Omtrent de Bolcheretsksche vrouwen, die zich in onze gezelschappen

begaven, en die meestendeels van gemengd bloed of van vader en moeder

Russen gebooren waaren, merkte ik op dat derzelver gedaante in het

algemeen niet onbevallig was, ik zag 'er zelfs verscheiden, die voor

fraaij konden doorgaan; dog de jeugd is bij haar niet van langen duur,

het zijn zeker de kinderen, of de moeijelijke arbeid, waar aan ze

onderworpen zijn, die haar bijna in den bloei haarer jaaren doen

verwelken. Derzelver inborst is vrolijk en van eene scherpzinnige

levendigheid, mogelijk een weinig ten koste van de welvoeglijkheid, zij

zoeken uit zich zelfs het gezelschap te vermaaken door alles wat haare

vrolijkheid en haare spelen haar aan de hand kunnen geeven; zij beminnen

den zang en het geluid van haare stemmen is zagt en vrij aangenaam; het

zou alleen te wenschen zijn, dat haare musiek minder na den smaak van

het land ingericht was, of meer de onze evenaarde. Zij spreeken het

Russisch en het Kamschatsch, dog zij behouden alle de uitspraak van de

laatste taal. Ik verwachtte niet om hier Poolsche en nog minder om hier

contredansen in den Engelschen smaak te zien danssen: wie zou gelooven

dat men 'er zelfs een denkbeeld van de menuet had? Het zij, dat mijn

verblijf geduurende zes en twintig maanden op zee, mij minder de

gebreken deed beschouwen, het zij, dat de herinneringen, welke dit

schouwspel mij voor den geest bragt, mijne oogen verbijsterden, ik vond

altans dat deeze dansen met vrij veel naauwkeurigheid en meerdere

bevalligheid uitgevoerd wierden dan ik mij zou hebben kunnen verbeelden.

De danseressen, waar van hier gesproken word, zijn zo trots, dat ze de

Kamschatsche zangen & danssen met verontwaardiging beschouwen. Om een

einde te maaken van mijne bespiegelingen op deeze danspartijen, zal ik

'er bijvoegen, dat de opschik deezer vrouwen zeer zorgvuldig in acht

genomen word, zij kleeden zich met al het bevallige wat zij bezitten of

met het geen zij het kostbaarste achten. De kleederen tot deeze

danspartijen en plegtigheden geschikt zijn voornaamelijk van zijde, en

men heeft op het artikel van den handel kunnen zien, dat deeze kleeding

haar zeer veel kost. Ik zal dit verhaal eindigen met eene aanmerking,

die ik gelegenheid had te maaken, zo in deeze gezelschappen als in die

der Kamschatters, welke ik vervolgens bijwoonde, namelijk, dat het

grootste gedeelte der Russische mans, en ook der Inboorlingen, niet

jaloersch schijnt; zij sluiten gewillig de oogen omtrent het gedrag

hunner vrouwen, en zijn op dit stuk zo handelbaar, als immers weezen

kan.

1787. _December_ Te Bolcheretsk.

Feesten & dansen der Kamschatters.

De Kamschatsche gezelschappen en feesten, waar ik mij bevond, bezorgden

mij een ander schouwspel, even aartig door deszelfs bijzonderheid. Ik

weet niet wat mij meer trof, de zang of de dans; deeze scheen mij veel

na die der wilden te gelijken, ze bestaat in op de maat beweegingen te

maaken, of veel eer in onaangenaame, en moeielijke draaijingen en

wendingen, terwijl zij ter zelfder tijd een schor en gedwongen geluid

opheffen, dat gelijk is aan een onafgebrooken hik, om de maat

aanteduiden van het lied, het welk het gezelschap zingt, en waar van de

woorden meesttijds zonder zin zijn, zelfs in 't Kamschattisch. Ik

schreef een deezer liederen op, het welk ik meen hier te moeten

plaatzen, ten einde een denkbeeld van den zang en de maat deezer

volkeren te geeven.

[Illustratie: _Da-ri-a, Da-ri-a, da, Da-ri-a, ha, nou Da-lat-sché

Damatsché, kann-ha, koukha._

Da Capo.]

