Koriaken met rendieren bevonden, zonden wij hun aanstonds iemand toe, om
hun voortestellen van 'er ons eenige van te verkoopen, zij lieten zich
niet lang verzoeken, denzelfden dag bragten zij ons twee levendige
rendieren. Deeze toevoer kwam van pas om ons volk gerust te stellen, dat
voor gebrek aan levensmiddelen begon te vreezen; echter bedreigde het
gebrek nog meer onze honden, dewijl de voorraad van visch niet aankwam;
men doode dan in allen spoed een rendier, dog toen het op den prijs
aankwam, vonden wij ons zeer belemmerd om met de verkoopers te handelen;
ze spraken nog Russisch nog Kamschatsch, en de teekens, die ze gaven,
waaren niet minder dan verstaanbaar; wij hadden elkander nooit
begreepen, indien niet een inwoonder van Karagui ons voor tolk had
gediend.
Onderscheid tusschen twee soorten van Koriaken.
Men onderscheid twee soorten van Koriaken; de geenen, welke eigentlijk
met dien naam bestempelt worden, hebben eene vaste verblijfplaats; de
andere, die rond zwerven, zijn onder de benaaming van _Koriaken met
rendieren bekend_[94]; zij bezitten daar van groote kudden, en om ze te
voeden, brengen zij ze in die streeken, waar de mos in overvloed te
vinden is; zijn deeze weilanden afgegeeten, gaan zij anderen zoeken: zij
zwerven dus zonder ophouden, hun verblijf houdende onder tenten van
vellen, en leevende van hunne rendieren.
[94] Men zeide mij dat 'er zich van deeze zwervende Koriaken in het
eiland van Karagui bevinden, het geen zes en twintig wersten van het
dorp van dien naam in het oost-zuid-oosten van de baaij gelegen is; ik
meen dit eiland van verre gezien te hebben.
Deeze dieren zijn hun niet minder van dienst voor de reis, als de
honden voor de Kamschatters. De Koriaken, die bij ons kwamen, wierden
door twee rendieren getrokken, dog de wijze van ze voortespannen, en te
mennen, als mede de gedaante van de slêe, vorderen eene bijzondere
beschrijving; het zal best zijn, zo 't mij voorkomt, om dit uittestellen
tot het oogenblik, waar in ik, bij deeze volkeren reizende, beter in de
gelegenheid zal zijn om naauwkeurige waarneemingen te doen.
Aankomst van onze leevensmiddelen.
Deeze zo verlangde leevensmiddelen bekwamen wij eindelijk den 29 des
avonds; ze wierden ons aangebragt door den Sergeant, dien wij zedert
verscheide dagen wachteden; wij namen ons voor om den volgenden morgen
te vertrekken, dog in den nagt verhief zich een der hevigste weste en
noordweste winden; die orcaan was van sneeuw verzeld, ze viel in zulk
een overvloed, dat wij genoodzaakt wierden ons vertrek uittestellen. Om
ons daar toe te noodzaaken was een zodanig verschriklijk wêer nodig,
want de aankomst van onzen voorraad had ons ongeduld verdubbeld; deeze
was van weinig aanbelang en onze behoefte zo dringend, dat er terstond
aan begonnen wierd, zo dra dezelve ontfangen was; het was dus ons belang
om de rustplaatzen te verkorten, ten einde de voorraad niet opgebruikt
was, voor dat wij de woestenijen doorgetrokken waaren.
1788. _Maart_ Den 1. Te Karagui.
Des morgens bedaarde de wind, dog de sneeuw hield aan, en de lucht
dreigde met een anderen storm voor het einde van den dag, deeze begon
ook in der daad zich te laaten hooren tegens twee uuren in den
agtermiddag, en duurde tot aan den avond.
Beroemde Kamschatsche danseresse.
