te slaan. Derzelver verwonderlijke levendigheid maakte haar de keten
onverdraagelijk, dikwils zogt ze te ontsnappen, en ze zou zeker daar
toe gekomen zijn, zo ik ze niet onophoudelijk bewaakt had, en nooit
agterhaalde ik ze, zonder dat ze mij een of andere beet toebragt, zij
ontvingen bij voorkeur vleesch, het geen in de bosschen het
begunstigde voedzel der marters uitmaakt. Haare gezwindheid in het
vangen der vogels, en om dieren die zwakker als zij zijn, aantevallen,
is onbegrijpelijk. De mijne sliep bijna den geheelen dag, des nagts
maakte ze een geduurig gedruis, met zich in de keten te beweegen, dog
ten uiterste vreesachtig, wanneer ze iemand zag aankomen, hield ze
zich stil, en begon wederom als ze alleen was. Ik had de gewoonte van
ze verscheide maalen op den dag buiten te brengen, naauwlijks was ze
op de sneeuw, of ze begroef zich en dolf onder de aarde even als de
mollen, zich van tijd tot tijd vertoonende om zich aanstonds weder te
verbergen.
1788. _Februarij_ Den 6.
Geduurende deezen dag reisden wij zes en zestig wersten ver over de
Kamschatka, welkers ijs overal sterk en volmaakt effen was; ik zag niets
aanmerkelijks op mijn togt zo min als in het dorp van Chapina, alwaar
wij bij het ondergaan van de zon aankwamen.
De groote en de kleine Nikoulka.
Wij vertrokken den volgenden dag vroegtijdig van daar; de sneeuw
belemmerde ons dien dag sterk; de grond was 'er mêe bedekt, en deszelfs
dikte maakte onzen togt zeer moeijelijk. Wij reisden meest altoos door
zeer digte dennen en berken bosschen. Ter halver weg en een weinig
verder, ontmoeteden wij twee rivieren, waar van de eene omtrent dertig
toisen of vijftien roeden breedte heeft, men noemt ze de groote
_Nikoulka_, en de andere de kleine; beide gevormt door bronnen, die uit
de bergen komen, vereenigen ze zich ter deezer plaats, om gezamentlijk
derzelver water aan de Kamschatka toetevoeren; nog de een nog de ander
lagen digt; ik schreef de oorzaak daar van toe aan de groote snelheid
van derzelver stroom. De plaats waar ik ze overtrok is waarlijk
schilderachtig, dog het geen mij nog zonderlinger voorkwam, bestaat hier
in, dat alle de denneboomen, die in grooten getale deeze rivieren
omzoomen, boomen van ijs scheenen te weezen; een zeer dik ijzel,
mogelijk door de vogtigheid van de plaats voortgebragt, had zich aan
iederen tak vast gehegt en maakte derzelver geheele oppervlakte zuiver
wit.
Vuurspuwende bergen van Tolbatchina en van Klutchefskaia.
Vroegtijdige Huwelijken in Kamschatka.