Het welk betekent,

_Daria_[49], _Daria zing en dans nog eens._

[49] _Daria is een Doopnaam die men aan de meisjes in Rusland geeft._

Dit zelfde lied word tot in het oneindige herhaald.

Zij beijveren zich vooral, om in hunne dansen de verschillende beesten,

waar ze jagt opmaken, na te doen, als de patrijzen en anderen, dog

voornamelijk den beer; zij vertoonen zijnen lompen en loggen gang, en

zijne verschillende gewaarwordingen of de toestanden waarin hij zich

bevind, namelijk, de jongen rondom de moeder, het liefdespel der

mannetjes met de wijfjes, eindelijk derzelver boosheid, wanneer ze daar

in gestoord worden. Deeze volkeren moeten wel eene zeer volkomene kennis

van dit dier hebben, zij hebben, het is waar, menigvuldige gelegenheden

om hem waar te neemen, en zonder twijffel maaken zij 'er een bijzondere

studie van, want ze bootzen alle de beweegingen zo wel na als ik geloof

dat maar mogelijk is. Ik vroeg aan Russen, welke die dieren beter kenden

dan ik, als zijnde in hunne jagtpartijen meer gewoon met dezelve te doen

te hebben, of deeze nagebootste danzen wel uitgevoerd wierden, zij

verzekerden mij allen, dat het moeite zou kosten om in het land

bekwaamer dansers te vinden, en dat het geschreeuw, de gang, en alle de

gestaltens van den beer zo wel nagevolgt waaren, dat men 'er zich in

vergissen zou; echter zijn, onder het welneemen van de liefhebbers,

deeze dansen na mijn oordeel niet minder vermoeijend voor de

aanschouwers als voor de vertooners; men lijdt wezentlijk wanneer men

deeze dansers zich ziet ontheupen, alle de leden verstuiken, eindelijk

zich uit den adem werken, en dit alles om het groote vermaak, 't welk

zij in deeze klugtige dansen genieten, uittedrukken, die, ik herhaal

het, zeer de belaggelijke vermaaken der wilden gelijken; in veel

opzichten kunnen de Kamschatters in denzelfden rang geplaatst worden.

Beeren jagt.

Na verhaald te hebben, met welke kunst deeze volkeren de gebaarden en

alle de beweegingen van den beer nabootzen, dien men eenigermaate hunnen

dansmeester kan noemen, zou het nu niet de geschiktste gelegenheid zijn

om een denkbeeld van de wijze te geeven, waar op zij op dit dier ter

jagt gaan? Zij vallen hem op verschillende manieren aan, somtijds leggen

zij hem strikken; onder eenen zwaaren val, in de hoogte opgehouden door

eene genoegzaam verheven steigering, plaatzen zij het een of ander

lokaas om den beer derwaarts te trekken, deeze heeft het zo dra niet

gerooken en gemerkt, of hij gaat voorwaards om het te verslinden;

terzelver tijd doet hij het zwakke steunzel van den val waggelen, die

hem op den hals valt, en hem voor zijne gulzigheid straft, met hem den

kop en somtijds het geheele lighaam te vermorzelen; dusdanig heb ik 'er

zedert, wanneer ik door bosschen kwam, in deeze valstrikken zien vangen;

