Kamschatka gelegen; Het leverde mij niets aanmerkelijks op. Wij
vertoefden er den nagt en voor de dag aankwam, hadden wij het reeds
wederom verlaaten.
1788. _Februarij._ Den 2.
Te Vercknei-Kamschatka of Opper-Kamschatka.
In den tijd van zeven uuren bereikten wij Vercknei-Kamschatka, het geen
vijf en dertig wersten van Charom afgelegen is. Vercknei is een zeer
aanmerkelijke plaats, in vergelijking van de andere dorpen, die ik reeds
gezien heb: ik telde hier meer dan honderd huizen: deszelfs ligging is
gemaklijk en scheen mij veel verscheidenheids opteleveren. Aan de rivier
gelegen[76] heeft dit Ostrog daar en boven het voordeel van in deszelfs
nabijheid Bosschen en Velden te bezitten, waar van de Grond zeer goed
is, en die door de inwoonders tot voordeel aangelegt word, de kerk is
van hout, deszelfs maakzel is niet onbevallig, het zou alleen te
wenschen zijn, dat het binnenste beantwoorde. Wat de wooningen betreft,
deeze verschillen in niets van die der andere dorpen. Voor de eerstemaal
zag ik hier een soort van gebouwen omtrent van hoogte als de balagans,
en die alleen maar dienen om den visch te droogen. Een sergeant voert te
Vercknei het bevel, hij woont in een huis, dat aan de kroon behoort.
[76] De Kamschatka, die ter deezer plaats nog niet digt was.
Geschenk het geen Ivaschkin ons gaf.
Dit dorp is ook de verblijfplaats van den ongelukkige Ivaschkin, wiens
lotgevallen ik bij mijn vertrek van St. Pieter &. Paulus verhaald
heb[77]; hij behoorde tot ons reisgezelschap, en verliet ons niet, dan
om naar Vercknei vooruitterijden, alwaar zijn eerste zorg bij zijn
aankomen bestond, in één van zijne ossen te doen slagten, die hij ons
verzogt wel te willen aanneemen voor de reis, als een blijk van zijne
erkentenis. Die behandeling rechtvaardigde het belang het welk mij deeze
ongelukkige edelman reeds ingeboezemd had, wiens enkele beschouwing mij
meer dan eens over zijn lot had doen zuchten; ik kon niet begrijpen hoe
hij zich aan het zelve had kunnen gewennen indien hij niet de
gewaarwording zijner onschuld met zich voerde, die alleen hem deeze
sterkte van geest had kunnen inboezemen; bij onze aankomst te Vercknei,
gingen wij hem bezoeken, hij was bezig met eenige zijner buuren vrolijk
te drinken, zijn vergenoegen was ongeveinst, en vertoonde geenzints een
gevoelig mensch voor zijne geledene rampen, nog iemand die misnoegd was
over zijn tegenwoordigen staat.
[77] Ziet bladz. 18.
Zaimka of Gehugt dat door akkerlieden bewoond wierd.
Wij bleeven maar weinig tijds te Vercknei; wij begaven ons des
nademiddags weder op weg om vijftien wersten verder te Milkovaïa Dercvna
of in het dorp van Milkoff de nagtrust te neemen. Voortreizende vonden
wij al aanstonds een vrij ruim veld met palissaden omgeeven, en wat
verder een _Zaimka_, dat is te zeggen, een gehugt bewoond door
akkerlieden; dit zijn Kosakken of Russische Soldaaten, geschikt tot het
bebouwen der gronden, die voor rekening van de regeering bearbeid
worden. Zij hebben tagtig paarden, die aan de kroon behooren, en die zo
wel dienen voor het werk, als door de stoeterij die in deeze plaats
opgericht is tot voortfokking van deeze nuttige en zo zeldzaame dieren
in dit schier eiland. Omtrent vijf honderd treden van dit gehugt, het
welk Tschigatchi genaamd word, ontdekt men op een arm van de Kamschatka
een houten dog niet veel betekenenden watermolen. Men kon 'er als toen
geen gebruik van maaken, dewijl het water zo sterk gewassen was, dat
daar door de sluis was leeg geloopen, en het zelve zich door een
gedeelte van de vlakte had verspreid, alwaar het bevroozen was; de grond
scheen mij ter deezer plaats zeer goed, en de omleggende streeken zeer
vermaakelijk te zijn. Ik ondervroeg eenige van deeze Kosakken over de
voortbrengzels van hunne landstreek, alwaar het mij voorkwam, dat alle
soorten van graanen zeer wel moesten gelukken; zij antwoordden mij, dat
in der daad de laatste oogst, als mede de hoedanigheid van het graan,
hunne verwachting was te boven gegaan, en dat deeze in het geheel voor
de beste Russische gewassen niet behoefde te wijken; twee ponds graan
had 'er tien uitgelevert.
