Alle deeze luiden, zo Russen als Kosakken, onder welke Mesticen gevonden

worden, drijven een heimelijken handel dan met het eene en dan met het

ander; dit verschilt zo menigmaal als de gelegenheid hun het denkbeeld

doet gebooren worden om te veranderen, maar het is nooit met

vooruitzichten van zich door eerlijke wegen te verrijken; derzelver

vlijt bestaat alleen in eene geduurige schelmerij, ze gaat niet verder

dan om dagelijks de arme Kamschatters te bedriegen, welker

ligtgelovigheid en onverwinlijke neiging tot de dronkenschap hen zonder

onderscheid aan de genade van deeze gevaarlijke roovers overgeeven;

deeze, op het voorbeeld van onze kwakzalvers en andere gaauwdieven van

dat soort, gaan van dorp tot dorp de maar al te onnozele Inboorlingen

verstrikken; zij stellen hun voor om hun brandewijn te verkoopen, dien

zij listiglijk hun ter proef aanbieden; het is bijna onmogelijk voor een

Kamschatter, het zij man of vrouw, om dit aanbod te wederstaan; men

begrijpt dat de eerste proef van veele anderen gevolgt word, welhaast

worden de hoofden verhit, raaken op hol, en de loosheid der verkoopers

weet zich ter zelfder tijd van het overige hunner waar te ontdoen.

Naauwljks hebben zij hun oogmerk bereikt met de koopers dronken te

maaken, of zij weeten van deezen het kostbaare dat ze bezitten in

ruiling te bekomen, namelijk al het bontwerk het geen zij maar hebben,

en dikwils is dit de vrugt van hun arbeid geduurende een geheel

jaargetij, het welk dienen moest om de schatting aan de kroon te

betaalen, of anders door verkoop het bestaan van het huisgezin moest

opleveren, dog geene bedenkingen weerhouden een Kamschatter, die aan het

drinken is; alles is vergeeten, en niets is hem te dierbaar om zijn lust

te voldoen. In deeze redenloosheid laaten deeze ongelukkigen zich in een

oogenblik alles ontneemen, en het voorbijgaande vermaak van eenige

maaten brandewijn te leegen[38] dompelt hen in de uiterste armoede,

zonder dat immer de treurige ondervinding hun leert van in het vervolg

op hunne hoede te zijn tegens hunne eige zwakheid, of tegen de behendige

trouwloosheid van deeze Kooplieden, die wederom op hun beurt al den

winst, die ze door hunne schelmerij verkreegen hebben, verdrinken.

[38] Men weet dat dit de heerschende neiging is bij alle Noordsche

volkeren, dog ik heb meer dan eens gelegenheid gehad om optemerken,

dat de Kamschatters daar in voor geen ander volk onderdoen; ziet hier

onder anderen een trek, dien men mij op de plaats verhaald heeft, om

mij te doen oordeelen van de roofzucht dezer zwervende Koopluiden, en

van de domme milddadigheid der geenen, die door hun bedrogen worden.

Een Kamschatter had een sabelmarter voor een glas brandewijn

afgestaan; brandende van begeerte om nog een ander te drinken,

verzoekt hij den kooper om in zijn huis te komen, deeze bedankt en

zegt haast te hebben, de drinker doet op nieuw aanzoek en staat een

tweeden koop voor, op dit woord laat de ander zich overhaalen. = "Nog

een glas voor deeze marter, ze is fraaijer als de eerste. = Neen ik

moet mijn overigen brandewijn bewaaren, ik heb beloofd ze op die

plaats te verkoopen en ik vertrek. = Nog een oogenblik, ziet daar twee

marters. = Dat lijkt 'er niet na. = Wel nu! ik zal 'er de derde

bijvoegen. = Kom aan drink". Ter zelver tijd wierden de drie marters

opgevat, en de Koopman houd zich op nieuw als of hij gaan wil, zijn

hospes verdubbeld zijne vriendelijkheden om hem te houden; hij vraagt

een derde glas, bij iedere nieuwe weigering een nieuw aanbod, hoe meer

de koopman zijn waar op prijs houd, hoe meer de Kamschatter stout

aanbied; wie zou kunnen gelooven, dat hij eindelijk voor dit laatste

glas zeven Sabelmarters van de grootste schoonheid opoffert? dit was

alles het geen hem nog overbleef.