Om ons afleiding te geeven, stelde men ons voor om een proef te neemen
van de begaaftheden eener vermaarde Kamschatsche danseresse, te Karagui
woonachtig; het geen men 'er ons van verhaalde, wekte onze
nieuwsgierigheid op, en wij deeden haar komen; dog zij weigerde, het zij
uit hoofdigheid, of uit gemelijkheid, om te danssen, en scheen in het
minste geen belang te stellen in onze noodiging; te vergeefs tragte men
haar te beduiden, dat ze hier door zich onwellevend en zelfs oneerbiedig
tegens den Heer Commandant gedroeg; alles was vrugteloos; gelukkig
hadden wij brandewijn bij de hand, eenige volle glaazen scheenen haar te
doen veranderen; ter zelfder tijd begon een Kamschatter op ons verzoek
voor haar te dansen, en met de stem en gebaarden haar optewakkeren;
langzamerhand wierden de oogen van deeze vrouw vuuriger, haare houding
wierd stuiptrekkende; haar geheele lighaam beefde op de verhevenheid,
waar op zij gezeten was, de ophitsingen en het heftig gezang van haar
dansser, beantwoorde zij door gelijke poogingen met de stem, en door met
het hoofd, het welk op allerhande wijze draaide, de maat te slaan.
Welhaast wierden de beweegingen zo geweldig, dat zij zich daar op niet
houden kon, zij wierp zich op den grond, en daagde op haar beurt het
manspersoon uit door schreeuwen en door nog klugtiger verdraaijingen des
lighaams. Het is moeijelijk om het belagchelijke van haar dans
uittedrukken, alle haare ledemaaten scheenen verplaatst te zijn, zij
beweegde die met zo veel kragts als snelheid, de handen bragt zij aan
haar boezem met een soort van woede, ontbloote dien en vatte ze aan,
even als of ze die benevens haare kleederen wilde verscheuren. Deeze
vreemde vervoeringen waaren van nog vreemder gebaarden verzeld; in een
woord, het was geen vrouw meer, maar wel eene Furie; In haare verblinde,
krankzinnigheid zou zij zich in het vuur geworpen hebben, het welk in
het midden van de yourte aangestoken was, indien haar man zich niet
gehaast had om 'er een bank voortezetten, ten einde haar zulks te
beletten; hij gebruikte daar en boven de voorzorg van geduurig bij haar
te blijven; wanneer hij zag dat ze geheel buiten kennis was, en zich aan
alle kanten nederwierp als mede dat ze genoodzaakt was, wilde zij
staande blijven, van zich aan haar voordansser vast te houden, nam hij
haar in zijn armen en bragt haar op de verhevenheid; ze viel daar op
neder als een klomp, zonder bewustheid en buiten adem; ze bleef bijna
vijf minuuten in dien staat, ondertusschen hield de Kamschatter,
grootsch op zijne overwinning, niet op met zingen en danssen. Tot haar
zelfs gekomen hoorde deeze vrouw naar hem; somtijds stond zij
niettegenstaande haare zwakheid op, en bragt onverstaanbaare klanken
uit; men zou gezegt hebben, dat zij deezen moeijelijken tweestrijd weder
wilde beginnen, haar man wederhield haar, en verzogt dat ze mogt
uitscheiden, dog de overwinnaar zich verbeeldende van niet vermoeid te
kunnen worden, ging voort met haar aantezetten; wij moesten van ons
gezag gebruik maaken, om hem het stilzwijgen opteleggen;
niettegenstaande de lofspraaken, die aan de begaaftheden der vertooners
gegeeven wierden, moet ik bekennen, dat ik echter het toneel niet
bevallig vond, ik zal meer zeggen, ik zag het met weerzin.
Liefhebberij van deeze volkeren voor den Tabak.
Mannen & Vrouwen, alles rookt en kaauwt hier tabak; door eene
toebereiding, die mij niet bekend is, vermengt men dezelve met asch, om,
zo als men zeide, ze des te sterker te maaken; de inwooners, aan welke
wij snuif aanboden, bragten ze niet aan hun neus, maar aan den mond; ik
bezag hunne pijpen, zij hadden dezelve gedaante als die der Chinezen,
alle waaren ze van been en zeer klein; wanneer ze rooken, wagten ze zich
wel om den rook uitteblaazen; ze zwelgen dien met smaak in.