Op eenigen afstand van Tolbatchina, trokken wij een heide over, van waar
ik drie vuurspuwende bergen ontdekte; geen derzelver wierp vlammen uit,
alleen gaven ze wolken van eenen zeer zwarten rook op; de eerste, waar
van ik te vooren gesprooken heb, wanneer ik naar Machoure ging, heeft
deszelfs haardstêe in het binnenste van een berg, die omtrent van een
kegelachtige gedaante is, de top is plat en schijnt weinig verheven. Men
zeide mij, dat deeze eerste vuurberg geduurende eenigen tijd stil
geweest was, dat men hem zelfs voor uitgedoofd hield, wanneer hij
eensklaps op nieuw ontstoken is. In het noord-oosten van deezen word
men een piek gewaar, welkers punt de mond van den tweeden vuurberg
schijnt te zijn, die zonder ophouden rook uitgeeft, dog ik zag geen de
minste vonken. De derde deed zich in het noord-noord-oosten van den
tweeden aan mijn oog op; ik kon denzelven niet zo waarneemen, als ik wel
gewenscht had, een vrij hooge berg bedekte hem bijna geheel aan mijn
oog. Hij ontleent zijn naam van het nabuurig dorp Klutchefskaïa, en men
zeide mij, dat ik 'er zeer digt voor bij zou komen; de twee andere
vuur-bergen ontleenen insgelijks derzelver naamen van het Ostrog
Tolbatchina, alwaar wij vroegtijdig aankwamen. Dit dorp is op de
Kamschatka gelegen, vierenveertig wersten van Chapina; het bevat niets
buitengemeens; wij vernamen 'er bij onze aankomst, dat men aldaar dien
morgen twee Kamschatters getrouwt had; het deed mij leed die plegtigheid
niet bijgewoond te hebben, die men mij verhaalde, dat bijna op dezelfde
wijze als in Rusland geschiedde. Ik zag de nieuw getrouwde, die mij
voorkwamen twee kinderen te zijn; ik vroeg na derzelver ouderdom, en men
antwoordde mij dat de bruidegom weinig meer dan veertien jaaren, en de
bruid ten hoogste elf bereikte. Diergelijke huwelijken zouden overal
buiten Asia voor al te vroegtijdig gehouden worden.
Reize naar Nijenei-Kamschatka.
Ik had eene bijzondere begeerte om de stad Nijenei-Kamschatka te zien,
en zedert lang was ik bedagt om aan die begeerte te voldoen. Ik zou
gemeend hebben eenen onvergeeflijken misslag te begaan, indien ik dit
schier-eiland verliet, zonder deszelfs hoofdstad te leeren kennen. Ik
was van den anderen kant verzekert, dat mijne nieuwsgierigheid ten
deezen opzichte geene belemmering kon toebrengen aan mijn voorneemen, om
met allen mogelijken spoed te reizen. Ik was in der daad genoodzaakt een
omweg te neemen, dog deeze was niet lang genoeg om mij eenig beletzel
van belang te veroorzaaken. Na dat ik mijn reis met den Heer Kasloff
overlegd had, die zich bevlijtigde om mij alles te verschaffen, waar
door ik die reis met zekerheid en vermaak kon volbrengen, verbond ik mij
om in het Ostrog van Yelofki mij weder bij hem te voegen, alwaar die
Heer mij verwittigde, dat hij eenige dagen dagt door te brengen, om op
verscheide zaaken van zijn bestier de nodige orders te stellen.
Ik verlaat den Heer Kasloff te Tolbatchina.
Om des te minder tijd te verliezen, nam ik zelfs den eigen avond van
onze aankomst te Tolbatchina afscheid van hem; dog de wegen waaren nog
slegter dan alle die, welke wij tot nog toe hadden doorgetrokken. Ik had
alle moeite, om met het aanbreeken van den dag Kosirefski te bereiken.
Dit dorp was zes en zestig wersten van Tolbatchina afgelegen.
1788. _Februarij_ Den 7.
Voorvallen op mijn reis naar Nijenei-Kamschatka.
Ik hield mij aldaar niet op; ik was trots, dat ik gelukkig alle de
gevaaren, welke ik geduurende den nagt op deeze ijsselijke wegen
geloopen had, was te boven gekomen[84], ik dagt op den dag niets te
vreezen te hebben, ik vervolgde mijn weg met eene zekere
onbeschroomdheid, waar voor ik echter wel haast gestraft wierd. Na een
meenigte wersten op de Kamschatka afgelegt te hebben, die ik blijde was
weder te vinden, en welkers breedte ik ter deezer plaats bewonderde,
wierd ik genoodzaakt dezelve te verlaaten, om in eene engte te komen,
alwaar de sneeuw door de orkaanen aangebragt, eene oneffe en
bedriegelijke oppervlakte vertoonde. Het was onmogelijk om de klippen,
die mij omringden, te vermijden. Ik hoorde welhaast een gekraak, het
welk mij de een of andere breuk aan mijn slêe aankondigde; en in der
daad, een schaats was in twee-en gebroken, ik hielp mijne leidslieden
dezelve zo goed en kwaad vermaaken, als wij konden, en wij hadden het
geluk te Ouchkoff zonder eenig ander toeval aantekomen. Het was
middernagt, wanneer wij 'er aankwamen, hebbende wij in deezen dag zes
en zestig wersten afgelegt; mijn eerste zorg was om mijn slee te doen
verstellen, het geen mij tot den volgenden dag ophield.