Inwoonders van Milkoff.
Te Milkoff gekomen, was ik verwonderd van daar nog Kamschatters nog
Kosakken te vinden, maar eene belangrijke bevolking van akkerlieden,
wier gelaatstrekken en voorkomen aanduiden, dat 'er onder hun geen
vermenging van geslachten plaats had gehad. Deeze bevolking wierd in
1743 voor de helft in Rusland, en voor de andere helft in Siberiën
uitgekozen, onder de oorsprongelijke bewoonders, namelijk, uit de
landbouwers; wanneer de regeering hun in dit Schiereiland zond, had
dezelve ten oogmerk de ontginning der gronden, en proefneemingen in den
landbouw, in de verwachting, dat het voorbeeld en de goede uitslag
deezer volkplanting van akkerlieden, tot onderrichting van de inwoonders
des lands zou verstrekken, en hun doen besluiten om zich meer en meer op
deeze edele en wezentlijke bezigheid toeteleggen. Ongelukkig heeft
derzelver alles te boven gaande zorgeloosheid, die ik reeds heb doen
kennen, kwalijk aan de verstandige maatregels van de regeering
beantwoord; zij zijn thans niet alleen nog verre af van door naiever
gedreeven te worden, maar zelfs, om met de voorbeelden, die ze onder hun
oog hebben, voordeel te doen. Die ongelukkige ongevoeligheid der
Inboorlingen is des te bejammerenswaardiger, daar men zich aan den
anderen kant niet kan onthouden van die vlijtige emigranten te
bewonderen, wier arbeid met eenen zo voordeeligen uitslag bekroond is.
Bij de Kamschatka geplaatst, vertoonen hunne wooningen een zeker soort
van gemak, zij bezitten vee dat mij in een goeden staat scheen te
weezen, de zorg die zij 'er voor draagen, brengt niet weinig tot
derzelver welvaart toe; ik heb ook opgemerkt, dat in het algemeen deeze
boeren zeer met hun lot te vreden scheenen te weezen; ze hebben, het is
waar, het genot van hun eigendom, alles is voordeel voor hun, en niets
is moeite, ieder werkt, bezaait zijn veld; en alleen gehouden om zijn
hoofdgeld te betaalen, zamelt elk vrijelijk de vrugt van zijn arbeid,
waar voor een vrugtbaare grond hun met woeker beloond. Ik houd mij
verzekert, dat men 'er nog meer voordeel van zou kunnen trekken, indien
de akkerlieden 'er in grooter aantal waaren. De oogst bestaat
voornamelijk in rogge en in gerst, dog deeze laatste in minder
hoeveelheid. Deeze bevolking is daar en boven bevrijd van de jagt, de
regeering heeft de oplettenheid zo ver uitgestrekt om die te verbieden,
ten einde deeze planters geheel aan hun werk te houden, en te zorgen dat
hun niets daar van kon aftrekken: ik meen evenwel te weeten, dat ze dit
verbod niet te zeer eerbiedigen. Derzelver hoofd is een _starost_ door
de regeering benoemd, die hem, onder de bejaarde lieden van het dorp
kiest, zo als zijn naam ook aanduid; hij is gelast op den goeden
voortgang van den landbouw te waaken; hij bestiert de zaaijing, de
inoogsting, en bepaalt daar van het juiste tijdstip, eindelijk moet hij
de nalatigheid opwakkeren of den iever der arbeiders aanmoedigen, en
vooral onder hun het oogmerk der inrichting en de goede verstandhouding
bewaaren.