Afscheid der toyons, die ons tot een geleide gedient hadden.
Alle de toijons der Ostrogs, door dewelke wij van Ozernoi af
doorgetrokken waaren, hadden ons, uit achting en tot eene eerbetooning
voor den Heer Kasloff, tot aan Karagui uitgeleide gedaan.
Den tweeden dag na onze aankomst, hadden zij van ons afscheid genomen om
ieder naar hun dorp te rug te keeren; hunne jongste groet was zeer
hartelijk; na nogmaals op nieuw vergeeving aan hun Commandant gevraagt
te hebben, dat ze hem niet beter op zijn reis hadden ontfangen,
betuigden zij hem derzelver levendigste aandoeningen over de scheiding
van hem, even als of ze hem in het midden der grootste gevaaren gelaaten
hadden, ze booden hem alles aan wat zij bezaten, kennende geen andere
blijken van erkentenis. Zij vervoegden zich even zo aan mij, met
nadruklijk beede, om van hun het een of ander te willen aanneemen, te
vergeefs weigerde ik zulks, dit maakte hunne verzoeken des te
dringender, en om ze te vergenoegen, was ik genoodzaakt hunne geschenken
aan te neemen.
Blijken van genegenheid, die mij de Kamschatters gaven.
Hier vind ik mij genoodzaakt om aan het geheele Kamschatsche volk, het
geen ik gaa verlaaten, mijne verplichtingen te vervullen, welke
derzelver handelingen ten mijnen opzichte van mij vorderen. Het vermaakt
mij, wanneer ik mij voor den geest breng het verplichtend onthaal, het
geen ik van het zelve genooten heb; ik heb deszelfs herbergzaamheid en
zagtäartigheid recht gedaan, dog ik heb niet genoeg uitgeweid over de
blijken van genegenheid, welke deeze goede luiden mij gaven. Daar zijn,
zo ik meen, geene opperhoofden van Ostrogs, die mij niet eenige kleine
geschenken deeden; dan eens was het een sabelmarter of vosse-vel, dan
eens vrugten of visch, en zodanige andere zaaken, die zij dagten, dat
mij aangenaam zouden weezen. Ik mogt mij tegens hunne aanbiedingen
verzetten, zij kwaamen geduurig weder op het zelfde en noodzaakten mij
om het aanteneemen, men zou gezegt hebben, dat zij zeer gezet waaren om
het onrecht, dat zij zo lang den Franschen naam aangedaan hadden, ten
mijnen opzichte te verbeteren; dikwils bedankten zij mij, dat ik hun ten
onzen opzichte andere denkbeelden gegeeven had; somtijds waaren zij ook
geneigd om daar berouw over te toonen, wanneer zij bedagten, dat zij mij
niet meer zien zouden, en dat mijne landgenooten zeldzaam in het geval
waaren van door hun schier-eiland te reizen.
1788. _Maart_ Den 2.
Vertrek van Karagui en gedwonge omweg door het losgaan van het ijs in
eene baaij.
Wij vertrokken des morgens ten één uur van Karagui met redelijk stil
weer, het geen den geheelen dag aanhield, de eenigste tegenspoed, dien
wij op onze reis ondervonden, was, dat wij niet, gelijk wij gehoopt
hadden, eene baaij konden overtrekken, die door den wind van daags te
vooren was los gegaan, wij moesten dezelve dus omreizen. Deeze baaij is
diep, ze is agt a tien wersten breed, en de richting van haar loop
scheen mij toe noord-oost en zuidwest te weezen, het ys was alleen maar
tot aan deszelfs mond gebroken, en van daar was ze weer digt tot in zee:
met den omweg, tot welke deeze ontdooijing ons noodzaakte, kan onze
dagreis op vijftig wersten bepaald worden.