Koophandel in het algemeen.

Om dit artikel van den Koophandel te eindigen, zal ik er nog bijvoegen,

dat die geenen, welke denzelven door het geheele schier-eiland

Kamschatka meer in het groot drijven, niet anders zijn, dan de

bediendens der Kooplieden van Totma, Vologda, groot Ustiug, en van

verscheidene steeden uit Siberien, of wel factooren van andere

vermoogende lieden, die tot zoo ver toe hunne uitzichten in den handel

uitstrekken.

Alle de Koopmanschappen en levensbehoeftens, welke de noodzaaklijkheid

hun verplicht opteslaan, worden 'er uitermaaten duur verkogt, en wel

omtrent tien maal boven derzelver vasten prijs te Moscou; voor de

_vedro_[39] fransche brandewijn wordt hier tagtig Roubels betaald; de

verkoop hier van is aan de Kooplieden geoorloft; dog de Koornbrandewijn

die van Okotsk komt, en die welke in het land met _slatkaïa-trava_ of

zoet gras word gemaakt, worden voor rekening van de regeering verkogt,

tegens een-en veertig Roubels en zes en negentig kopecks het vedro; men

kan deeze niet verkoopen dan in de _kabacs_ of herbergen, die daar toe

geschikt zijn; te Okotsk kost het vedro brandewijn uit graan gestookt

maar agttien roubels; waar uit blijkt, dat de kosten van de overvoering

op drie en twintig roubels zes en negentig kopecks kunnen beloopen, het

geen zeer buitenspoorig moet voorkomen. Dat men vervolgens hier uit den

winst beoordeele.

[39] Het _vedro_ is een maat, die op dertig a veertig pints flessen

komt.

De andere ingevoerd wordende waaren[40], namelijk die van Okotsk

gezonden worden, bestaan in Nankins en eenige Chineesche stoffen, en in

een meenigte zaaken uit de Russische en vreemde fabrieken getrokken, als

linten, doeken, koussen, mutzen, schoenen, laarzen en andere artikels

die tot de kleeding der Europeesche volkeren gebezigd worden, en die

hier, wanneer men de uiterste eenvoudigheid der Kamschatters zo in

kleeding als gewoontens in aanmerking neemt, tot overdaad strekken; men

voert ook nog in suijker, thée, een weinig coffij en wijn, beschuit,

ingemaakte of gedroogde vrugten, als pruimen, rosijnen &c, eindelijk

kaarssen, waschkaarssen, buskruid, loot &c.

[40] Boven heb ik verhaald, dat de uitvoer zich alleen tot het

bontwerk bepaalde; ze geschied voornamelijk door de handelaars, van

welken ik zoo even gewaagde.

De zeldzaamheid van alle deeze goederen in een zo afgelegen land, en de

nood-druft, die men 'er aan heeft, of die men 'er zich van maakt,

noodzaaken de bewoonders om ze tot die uitermaate hooge prijzen te

neemen, welke de schraapzucht des verkoopers aan dezelve hegt;

gewoonlijk kan die, zo dra ze aankoomen, dezelve ook kwijt worden; deeze

koopluiden houden winkels, zij bewoonen ieder één van die houten

huizen, die regt tegen over het wagthuis geplaatst zijn; deeze winkels

zijn dagelijks open, uitgenomen de feestdagen.

Leevenswijs der Inwoonders van Bolcheretsk en in het algemeen van de

Kamschatters.

De leevenswijs der Inwoonders van Bolcheretsk verschilt niet van de

Kamschatters; echter schijnen ze minder lust te hebben om in balagans te

woonen, en hunne huizen zijn een weinig zindelijker.