[84] Ik vernam daar na, dat het weinig gescheelt had, of de slêe van
den Heer Kasloff, welke dien weg op den dag was doorgetrokken, was in
stukken gebrooken, hebbende dezelve tegen een boom gestooten, zo dat
daar door twee zijner geleiders gekwetst waaren.
Ostrog van Ouchkoff.
Men ziet in dit dorp een isba en elf balagans; het getal van deszelfs
inwoonders bestaat in vijf geslachten, die in drie Yourtes verdeeld
zijn. In de nabuurschap van dit Ostrog word een zeer vischrijk meir
gevonden, alwaar de nabuurige dorpen derzelver voorraad komen opdoen,
dit meir is ook van zeer veel nut voor de hoofdplaats, welke zonder de
visscherij, die daar in voor haar geschied, dikwils gebrek aan visch zou
hebben, het welke men weet overal het eerste noodwendigste voedzel te
zijn.
1788. _Februarij_ Den 8.
Ostrog van Krestoff.
Ik vertrok in den vroegen morgen van Ouchkoff en op den middag had ik
reeds vier en veertig wersten afgelegd, gedeeltelijk over de Kamschatka
en gedeeltelijk over zeer uitgestrekte heiden; het eerste dorp, dat ik
aantrof, was Krestoff, het scheen mij van een weinig meer belang te zijn
dan het voorige, dog voor het overige volmaakt gelijk aan alle de
anderen, ik bleef 'er niet langer dan nodig was om andere honden
voortespannen. Tot daar toe had ik den weg genomen, die de Heer Kasloff
moest volgen om naar Yelofki te gaan; dog in plaats van mij naar
Katchina te begeeven gelijk hij deed, zo richte ik mijn weg van
Krestoff naar het dorp van Klutchefskaïa, dat er dertig wersten van
afgeleegen is.
Vuurberg van Klutchefskaïa
Het weder, dat zedert ons vertrek van Apatchin altoos zeer schoon en
zeer koud was geweest, veranderde eensklaps in den agtermiddag; de hemel
raakte met wolken bedekt, en de wind, die zich van den westkant verhief,
gaf ons sneeuw in overvloed; dezelve hinderde ons geweldig, voor al om
den vuurspuwenden berg van Klutchefskaïa te kunnen beschouwen, welken ik
terzelfder tijd als dien van Tolbatchina gewaar was geworden. Zo veel
mij mogelijk was om 'er van te oordeelen, is de berg, uit wiens boezem
de stoffen voortkomen, veel hooger dan de twee anderen; deeze werpt
geduurig vlammen uit, die uit het midden der sneeuw, waarmede de berg
tot aan den top bedekt is, schijnen voorttekomen.
Inwoonders van Klutchefskaïa.
Bij het vallen van den nagt kwam ik aan het dorp Klutchefskaïa; deszelfs
inwoonders zijn alle Siberische boeren, uit de omgelegen streeken van de
Lena genomen, en in deeze oorden voor omtrent vijftig jaaren gezonden
tot bearbeiding der gronden. Het getal der mannelijke persoonen, de
kinderen daar onder begreepen, beloopt weinig meer dan vijftig; de
kinderziekte viel onder hun alleen die geene aan, welke ze nog niet
gehad hadden, dog zij rukte 'er meer dan de helft van weg. Deeze
akkerlieden zijn niet minder gelukkig geweest, dan die, welke zich in
den omtrek van Vercknei-Kamschatka bevinden; derzelver oogst en de
hoedanigheid van het graan, zo van rogge als gerst, hebben dit jaar
derzelver verwachting te boven gegaan; deeze boeren bezitten veel
paarden in eigendom, eenige behooren nogtans aan de kroon.