dezelve blijven staan tot dat 'er een beer in gevangen is; voor dat dit

gebeurt loopt 'er somtijds bijna een jaar voorbij. Men zal zeggen, dat

deeze manier van de beeren te vangen geene groote kloekmoedigheid nog

veel vermoeijenis van de jagers vereischt, dog 'er is een andere die in

dit land veel in gebruik is, en tot welke men ligt begrijpen kan, dat zo

veel sterkte als moed vereischt word. Een Kamschatter gaat verzeld of

alleen uit om een beer te ontdekken, hij heeft geen wapenen dan alleen

zijn snaphaan, een soort van karabijn, waar van de kolf zeer dun is,

voorts een lans of spriet en zijn mes. Al zijn voorraad bepaalt zich tot

een klein pakje, bevattende een twintigtal gedroogde visschen. In deeze

ligte uitrusting dringt hij door het digtste der bosschen en in alle de

plaatzen die tot een leger voor dit dier kunnen verstrekken. Gewoonlijk

is het in de struiken of in de biezen, aan de oevers der meiren of

rivieren, dat zij zich plaatzen, en het dier met standvastigheid en

onverzaagtheid afwachten; indien het nodig is zal hij dus een geheele

week in hinderlaag blijven leggen, tot dat de beer verschijnt; zo dra

hij denzelven onder zijn schot heeft, plaatst hij op den grond een

houten vork, die ter ondersteuning van zijn snaphaan dient[50]. Met

behulp van deeze vork verkrijgt het oog meerder juistheid in het

treffen, en de hand meerder zekerheid: het is zeldzaam, dat hij zelfs

met een vrij kleine kogel het beest niet raakt, het zij in den kop, of

in de schouders, deszelfs gevoeligste plaats; dog hij moet in het zelfde

oogenblik wederom laaden, want zo het eerste schot hem niet ter neer

geworpen heeft, loopt het beest aanstonds toe[51] om zich op den jager

te werpen, die niet altoos den tijd heeft van een tweede schot te doen;

als dan heeft hij toevlucht tot zijn lans, waar mede hij zich in der

haast wapent, om zich tegen het verwoed beest, dat hem op zijn beurt

aanvalt, te verweeren. Zijn leeven is in gevaar[52], indien hij den beer

geen dodelijken steek toebrengt; en men kan begrijpen, dat in deeze

gevegten de mensch niet altoos de overwinnaar is, dit schrikt nogtans de

bewoonders dezer streeken niet af, om 'er zich bijna dagelijks aan bloot

te stellen; zij hebben te vergeefsch de menigvuldige voorbeelden van

hunne landgenooten die daar bij omkomen voor oogen; zij kunnen daar en

boven nimmer op deeze jagt gaan, zonder te denken dat ze overwinnen of

sterven moeten; en nooit schrikt echter het denkbeeld van deeze harde

keus hen af, of houd hen tegen[53].

[50] De Kamschatters kunnen zonder zodanig steunpunt niet schieten,

het geen ondertusschen zeer langduurige toebereidzelen vordert, en

blijkbaar strijdig is met de snelheid, die het grootste voordeel van

een jager uitmaakt.

[51] Het gebeurt ook dikwils, dat men hem de vlugt ziet neemen,

niettegenstaande zijne kwetsuur die hij in de doornhaagen of moerassen

gaat verbergen, het is daar dat, wanneer men het spoor van zijn bloed

volgt, men hem dood of stervende wedervind.

[52] Men verzekerde mij, dat de beer wanneer hij zijn aanvaller

overwint, hem het vel van het bekkeneel aftrekt, zijn aangezicht 'er

mêe bedekt, en dan heen gaat. Volgens het zeggen der Kamschatters,

duidt de wraak van dit dier aan, dat hij het gezicht van den mensch

niet verdragen kan; dit belaggelijk vooroordeel onderhoud onder hen

het denkbeeld van hunne meerdere verhevenheid, en geeft na mijne

gedagten reden van derzelver moed.

[53] Zij onderneemen deeze jagt in alle de jaargetijden, uitgezonderd

wanneer de sneeuw de velden bedekt; als dan hebben zij een andere

manier om den beer te vervolgen. Men weet dat hij zich s'winters in

het hol begeeft het geen hij zich geduurende den herfst van takken

gemaakt heeft, hij brengt daar den guuren tijd door met slaapen of met

zijn poot te likken; het is hier dat de Kamschatters op hunne sleeden

hem gaan aanvallen met behulp van hunne honden, die hem bespringen en

noodzaaken om op zijn verdediging te denken; hij begeeft zich uit

zijne schuilplaats en loopt in een bijna zekeren dood; zo hij weigert

er uit te komen, vind hij eveneens den dood onder de puinhoopen van

zijn hol.

Jagt.

