Deszelfs meerderheid boven zijne landgenooten heeft hem eenig aanzien

verschaft; dog deeze heeft 'er ongetwijffeld veel minder aan toegebragt,

dan wel zijn levendige geest en zagtheid van aart; hij woont en leeft

bij den Heer Major Orléankoff; de vrijheid waar mede hij, het zij bij

den Commandant, het zij elders, binnen treed, zou onder ons voor

onbeschaamdheid of ten minsten voor grove lompheid gehouden worden;

zonder omslag zet hij zich aanstonds zo gemaklijk als hem mogelijk is,

en wel op den eersten stoel, dien hij maar aantreft, hij vraagt

terzelver tijd al wat hij nodig heeft, of wel neemt hij het zelfs,

wanneer het maar onder zijn bereik is; hij rookt bijna zonder ophouden,

zijn pijp is kort en met zilver vercierd, daar kan weinig tabak in, dog

hij vuld ze elk oogenblik. Het rooken is voor hem een zodanige behoefte,

dat men veel moeite heeft gehad om hem te beduiden, dat hij zijn pijp

niet over tafel gebruikte. Zijn doordringend oordeel is zeer werkzaam,

hij bevat alles, wat men hem wil doen begrijpen, met eene verwonderlijke

vlugheid, boven al schijnt hij zeer nieuwsgierig en een groot

waarneemer. Men heeft mij verzekerd, dat hij naauwkeurige aantekening

houd van al het geen hij ziet, en van het geen hem wedervaart, en in der

daad de voorwerpen en de gebruiken, die hij onder zijne oogen heeft,

zijn zo afwijkende van die, welke zijn vaderland oplevert, dat alles hem

stof tot aanmerkingen verschaft: oplettend op het geen gebeurd, en in

zijne tegenwoordigheid gezegt word, schrijft hij zulks op uit vreeze van

het te vergeeten; de teekens, die hij maakt, scheenen mij ten naasten

bij dezelfde als die der Chineezen, dog de manier van schrijven is

verschillende, deeze schrijven van de regter naar de linker zijde,[85]

en de Japoneezen van de hoogte naar de laagte;[86] hij spreekt genoeg

Russisch om zich te doen verstaan, echter moet men aan zijne uitspraak

gewoon zijn, om verkeering met hem te hebben; hij spreekt ongemeen snel,

het geen veroorzaakt, dat men veel van hem verliest, of dat daar door de

betekenis veranderd word; zijne antwoorden zijn in 't algemeen levendig

en natuurlijk, nooit ontveinst hij zijn manier van denken, en men kan

zich niet openhartiger over een ander uitlaaten, dan hij doet. Zijn

gezelschap is aangenaam en zijn humeur altoos vrij gelijkvormig, hoewel

zeer geneigd tot wantrouwen. Heeft hij het een of ander verlegd,

aanstonds verbeeld hij zich, dat hem zulks ontvreemd is, het geen hem

dikwils een ongeruste houding geeft. Ik bewonderde zijne maatigheid, die

waarlijk het tegengestelde is van het geen men in dit land ziet. Wanneer

hij voorneemens is van geen sterken drank te gebruiken, is het

onmogelijk om hem overtehaalen van 'er van te proeven, hij eischt die

wanneer hij 'er lust toe heeft, dog nooit gaat hij zich daar in te

buiten. Ik merkte nog op, dat hij op de wijs der Chineezen zich in het

eeten van twee kleine stokjes met de grootste behendigheid bediende.

[85] De Chineezen beginnen hunne boeken, daar wij de onze eindigen,

namelijk van het laatste blad.

[86] Zij schikken hunne letters in reijen.

Japansche muntspecien.

Ik verzogt hem om muntspecien van zijn vaderland te zien, en hij

beieverde zich om mijne nieuwsgierigheid te voldoen. De gouden munt is

een plaat van omtrent twee duim lang, niet dik en bijna ovaal,

verscheiden Japansche teekens zijn op deeze stukken gegraveerd: het goud

scheen mij toe zeer goed te zijn, zonder eenige vermenging, het buigt

zich zo als men begeert. De zilveren specie is vierkant, minder groot en

dik, en van minder zwaarte dan het goud, nogtans verzekerde hij mij,

dat de laatste in Japan meer waarde had. Het koper geld is volmaakt het

zelfde als het _cache_ der Chineezen; het is rond en ten naasten bij van

grootte als de Fransche twee oortjens stukken. In het midden is het in

het vierkant doorboord.

