gevoelen, dat in weinig dagen alle de rivieren digt raakten, zelfs de
Bolchaïa-reka, het geen door deszelfs uitermaate sterken stroom zeer
zeldzaam is. Den volgenden morgen ontlastte zij zich reeds van de
ijsschotsen, waar mede ze bedekt was; ik heb 'er zedert voor Bolcheretsk
zich geene zien vastzetten, dan op de hoogte van 't huis van den
Commandant. Hoe zeer de rivier op verscheide plaatzen digt is, vertoont
ze echter nog in dit tijdstip verscheide openingen, waar men haaren
stroom deszelfs gewoonen loop ziet behouden.
Men word op iederen oever van dit schier-eiland een gevoelig onderscheid
in den dampkring gewaar. Terwijl te St. Pieter & Paulus geduurende den
zomer groote droogte geheerscht had, klaagde men te Bolcheretsk over
menigvuldigen regen, echter is het mij voorgekomen, dat men over het
algemeen den herfst in dit jaar niet zeer regenachtig gevonden had. De
al te menigvuldige regen is in dit land schadelijk, dewijl ze
aanmerkelijke overstroomingen te weeg brengt, en de visch verjaagt;
waar uit voortkomt, dat de honger de arme Kamschatters overvalt, gelijk
in het voorleden jaar in alle de dorpen van de westkust van het
schier-eiland gebeurd is. Deeze ijsselijke geessel heerschte daar zo
algemeen, dat de inwoonders genoodzaakt wierden hunne wooningen te
verlaaten, en zich met derzelver huisgezinnen naar de oevers van de
Kamschatka te begeeven, in hoop van daar meer hulpmiddelen te zullen
vinden, als zijnde de visch overvloediger in deeze rivier. De Heer
Kasloff had zich voorgestelt om zijn te rug reis langs de westkust te
neemen, hebbende de oostkust reeds doorgetrokken; dog de tijding van
deezen hongersnood had hem tegen wil en dank genoodzaakt om den zelfden
weg te rug te gaan, veel eer dan zich bloottestellen om daarin gestremt
te worden, en misschien ter halver weg te verongelukken, door de
moeijelijkheid van zich honden, en levensmiddelen op de westkust te
verschaffen.
De wind is geduurende mijn verblijf te Bolcheretsk zeer veranderlijk
geweest; hij was meest west, noord-west en noord-oost, zomtijds aan den
zuidkant, maar zeldzaam in het oosten. De zuide en weste winden waaren
bijna altijd van sneeuw verzeld, en weinig weeken zijn 'er, tot in
Januarij toe voor bij gegaan, waarin wij niet twee of drie hevige
stormwinden zagen opkomen; deeze kwamen gewoonlijk uit het noord-westen:
die buijen duurden weinig minder dan één of twee dagen, en somtijds
zeven of agt. Als dan zou het de uiterste onvoorzigtigheid geweest zijn
van ons te waagen om uit te gaan. De hemel was van alle kanten bezet, en
de sneeuw door deeze dwarlwinden opgeheven, vormde een dikken nevel in
de lucht, die niet toeliet om zes treden van zich aftezien. Wee de
reizigers, die zich in dit ijsselijk wêer op weg bevinden! Zij zijn
genoodzaakt stil te houden, zo als ik reeds gezegt heb, anders loopen
zij gevaar elkander te verliezen, of in den een of anderen afgrond te
vallen, want hoe zal men de wegen onderscheiden? Hoe die vervolgen,
wanneer men te worstelen heeft met de onstuimigheid van den wind, en
wanneer men zich met moeite van de sneeuwhopen ontdoen kan, waar van men
eensklaps omringt word? Indien de menschen zo veele aanmerkelijke
gevaaren uitstaan, dat men dan oordeele over het geen de honden moeten
lijden. Niets is ook zo gemeen, dat dat men door deeze vreesselijke
orkaanen, zich onverwachts van de sleeden, die tot het gevolg behooren,
afgescheiden, en twee wersten of meerder van elkander verwijderd
bevind, ieder een anderen weg neemende[69].
[69] Deeze orkaanen heerschen vooral in de maanden November, December
en Januarij.