Zij jaagen bijna op dezelfde wijs de andere gediertens, als de

rendieren, de argalis of wilde bokken in het Russisch genaamd

_diki-barani_, de vossen, de otters, de bevers, de sabelmarters, de

haazen[54] enz., dog nimmer hebben zij dezelfde gevaaren te vreezen;

somtijds bedienen zij zich van vallen, van hout of ijzer gemaakt, minder

groot dan die ze voor de beeren stellen, en ten opzichte van de

eenvoudige zamenstelling, veel gelijkende naar onze wezelvallen; de

eenigste voorzorg, die men gebruiken moet, bestaat daar in om ze van

tijd tot tijd na te gaan zien. Somtijds gaan ze zich gewapend

verschuilen, gelijk ik reeds gezegt heb, en de eenigste zwaarigheid, die

ze doortestaan hebben, word veroorzaakt door de langduurigheid van

derzelver jagt, wanneer ze geen voorraad van spijs meer hebben. Dikwils

onderwerpen ze zich om geduurende verscheide agtereenvolgende dagen

honger te lijden, liever dan de plaats te verlaaten, zonder het beest,

dat ze vervolgen, gedood en gevangen te hebben; dog zij stellen zich

ruim schadeloos voor dit vasten, met op de plaats het gejaagde op te

eeten[55] en in blijdschap de vellen te tellen, die zij daar door

bekomen.

[54] Men kan bij Cooke de beschrijving deezer dieren vinden.

[55] Zij vinden veel smaak in het vleesch van de beeren, wilde bokken

en rendieren, voor al in het laatste, dit heeft ook dikwils mijn

voornaamste geregt uitgemaakt.

Om op deeze dieren, die in Kamschatka overvloedig zijn, ter jagt te

gaan, kiezen zij de jaargetijden, waar in derzelver hair het schoonste

is; in het begin van den winter jaagt men de sabelmarters. Deeze

bewoonen gemeenlijk de boomen, men onderscheid ze aan dat gedeelte van

't hair dat het digtst aan het vel is, het geen de couleur en den naam

heeft van die boomen, waar op ze zich het meest ophouden, als de berken,

mastboom, &c.

De herfst, winter en lente zijn de gunstigste jaargetijden voor de

vossen jagt; men onderscheid ze in vierderlei soort als 1. de vos van

een witachtig ros, die het minst geacht word, 2. de roode vos of van

eene fraaije rosheid, 3. de vos gemengeld met ros, zwart en grijs, die

_seva-douschka_ genaamd word, 4. de zwarte vos die het zeldzaamste is en

waar van men het meeste werk maakt; deszelfs couleur is zuiver donker

zwart, men vind alleen, dat de langste hairen van den rug somtijds aan

de uiterstens eene grijsachtige couleur hebben, daar zijn 'er wier

waarde niet te schatten is. Eindelijk geloof ik dat men nog twee andere

soorten van vossen zou kunnen tellen, dog die men hier daar niet voor

houd, en welke wij de blaauwe en witte vos noemen; derzelver naamen zijn

in 't Russisch _golouboij_, _pessets_ en _beloij-pessets_, hun hair is

veel dikker dan dat van de anderen. In 't algemeen zijn de vossen van

het vaste land veel fraaijer dan die in de Eilanden oostwaards

gelegen[56] gevangen worden; ze worden oneindig duurder verkogt.

[56] Dit zijn de Aleutiaansche, Schoumaginsche, Vossen en andere

Eilanden.

De jagt op de rendieren word in den winter ondernomen, en die der

argalis in den herfst. De otters zijn hier ook zeer zeldzaam, dog daar

is een redelijk groot aantal hermelijnen, en ik weet niet, waarom men

zich de moeite niet geeft, van die te vangen; het schijnt dat men er

geen werk van maakt.

Vischvangst.

Deeze volkeren verrichten ook derzelver vischvangst in verschillende

jaargetijden, die der salm en forellen geschied in junij, die van den

haring in april en maij, en eindelijk, die van den zeewolf in den zomer,

de lente en vooral in den herfst.

Zij bedienen zich zeldzaam van een zegen, dog bijna altoos van de

gewoone netten[57], of van een soort van harpoen, waar van ze met zeer

veel handigheid gebruik maaken; de zegen word zelden uitgeworpen dan om

zeewolven te vangen, dezelve zijn van lederen riemen gemaakt, en de

maazen zeer groot; zij hebben nog een andere manier van visschen

namelijk met de rivier door paalen en takken aftesluiten, welke zeer

digt in een gevoegd zijnde aan den visch maar een kleinen doortogt

geeven; somtijds laat men 'er verscheide in, aan welkers openingen

mandens geplaatst worden, zodanig ingerigt dat de visch 'er eens in

zijnde daar niet weder uit kan.