1888. _Februarij_ Den 11.

Koopmanschappen die een gedeelte van de lading uitmaakten van het

Japansche schip.

Ik deed hem nog eenige vraagen over den aart der Koopmanschappen, die

men uit hun schip geborgen had, en ik begreep uit zijne antwoorden, dat

ze voornamelijk bestonden in kopjes, schaaltjes, doozen en andere fraaij

verlakte zaaken van dit soort; ik vernam nog, dat ze daar van een

gedeelte in Kamschatka verkogt hadden.

Ik twijffel niet, of men zal mij deeze uitweiding over die Japoneezen

wel ten goeden houden, ik kan mij niet voorstellen, dat men ze ongepast

zal vinden, ze zal kunnen dienen om een volk te leeren kennen, dat wij

zo zeldzaam in het geval zijn van te zien en waarteneemen.

Den 12.

Vertrek van Nijenei Kamschatka.

1788. _Februarij_ Den 13.

Na omtrent drie dagen te Nijenei Kamschatka doorgebragt te hebben,

vertrok ik den 12 des namiddags ten één uur, om mij weder bij den Heer

Kasloff te vervoegen, dien ik zeker was van te Yelofki te zullen

aantreffen; ik keerde dan te rug, ten einde mijn weg te vervolgen, dien

ik verlaaten had. Ik kwam vrij tijdig te Tchoka, het laatste dorp, dat

ik doorgetrokken was, om mij naar Nijenei te begeeven, en het welk,

gelijk men gezien heeft, twee en twintig wersten van daar gelegen is.

Hier heerscht een hevige en bijna geduurige wind uit het westen, men

vind daar van de reden in de legging van dit dorp aan de rivier,

tusschen twee ketens van bergen, welke door deeze gescheiden word, en

die zich vijfentwintig wersten langs deszelfs twee oevers uitstrekken.

Ik bragt den nagt te Kamokoff door, en den volgenden morgen bereikte ik

in weinig uuren het Ostrog van Kamini of van Pierre, van daar nam ik den

weg op Kartchina, onderweeg trok ik voor bij drie meiren, waar van het

laatste zeer uitgestrekt was, en weinig minder dan vier a vijf uuren

omtrek heeft. Ik sliep in dit laatste Ostrog, veertig wersten van het

voorige en gelegen op de rivier van Kartchina[87].

[87] In het algemeen, hebben bijna alle de dorpen dezelfde naamen als

de rivieren, aan welkers oevers zij geplaatst zijn, uitgezonderd

nogtans die geenen, welke op de Kamschatka zijn gelegen.

1788. _Februarij_ Den 14.

Ik vertrok van daar met het aanbreeken van den dag, en niettegenstaande

het slegte wêer, dat ik geduurende dien geheelen dag ondervond, reisde

ik evenwel de zeventig wersten, die ik nog tot Yelofki afteleggen had:

dit Ostrog is op de rivier van denzelfden naam gelegen, en van bergen

omgeeven.

Ik voeg mij weder bij den Heer Kasloff te Yelofki.

De Heer Commandant prees mijnen gemaakten spoed, dog ik had mij te

vergeefs gevleid, dat het oogenblik van onze hereeniging ook dat van ons

vertrek zou weezen; de zaaken zijner bediening, die hem derwaarts

geroepen hadden, waaren nog niet afgeloopen, het geen hem noodzaakte om

zijn verblijf te verlengen; daar en boven hoopte hij, dat de Heer

Schmaleff ook niet lang zou agterblijven, dewijl, wanneer wij onze

reismaat in aanmerking namen, het mogelijk geweest was, dat hij ons te

Yelofki aangetroffen had. Wij bleeven 'er nog vijf dagen, zo om de

zaaken te eindigen als om hem te vergeefs te wagten; de Heer Commandant

aan mijn ongeduld toegeevende bewilligde in ons vertrek op den 19 des

morgens zeer vroeg.

1788. _Februarij_ Den 19.

Storm die ons op weg overviel.