Gesteltheid van onze rustplaatzen in het open veld.
Bij het vallen van den nagt hielden wij in het open veld stil; aanstonds
waaren de tenten opgeslaagen. Onder de grootste, den Heer Kasloff
toebehoorende, wierd zijn en mijn vezock met de portieren tegen elkander
geplaatst, zo dat wanneer wij de glazen, die van talkbladen waaren,
neerlieten, wij gemaklijk zamen spreeken konden; de overige sleeden
waaren twee aan twee rondom onze tent geplaatst, en de tusschenruimte
van de eene slee tot de andere was met lijnwaat of vellen bedekt, onder
welke onze geleiders en de luiden van ons gevolg zich in veiligheid
konden stellen en hunne bedden maaken; dusdanig was de gesteldheid onzer
rustplaatzen in het open veld.
Waar in ons avondeeten, onze eenigste maaltijd, bestond.
Zo dra als de ketel overgehangen was, dronken wij thée, vervolgens was
men bezig met het avondeeten in gereedheid te brengen, het geen elken
dag onze eenigste maaltijd was. Een Corporaal had het bestier als
Hofmeester en als Kok; de geregten, die uit zijne handen kwamen, waaren
nog talrijk nog lekker, dog de spoed waar mede hij ze toebereide, en
onze honger maakte ons daar omtrent toegeevende. Hij diende ons
gewoonlijk een soup, met beschuit van zwart brood en rijst of gort,
voor, en ziet hier hoe hij ze vervaardigde: hij nam een stuk osse- of
rendiere-vleesch, en voor dat hij die in het kookende water deed, sneed
hij ze aan zeer dunne stukjes, die in een oogenblik gekookt waaren.
Daags voor ons vertrek van Karagui had men ons tweede rendier gedood en
begonnen; wij vergastten ons op deszelfs merg; ik vond ze raauw of
gekookt zeer smakelijk; wij deeden ook de tong kooken, en ik weet niet
ooit iets beters gegeeten te hebben.
1788. _Maart_ Den 3.
Onze honden beginnen gebrek te lijden, verscheiden raaken om het leeven.
Wij hervatteden onze reis in den vroegen morgen, dog het was ons
onmogelijk meer dan vijf-en dertig wersten afteleggen; de wind was
veranderd; wederom in het westen en in het zuid-westen gekomen, verhief
hij zich op nieuw met eene groote hevigheid en wierp ons den sneeuw in
het aangezicht. Onze leidslieden hadden veel te lijden, echter nog
minder dan onze honden, waar van verscheiden op weg omkwamen, uitgeput
van vermoeidheid; de overigen konden ons uit zwakheid door gebrek aan
voedzel niet voorttrekken, men gaf hun niet meer dan het vierde van hun
gewoon rantsoen, en naauwlijks hielden wij voor hun nog voor twee dagen
voorraad over.
Een Soldaat naar Kaminoi gezonden om aldaar onderstand te zoeken.
In deezen nood zonden wij een soldaat naar het Ostrog van Kaminoi, om
aldaar onderstand te zoeken, en om ons te gemoet te doen komen het
geleide, hetwelk den Heer Kasloff daar moest afwachten: Dit was een wagt
van veertig mannen, die men hem van Ingiga op de eerste tijding van den
opstand der Koriaken toegezonden had.
1788. _Maart_ Den 4. Te Gavenki.
Aankomst in het dorp van Gavenki.
Beschrijving van Gavenki.