1788. _Februarij._ Den 3.
Ostrog van Kirgann.
Dewijl ik mij na Machoure wilde begeeven, om een dag bij den Heer Baron
de Steinheil door te brengen, verliet ik den Heer Commandant te Milkoff,
en ik vertrok omtrent vier en twintig uuren vroeger van daar, ten einde
hem in zijn reis niet optehouden. Om des te spoediger voorttekomen, had
ik een kleine slêe genomen, dog aan deezen kant waaren de wegen niet
minder met sneeuw gevuld, en ook niet minder ongemaklijk, zo dat,
niettegenstaande mijne voorzorg, het onmogelijk was dien spoed te
maaken, welken ik mij voorgesteld had; het eerste Ostrog, dat ik op mijn
weg aantrof, was Kirgann. Voor dat ik daar aankwam, trok ik voorbij
eenige balagans en huizen, die mij toescheenen verlaaten te zijn, dog
men zeide mij, dat ieder jaar, de eigenaars door den zomer derwaarts te
rug geroepen wierden; de weinige wooningen, die het dorp van Kirgann
uitmaaken, zijn op den oever van een rivier, Kirganik genaamt, gebouwt;
deeze word door verscheide bronnen gevormt, die uit de nabuurige bergen
afkomen, en waar van de verschillende beekjes zich boven dit Ostrog
zamenvoegen, het welk vijftien wersten van Milkoff afgelegen is.
De koude was zo hevig, dat niettegenstaande de voorzorg, die ik genomen
had, van mij het aangezicht met een neusdoek te bedekken, mij binnen een
half uur de wangen bevroozen waaren, dog ik nam mijn toevlucht tot het
gewoone hulpmiddel, ik wreef mij het aangezicht met sneeuw, en ik raakte
vrij met eene prikkelende pijn van eenige dagen. Op het oogenblik, waar
in mijn aangezicht bevroor, wierd mijn lighaam het tegengestelde gewaar.
Ik mende zelfs mijne slêe; de geduurige beweeging, welke deeze oeffening
vordert, gevoegt bij het gewigt van mijne Kamschatsche kleeding[78]
bezorgde mij eene meer dan gewoone uitwaasseming, die mij geweldig
vermoeide. Echter hield ik mij te Kirgann niet op. Eenige wersten verder
wierd ik in het noordoosten een vuur-berg gewaar, die geen vlammen
uitwierp, dog 'er kwam een zeer dikke colom rook uit. Ik zal welhaast
gelegenheid hebben 'er wederom bij te komen, en 'er meer in het breede
van te spreeken. Ik ontdekte digt bij Machoure, een vrij digt mastbosch,
het eerste dat ik nog in Kamschatka gevonden had, de boomen waaren regt
maar zeer dun. Des namiddags ten twee uuren, kwam ik in het Ostrog van
Machoure, gelegen op de Kamschatka, zeven en dertig wersten van Kirgann.