Oorzaaken die de langduurigheid van ons verblijf te Bolcheretsk
noodzaakelijk gemaakt hebben.
De meenigvuldigheid dezer stormwinden, de verbaazende uitwerkzels, die
er de gevolgen van kunnen zijn, deeden ons de noodzaaklijkheid gevoelen
om ons vertrek uittestellen. De Heer Kasloff had even zo veel verlangen
om zich naar de plaats van zijn verblijf te begeeven, als ik ongedulds
bezat om mijn reis te vervolgen, ten einde mijne zending met dien spoed
te verrichten, welke mij aanbevolen was; dog alle de berichten, die wij
ontfingen, veroordeelden onzen iever, en men toonde mij aan, dat het
roekeloosheid van mij zoude zijn, indien ik wilde vertrekken, met zulke
gewigtige brieven belast zijnde, als mij toevertrouwd waaren. Deeze
bedenking deed mij voor de verzoeken en raadgeevingen van den Heer
Kasloff, en van de andere Officieren van zijn gevolg zwigten; die
bevelhebber voorkwam mijne begeerten door mij een eigenhandig
getuigschrift te geeven, het welk de langdurigheid van mijn verblijf te
Bolcheretsk rechtvaardigde, door het opgeeven der oorzaaken, welke het
zelve noodzaaklijk gemaakt hebben[70]. Deeze stormwinden eindelijk
omtrent den 15 Januarij opgehouden hebbende, beijverden wij ons om in de
laatste toebereidzelen tot ons vertrek te voorzien, het welk op den 27
van die maand wierd vastgesteld.
[70] Men zal dit getuigschrift aan het einde van dit werk vinden.
Toebereidzelen tot ons vertrek, bepaald op den 27 Januarij.
Wij voorzagen ons, zo goed wij konden, van brandewijn, ossenvleesch,
roggemeel en gort; men bakte een groot getal brooden, waar van een
gedeelte voor de eerste dagen van onzen togt bewaard wierd, en het
overige wierd in zeer kleine stukjes gesneeden en op den oven even als
beschuit gedroogd; het overschot van het meel vulde men in zakken, die
voor gevallen van noodzakelijkheid bewaard wierden.
[Illustratie: _Dessiné par [TR]..._
_Gravé par SS...Choffard._
_de plusieurs Acad.^{ies} Roy.^{les} 1790._
CARAVANE KAMTSCHADALE ARRIVANT DANS UN OSTROG OU VILLAGE.]
De Heer Kasloff had bevolen, dat men zo veel honden, als maar te bekomen
waaren, zou opzamelen; aanstonds bragt men ze ons uit alle de nabuurige
Ostrogs bij menigte, eveneens leverde men ons de leevensmiddelen in
overvloed; de eenigste zwarigheid was maar hoe dat alles mede te voeren.
Toen men onze sleeden zou laaden, was ons reisgoed zo aanmerkelijk, dat
niettegenstaande de menigte van handen, die daar toe gebruikt
wierden, de oplaading niet voor den 27. des avonds kon afgedaan zijn;
wij hadden beslooten dien dag in den morgen te vertrekken, en het was
reeds nagt, wanneer men ons kwam zeggen dat alles gereed was: hier
hadden wij den tijd om ons ongeduld te beproeven; ik voor mij wil
bekennen dat mij nimmer een dag zo lang gescheenen heeft. Dit uitstel
had ons zo verveelt, dat wij niet tot aan den volgenden morgen wilden
wachten; naauwlijks gewaarschuwt, of wij liepen naar onze sleeden, en in
het zelfde oogenblik waaren wij buiten Bolcheretsk.
Den 27.
Vertrek van Bolcheretsk.