[57] Hunne netten zijn van garen even als de onze, dit koopen zij van

de Russen, en vervaardigen het ook zelfs van brandnetels, waar van ze

een aanzienlijke verzameling opdoen, zij plukken dezelve in den

herfst, binden ze aan bossen, en leggen ze onder hunne balagans te

droogen. Zo dra zij hunne vischvangst en de inzameling der vrugten

verricht hebben, werken zij aan derzelver bereiding: zij splijten in

tweeën, vervolgens haalen zij 'er met de tanden behendig de schel af,

het overige word geklopt en geschud, tot dat de vezels schoon en

geschikt voor het spinnen worden.

De paarden zijn 'er zeldzaam.

De paarden zijn niet zeer gemeen in Kamschatka, ik zag 'er eenigen te

Bolcheretsk, die aan de regeering toebehooren, en die aan de zorg der

Cosakken toevertrouwd zijn; ze dienen alleen maar geduurende den zomer

tot vervoering der koopwaaren en goederen van de kroon, als mede tot

gemak der reizigers.

Honden.

Daar en tegen, zijn de honden overvloedig in dit land, en worden tot

alle vervoeringen gebruikt, het nut dat ze den Kamschatteren

aanbrengen, maakt deeze minder gevoelig voor het gemis van andere

huisdieren. Daar en boven heeft men gezien, dat het voedzel voor deeze

loopers nog moeijelijk te verkrijgen nog kostbaar is, met dezelven

verrotten of het overschot van gedroogden visch te geeven kunnen hunne

meesters volstaan, en dit geeven zij ze nog niet eens, dan geduurende

den tijd, dat ze hun van dienst zijn; des zomers, het geen de tijd is,

wanneer die dieren niets te verrichten hebben, is het gebruik om zich

van een groot gedeelte te ontdoen, aan welke men zelfs de zorg overlaat

voor hun bestaan; deeze honden weeten daar zeer wel in te voorzien, met

zich door de velden te verspreiden en langs de meïren en de rivieren te

zwerven. Derzelver oplettenheid om vervolgens bij hunne meesters

wedertekoomen is eene der verwonderlijkste proeven van de getrouwheid

deezer dieren; de winter daar zijnde, betaalen zij de vrijheid en de

korte rust die zij genoten hebben, zeer duur; hun arbeid begint met

hunne slavernij, deeze honden moeten uitermaaten sterk zijn om dien te

draagen, hunne grootte is nogtans niet buitengemeen, ze gelijken vrij

wel aan de berg of herders honden in Frankrijk. Er zijn geene Russische

inwoonders of inboorlingen die niet ten minsten vijf honden bezitten,

zij bedienen zich daar van om mede te reizen, om in de bosschen te gaan

houthakken, om het zelve even als hunne andere goederen en voorraad te

vervoeren; eindelijk, om de reizigers van de eene plaats naar de andere

te brengen; en waarlijk, paarden zouden hun van geen meer dienst kunnen

zijn. Deeze honden zijn doorgaans twee aan twee voor één sleede

gespannen[58], één alleen is aan het hoofd en dient voor leidsman, het

is voor dien, welke het beste geleerd is of de meeste kennis bezit, dat

deeze eer bewaard is; hij begrijpt wonderlijk wel de uitdrukkingen, met

welke de geleider hun weg bestiert; wil hij ze ter regter kant doen

gaan, roept hij dezelve toe _tagtag_, _tagtag_, en _kougha_, _kougha_,

indien men links moet. De verstandige hond verstaat het aanstonds, en

geeft aan de geenen die hem volgen, het voorbeeld van gehoorzaamheid;

_ah_, _ah_ doet hen stille staan, en _ha_ doet hen vertrekken. Het

getal der voorgespanne honden is evenredig aan den last van de sleede;

wanneer die het gewigt van den man welke ze beklimt niet veel te boven

gaat, noemt men dit een gewoone sleede of _sannka_[59], het voorspan

bestaat als dan in vier of vijf honden. Derzelver tuig[60] is van leer;

het gaat onder den hals door, dat is te zeggen, over de borst van deeze

dravers, en is aan de sleede door een lederen riem van drie voeten lang

gehegt op de wijze van een trek-zeel, men maakt ze daar en boven door

koppelbanden aan den halsband, den een aan den anderen vast; meesttijds

is die halsband met een beerevel overtrokken, het welk tot cieraad

dient.