Ostrog van Klutchefskaïa.
Dit Ostrog is vrij groot, het schijnt zulks nog te meer, dewijl het in
twëe-en gescheiden is, waar van het eene omtrent vier honderd passen van
het andere aflegt; het strekt zich voor al van het westen naar het
oosten uit, het is in deeze laatste windstreek, dat de Kerk geplaatst
is, ze is van hout gebouwd en in den smaak van de Russische kerken. De
meeste der wooningen zijn beter gebouwde en netter isbas dan alle de
geenen, die ik tot hier toe gezien had, ook vind men daar zeer ruime
magazijnen; de balagans zijn 'er in een gering aantal, en ook gelijken
ze niet na die der Kamschatters, deeze zijn van eene langwerpige
gedaante, en derzelver dak, dat de helling van de onze heeft, is op
stijlen geplaatst, die het in de lucht ondersteunen.
Ostrog van Kamini.
De Kamschatka loopt langs den voet van dit Ostrog, en was ter deezer
plaats nog geheel digt; ze loopt menigmaal geduurende den zomer buiten
haare oevers, het water rijst en dringt dan dikwils tot in de huizen,
waarom het zeer goed is dat ze alle op de hoogte gebouwd zijn.
Vier wersten ten oosten van de Kerk van Klutchefskaïa, is nog een ander
_Zaïmka_ of klein gehugt, dat door Cosakken of Soldaten, die teffens
akkerlieden zijn, bewoond word, wier oogst aan de regeering behoort; dog
ik kon niet besluiten dien omweg te neemen, om het te gaan zien.
Ik hield mij maar weinig tijds te Klutchefskaïa op; ongeduldig om
Nijenei te zien vertrok ik nog dien avond, om mij naar Kamini, een
Kamschatsch dorp, twintig wersten verder gelegen, te begeeven. Ik kwam
daar in het midden van den nagt aan, en reed het door.
1788. _Februarij_ Den 9. Te Nijenei Kamschatka
Ostrogs van Kamokoff & van Tchoka.
Aankomst te Nijenei.
Voor den dag was ik te Kamokoff, twintig wersten van Kamini, welhaast
bereikte ik Tchokofskoï of Tchoka, na nog twee en twintig wersten
afgelegd te hebben, van daar tot aan Nijenei bleeven 'er nog twee-en
twintig aftedoen, en deeze overtogt was voor mij ook maar het werk van
eenige uuren; ik had het genoegen voor den middag in deeze hoofdplaats
van Kamschatka aantekomen, die men reeds van verre ontdekt, dog welkers
vertooning nog grootsch nog vermakelijk is.
Beschrijving van deeze hoofdplaats van Kamschatka.
Het zelve vertoond niet anders dan een verzameling van huizen, waar drie
klokken boven uitsteeken, en is gelegen aan den oever van de
Kamschatka, in een kom, welke door een keten van bergen geformeerd word,
die zich van ronds om verheffen, dog 'er echter op een vrij grooten
afstand van verwijderd zijn; zodanig is de gesteldheid van de stad
Nijenei, waar van ik, eer ik ze gezien had, meerdere verwachting had;
alle deeze huizen, die men mij zeide in honderd vijftig te bestaan, zijn
van hout, van een zeer kwaaden smaak, klein, en hadden als toen daar en
boven de onaangenaamheid van onder de sneeuw begraven te zijn, die de
orcaanen daar opgehoopt hadden. Deeze hebben zonder tusschenpoozing op
die hoogte geheerscht, en waaren eerst zedert eenige dagen opgehouden.