Het was des avonds ten zeven uuren wanneer wij het zelve verlieten,
onder de begunstiging van het licht der maan, welkers helderheid nog
levendiger wierd door de schemerende witheid van de sneeuw. Dit vertrek
was waarlijk een onderwerp voor het penseel geschikt; dat men zich onze
in der daad talrijke caravane verbeelde, bestaande uit vijf en dertig
sleeden[71], daar onder begreepen die, waar op ons reisgoed geladen
was. Op de eerste was een Sergeant geplaatst, genaamt _Kabéchoff_;
gelast om den togt te gebieden en te geleiden; hij gaf het teken, en
spoedig, vertrokken alle deeze sleeden de een na de ander; ze wierden
door omtrent driehonderd honden voortgetrokken[72] wier iever derzelver
snelheid evenaarde; doch welhaast was de order gebrooken, de reijen
kruisten zich en raakten in de war, eene edele naiever bezielde de
geleiders, en de reis wierd een wagen-wedloop; de prijs behoort hem, die
zijne dravers het meest voortdrijft, niemand wil voor bij gehaald zijn,
de honden zelfs kunnen deeze belediging niet verdraagen; zij beijveren
zich om het zeerst, en hitsen zich beurtelings aan om de eer in de
loopbaan te verkrijgen; de strijd begint en de sleeden raaken om ver,
met gevaar dikwils van aan stukken te breeken; het geroep der
omgevallene, het geschreeuw der honden die aan het vegten, het verwarde
geblaf der geenen die aan het loopen zijn, eindelijk het luidruchtig en
onophoudlijk _gesnap_ der geleiders vermeerderde nog de wanorder waarin
men zich zelfs niet kan hooren of verstaan.
[71] Het waaren meest gewoone sleeden, zo als men ze op bladz. 100
beschreeven heeft gezien, sommigen waaren geslooten en hadden de
gedaante van _verocs_ of _kibitks_ de mijne was van dat getal gelijk
ik bladz. 107 verhaald heb. Onder deeze vijfendertig sleeden, reken ik
die van de inwoonders van Bolcheretsk niet, welke ons tot aan Apatchin
uitgeleide deeden.
[72] Daar waaren er vijfen veertig voor de slêe van den Heer Kasloff
gespannen, en zeven en dertig voor de mijne.
Om meer op mijn gemak dit rumoer te kunnen beschouwen, verliet ik mijn
slêe, in welke ik als gevangen zat, ik verzogt om mij op een kleinder te
plaatsen, die behalven het vermaak van zelfs te rijden, mij nog daar en
boven dat verschafte, van te kunnen zien al het geen rondom mij
gebeurde; daar viel gelukkig niets voor, en ik had geen reden mij mijner
nieuwsgierigheid te beklagen; deeze verwarring wierd voornamelijk
veroorzaakt door den toeloop der inwoonders van Bolcheretsk, die zo wel
uit achting als eerbied voor den Heer Commandant ons tot aan Apatchin
wilden vergezellen[73] alwaar wij tegens middernagt aankwaamen; Van
Bolcheretsk tot aan dit Ostrog rekent men vier en veertig wersten.
[73] Voor dat ik den 18 October 1786. te Bolcheretsk was gekomen, had
ik reeds dat dorp doorgetrokken, waar van ik op bladz. 54 de
beschrijving gegeeven heb.
1788. _Januarij_ Den 27.
Aankomst te Apatchin.
Weinige oogenblikken na onze aankomst ontstond 'er een geweldige wind,
die ons zeer gehinderd zou hebben, indien ze ons op reis overvallen had.
Deeze storm duurde het overige van den nagt, en den geheelen dag van den
28sten, zo dat wij verpligt waaren dien te Apatchin doortebrengen.
1788. _Januarij_ Den 27. Te Apatchin.
Afscheidsgroet van de inwoonders van Bolcheretsk.