[78] Mijne kleeding vordert eene bijzondere beschrijving, men zal daar
uit oordeelen, dat ik 'er niet zeer vlug uitzag. Gewoonlijk droeg ik
maar een eenvoudig parque van rendieren vel en een gevoerde muts, die
wanneer het nodig was, en de ooren, en een gedeelte van de wangen
bedekte. Wanneer de koude heviger wierd, vermeerderde ik deeze
kleeding met twee _kouklanki_, een soort van ruimer parque en van een
dikker vel gemaakt; van de eene was het hair naar binnen, en van den
anderen naar buiten gekeerd. In de geweldigste koude trok ik over dit
alles nog een derde veel dikker kouklanki, van honden of argali vellen
gemaakt; de hairige zij is altoos naar binnen, en het leer of de
buitenste oppervlakte van het vel is roodachtig geverwt. Aan deeze
kouklankis maakt men van vooren een kleine slabbedoek vast, die zich
opheft om het aangezicht tegens den wind te beschermen, daar en boven,
zijn dezelve van agter ieder voorzien van een gevoerde kap; somtijds
maakten deeze drie kappen, de een over den anderen, mijn kapsel uit,
ik deed ze zelfs over mijn gewoone muts. Mijn hals was bezorgt met een
das van een martervel, of een vossestaart, genaamd _ocheinik_, en mijn
kin met een kinband insgelijks van een martervel, dat op mijn hoofd
wierd vastgemaakt. Het voorhoofd zeer gevoelig voor de koude zijnde,
bedekt men het zelve met een otter of sabelrand, die vervolgens door
de muts overdekt word. Mijne gevulde broeken verschaften mij meer
warmte dan het overige van mijne kleeding, hoe zamengesteld ze ook
weezen mogt. Ik was dubbeld met rendieren vellen geschoeid, 't hair
naar binnen en buiten gekeerd; ze worden in het Kamschatsch _tchigi_
genaamd. Ik stak vervolgens mijn beenen in _torbassis_ of laarzen van
rendieren pooten, van binnen voorzien met een zool van _tonnchitcha_,
een zeer zagt gras, het welk de eigenschap van te verwarmen bezit.
Niettegenstaande deeze voorzorgen, wierden mijne voeten, na twee of
drie uuren reizens, zeer vogtig, het zij door de uitwaasseming, het
zij door de onmerkbaare doordringing van de sneeuw, en wanneer ik maar
een weinig stil op de slee zat, voelde ik dezelve aanstonds bevriezen.
Des avonds trok ik dit schoeizel uit, en deed voor den nagt een paar
wijde koussen aan met rendieren of argali vel gevoerd, en _ounti_
genaamt.
Verblijf te Machoure bij den Heer Baron de Steinheil.
Ik begaf mij bij den Heer Baron de Steinheil oud Capitain Ispravnick, of
Inspecteur van Kamschatka, welke post tans door den Heer Schmaleff
bekleed word. Ik was met hem te Bolcheretsk bekend geraakt, en het was
mij zeer aangenaam geweest met hem verscheide taalen te kunnen spreeken,
bijzonder die van mijn vaderland, hoe zeer ze hem niet zeer eigen was;
dog het was Fransch, en ik meende in hem een mijner landsgenooten te
zien. Wie immer Europa verlaaten heeft om in zulke afgelegene streeken
te reizen, heeft zulks even als ik moeten ontwaar worden; men acht zich
een medeburger van hem, die het zelfde waerelddeel voor zijn vaderland
heeft, of die dezelfde taal spreekt. De geringste zaak, die het
aandenken aan ons land kan opwekken, veroorzaakt het levendigste
vermaak, ons hart breid zich uit tot den vriend, tot den broeder, dien
wij meenen wedertevinden; in een oogenblik deelen wij in elkanders
vertrouwen. Ik smaakte deeze aangenaame gewaarwordingen op het gezicht
van den Heer Steinheil. Van het eerste oogenblik af aan, had ik tot de
verkeering met hem eenen onweerstaanbaaren trek. Ik moest hem zien en
spreeken, ik vond daarin een onuitspreekelijke vreugde, hoe zeer zijn
Fransch, gelijk ik reeds gezegt hebbe, van het alleronregelmatigste was,
en hij het met een Duitschen tongval uitsprak. Ik bragt met den Heer
Steinheil den dag van den 4. door, en des avonds zag ik den Heer Kasloff
aankomen, gelijk hij mij beloofd had.