Wij deeden in het begin vier en vijftig wersten vrij langzaam af, dog in

den agtermiddag wierden wij door eenen ijsselijken storm uit het westen

en noord-westen overvallen; wij bevonden ons in het open veld, de

wervelwinden waaren zo hevig, dat het ons onmogelijk was verder te

komen; de sneeuw, daar door bij vlaagen opgenomen, vormde in de lucht

eenen dikken nevel, en onze leidsluiden wilden, niettegenstaande de

kennis, die zij van de wegen hadden, niet meer instaan voor het

verdwaalen. Wij konden hun maar niet beweegen om ons verder te brengen,

het was echter onmenschelijk hier op de genade van een zo geweldigen

orcaan te blijven leggen; wat mij betreft, ik erken, dat ik zeer

mismoedig wierd, wanneer onze geleiders voorsloegen om ons digt bij een

bosch te brengen, het welk zij ons zeiden niet ver afgelegen te zijn, en

alwaar wij ten minsten ons eenigermaate in veiligheid konden stellen.

Wij aarzelden niet om van hunnen goeden wil gebruik te maaken, dog voor

dat wij dien weg verlieten, die onmogelijk te onderscheiden was, moesten

wij nog wachten, tot dat alle de sleeden van ons gevolg bij een waaren,

anders hadden wij gevaar geloopen, om van elkander te geraaken en

elkander te verliezen; de vereeniging geschied zijnde, bereikten wij dit

bosch, het geen gelukkig op den afstand, dien men ons gezegd had,

gevonden wierd; omtrent ten twee uuren nadenmiddag hielden wij stil.

Noodwendige stilhouding bij een Bosch.

Manier waar op de Kamschatters hun bed op de sneeuw vervaardigen.

De eerste voorzorg van onze Kamschatters bestond daar in, om een gat in

de sneeuw te graaven, welke ter dezer plaats ten minsten zes voeten diep

was, anderen bragten hout aan, in een oogenblik was het vuur

aangestoken, en de ketel geplaatst; een sobere maaltijd en eenige maaten

brandewijn herstelden welhaast al ons volk; toen de nagt aankwam, hield

men zich met de middelen bezig, om dien zo goed mogelijk op ons gemak

doortebrengen, ieder werkte aan zijn bed, het mijne was in mijn

_vezock_, alwaar ik mij in kon neerleggen, dog niemand als de Heer

Commandant en ik hadden een zo gemaklijk rijtuig. Hoe, zeide ik tot mij

zelfs, zullen het die arme menschen met slaapen maaken? Ik was welhaast

buiten ongerustheid omtrent hun; de wijze, waar op ik hun derzelver bed

zag toebereiden, verdiend verhaald te worden, hoe zeer ze 'er niet veel

werk van maaken; na eerst een gat in de sneeuw gemaakt te hebben,

bedekten zij het zelve met kleine takken van boomen, en wel de dunste,

die zij vinden konden, vervolgens wikkelden zij zich in een _Kouklanki_,

en na het hoofd in de kap, die 'er aan vastgemaakt was, gestoken te

hebben, lagen zij zich neder even als op het beste bed des waerelds; wat

onze honden betreft, deeze wierden uitgespannen en aan de boomen rondom

vastgemaakt, alwaar zij den nagt zo als gewoonlijk op de sneeuw

doorbragten.

1788. _Februarij_ Den 20.

De wind sterk geminderd zijnde, begaven wij ons voor den dag wederom op

weg, wij hadden nog dertig wersten afteleggen om ons naar Ozernoi te

begeeven, alwaar wij voorneemens geweest waaren om den voorigen nagt te

slaapen; wij kwamen daar des morgens ten tien uuren aan, dog onze

honden ten uiterste vermoeid zijnde, waaren wij genoodzaakt aldaar het

overige van den dag en zelfs den nagt te blijven in hoop, dat de wind,

die in den agtermiddag wederom met de grootste hevigheid begon op te

steeken, in dien tusschentijd zou bedaaren.

Ostrog van Ozernoï.