Wij ontfingen daar den laatsten afscheids-groet van de Inwoonders van
Bolcheretsk, die ons gevolgt waaren; de aandoeningen die zij over het
vertrek van den Heer Kaslof betoonden, de betuigingen van erkentenis en
van eerbied, die ze hem beweezen; troffen mij bijzonder: ik was boven al
verwondert over het belang, dat zij in mij en in den goeden uitslag
mijner reize scheenen te stellen; ieder hunner betuigde mij dit op zijne
wijze; Ik was des te gevoeliger voor de genegenheid, die zij mij in dit
oogenblik betoonden, dewijl ik geduurende mijn verblijf te Bolcheretsk,
gelegenheid gehad had van te ontwaaren, dat de Fransche naam in geen
zeer groote achting onder deeze volkeren was; zij hadden veel eer het
slegtste denkbeeld van ons, zelfs tot die hoogte, dat zij in het eerst
moeite hadden te gelooven, het geen men hun van de beleeftheid en
oprechtheid verhaalde, met welke alle onze togtgenooten, de inwoonders
van St. Pieter & Paulus behandeld hadden. Echter, naar maate zij hunne
landgenooten met lof van onze handelingen ten hunnen opzichten hoorden
spreeken, wierd derzelver vooringenomenheid minder sterk; ik maakte daar
van gebruik, om dit denkbeeld, en door mijne gesprekken, en door mijn
gedrag onder hun, geheel weg te neemen; ik durf mij niet vleijen daar in
geslaagt te zijn, doch het is mij voorgekomen, dat op het eind hun
manier van denken geheel in ons voordeel veranderd was.
Oorzaak van de kwade denkbeelden die de inwoonders van Kamschatka
omtrent de Franschen opgevat hebben.
Het nadeelig denkbeeld, het welk zij van den aart en de geschiktheid van
onze natie opgevat hadden, was veroorzaakt door den naam van trouwloos
en wreed, die ons eenige jaaren geleden in dit gedeelte van het
Schiereiland door den berugten Beniovski berokkend was; deeze sclavonier
had zich daar voor een Franschman uitgegeeven, en zich als een oprecht
wandaal gedraagen.
1788. _Januarij_ Den 28. Te Apatchin.
Historische bijzonderheden wegens Beniovski.
Zijne geschiedenis is bekend; men weet dat hij bij gelegenheid van de
onlusten in 1769 in Poolen onder de vaandels van de confoederatie
diende; uit hoofde zijner onverzaagtheid wierd hij gekoozen om een
opgeraapten hoop vreemdelingen, of liever roovers gelijk hij te
gebieden, welke door de verbondene met weerzin betaald wierden; aan het
hoofd van dezelven, doorliep hij het land, vermoordende alles het geen
hem op zijn weg tegenkwam; hij kwelde de Russen zonder ophouden die hem
niet minder vreesden dan de Poolen. Zij gevoelden wel haast de
noodzaakelijkheid om zich van een zo gevaarlijken vijand te ontslaan;
het gelukte hun om hem gevangen te neemen, en men begrijpt ligt dat zij
hem niet gemakkelijk behandelden; Na Siberien gebannen, en van daar naar
Kamschatka, bragt hij zijnen geweldigen en wraakzuchtigen imborst
derwaarts; uit het midden der sneeuw, waar onder de Russen hem begraven
achtten, te voorschijn gekoomen, verschijnt hij onverwachts voor
Bolcheretsk, gevolgt van een troep bannelingen, aan welken hij zijne
stoutmoedigheid heeft weten in te boezemen, hij verrast de bezetting en
maakt zich van de wapens meester, de bevelhebber zelf, de Heer Nilloff
wierd door zijn eige hand gedood; Een schip lag 'er in de haven,
Beriovski maakt 'er zich meester van, alles beeft op zijn gezicht, alles
is genoodzaakt hem te gehoorzaamen; hij dwingt de arme Kamschatters om
hem den voorraad, dien hij vordert, te verschaffen, en niet te vreden
over de opofferingen die hij verkrijgt, levert hij derzelver wooningen
over aan de tomelooze moedwil der roovers van zijn gevolg, aan het welk
hij tot een voorbeeld van misdaadigheid en wreedheid verstrekt;
Eindelijk begaf hij zich met zijne medemakkers scheep, en maakte t'zeil,
zo men zegt, naar China, met zich voerende de verfoeijing van het
Kamschatsche volk[74].
[74] Men heeft niet lang geleeden de bijzonderheden omtrent het einde
van dien beruchten gelukzoeker bekomen.
Dit was de eenigste zogenaamde Franschman, dien zij nog op hun
Schier-eiland gezien hadden, en onze natie niet anders dan na hem
kunnende beoordeelen, was het hun ongetwijffelt wel geoorloft ons niet
te beminnen, ja zelfs ons te vreezen.