1788. _Februarij_ Den 4. Te Machoure.
Ostrog van Machoure.
Het dorp van Machoure was een der aanzienelijkste van dit Schiereiland,
voor dat de kinderziekte aldaar geheerscht had, dog de verwoesting, die
deeze besmettelijke ziekte aldaar heeft aangericht, heeft het getal der
inwoonders tot op twintig huisgezinnen vermindert.
Nadere bijzonderheden over de Chamans.
Alle de Kamschatters van dit dorp, zo wel mannen als vrouwen, zijn
Chamans of gelooven aan de toverijen van deeze gewaande
duivelskonstenaars. De een en de ander vreezen ten uitersten de Popen of
Russische priesters, tegen welken zij een ongemeenen haat koesteren, ook
zoeken zij altoos de ontmoeting met hun te ontwijken, somtijds is dit
hun onmogelijk, als dan zoeken zij zich te vermommen wanneer ze hun zien
naderen, en begeeven zich zo spoedig mogelijk weg. Ik schrijf deeze
vrees, welke hun het gezicht der priesters inboezemt, aan den blaakenden
ijver toe, welken deeze zonder twijffel betoont hebben in het uitroeijen
der afgoderij, en die de Kamschatters voor vervolging aanzien; zij
beschouwen dus deeze bedienaars van den Godsdienst als hunne grootste
vijanden: mogelijk hadden zij grond om te gelooven, dat deeze
zendelingen met hunne bekeering alleen niet ten oogmerk hadden om
derzelver afgoden omvertewerpen. Deeze popen gaven hun waarschijnlijk
het voorbeeld der deugden niet, welke zij hun predikten zonder ze zelfs
te beoeffenen. In der daad meent men, dat zij zich minder bekommerden om
nieuwbekeerden te maaken, dan wel om goederen te verkrijgen, en voor al
om die neiging te voldoen, welke hun zo dikwils mogelijk tot de
dronkenschap vervoert. Men moet zich dus niet verwonderen, wanneer men
deeze inwoonders nog aan derzelver oude dwaalingen ziet vasthouden. Zij
bewijzen altoos een geheimen eerdienst aan hun God Koutka[79], zij
stellen een zodanig vertrouwen in hem, dat ze onophoudelijk aan hem
hunne gebeden opzenden, wanneer ze eenige zaak onderneemen of eenig goed
verlangen. Gaan zij op de jagt, onthouden zij zich van hun te wasschen,
en wagten zich wel om eenig teken van het kruis te maaken; zij roepen
hun Koutka aan, vervolgens offeren zij aanstonds aan deezen God de
eerste marter of het eerste dier, dat zij maar vangen kunnen, overtuigt,
dat na deeze Godsdienstige daad derzelver jagt allergelukkigst moet
weezen; zij verbeelden zich in tegendeel, dat wanneer zij een kruis
maakten, zij zich zouden blootstellen om niets te vangen. Tot hunne
bijgeloovigheid behoort ook de toewijding van de jonggeboore kinderen
aan hun Koutka, die zij reeds van de wieg af aan tot Chamans
voorbeschikken. De eerbied, dien zij in dit dorp voor deeze tovenaars
bezitten, is niet te begrijpen; dezelve schijnt waarlijk zinneloosheid
en verwekt een diep medelijden; want de buitenspoorigheden, met welke
deeze de ligtgelovigheid van hunne landgenooten bezig houden, zijn zo
dwaas en ongerijmd, dat men 'er minder om lagchen moet dan wel met
verontwaardiging daar over aangedaan weezen. Het is waar, tegenswoordig
verrichten zij hun kunst niet meer opentlijk, zij voegen zo veel
uitwendigs niet meer bij hunne toverijen; hunne kleederen zijn niet meer
met geheimzinnige ringen, nog met verschillende zinnebeeldige metaalen
figuuren opgeciert, welke zich op de minste beweging van hun ligchaam
met veel geraas deeden hooren, zij hebben insgelijks ook een zeker soort
van ketel afgelegt[80] op dewelke zij de maat sloegen, geduurende hunne
voorgewende bezweeringen, of om een ieder van hunne aankomst te
verwittigen; en eindelijk, hebben zij zich ook van alle de
toverinstrumenten ontdaan. Ziet hier ten naasten bij, waar in hunne
plegtigheden thans in derzelver vergaderingen bestaan, welke zij
zorgvuldig in het geheim houden, dog die daarom geen minder toeloop
hebben. Men stelle zich een kring voor van aanschouwers, die met eene
domme oplettenheid rondom den tovenaar of tovenaarster geschaard zijn,
want de vrouwen zijn, zo als ik reeds verhaald heb, ook in de
geheimenissen der Chamans ingeleid. Eensklaps zet deeze of die zich aan
het zingen, of liever aan het geweldig schreeuwen, zonder maat of
betekenis; de gehoorzaame vergadering antwoord hem op dezelfde manier,
het geen het allerwanluidendste en onverdraagelijkste concert uitmaakt.