[58] Zij ondergaan even als de paarden de ontmanning, dog op eene

andere manier. Men haald de ballen niet uit, maar men verbrijzeld ze,

en men bediend zich hier toe van de tanden; eenige sterven 'er van,

anderen worden 'er van verminkt en geraaken buiten staat om dienst te

kunnen doen. Echter begrijpt men dat het onmogelijk zou zijn om van

deeze honden zo veel gebruik te maaken, indien ze ongesneeden waaren,

als dan zou men ze met haar wijfjes niet kunnen aanspannen; dog men

snijd al de mannetjes niet; men houd er een zeker getal van tot

bewaaring van het ras, en vrij dikwils bediend men er zich van op de

jagt.

[59] De sleeden waar op men gewoon is de reisgoederen te laaden worden

_narta_ genaamt, voor deeze spant men tien honden.

[60] Deeze Kamschatsche tuigen worden ALAKI genaamt.

Sleeden.

De gedaante der sleeden is als van een langwerpige mand, waar van de

twee uiterstens zich boogsgewijs verheffen, deszelfs lengte is omtrent

drie voet, en de breedte heeft zelden meer dan één voet; deeze soort van

mande, die het lighaam van de sleede uitmaakt is van zeer dun hout, de

randen staan wijder uit en zijn vercierd met riemen van verschillende

couleuren, een beerevel legt uitgestrekt op de plaats waar de man gaat

zitten. Dit verheven gedeelte van de sleede is omtrent drie voeten van

den grond af, en draagt op vier stijlen of beenen; deeze wijken na om

laag uit, en zijn op twee evenwijdige planken van drie a vier duimen

breed vastgemaakt. Die planken zijn van weinig dikte, dog langer dan het

lighaam van de slêe; aan deeze dienen ze beide voor steunpunten en tot

schaatzen; tot dat einde zijn ze wanneer het dooid elk van onderen van

drie a vier plaaten van walvischbeen van dezelfde breedte voorzien en

aan deeze schaatzen vastgemaakt met leederen banden. De twee einden,

welke deeze planken van vooren vertoonen, zijn na boven omgekromt, en

voegen zich aan iedere kant met de dwarsplank, die ter zelfder tijd

nederwaarts gaat om een gedeelte van het reisgoed te draagen; het

voorste van de sleede is ook voorzien met loshangende leisten, of

lederen riemen die van geen het minste gebruik zijn. De geleider heeft

niets anders in de hand dan een krommen stok, die hem te gelijker tijd

tot een stuur en zweep dient. Aan het eene einde van deezen stok zijn

ijzeren ringen vastgemaakt, zo tot cieraad als om de honden

aantemoedigen, door het geluid van dit soort van schelletjes, die men

van tijd tot tijd schud; het andere eind is somtijds van een ijzeren

punt voorzien, ten einde meer kragts op het ijs en de sneeuw te kunnen

doen; ze dient ook om den ijver van deeze dieren te bestuuren. Die

geenen, welke wel geoeffend zijn, hebben niet nodig de stem te hooren;

het is genoeg van met deezen stok op de sneeuw te slaan om ze links te

doen gaan, of op de beenen van de slêe om ze ter regter zij te doen

afwijken, en om ze te doen stil houden, plaatst men die voorwaarts

tusschen de slêe en de sneeuw; eindelijk zo hun loop verflaauwt, zo ze

afgetrokken en onoplettend worden, van de teekens, of op de stem, straft

men ze met hun dien stok toetewerpen[61], dog dan heeft men de grootste

behendigheid nodig om denzelven niettegenstaande den snellen loop, weder

opteraapen, en dit is eene der voornaamste blijken van de bekwaamheid

des geleiders; de Kamschatters zijn zonderling behendig in deeze

oeffening. In 't algemeen was ik over derzelver vlugheid in het rijden

met hunne sleeden verwonderd; en daar ik welhaast zo als reeds gezegd

is, maar al te veel van dit rijtuig zou moeten gebruik maaken, meende ik

daar van dikwijls een proef te moeten neemen, minder met oogmerk van 'er

mij aan te gewennen, dan wel om mij zelfs te leeren geleiden. Te

vergeefsch stelde men mij de gevaaren voor, waar aan ik mij

blootstelde, wanneer ik mij alleen op een slêe wilde waagen, voor en

aleer ik genoegzaame hebbelijkheid bezat, om zonder leidsman te kunnen

weezen; op mijne jaaren kent men zich tot alles in staat; ik luisterde

na geene waarschuwingen.