1788. _Januarij_ Den 29. Te Apatchin.
De Heer Schmaleff verlaat ons ten einde het overige van zijn plaats en
bewind te gaan bezigtigen.
De Heer Schmaleff verliet ons met het aanbreeken van den dag, en vertrok
het eerste om de kust van Figuil of de westkust te doorkruissen, en de
overige plaatzen van zijn bewind te bezoeken[75].
[75] Zijn reis was ook ingericht om levensmiddelen te verkrijgen die
hij ons toezond, eenigen tijd daar na voegde hij zich weder bij ons,
zo als men in het vervolg van dit dagverhaal zal zien.
Vertrek van Apatchin.
Wij verlieten bijna terzelfder tijd Apatchin, onze stoet zo talrijk niet
meer zijnde, maakten wij des te meer spoed; na de vlakte waar in dat
dorp gelegen was doorgetrokken te hebben, kwaamen wij aan de
Bolchaïareka, dewelke wij eenige uuren langs reisden, wij volgden haar
in alle de bogten, welke zij beschrijft, dan eens door het midden van
een bosch, en dan eens langs den voet der hooge en steile bergen; waar
mede deszelfs oevers bezoomd zijn; vijftien wersten van Malkin verlieten
wij deeze rivier, welkers stroom de op verscheidene plaatzen gebrokene
stukken ijs begon wegtevoeren, en op een weinig afstands van dit Ostrog
staken wij de Bistraïa over om ons derwaarts te begeeven; het was bijna
ten twee uuren des namiddags wanneer wij 'er aankwamen; wij hadden,
reeds vier en zestig wersten zedert Apatchin afgelegt, doch geen
voorspan hebbende, waaren wij genoodzaakt ons hier op te houden, ten
einde aan onze honden tijd te geeven om uit te kunnen rusten.
1788. _Januarij_ Den 29.
Aankomst te Malkin.
De Toyon van Malkin kwam aanstonds den Heer Commandant zijn isba
aanbieden, hij had reeds vrij groote toebereidzelen gemaakt om ons te
ontfangen, het geen ons deed besluiten om daar den nagt door te brengen,
hij deed ons alle mogelijke eerbewijzingen en gaf ons het beste onthaal,
doch hoe meer reden wij hadden om over zijne voorzorge en goeden wil te
vreeden te zijn, des te onaangenaamer was het mij, dat hij zich zo
weinig over onze rust bekommerd had, met namelijk geen zorg te draagen
dat dezelve door niets gestoord wierd. De mijne wierd schrikkelijk
gehinderd door de nabuurschap van onze honden, waar aan ik nog niet
gewoon was; het geweldig en geduurig gehuil van deeze vervloekte dieren
was telkens aan mijn oor, en liet mij den geheelen nagt niet toe om een
oog te sluiten. Men moet dit nagtmuziek, het onaangenaamste dat ik ken,
gehoord hebben, om zich te verbeelden hoe veel moeite ik had van mij
daar aan te gewennen, want geduurende mijn reis wierd ik wel
genoodzaakt om onder dit gejuil te slaapen; gelukkig schikt zich het
lighaam tot alles, na eenige slegte nagten overstelpt van den slaap,
hoorde ik eindelijk niets meer, en langzamerhand gewende ik zodanig aan
het geschreeuw van deeze dieren, dat ik zelfs te midden onder hun met de
grootste gerustheid sliep. Ik zal hier nog bijvoegen, dat men deeze
honden niet te eeten geeft voor dat ze aan de rustplaats komen, of voor
het einde van den dag; deeze eenigste maaltijd bestaat gewoonlijk in
gedroogden salm, dien men aan ieder hunner uitdeelt.
Ostrog van Malkin.
Het Ostrog van Malkin gelijkt na alle die geenen die ik gezien en reeds
beschreeven heb; het bestaat uit vijf of zes isbas en omtrent vijftien
balagans; het is gelegen op den oever van de Bistraïa, en met hooge
bergen omringt; Ik had den tijd niet om de heete bronnen, die men mij
zeide in de nabuurschap te weezen, te gaan bezichtigen, men voegde 'er
bij, dat ze een sterke zwavellucht bezaten, en dat 'er onder anderen één
op het hellen van een heuvel gevonden wierd, langs den voet van welke ze
een poel van vrij helder water vormt.