Wij hadden nog maar vijftien wersten afteleggen, om het dorp of vlek van
Gavenki te bereiken; wij hoopten aldaar visch voor onze honden te
vinden, en in dit vertrouwen waagden wij het om hun des avonds een
dubbelde portie te geeven, ten einde dezelve in staat te stellen, om ons
derwaarts te geleiden. Na den nagt even als den voorigen doorgebragt te
hebben, begaven wij ons des morgens ten drie uuren op weg, wij
verlieten den oever van de zee niet, tot aan Gavenki, alwaar wij ten
tien uuren aankwamen; dit dorp is dus genaamd ter oorzaake van deszelfs
slegte vertooning en elendigen staat[95], men ziet 'er in der daad niets
anders dan twee yourtes, die dreigen intevallen, en zes slegt gebouwde
balagans van kwaad krom hout, het welk de zee somtijds op den oever
werpt, want 'er is hier geen boom in de nabuurschap; alleen ontdekt men
van ver eenig zeer slegt en zeer dun gezaait heestergewas. Het
verwonderde mij niet te verneemen, dat 'er onlangs meer dan twintig
inwoonders vrijwillig verhuist waaren om elders eene betere gelegenheid
optezoeken; tegenwoordig bestaat de bevolking van dit gehugt in vijf
geslachten, dat van den toijon 'er onder begreepen; daar en boven teld
men onder dit getal twee Kamschatters, die van het eiland Karagui zich
hier zijn komen nêerzetten. Men zeide mij de reden van hunne
verplaatzing niet, dog ik twijffel of ze bij die verandering wel
gewonnen zullen hebben.
[95] Deszelfs naam word ontleent van het woord GAUNA, het welk drek
betekent.
Twist tusschen één van onze Sergeanten en twee Inwoonders van Gavenki.
Straf der schuldigen.
Wij waaren nog geen uur te Gavenki, of 'er ontstond verschil tusschen
een Sergeant van ons gevolg en twee boeren van het dorp, bij wien hij
zich vervoegt had om hout te verkrijgen; deeze antwoorde zeer bars, dat
ze het zelve niet geeven wilden; uit de eene woordenwisseling tot de
andere raakten de hoofden verhit, de Kamschatters, weinig bevreest voor
de bedreigingen van den Sergeant, trokken hunne messen[96], en vielen op
hem aan, dog op dit oogenblik wierden zij door twee van onze Soldaaten
ontwapend; zodra de Heer Commandant van deeze daad van geweld onderricht
was, gaf hij bevel, dat men een voorbeeld stelde door de schuldigen te
straffen; hij deed ze voor de yourte brengen, waar in wij ons bevonden,
en hij nodig oordeelende om de andere inwoonders vrees aan te jaagen,
kwam buiten om zelfs de straf te zien uitoeffenen, de toijon, die bij
mij ter gezelschap gebleeven was, begon als toen zich tegens mij
onvergenoegd te toonen over de strengheid, met welke men zijne twee
landgenooten behandelde; zijn gezin omringde mij, terwijl het zelve nog
harder schreeuwde dan hij. Ik was alleen, echter beproefde ik om hen
gerust te stellen, wanneer ik gewaar wierd, dat de Heer Kasloff zijne
wapenen vergeeten had; ik sprong naar onze sabels op de beweeging, die
de toijon maakte om naar buiten te gaan, en ik volgde hem van nabij.
Reeds had hij zich bij den Heer Commandant gevoegd, en ruide alle zijne
buuren op, hij verzocht, met een groot geschreeuw, dat men de
misdadigers losliet, hij was, zeide hij, hun eenigste rechter, het kwam
alleen hem toe om ze te straffen; die oproerig geschreeuw beantwoorde de
Heer Kasloff alleen met een donker gelaat, het geen de onbeschaamde
boeren en derzelver opperhoofd verbaasde; deeze sprak nog eenige
woorden, dog men greep en noodzaakte hem, om bij de kastijding, die hij
meende te beletten, tegenswoordig te zijn; van de twee oproermaakers,
die de straf ondergingen, was de een een jongman van agttien jaaren, en
de ander een man van agtentwintig a dertig, ze wierden ontkleed en op
den grond gelegd, twee Soldaaten hielden hun de beenen en de handen
vast, terwijl vier anderen een hagelbui van slaagen op hunne schouders
deeden vallen; men sloeg ze dus den een na den ander met rijsjes van
gedroogd denne hout, die hun lighaam vol bloed maakten; op de voorbede
der vrouwen, welke overal van een mêedogender aart zijn uit hoofde van
de zwakheid haarer sexe, wierd de straf afgebroken, men gaf haar den
jongman over, aan wien zij op het oogenblik eene vermaaning gaaven,
welke hij gemakkelijk missen kon, want hij was niet in staat om ze te
hooren, en nog minder om in gedagten te neemen van zich voor de tweede
keer te willen verzetten.