Kleeding.

De kleeding is een en dezelfde; het opperkleed, dat _parque_ genaamd

word, heeft de gedaante der overhembden van de voerlieden in Europa, het

is doorgaans van vellen van rendieren[41], of van andere beesten, die

aan den eenen kant bereid zijn; zij draagen daar onder lange broeken van

diergelijk leder, en op 't lighaam een zeer kort en naauw hemd van

Nankin, of van Catoen, de vrouwen hebben 'er van zijde, en dit is een

zeker soort van weelde onder haar; beide de sexen draagen laarzen, des

zomers zijn die van bereide geiten of honden vellen, en des winters van

zeewolven vellen of rendieren pooten[42]; de mannen draagen altoos

breede gevulde mutsen op het hoofd, in het beste Jaargetij trekken zij

een langer hemd aan van nankin, of van een vel zonder hair, dit is

gemaakt even als het parque, en dient hun ten zelfden gebruike, dat is

te zeggen, dat ze het over de andere kleederen aantrekken; het staatsie

en beste kleed, is een parque omzoomd met bevervel en fluweel, of van

andere diergelijke kostbaare stof en voering; de vrouwen zijn op

dezelfde wijs gekleed als de Russische vrouwen, de kleeding van deeze

laatste is genoeg bekend dan dat ik nodig zou hebben die te beschrijven,

ik zal maar alleen aanmerken, dat door de groote duurte van alle deeze

soorten van stoffen in Kamschatka, het toilet der vrouwen aldaar een

aanmerkelijke uitgaaf vordert; somtijds neemen zij ook de kleeding der

mannen aan.

[41] Zij bekomen deeze kleederen van rendieren vellen uit het land der

Koriaken.

[42] Deeze laarzen worden in de Kamschatsche taal genaamd,

_tor-bassi_.

Voedzel.

Het voornaamste voedzel van deeze volkeren bestaat, gelijk ik reeds

gezegt heb, in gedroogden visch; de mannen verzamelen zelfs den voorraad

van deeze hoofd-spijs, terwijl de vrouwen zich bezig houden met het

verrichten van het huishoudelijke, en het verzamelen der vrugten en

andere gewassen, die, na den gedroogden visch, de begunstigdste geregten

van de Kamschatters en Russen in deeze streeken zijn; wanneer de vrouwen

deeze inzameling voor den winter-voorraad gaan doen, zijn dit voor haar

zo veele feestdagen, ze vieren die met eene luidruchtige en ongebondene

vervoering van vreugde, die somtijds gelegenheid geeven tot klugtige en

meest altoos onbetamelijke voorvallen; zij verspreiden zich in menigte

al zingende door de velden, en geeven zich over aan alle de dwaasheden,

die de verbeelding haar ingeeft, nog vrees, nog schaamte wederhoud haar.

Ik kan deeze buitenspoorige uitzinnigheid niet beter afschilderen, dan

met ze te vergelijken bij de raazende heidensche bacchanten; wee den

man, die bij toeval derwaards komt en als dan in haare handen valt! hoe

kloek en fluks hij ook zijn mag, is het hem echter onmogelijk om zich

aan het lot dat hem bedreigt te onttrekken, het is zeldzaam, dat hij uit

het gevecht komt zonder een goede kastijding met roeden ondergaan te

hebben.

Wat de spijzen betreft, zie hier ten naasten bij hoe de Kamschatters ze

toebereiden, men zal uit dit verhaal kunnen oordeelen, dat men hen niet

kan verdenken van zeer lekker te zijn; ze weeten voor al, zich alles van

den visch te nutte te maaken. Zo dra ze gevangen is[43] haalen ze de

kieuwen uit, die ze met het grootste vermaak uitzuigen. Door eene andere

zuivering, uit zinnelijkheid of gulzigheid ontstaande, snijden ze 'er

dadelijk ook eenige geheel bloedende, en somtijds geheel bevrozene

stukken af, welke zij met greetigheid opslokken, vervolgens gaat men

voort met den visch te snijden, waarvan de graaten voor de honden

geschikt zijn; het overschot word bewaard en voor den winter gedroogt,

als dan eet men ze gekookt, gebraaden, geroostert, en meesttijds geheel

raauw.