Langzamerhand raakt de Chaman in verrukking, hij begint op de verwarde
toonen van zijne toehoorders te danssen, die zich heesch schreeuwen en
verbleeken in de vervoering van hun iever en bewondering; de dans word
heviger, naar maate de dienaar van den God Koutka den voorzeggenden
geest ontwaar word. Gelijk aan de Pijthische Waarzegster op den
drievoet, slaat hij verwilderde en verwoede blikken op, alle zijne
beweegingen zijn stuiptrekkende, zijn mond verdraait zich, zijne leeden
worden stijf, 'er zijn, om alles in het kort te zeggen, geene
verdraaijingen of grillen uittedenken, welke hij niet verzint en
uitvoert, tot groote verbaazing van alle de aanweezenden. Na dat hij een
tijd lang deeze grillen verricht heeft, houd hij dikwils eensklaps stil,
als of hij ingeevingen verkreeg; zijne zinneloosheid word dan zo bedaard
als ze eerst heftig geweest is, men ziet geen woede of vervoering meer,
het is dan de geheiligde opgetoogenheid van den mensch, geheel vervuld
van den God, die hem beheerscht, en die door zijne stem zal spreeken.
Verbaast en al beevende, zwijgt aanstonds de vergadering, in de
verwachting van het wonderbaare, dat aan hun zal geopenbaard worden.
Deeze hoord als dan uit den mond van den zogenaamden Propheet woorden
zonder aaneenschakeling voortkomen, die de bedrieger zich bij
tusschenpoozen laat ontglippen, hij verkondigt dus alles wat hem door
het hoofd gaat, en dit is altoos een uitwerkzel van de ingeevingen van
den Koutka. De redenaar verzeld gewoonlijk zijn verhaal of met een vloed
van traanen of met een geschater van lagchen, naar maate van het goede
of het kwaade dat hij verkondigt, en zijne kragtige gebaarden
verschillen naar gelang van zijne gewaarwordingen[81]. Deeze
bijzonderheden omtrent de Chamans zijn mij door geloofwaardige lieden
medegedeeld, die middel gevonden hadden om hunne onbeschaamde
openbaaringen bij te woonen.
[79] Men vind daar van in Steller eene getrouwe beschrijving.
[80] Dit soort van trom wierd bouben genaamd, deeze is nog in gebruik
bij de Yakoutsken, gelijk men in het vervolg zien zal.
[81] Men zou kunnen zeggen dat ten deezen opzichte de Chamans eene
zekere overeenkomst met de Kwakers hebben; men weet dat deeze laatste
ook diergelijke inblaazingen vooronderstellen, en dat die geen onder
hun, welke aan deszelfs ingeeving bot viert, meest altoos begint met
erbarmelijk te schreijen, of tekens van eene onverwachte vreugde te
geeven; ten minsten preeken deeze ingegeevene nog, schoon wat in het
wilde, over de zedekunde, welke zij meenen in haar zuiverste kracht
voortestellen, in plaats dat de Kamschatsche redenaars niet weeten wat
zij zeggen, en dit geheimzinnig en trouwloos gesnap niet anders
bezigen, dan om de afgoderij van hunne al te eenvoudige toehoorders,
aantewakkeren.