Het Ostrog van Ozernoï ontfangt zijn naam van een meir in deszelfs

nabuurschap; de rivier Ozernaïa loopt langs dit dorp, dog ze is van

weinig belang; het huis van den toijon is de eenigste isba, die ik te

Ozernoï gezien heb, en men zeide mij, dat ik 'er tot aan de stad Ingiga

geene meer zou aantreffen; daar en tegen telde ik vijftien balagans en

twee yourtes. Ik behoorde hier deeze onderaardsche wooningen te

beschrijven, dog dewijl deeze klein zijn in vergelijking van die, welke

ik welhaast gelegenheid zal hebben waarteneemen, wil ik liever de

beschrijving tot dat tijdstip uitstellen.

Den 21.

Wij vertoefden den 21. nog te Ozernoi, om daar te vergeefsch een

Sergeant van het gevolg van den Heer Commandant aftewachten, dien hij

naar de stad Nijenei-Kamschatka had afgezonden.

Den 22.

Den volgenden morgen begaven wij ons naar Ouké, wij waaren daar zeer

vroeg; als hebbende maar zes en twintig wersten afgelegt, wij beslooten

niet verder te gaan, om aan den Sergeant gelegenheid te geeven van zich

weder bij ons te kunnen voegen, gelijk men hem bevolen had, dog hij kwam

niet.

Ostrog van Ouké.

Te Ouké vind men geen eene isba, dit Ostrog bestaat alleen uit een

twaalftal balagans en twee ijourtes, men had 'er een voor den Heer

Kasloff schoongemaakt, en wij bragten daar den nagt door.

1788. _Februarij_ Den 23.

Wij verlieten dit dorp met het aanbreeken van den dag, ter halver weg

wierden wij een aantal balagans gewaar, die alleen maar, zo men ons

verhaalde, bewoond worden ten tijde van den vischvangst; niet ver van

daar, zagen wij de zee weder, en wij reeden ze eenigen tijd langs. Ik

wierd zeer verhinderd om in persoon te kunnen ontdekken, tot op welken

afstand ze digt lag, of welke de strekking van dit gedeelte der oostkust

van Kamschatka is. Een noordewind overviel ons, en voerde ons de sneeuw

met zo veel gewelds in de oogen, dat men maar alleen moest denken om ze

afteweeren; daar en boven hing 'er over de zee een nevel, die van den

oever af begon, en zich wijd scheen uittestrekken. Dit duistere gordijn

verborg dezelve bijna geheel aan het oog; de bewoonders des lands, die

ik ondervroeg, antwoordden mij, dat wij langs eene niet zeer ruime baaij

gekomen waaren, en dat de zee tot op dertig wersten ver van de kust met

ijs bedekt was.

Te Khaluli een met leer bedekte baidar.

Ik vond te Khaluli, een Ostrog aan de rivier van deezen naam, zes en

zeventig wersten van Ouké, en niet ver van den zeekant gelegen, niet

meer dan twee yourtes en twaalf a dertien balagans, dog ik zag daar met

vermaak een baidar met leer bedekt. De lengte van deeze schuit of boot

was omtrent van vijftien a agttien voeten, en de breedte van vier

voeten, het geraamte was van vrij dunne planken, het welk als latwerk

aangelegt was. Een langer en zwaarder stuk hout dan de andere diende

voor de kiel, de dwarshouten waaren met riemen vastgemaakt, en dit alles

overdekt met verscheide vellen van zeepaarden en zeewolven van de

grootste soort; de wijze waar op deeze vellen toebereid en digt aan een

genaaid waaren, zo dat het water niet in de schuit kon doordringen,

behaagde mij het meest, ze scheen mij van gedaante als de onze, dog

minder rond, ook had ze die zwier niet, aan de uiterste einden enger,

eindigde ze in een punt en was aan de kiel plat, de ligtheid dezer

vaartuigen zeer geneigd tot omslaan, heeft deeze zamenstelling

noodzaaklijk gemaakt, waar door ze meer evenwichts verkrijgt; deeze

baidar was onder een loots geplaatst, die gemaakt was om ze voor de

sneeuw te bewaaren. De toijon van Khaluli ons zijn yourte ingeruimd

hebbende, verbleeven wij daar des nagts, want wij moesten tot den

volgenden morgen wagten, eer wij ons op weg konden begeeven; de wind was

na onze aankomst meer opgestoken, en verminderde niet voor des nagts.

1788. _Februarij_ Den 24.

1788. _Februarij_ Den 25.