Daar zijn twee kerken te Nijenei, de eene is in de stad en heeft twee
klokken, de andere, tot het fort behoorende, is daar binnen beslooten;
deeze twee gebouwen zijn van een onbehaaglijk maakzel; het fort is bijna
in het midden van de stad, het bestaat in eene vrij ruime
palissadeering, van een vierkante gedaante. Behalven de kerk, waar van
ik zo even gesprooken heb, besluit deeze omtrek daar en boven de
magazijnen, het tuig en wagthuis; één schildwagt belet dag en nagt het
inkomen; het huis van den bevelhebber van de plaats, den Heer Major
Orléankoff, is bij het fort gelegen, en is even als de andere huizen,
behalven dat het grooter is, het zelve is van geen beter smaak, nog
hooger gebouwd.
Ik trad af bij een ongelukkigen banneling genaamt _Snasidoff_, die bijna
ter zelver tijd met Ivaschkin een gelijk lot had ondergaan, dog om
andere oorzaaken; hij is evenals deeze zedert het Jaar 1744 naar
Kamschatka gebannen.
Naauwlijks was ik daar, of ik ontfing een bezoek van een Officier, dien
de Heer Orléankoff mij zond, om mij over mijn behouden aankomst te
begroeten; hij wierd van verscheide der voornaamste Officieren van de
stad gevolgd, die beurtelings mij derzelver dienst op de verplichtendste
wijs des waerelds kwamen aanbieden. Ik betuigde hun, hoe gevoelig ik
over derzelver beleeftheid was, dog in den grond jammerde het mij, dat
ze mij voorgekomen waaren, ook haaste ik mij, zo dra ik gekleed was, om
aan ieder mijne dankzeggingen te gaan betuigen. Ik begon met den Heer
Major Orléankoff, en vond hem bezig in de toebereidzelen van een feest,
het geen hij den volgenden dag geeven moest, ter gelegenheid van het
huwelijk van een Pool in Russischen dienst, met de nigt van den
protapope of aartspriester. Hij had niet alleen de beleeftheid van mij
op die bruiloft, waar van hij al de kosten droeg, te verzoeken, dog hij
had daar en boven de oplettenheid van mij des anderen daags morgens te
komen zien, en mij met zich te neemen, ten einde ik niets van dat
schouwtoneel zou missen, het geen hij met reden voor mij belangrijk
oordeelde.
1788. _Februarij_ Den 10. Te Nijenei Kamschatka.
Feest gegeeven door den Heer Major Orléankoff.
Het geen mij echter des te meer verwonderde, was het gestrenge, dat bij
de pligtpleegingen in acht genomen wierd. Het onderscheid der rangen
scheen mij met de uiterste naauwgezetheid gade geslaagen te worden; de
plichtpleegingen en gebruiken, alle deeze koele beleeftheden gaven bij
de opening van het feest een zekere gemaaktheid, die meer verveeling dan
vermaak voorspelden. De maaltijd was allerpragtigst voor het land; ik
zag onder andere geregten een groot getal van verschillende soupen
opbrengen. Deeze waaren verzeld van koude vleeschspijzen, waar van men
terstond veel gebruik maakte. Bij het tweede geregt, kreegen wij het
gebraad en pasteijen, dog dit alles kondigde minder weelde dan wel
overdaad aan; de dranken waaren gemaakt van verscheidene vrugten, aan
deeze streeken eigen, gekookt en met Franschen brandewijn gemengt. Men