1788. _Januarij_ Den 30.
Gedwongen omweg.
Van Malkin reisden wij op Ganal, dat vijf en veertig wersten daar van
afgelegen is, doch wij konden deezen weg niet zo spoedig afleggen als
wij wel gewenscht hadden. De Bistraije was niet geheel digt, wij moesten
dus een omweg neemen, dwars door de bosschen, alwaar de sneeuw zeer dik
en niet vast lag, het geen veroorzaakte, dat onze honden 'er tot den
buik toe inzakten, en zich zeer vermoeiden; dit noodzaakte ons dien weg
te verlaaten en onzen togt naar de Bistraïa heen te wenden. Wij vonden
ze tien wersten van Ganal weder, in dien staat, welken wij tot onze
zekerheid konden verlangen; de dikte van het ijs beloofde ons een
gemaklijken overtogt, en wij maakten 'er met allen iever gebruik van,
wij volgden deeze rivier tot aan dat dorp het welk aan deszelfs oever
gelegen is. Vier isbas en elf balagans maaken dit Ostrog uit, alwaar ik
niets merkwaardigs gewaar wierd.
Te Ganal.
Wij vernamen er alleen dat de Orcaanen allerijsselijkst gewoed hadden,
en dat ze zich nog deeden gevoelen, echter met minder hevigheid. Het is
niet moeijelijk om reden van het geweld dezer stormwinden te geeven; de
omgeleegen hooge bergen vormen als zo veele monden, waar in de wind zich
verzamelt; hoe minder uitgangen dezelve vind, hoe onstuimiger hij word:
hij zoekt zich een weg te baanen, hij maakt van den eersten dien hij
vind gebruik, en ontlast zich in wervelwinden, werpt de sneeuw op de
wegen, en maakt die meesttijds onbruikbaar.
1788. _Januarij_ Den 31.
Een zeer lastigen dag.
Na eene vrij slegten nagt in het huis van den Toyon van Ganal
doorgebragt te hebben, vertrokken wij van daar voor het aanbreeken van
den dag om ons naar Pouschiné te begeeven. Den afstand tusschen deeze
twee Ostrogs beloopt op negentig wersten, en echter deeden wij deezen
togt in veertien uuren: doch de laatste helft van de weg was zeer slegt;
deeze niet gebaand zijnde, zakten onze sleeden twee en drie voeten diep
in de sneeuw, en de schokken waaren zo menigvuldig, dat ik mij gelukkig
achte er van bevrijd te zijn, en maar eens omgevallen te hebben; om van
de richting der sneeuw, uit de menigte die een gedeelte der boomen
bedekte, te oordeelen, scheen het ons toe dat dezelve met noordewinden,
en in eene buitengewoone hoeveelheid gevallen was, het geen ons door de
bewoonders bevestigt wierd; wij reiden gestadig door een berkenbosch, en
geduurende eenigen tijd verlooren wij de keeten van bergen uit het
gezicht, welke wij daags te vooren langs getrokken waaren, doch nader
aan Pouchiné komende, kreeg ik ze weder in het gezicht.
Te Pouschiné.
Isbas zonder schoorsteenen.
De Kamschatka loopt langs dit Ostrog, het welk grooter dan Ganal is, het
eenigste dat ik hier waargenomen heb, bestaat daar in, dat de isbas
zonder schoorsteenen zijn, dezelve hebben even als de balagans, maar
eene naauwe opening in het dak, dit is de eenigste doortogt, dien men
aan den rook laat, daar en boven sluit men ze spoedig door een schuif,
om de warmte te bewaaren. Wanneer men deeze vertrekken verwarmt, is het
bijna onmogelijk van 'er in te kunnen blijven, men moet 'er uitgaan of
op den grond gaan leggen, zo men geen gevaar wil loopen van versmoord of
ten minsten verblind van den rook te worden, hij neemt niet altoos
aanstonds den weg naar het dak, naar maate hij zich verheft, verspreid
hij zich ook in dikke en zwarte wolken door de kamer, en daar men hem
zelden tijd geeft om geheel optetrekken, is het binnenste van deeze
isbas gewoonlijk met roet bepleisterd, het welke men bij het inkomen
reeds aan de lucht gewaar word, en waar van het gezicht waarlijk afkeer
verwekt.