[96] Deeze messen waaren omtrent twee voet lang, dezelve zijn aan de
gordel vastgemaakt, en hangen tot op de dijen.
De Inwoonders weigeren ons visch.
De gestrengheid, waar van de Heer Commandant zich in deeze gelegenheid
bediende, was des te noodzaaklijker, dewijl wij hier reeds den
besmettelijken overgang van den onrustigen aart der Koriaken ontwaar
wierden. De zeden van deeze het tegenovergestelde zijnde van die der
Kamschatters, welke wij verlieten, deeden ons die der bewoonders van
Gavenki twijffelen, of het nog wel het zelfde volk was. Zo veel reden
wij hadden om over den iever en de goedaartigheid der anderen te vreden
te zijn, zoo veel te meer moesten wij ons beklaagen over de
hardnekkigheid en de bedriegerij van deeze. Welke aanzoeken wij ook bij
hun deeden, wij konden maar geen visch voor onze honden verkrijgen, zij
verzekerden ons koeltjes, dat zij 'er geen hadden, hunne dubbelzinnige
antwoorden verraadden hun, en het duurde niet lang of onze leidsluiden
wierden 'er de valschheid van gewaar, met alles te doorsnuffelen
ontdekten ze onderaartsche bewaarplaatzen, alwaar deeze lieden bij onze
aankomst hunnen voorraad verborgen hadden. Niettegenstaande de voorzorg,
die ze gebruikt hadden om 'er het spoor van te verbergen, door ze
kunstiglijk met aarde en sneeuw te bedekken, wierd in korten tijd alles
door onze honden opgespoord, wien door hunne neuzen en den honger de weg
geweezen wierd; op het gezicht van hunne diepe kelders en van den visch,
dien men 'er uithaalde, bragten deeze boeren de slegtste redenen voort
om zich te rechtvaardigen, deeze verdubbelden onze verontwaardiging, en
zonder een overblijfzel van medelijden met hun, hadden wij alles
weggenomen, dog wij vergenoegden ons met 'er een gedeelte van te neemen.
Visch, dien men op deze kusten vangt.
Uit het geen wij in deeze kelders vonden, scheen het, dat men salm,
haring, kabeljaauw, zeepaarden en verscheide andere halfslagtige dieren
op deeze kusten vischt.
Meir in den omtrek van Gavenki.
Men vind geen bron nog rivier in de nabuurschap, maar alleen een meir,
dat het water aan de inwoonders van Gavenki verschaft; zij gebruiken des
winters de voorzorg om het ijs, waar mede het zelve bezet is, te
breeken, waar van ze groote stukken t'huis brengen, vervolgens werpen ze
die in een soort van bakken, die in de yourte opgehangen worden ter
hoogte van een manslengte; de warmte is daar sterk genoeg om het ijs
langzamerhand te doen smelten, en het is hier, dat ieder water komt
haalen, wanneer men dorst heeft.
Men ziet bij dit dorp een berg of een soort van verschanssing in de
manier van deeze volkeren, die daar eertijds in hunne oproerigheden de
wijk namen.
1788. _Maart_ van den 5. tot den 9.
Vertrek van Gavenki.