Ten tien uuren des morgens hadden wij Khaluli uit het gezicht verlooren;

wij waaren het oude dorp van dien naam voorbijgetrokken, het gene

onlangs verlaaten is uit hoofde van deszelfs slegte gelegenheid. Wij

vonden wat verder eenige verlaaten wooningen, welke eertijds het dorp

van Ivaschkin uitmaakten, om dezelfde reden eenige wersten van zijn

eerste standplaats overgebragt, vervolgens zagen wij de zee weder, en

wij volgden nog geduurende eenigen tijd de Oostkust; zij vertoonde ons

ter deezer plaats eene andere baaij, die ik gaarne op mijn gemak had

willen beschouwen; dog de dikke nevel, die van den oever af over de zee

hing, liet mijn oog niet toe om tot aan den anderen kant van het ys te

zien; alleen scheen het mij toe, dat de nevel opklaarde, naar maate dat

de wind, die tot hier toe west en noordwest geweest was, meer naar het

noordoosten liep.

Ostrog van Ivaschkin.

Ivaschkin legt veertig wersten van Khaluli en nabij de zee; twee yourtes

en zes balagans maaken dit dorp uit, het is aan een kleine rivier van

denzelfden naam gelegen, die geheel toegevroozen was, even als die,

welke wij overgekomen waaren.

Den 26.

Wij vonden te Dranuki den Heer Haus, een Russisch Officier.

Wij sliepen in dit dorp, alwaar de vrees voor een orcaan, waar mede wij,

zo men ons zeide, bedreigd wierden, ons een gedeelte van den volgenden

dag deed blijven; wij kwamen met de vrees vrij, en hoe zeer het laat

genoeg was, wanneer wij tot ons vertrek beslooten, konden wij echter nog

tot Dranuki geraaken, als zijnde de overtogt maar dertig wersten. De

gelegenheid van dit Ostrog is dezelfde als die van het voorige; wij

vonden daar den Heer Haus, een Russisch Officier, hij kwam van Tiguil,

en bragt aan den Heer Commandant verscheide zaaken tot de natuurlijke

historie betrekkelijk.

1788. _Februarij_ Den 27.

Aanmerklijke en vrij gemaklijke baaij.

Wij vertrokken met het krieken van den dag van Dranuki. In den

agtermiddag reeden wij over eene baai, welkers breedte omtrent uit

vijftien wersten, en de lengte uit vijfentwintig a dertig bestaat, aan

den ingang is ze weinig meer dan vijf wersten breed, ze word door de

zuidkust geformeerd; deeze is een laage grond, die afneemt naar maate ze

zich in zee uitstrekt, de baaij loopt west-noord-west en oost-zuid-oost.

Het scheen mij toe, dat in het west-noord-westen van deszelfs ingang

nabij Karagui, de scheepen veilig konden ankeren tegens de zuiden westen

en noorde winden; het zuidelijk gedeelte vertoont geene zo goede

ankerplaats; de bewoonders des lands verhaalen, dat zich daar verscheide

zandbanken bevinden. Ik was verplicht mij op hun zeggen te verlaaten,

dewijl het ys en de sneeuw mij hinderlijk waaren om 'er meerder

zekerheids van te bekomen.

Ostrog van Karagui, het laatste van Kamschatka.

Wij leiden deezen dag zeventig wersten af, en des avonds kwamen wij te

Karagui; dit dorp ligt op eene hoogte, van waar men de zee ontdekt,

deszelfs wooningen bestaan in drie yourtes en twaalf balagans, aan den

voet van welke de Karaga langs loopt; deeze rivier valt in de zee op

eenige snaphaanschoten afstands van dit dorp, het laatste van

Kamschatka, want men rekend geen gehugt, dat honderd wersten verder

ligt, en alwaar zich weinig Kamschatters bevinden.

1788. _Februarij_ Den 28.

Daar wij verplicht zijn alhier voorraad van gedroogden visch

aftewachten, welke agtergebleeven en geschikt is om onze honden in de

woestenijen, die wij doortrekken moeten, te voeden, zal ik van dit

verblijf gebruik maaken om verscheiden aanmerkingen, die ik in de

voorige en in dit dorp gemaakt heb, afteschrijven; ze zijn niet in die

orde geplaatst, waar in ze mij voorgekomen zijn, dog men moet in

overweeging neemen, dat de snelle voortgang in onze reis mij daar niet

altoos meester van liet[88].