Kamschatsche lamp.
Doch dit is nog minder onaangenaam dan de stinkende reuk, welke een
donker brandende lamp, waar door het geheele huis verlicht word, van
zich afgeeft; de gedaante daar van is alderlompst, het is eenvoudig een
uitgeholde klei of steen, waar uit een linnen vod, opgerolt als tondel
te voorschijn komt, rondom dezelve doet men sterk vet van zee-wolve of
van andere dieren; zodra deeze tondel aangestoken is, ziet men zich
eensklaps omringt van een duisteren damp, die niet minder dan de rook
toebrengt om alles zwart te maaken; hij stijgt in den neus en in de
keel en gaat tot aan het hart. Dit is de eenigste kwaade lucht niet, die
men in deeze wooningen inademt, daar is 'er nog een andere die na mijne
gedagten veel stinkender is, ik kon 'er mij altans niet aan gewennen,
dit zijn de walgachtige uitwaassemingen welke de gedroogde of verrotte
visch verspreid, het zij dat men ze toebereid of opdischt, zelfs na dat
men ze gegeeten heeft, het overschot is voor de honden geschikt doch
voor dat ze het krijgen, worden al de hoeken van het vertrek daar mede
uitgeveegt.
Morsigheid der bewoonders van deeze Isbas.
Daar en boven, is het toneel dat de bewoonders binnen deeze huizen
opleveren, nog wel zo walgelijk. Hier ziet men een hoop vrouwen
blinkende van smeer, en zich op den grond wentelende op een hoop vodden;
deeze geeven haare halfnaakte en van het hoofd tot de voeten bemorste
kinderen te zuigen, anderen verslinden met dezelve eenige stukken raauwe
en meesttijds bedorven visch; verder ziet men wederom nog anderen, in
een nagtgewaad dat niet minder vuil is op beerenvellen leggen, onder
elkander of alle te gelijk praatende, en aan verschillende
huishoudelijke zaaken werkende, in afwachting van haare mannen.
Gelukkig waaren de huizen der Toyons zo goed schoongemaakt als mogelijk
was, om den Heer Kasloff daar in te ontfangen, die altoos de goedheid
had van mij daar, benevens hem te doen huisvesten.
_Februarij._ Den 1.
De wegen vervuld met sneeuw; vermoeijende oeffening van mijne geleiders.
Wij namen onze nagtrust bij den Toyon van Pouschiné, en wij vertrokken
den volgenden morgen vroegtijdig; wij konden deezen dag niet meer dan
vier en dertig wersten afleggen. Het scheen, dat hoe meer wij voorwaarts
kwamen, hoe meer de wegen door de sneeuw gestopt waaren. Mijne twee
geleiders waaren zonder ophouden bezig om mijn slee in evenwicht te
houden ten einde het omvallen te beletten of niet van den weg te
geraken; daar en boven moesten ze hunnen longen ongemeen geweld aandoen
om de honden aantemoedigen, die dikwils stil hielden, niettegenstaande
de slaagen die men hun met zo veel behendigheid als in menigte
uitdeelde. Deeze arme dieren, wier sterkte onbegrijpelijk is, hadden de
uiterste moeite om zich van de sneeuw te ontdoen, die hun weder bedekte
naar maate zij 'er zich van ontlasteden, men moest die gelijk maaken om
'er hun door te helpen, dit was ook een der bezigheden van mijne
leidsluiden; om op de sneeuw te kunnen staande blijven, hadden zij ieder
een raket, onder eenen voet, en gleeden dus terwijl ze den anderen van
tijd tot tijd op de schaats van de slêe plaatsten. Ik twijffel of 'er
wel een meer vermoeijender arbeid is, en waar toe meer kragts en
hebbelijkheid vereischt word.