, had dezelve
niet alleen hun voorraad van leevensmiddelen gebruikt, maar ook daar en
boven dat geene, het welk voor ons was geschikt geweest; de honden
verscheurden elkander even als de onze, en de veertig manschappen zagen
zich tot het uiterste gebragt; onze Sergeant voegde daar bij, dat hij
aanstonds naar Ingiga, als onze eenigste toevlucht, gezonden had; zijn
afgezondene kon niet dan binnen eenige dagen terugkomen; dog hij
twijffelde of hij wel een voldoend antwoord mêe zou brengen, dewijl
deeze stad niet anders dan slegt voorzien kon weezen van levensmiddelen
en van honden, na de aanzienlijke afzending, die dezelve daar van
gedaan had.
De Heer Kasloff ontfing de tijding van zijne bevordering.
Dit droevig bericht benam ons alle hoop, en wij rekenden ons verlooren;
onze mistroostigheid en droefheid was zodanig, dat de Heer Kasloff in
het eerst ongevoelig was voor de nieuwstijding van zijne bevordering,
die hij met denzelfden bode ontfing. Een brief van Irkoutsk komende,
melde hem, dat de Keizerin uit erkentenis voor zijne gedaane diensten
hem van het bevelhebberschap van Okotsk tot dat van Yakoutsk bevorderd
had. In alle andere omstandigheden zou deeze gunst hem van blijdschap
verrukt hebben, hier door verkreeg zijne werkzaamheid een ruimer veld,
en meer gelegenheid om zijne bekwaamheid in de kunst van regeeren te
oeffenen, dog hij was 'er verre af, om de voordeelen van zijn nieuwe
bediening te berekenen, alle gewaarwordingen moesten voor die van ons
gevaar wijken, en hij was 'er als van overstelpt.
Ik vorm het denkbeeld om van den Heer Kasloff te scheiden.
In een zo hagchelijk oogenblik moest ik aan een ingeeving des Hemels
toeschrijven het denkbeeld, dat eensklaps in mij ontstond, om van den
Heer Kasloff te scheiden. Wanneer ik daar op doordagt, gevoelde ik het
onvriendelijke omtrent hem, en het verdrietige, dat daar in voor mij
gelegen was; ik wilde mij daar van ontdoen, dan te vergeefsch: in
weerwil van mij zelfs moest ik 'er bij stil staan, ik dagt aan mijn
vaderland, aan mijne bloedverwanten, aan mijn plicht. Derzelver
onoverwinlijk gezag behaalde de overwinning, en ik ontdekte mijn
voorneemen aan den Heer Commandant. Op het eerste aanhooren scheen hem
dit ontwerp buitenspoorig, en hij liet niet af met het zelve te
bestrijden. De begeerte om het uittevoeren verschafte mij antwoorden op
alle zijne tegenwerpingen. Ik bewees hem, dat, wanneer wij bij den
anderen bleeven, wij ons de een den ander de middelen benamen om onzen
weg te vervolgen; wij konden niet te zamen vertrekken zonder eene
aanmerkelijke versterking van honden. Onder de geenen, die ons
overbleeven, bevonden 'er zich maar zeven en twintig, die redelijk
waaren, alle de anderen waaren of dood of onbekwaam om te dienen[102];
wanneer een van ons toestemde om aan den ander deeze zeven en twintig
honden aftestaan, zou de laatste daar door in de mogelijkheid geraaken
van voorwaards te komen, en zijn vertrek zou den geenen, dien hij
verliet, ontslaan van de zorg, om nog dit klein getal van uitgehongerde
honden te voeden. Maar, antwoorde mij de Heer Kasloff, zult gij niet
altoos eenige leevensmiddelen voor dezelve nodig hebben? en hoe zult gij
ze die verschaffen?
[102] Men zal zich ongetwijffelt wel herinneren, dat wij van
Bolcheretsk vertrokken waren met een troup van bijna drie honderd
honden.
Wij bekomen van Potkagornoi Walvisch vlees en vet.
Ik wist maar al te veel op deeze aanmerking intebrengen, wanneer men ons
zeide, dat onze afgezondene van Potkagornoi was te rug gekomen;
gelukkiger geslaagd dan alle de andere, bragt hij ons in een groote
hoeveelheid walvisch-vleesch en vet aan, mijne vreugde was op dat
gezicht uitermaate, alle de zwaarigheden waaren verdweenen, ik dagt
reeds van Poustaretsk vertrokken te zijn. Op het zelfde oogenblik
geraakte ik weder met den Heer Commandant op mijn voorstel, die nu geen
zwaarigheden meer kon inbrengen, mijn iever moest prijzen, en eindelijk
in mijn verzoek instemde, 'er wierd vastgesteld dat ik uiterlijk den 18.
alleen zou vertrekken; van dien tijd af hielden wij ons bezig met de
noodwendige schikkingen, die ter uitvoering van dit ontwerp nodig
waaren.