bediende bij voorkeur en bijna geduurig brandewijn van het land, gemaakt
uit _slatkaiatrava_ of zoet gras, waar van ik te vooren gesprooken heb;
deeze likeur heeft zo als ik gezegt heb geen onaangenaamen smaak, zelfs
is ze geurig, men went zich des te gewilliger aan deeze brandewijn, om
dat ze minder ongezond is, dan die uit graanen gemaakt word: alle de
gasten raakten ongevoelig in een vrolijken luim, hunne reden was niet
lang bestand tegen de dampen van een zo koppigen drank; welhaast
heerschte de uitgelatenste vreugde over tafel. Op dit luidrugtige en
pragtig gastmaal volgde een vrij wel zamengesteld bal. Het gezelschap
was zeer vrolijk, en men danste 'er tot aan den avond Russische en
Poolsche contredanssen; het bal wierd door een zeer aartig vuurwerk
geeindigt, het geen de Heer Orléankoff gemaakt had, en zelfs aanstak,
het was niet groot, dog de uitwerking voldeed in allen opzichte. Ik
vermaakte mij met de verbaasdheid en opgetogene verrukking van de meeste
der aanschouwers, die weinig denkbeelden van dit soort van vermaaken
hadden, men zou ze allen geschilderd hebben; onbeweeglijk van
verwondering, schreeuwden zij eenpaarig bij het opgaan van iederen
vuurpijl; hun leedweezen over den korten duur hier van vermaakte mij
niet minder. In het vervolg moest men al die lieden den lof daar van
hooren vermelden, en in het heengaan herhaalde ieder al zuchtende de
genooten vermaaken van dien dag.
Ik wierd den volgenden dag bij den protapope, oom van de bruid verzogt,
alles was op den zelfden voet als daags te vooren, uitgezondert het
vuurwerk. De protapope is, gelijk ik reeds gezegt heb, het hoofd van
alle de Kamschatsche kerken; ieder priester van dit schiereiland is aan
hem ondergeschikt, en hij beschikt over alle de geestelijke zaaken, hij
houd zijn verblijf te Nijenei. Het is nog een vrij jeugdige grijzaart,
een breede witte baard hangt hem tot op de borst, en geeft hem een
waarlijk achtbaar aanzien. Zijn ommegang scheen mij toe vol geest,
vrolijk en gepast te weezen om zich den eerbied en de achting van deeze
volkeren te verwekken.
Rechtbanken te Nijenei.
Te Nijenei zijn twee rechtbanken; voor de eene worden de zaaken van het
bestier gebragt, en de andere neemt kennis van alle de verschillen
tusschen de Kooplieden; de regeeringspersoon, die daar in voorzit, is
een soort van Burgermeester, ondergeschikt aan de bevelen van den
_Gorodnitch_ of Commandant van de stad. Men heeft hier boven gezien, dat
ieder van deeze rechtbanken van het rechtsgebied te Okotsk afhangt, en
dat men van alle zaaken aan den bevelhebber van deeze laatste stad
rekenschap moet geeven.
Dog het geen mij te Nijenei het belangrijkste voorkwam, en het geen ik
niet met stilzwijgen kan voorbijgaan, bestaat daar in, dat ik hier negen
Japoneezen aantrof, die in den afgeloopen zomer derwaarts van de
Aleutische eilanden gebragt waaren door een Russisch vaartuig, geschikt
tot den handel in otters.
1788. _Februarij_ Den 11. Te Nijenei Kamschatka.