[88] Men zal mij mogelijk verwijten, dat mijn verhaal dikwils niet

anders oplevert dan schraale en zeer eenvormige bijzonderheden, ik zou

den leezer dezelve wel gespaard hebben, indien ik hem niet eene

zorgvuldige naauwkeurigheid belooft had; dog dat men in aanmerking

neeme, van welke voorwerpen ik omringt ben in de onafmeetbaare

uitgestrektheid lands, welke ik doorreis, en dan zal men zien, dat die

bijna over al dezelfde zijn. Hangt het dan van mij af om eene

behaagelijke verandering aan mijne beschrijvingen te geeven, en niet

in eenige herhaalingen te vervallen?

Te Karagui Beschrijving der yourtes.

Ik zal eerst met de yourtes beginnen, die ik nog niet heb kunnen

beschrijven, hoe zeer deeze mij toegescheenen hebben eene bijzondere

aandagt te verdienen; deeze vreemde wooningen staan onder den grond,

gelijk ik reeds gezegt heb[89], en het dak dat 'er boven uitkomt, heeft

de gedaante van een afgesneede kegel; dog om 'er een juister denkbeeld

van te verkrijgen, stelle men zich voor, een groot vierkant gat van

omtrent zes a zeven toises of halve roeden middellijns en van agt voet

diepte, de vier zijden bekleed met balken of planken, en alle de

tusschenruimtens van deeze muuren met aarde, stroo of gedroogd gras en

steenen gevuld; op den bodem van dit gat zijn verscheide paalen geplant,

welke dwarsbalken ondersteunen, waar op het dak draagt; het begint

gelijks gronds en komt vier voet daar boven uit, deszelfs dikte is twee

voeten, de afhelling niet steil, voor het overige is het even als de

muuren. Aan den top is een vierkant gat; deeze opening heeft vier voet

lengte en drie voet breedte; hier is het, dat de rook moet

doorkomen[90], en dat men in de yourte binnen treed met behulp van een

ladder of ingekipte balk, die van buiten tot aan de opening van den

ingang komt, welke voor mannen en vrouwen beide geschikt is. Men acht

het voor een schande, wanneer men door een zeer laage poort ingaat, die

aan een der zijden van de yourte gevonden word; om de beschrijving der

uitwendige vertooning van deeze wooningen te eindigen, zal ik er nog

bijvoegen, dat ze van eene vrij hooge palissadeering omringt zijn,

zonder twijffel om dezelve tegens de stormen of den val van de sneeuw te

beschutten; anderen meenen, dat deeze omheiningen eertijds tot

borstweeringen aan deeze volkeren verstrekten, om zich tegens derzelver

vijanden te verweeren.

[89] Bij mijn doortogt te Paratounka, zal men zich herinneren, dat ik

eenige yourtes zag, dog zij waaren half uitgebroken, en ik kon 'er

naauwlijks de uiterlijke gedaante van mêedeelen.

[90] De rook is in deeze onderaardsche wooningen zo geduurig, dat

deeze doortogt niet voldoende is tot deszelfs uitdamping; om dit

gemaklijker te maaken, vervaardigt men in een onbewoonden hoek, agter

de haardsteede, een soort van rookgat, welkers richting schuins is;

dit luchtgat word _joupann_ genaamd, deszelfs mond loopt van buiten op

eenige voeten afstands van de vierkante opening uit, men sluit ze

gewoonlijk met een riet- of stroodak.

1788. _Februarij_ Den 28. Te Karagui.

Inwendig maakzel en vercieringen der yourtes.