Bericht van een opstand der Koriaken.
Men bevestigde ons te Machoure dat geen, het welk reeds aan den Heer
Commandant berigt was, door een ingenieur genaamt Bogenoff; hij was naar
de omliggende streeken van de rivier de Pengina gezonden, om daar den
grond voor een stad uit te kiezen en 'er het plan van aftetekenen, met
bevel om vervolgens de westkust van Kamschatka te volgen tot aan Tiguil,
en om eene naauwkeurige kaart van zijn reis te vervaardigen. Bij zijn
aankomst te Kaminoi[82] vond hij, volgens zijn verhaal aan den Heer
Kasloff, eene groote menigte van muitende Koriaken, die gewapend voor
hem kwamen om hem den doortogt te sluiten, en te beletten, dat hij aan
zijne zending kon voldoen. Men voegde 'er hierbij, dat zij ten getale
van zes honderd waaren, en dat ze zeer waarschijnlijk ons even min onze
reis zouden laaten vervolgen. Het vooruitzicht was treurig, vooral voor
mij, die van begeerte brandde om te Okotsk te komen, even als of daar de
eindpaal van mijn reis was, of dat ik van daar tot in Frankrijk maar een
dag reizens had afteleggen. Hoe hard viel mij het denkbeeld, dat 'er
geen andere weg zijnde dan door dit dorp, wij mogelijk genoodzaakt
zouden weezen om te rug te moeten keeren! de gedagte alleen deed mij van
ongeduld beeven. De Heer Commandant, die met mij daar in deelde, was
even als ik van oordeel, dat wij ons op deeze berichten niet moesten
ophouden, dezelve konden misschien niet naauwkeurig zijn; het gewicht,
dat de verhaalders daar in stelden, het verbaard gelaat, waar mede zij
hunne verhaalen vergezelden, eindelijk de kleine bijvoegzelen, die men
er dagelijks toevoegde, dit alles deed ons het verhaal mistrouwen. Bij
gevolg beslooten wij, dat wij ons zelfs van de waarheid der zaak moesten
overtuigen, en voorwaards trekken, behoudens de toevlucht tot de
hulpmiddelen, waar door wij onzen doortogt konden verkrijgen, ingevalle
deeze oproerigen zich daar tegens mogten verzetten; dog welhaast
wierden wij aangemoedigd door de aankomst van een expresse bij den Heer
Kasloff, dien geen de minste tegenkanting of moeijelijkheid op zijn reis
wedervaaren was, hij verzekerde ons, dat hem alles bedaard was
voorgekomen; daar en boven hadden wij reden om te gelooven, dat, in het
tegengesteld geval, hij eenige beweegingen zou hebben moeten gewaar
worden, en dat wij dus geen beletzel op onzen togt te vreezen hadden.
[82] Een dorp gelegen op den oever van de rivier van Pengina.
Den 5.
Vertrek van Machoure.
Met het krieken van den dag verliet ik dan den Heer Baron van Steinheil,
met zo veel leedweezen als erkentenis voor zijn verplichtend onthaal, en
voor alle de blijken van genegenheid, die hij mij geduurende mijn kort
verblijf te Machoure betoonde[83]. Ik verliet in hem een waarlijk
belangrijk mensch, zo wegens zijne kundigheden als hoedanigheden.
[83] Niettegenstaande alle mijne voorzorgen, had ik hier het
ongenoegen van mijn Sabelmarter die de Heer Kasloff mij gegeeven had
te zien sterven; ziet pag. 48. Aanstonds liet ik ze villen om het vel
te kunnen bewaaren.