Een van deeze Japoneezen verhaalde mij, dat hij zich met zijne makkers
op een vaartuig van hun land had ingescheept, om zich naar de meest
zuidelijke Kourilsche eilanden te begeeven, met vooruitzicht om daar met
de Eilanders handel te drijven, zij volgden de kust en waaren 'er niet
ver van verwijderd, wanneer hun zo een verschrikkelijke storm overviel,
dat zij ver daar van afdreeven, en geheel verdwaalden. Volgens zijn
verhaal, het geen mij echter zeer verdagt voorkwam, bevoeren zij de zee
bijna zes maanden, zonder land te zien. Buiten twijffel hadden ze
levensmiddelen in overvloed. Eindelijk vertoonden zich de Aleutische
eilanden aan hunne oogen: vol van vreugde beslooten zij daar aan te
landen, zonder te weeten waar dit best te onderneemen; zij wierpen één
anker digt bij een van deeze eilanden uit, en een sloep bragt ze allen
aan land. Zij vonden daar Russen, die hun voorstelden om te zaamen hun
schip te gaan ontlaaden en het in veiligheid te brengen; dan deeze
Japoneezen wilden daar in niet toestemmen, het zij uit mistrouwen, het
zij dat ze in der daad geloofden, dat het den volgenden dag gemaklijker
zou zijn. Zij hadden veel reden om zich over dit verzuim te beklaagen:
want in den zelfden nagt wierp een hevige zee-wind het schip op de kust;
men wierd zulks niet dan met het aanbreeken van den dag gewaar, en men
had veel moeite om het kleinste gedeelte van de lading en eenige stukken
van het schip te bergen, welk laatste bijna geheel van welriekend hout
gemaakt was. De Russen, die hen wel onthaald hadden, deeden als toen al
het geen in hun vermogen was om deeze ongelukkigen hun verlies te doen
vergeeten; zij bragten hun alle vertroosting toe, en deeden dezelven
eindelijk het besluit neemen om hun naar Kamschatka te volgen, werwaards
zij terugkeerden; mijn Japonees voegde 'er bij, dat zij in veel grooter
getal geweest waaren, dog dat de vermoeijenissen, die ze op zee geleeden
hadden, en vervolgens de gestrengheid van de lucht, veele van zijne
makkers had doen omkomen.
Bijzonderheden wegens het opperhoofd van deeze Japoneezen.
De geen, die met mij sprak, scheen over de anderen een zeker blijkbaar
gezag te voeren, men wist van hem, dat hij de Koopman was, en dat de
overigen alleen matroozen waaren of onder zijn bevel stonden. Dit was
ten minsten zeker, dat ze hem een bijzondere achting en eerbied
toedroegen, zij zijn alle overstelpt van droefheid, en toonen de
levendigste ongerustheid, wanneer hij ziek is of hem iets onaangenaams
wedervaart; geregeld zenden ze tweemaal daags iemand uit hun om hem te
bezoeken. Men kan zeggen, dat hij hun geen minder vriendschap toedraagt,
want daar gaat nooit een dag voorbij, zonder dat hij hun op zijn beurt
bezoekt, en hij zorgt met de grootste oplettenheid, dat hun niets
ontbreekt. Zijn naam is _Kodaïl_, zijn aangezicht heeft niets vreemds,
zelfs heeft hij een aangenaam voorkomen; zijn oogen zijn niet getrokken
als die van de Chineezen, hij heeft een langen neus en een baard, dien
hij vrij dikwils afscheert, hij is omtrent vijf voet lang en vrij wel
gemaakt, hij droeg het hair op de Chineesche manier, dat is te zeggen,
dat van het midden van zijn hoofd een vlegt van de lengte zijner hairen
af hong, die wijders rondom afgeschooren waaren, dog men heeft binnen
kort hem daartoe gebragt om dezelve te laaten groeijen, en ze op onze
manier vast te binden; hij is zeer bevreest voor de koude, de warmste
kleederen die men hem gegeeven heeft, kunnen hem daar naauwlijks voor
beschutten; hij bewaart en draagt altoos onder deeze die van zijn land,
ze bestaan in de eerste plaats in een of verscheide zeer lange zijde
hemden, even als onze nagtjaponnen, daar over trekt hij 'er een van wol,
het geen zou kunnen doen gelooven, dat deeze laatste stoffe kostbaarder
in hunne oogen is, misschien geschied deeze schikking ook gemakshalve,
dog dit is mij onbekend. De mouwen van deeze kleederen zijn wijd en
open. Niet tegenstaande de strenge luchtsgesteldheid, heeft hij altoos
de armen ontbloot en den hals open, alleen maakt men hem, wanneer hij
uitgaat, een doek aan den hals vast, dog hij doet ze af zo dra hij in
een vertrek komt, hij zegt zulks als dan niet te kunnen verdraagen.