Zo dra men in deeze woeste wooningen neergedaald is, wenschte men ook er

weder uit te weezen; het gezicht en de reuk word daar beide aangedaan,

het eenigste vertrek, dat het binnenste gedeelte uitmaakt, is omtrent

tien voet hoog; eene verhevenheid van vijf voet breed, en bedekt met

half versleete vellen van rendieren, zeewolven of van andere dieren,

loopt rondom het vertrek; deeze verhevenheid is op zijn hoogst een voet

van den grond[91] en diend gemeenlijk tot een bed aan verscheide

huisgezinnen. Ik heb in eene enkelde yourte meer dan twintig persoonen,

zo mannen, vrouwen, als kinderen geteld; al dit volk eet en slaapt de

een onder den anderen; zonder schroom of schaamte, voldoen ze aan alle

de behoeftens der natuur, en nooit beklaagen zij zich over de kwaade

lucht, die men in deeze plaatzen inademt. Het vuur brand 'er bijna

altoos, gewoonlijk is de haardsteede in het midden van de yourte of aan

een der zijden geplaatst; Des avonds gebruikt men de voorzorg om het

gloeijende vuur bij een te zamelen, en het gat te sluiten, hetgeen aan

den rook ten doortogt verstrekt; door dit middel bewaart men de warmte

geduurende den geheelen nagt. Bij het schijnzel van een duistere lamp,

waar van ik reeds de gedaante en de bedorven lucht heb leeren kennen,

ontdekt men in een hoek van het vertrek[92] eene slegte afbeelding van

den eenen of anderen heiligen, geheel blinkende van smeer en zwart van

den rook; voor die beelden is het, dat deeze volkeren zich nederbuigen

en hunne gebeden verrichten; het overige huisraad bestaat in banken en

in drinkschaalen van hout of van boomschors gemaakt, de geenen die voor

de keuken dienen zijn van yzer of koper, alle zijn ze van eene

walgelijke morsigheid; overblijfzelen van gedroogden visch zijn hier en

daar verspreid, en ieder oogenblik ziet men vrouwen of kinderen bezig

om stukken van zalm-vellen te roosteren, dit is een hunner meest

geliefkoosde geregten.

[91] Ik heb eenige yourtes met planke vloeren gezien, dog dit

beschouwt men als overdaadig, en de meesten hebben alleen de aarde tot

planken.

[92] Dit klein vertrek is eeniger maate van het groote afgescheiden,

het is een weinig minder morsig, omdat het minder bezogt word; dit is

de plaats van eer, voor de vreemdelingen geschikt.

Kleeding der kinderen.

De kleeding der kinderen trok mijn aandagt door deszelfs zonderlingheid;

men verzekerde mij, dat ze volmaakt na die der Koriaken gelijkt, zij

bestaat in een enkeld kleed, namelijk, in een rendierenvel, dat elk

gedeelte van het lighaam omwind en daar om sluit, zodanig dat deeze

kinderen aan alle kanten daar in genaaid schijnen; eene opening om laag,

van vooren en agter, verschaft de mogelijkheid om ze te reinigen; deeze

opening is overdekt met een ander stuk vel, het geen na willekeur

vastgemaakt en opgeligt word; dit ondersteunt een pak mos[93], dat men

op de wijze van een doek tusschen de beenen van het kind aanlegt, en het

welk men ververscht, naar maate het zelve vuil word. Behalven de gewoone

mouwen zijn 'er nog twee anderen aan het kleed vastgemaakt, in dewelke

men de armen steekt, wanneer het kind koud is, de uiterstens daar van

zijn geslooten, en het binnenste is met mos gevuld. Men zet het ook een

kap op van het zelfde vel als zijn kleed, dog in de yourtes zijn de

kinderen meest altoos bloots hoofds, en de kap hangt hun op de

schouders. Zij hebben ook nog voor een gordel een band van rendieren

vel. Hunne moeders draagen ze op den rug door middel van een riem, die

langs het voorhoofd van de vrouw en onder de billen van het kind heen

gaat.

[93] Men bediend zich insgelijks van het gras genaamt tonnchitcha.

De toijon van Karagui, bij wien wij ons verblijf hielden, was een oude

oproermaaker; men had veel moeite gehad om hem tot zijn pligt te doen

wederkeeren, en hij veroorzaakte ons eenige ongerustheid door de

volstrekte weigering, die hij deed om ons visch te bezorgen.

1788. _Februarij_ Den 29. Te Karagui.

Taal der Inwoonders van dit Ostrog.

De zeden der inwooners van dit Ostrog hebben veel overeenkomst met die

van hunne nabuuren, de Koriaken; deeze gelijkvormigheid word men niet

minder in de taal dan in de kleeding der kinderen gewaar. Ik had

gelegenheid zulks den volgenden dag van onze aankomst gade te slaan.

Eenige Koriaken brengen ons twee levendige rendieren.

Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz. · 第 10 / 31 段