Wij hielden ons te Gavenki maar twaalf a dertien uuren op; wij
vertrokken van daar des nagts om ons naar Poustaretsk te begeeven, het
welk 'er meer dan twee honderd wersten van afgelegen is; wij hadden vijf
volle dagen nodig om dien overtogt te doen, nimmer was onze reis nog zo
moeijlijk geweest; wij hadden ons over het wêer van den eersten dag niet
te beklaagen, dog den volgenden overviel ons de sneeuw en de
stormbuijen; de een volgde de ander zonder tusschenpoozing en met zo
veel hevigheids, dat onze leidslieden 'er verblind van wierden, vier
treden voor hun uit konden zij niets onderscheiden, zij zagen zelfs de
slee niet, die hun oogenbliklijk volgde.
Onze wegwijzer doet ons verdwaalen.
Tot overmaat van ramp, was de wegwijzer, dien wij te Gavenki genomen
hadden, oud en kort van gezicht, ook deed hij ons somtijds verdwaalen,
als dan liet hij ons stil houden, en ging alleen voorwaards om een punt
van verzameling te zoeken, maar hoe zulks te vinden in eene zo
uitgebreide vlakte, met sneeuw bedekt, en alwaar men nog bosch, nog
berg, nog rivier gewaar word? Alle oogenblikken faalde de ondervinding
van onzen leidsman door het slegte weêr, niettegenstaande de
ongelooflijke kundigheid, die hij van deeze wegen had; het geringste
heuveltje of heestertje was genoeg om hem weêr op den weg te helpen;
daar hij zich echter somtijds wel eens bedroog, meenden wij dagelijks
wel twintig wersten besteed te hebben aan omwegen, die hij ons
veroorzaakte.
De honger beroofde ons van de honden.
Ten einde van twee dagen waren mijne honden op een enkelden visch
gebragt, die onder allen verdeeld wierd. Het gebrek aan voedzel benam
hun welhaast de krachten, naauwlijks konden zij ons trekken, de een viel
neder onder de slagen van onze geleiders, de ander weigerde langer
dienst te doen; verscheiden bleeven op de plaats van gebrek dood; van de
zevenendertig honden voor mijn vezock gespannen, wanneer ik van
Bolcheretsk vertrok, had ik er niet meer dan drie-en-twintig
overgehouden, en nog waaren dezelve zeer zwak; de Heer Kaslof had
insgelijks veele van de zijnen verlooren.
Het gebrek wierd op het laatst zo groot, dat wij ons op het punt gebragt
zagen van niet uit deeze woestijn te kunnen koomen; onze honden
volstrekt geen visch meer hebbende, waaren wij verplicht, om ze in het
leeven te behouden, van hun van onzen eigen voorraad te geeven, dog
derzelver aandeel was maatig; de voorzichtigheid beval ons de
gestrengste bezuiniging.
Wij laaten ons reisgoed op het midden van den weg.
In deeze droevige omstandigheid verlieten wij onze goederen op het
midden van den weg, onder bewaaring van eenige onzer leidsluiden, en na,
onder het voorspan van deeze sleeden de minst slegte honden uitgekoozen
te hebben, om de geenen, die ons ontbraken, te vervullen, vervolgden wij
onzen weg.
Nieuwe zwaarigheden.
Wij waaren niet buiten moeijelijkheid nog ongerustheid; het water begon
ons te ontbreeken, de eenigste kleine beek, die wij onder weg vonden,
was bevroozen, wij moesten besluiten om ons met sneeuw te laaven. Gebrek
aan hout was eene andere verlegenheid; geen boom stond 'er op onzen weg,
wij reisden somtijds een werst, om een slegt heester gewas, dat geen
voet hoogte had, te ontdekken, alle, die zich aan ons oog aanboden,
wierden ook dadelijk afgesneeden en mede genomen, uit vrees van 'er
verder op geen te zullen vinden, dog deeze waaren zo klein en zeldzaam,
dat ze niet voldoende bevonden wierden om onze spijs te kooken. Er was
dus geen gelegenheid om ons te verwarmen, echter was de koude
allerstrengst, en de traage voortgang van onze reis gaf ons gelegenheid
om te klappertanden; bij iederen tred waaren wij genoodzaakt stil te
houden, om de honden aftespannen, die de een na den ander stierven.