De rust onder de Koriaken hersteld.
Alles beloofde mij nu een goeden uitslag; onder de droevige
nieuwstijdingen, die wij van Kaminoi bekomen hadden, waaren 'er echter
eenige zeer vertroostende. Men verzekerde ons onder anderen, dat wij in
onzen doortogt geene hinderpalen zouden ontmoeten, de rust was onder de
Koriaken hersteld, en om ons daar van te overtuigen, hadden zij begeert,
dat eenige uit hun den soldaat, die met brieven aan den Heer Commandant
belast was, zouden vergezellen; de zoon van het Opperhoofd der
oproerigen, genaamt _Eitel_, was aan het hoofd van dit geleide; hij
zeide ons, dat zijne landgenooten ons zedert lang met ongeduld wachtende
waren, en dat zijn vader voorneemens was om den Heer Kasloff ten bewijze
van zijnen eerbied te gemoet te komen.
Het onthaal, 't welk wij den Koriaken aandoen.
Verblijd, dat wij niets meer te vreezen hadden, ten minste van dien
kant, bevlijtigden wij ons, om aan deeze Koriaken ons genoegen over
hunne welwillenheid ten onzen opzichte te betuigen, wij gaven hun alle
geschenken, die onze toestand ons toeliet, namelijk van tabak, stoffen
en verscheidene zaaken, die ik geduurende mijn reis op zee gekogt had,
en van andere, die de Heer Graaf de la Perouze mij had agtergelaaten.
Wij gaven 'er hun ook voor derzelver ouders, dog onze voornaamste zorg
bestond daar in, om ze zo dronken als mogelijk was te maaken, ten einde
zij wel te vreden over ons onthaal zouden weezen; wij moesten dezelve
naar hunnen smaak behandelen, daar en boven word dit bij hun voor de
grootste beleeftheid gehouden.
Zij belasten zich met twee mijner mantelzakken.
Ik sloeg deeze Koriaken voor om zich met twee mijner mantel-zakken te
belasten; in het eerst scheenen ze daar in geen zin te hebben, te meer
om dat ik vorderde, dat ze tot aan Ingiga gebragt wierden; echter
verkreeg ik op het laatst door vriendelijkheden en geld, dat zij dezelve
op hunne sleeden mede namen; het belang alleen dreef hun om mij deezen
dienst te bewijzen, dog ze was mij van zo veel nut, dat ik niet geloofde
dezelve te duur betaald te hebben; daar door van mijn reisgoed ontlast,
had ik alleen maar voor mijne brieven te zorgen; ik had daar en boven
weinig vrees voor de zaaken, die ik aan deeze Koriaken toevertrouwde,
dewijl de soldaat, met de brieven van Ingiga belast, met hun te rug
keerde, en mij beloofde daar zorg voor te zullen draagen, als mede dat
mijne begeerte getrouwelijk gevolgt wierd.
De Heer Kaslof stelt mij zijne brieven ter hand en geeft mij de nodige
paspoorten tot mijne veiligheid.
Tot op het oogenblik van mijn vertrek was de Heer Kaslof bezig[103] met
zijne brieven te vervaardigen, waar mede ik volgens afspraak mij
belasten zou; hij gaf mij een _podarojenei_ of paspoort, die mij tot aan
Irkoutsk van dienst kon weezen, en waar heen hij nog daar en boven
schreef, dat men mij alle de nodige hulp moest verschaffen. Die
vrijgeleibrief was een bevel aan alle de Russische Officieren en andere
onderdaanen van de Keizerin, die ik tot daartoe ontmoeten mogt, om mij
alle gemak te bezorgen, ten einde ik mijn reis met alle zekerheid en
spoed kon vervolgen. De voorzigtigheid van den Heer Commandant verzuimde
niet om alles toetebrengen, wat mij van dienst kon weezen; hij had geen
meerdere voorzorgen kunnen gebruiken, al was ik ook zijn geliefdste
broeder geweest.
[103] Dit was waarlijk een zeer vermoeijende arbeid, wanneer men in
aanmerking neemt, dat wij in deeze yourtes niet dan leggende op de
grond konden schrijven, daar en boven waaren wij van den rook
overstelpt, en zagen onzen inkt naast ons bevriezen.
Mijne aandoeningen, wanneer ik van den Heer Kasloff moest scheiden.
Hier moet ik ophouden, want ik kan de ontroering niet wederstaan, die ik
ondervind, wanneer ik overweeg, dat ik dien beminnenswaardigen man gaa
verlaaten, aan wien de hoedanigheid van zijne ziel, nog meer dan de
bevalligheid van zijn verstand, mij voor altoos verbonden heeft.