[61] _Deeze stok word_ OSCHTOL _genaamd_.

De ligtheid van het rijtuig, naauwlijks tien ponden wegende, deszelfs

hoogte, die ze meerder geschikt maakt tot omvallen, de moeijelijkheid om

'er het evenwigt op te bewaaren, eindelijk de gevolgen, die een val kan

hebben, wanneer de sleede voortholt[62], alle deeze bedenkingen, die men

niet naliet mij voor oogen te stellen, konden mij niet bevreesd maaken,

nog afschrikken van eene zo gevaarlijke oeffening. Ik zette mij eens op

mijn nieuwen wagen, echter toestemmende dat men mij volgen zou, en

verscheide sleeden verzelden mij. De geenen die 'er opzaten, behoefden

niet lang te wachten, om mij hunne voorzeggingen te zien vervullen; ik

gaf hun op een weinig afstands reeds de vertooning van een geheele

omtuimeling; naauwlijks opgericht, of weer op nieuw gevallen, en een

vernieuwd geschater van lagchen: niettegenstaande dit alles verloor ik

den moed niet, en stond schielijk op om een oogenblik daar na weder

omtevallen. Ik had alle reden van mij tegen deeze onaangenaamheid te

wapenen, want bij verscheide herhaalingen betaalde ik den tol van mijne

onervarendheid; ik viel bij deeze eerste proef zeven maal, zonder mij

ooit te bezeeren; ik wierd des te vuuriger om een tweede les te neemen,

vervolgens een derde, en een vierde, eindelijk gingen 'er weinig dagen

voorbij zonder eenigen togt te doen. Het getal mijner tuimelingen

verminderde, naar maate ik 'er meer hebbelijkheid en wetenschap van

bekwam, en mijne vorderingen deeden mij zodanige liefhebberij in die

oeffening verkrijgen, dat ik mij in weinig tijds een soort van roem

verwierf. Ik erken, dat het mij moeite gekost heeft, om mij te gewennen,

van de nodige regtstandigheid te bewaaren. Men moet om zo te spreeken in

eene geduurige beweeging zijn, hier zich ter linkerzijde overwenden,

wanneer de slêe ter regter afwijkt; daar, zich vrij spoedig op de regter

kant werpen, om dat ze ter slinker zijde overhelt, vervolgens regt

opstaan in andere gevallen, en zo men vaardigheid of oplettenheid mist,

is het te verwonderen dat men niet aanstonds ombuitelt. Wanneer men

valt, moet men echter de slêe niet verlaaten, dog 'er zich op zijn best

aan vasthouden, ten einde een voldoende zwaarte te maaken om de honden

optehouden, die zonder dat aan het hollen zouden raaken, gelijk ik reeds

gezegt heb. De meest gebruikelijke manier van zich op een slêe te

plaatsen, is om er ter zijden op te gaan zitten, even als onze vrouwen

te paard rijden; men kan 'er zich ook schrijlings op zetten, dog die

richting, waar de meeste kracht toe nodig is, het _nec plus ultra_ der

bekwaamheid en bevalligheid, bestaat daar in, om zich over eind op één

been te kunnen houden; zij, die in deeze luisterrijke houdingen recht

ervaaren zijn, maaken een fraaie vertooning.

[62] Wanneer de honden het zelfde gewigt niet meer gewaar worden,

geraaken ze in zulk eene drift, dat ze somtijds niet eer ophouden,

voor dat de slêe tegens een boom verbrijzeld is, of hunne krachten

uitgeput zijn.

Manier waar op men ter Haazen & Patrijzen jagt gaat.

Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz. · 第 5 / 31 段