[43] Ik zal in meer bijzonderheden over derzelver vischvangst treden,

wanneer ik van hunne manier van jaagen zal spreeken.

Dog het geregt, dat de hoofsche kenners het meeste beminnen, en dat mij

het walgelijkste toegescheenen heeft, is een zoort van salm genaamt

_tchaonitcha_; zo dra zij ze gevangen hebben, begraven ze die in een

kuil, zij laaten ze in deeze vreemde eetens-kas leggen, tot dat ze wel

tijd gehad heeft om te verzuuren, of om juister te spreeken, geheel te

verrotten; het is maar alleen op dat punt van bederf, dat ze de gunst

verkrijgt om tot de grootste lekkernij van dit volk te dienen. Na 't mij

voorkomt, is de bedorve lucht, die deeze visch van zich afgeeft,

genoegzaam om den uitgehongerden mensch aftetschrikken, en nogtans

vergast zich een Kamschatter met deezen verrotten visch geheel raauw op

te eeten; wat acht hij zich boven al gelukkig, wanneer hij den kop

heeft, dit is het uitsteekendste beetje, men snijd het in verscheide

stukken. Ik heb dikwils mijn afkeer zoeken te overwinnen, om van dit zo

gezogte geregt even te proeven, dan nimmer kon ik 'er toe besluiten, om

het in den mond te neemen, en zelfs niet om het maar aan den mond te

brengen; iedere reis veroorzaakte de stinkende lucht, die het van verre

verspreidde, mij walgingen, en eenen onweerstaanbaaren tegenzin.

Forellen en Salmen van verschillende soorten zijn de gemeenste visschen

in Kamschatka, men eet 'er ook zeewolven, en het vet van deezen visch is

zeer goed bevonden; men bedient 'er zich van tot het maaken van olie om

te branden.

Onder de verschillende gewassen, die mede tot het voedzel der

Kamschatters in aanmerking komen, maaken zij voornamelijk gebruik van de

saranawortel, wilden knoflook, slatkaïa-trava of zoet gras, en van

eenige planten en andere vrugten die ten naasten bij dezelfde zijn als

in Rusland.

De saranawortel is bij de Kruidkenners bekend[44], deszelfs gedaante,

dikte en couleur zijn in 't breede beschreeven in de derde reize van

Cook, deeze meel-achtige wortel dient in plaats van brood[45], men laat

dien droogen voor dat men ze kookt, dog op welke manier men die ook

toebereid, is ze altoos zeer gezond en zeer voedzaam.

[44] Onder deeze benaaming: LILIUM FLORE ATRO RUBENTE.

[45] De Kosakken gebruiken daarenboven nog roggemeel, ze maaken daar

van zwart brood gelijk aan dat der Russische boeren; de regeering

geeft hun eene zekere hoeveelheid van dat meel, dog zulks is altoos

onvoldoende, en zij zijn genoodzaakt om 'er zich op hunne eige kosten

van te voorzien; sommigen koopen dit op, om vervolgens op den voorkoop

te winnen.

Dranken.

Van den wilden Knoflook[46] maakt men een soort van zuuren en gegisten

drank, die een zeer kwaaden smaak heeft, het word ook nog in verscheide

sausen gebruikt; deeze volkeren houden daar zeer veel van.

[46] Men noemt die in Kamschatka _tscheremtscha_. Gmelin benoemt ze

dus: ALLIUM FOLIIS RADICALIBUS PETIOLATIS, FLORIBUS UMBELLATIS, _Vol.

I. p. 49._

De slatkaïa-trava of zoet gras is vrij aangenaam, wanneer het versch is.

De Engelschen hebben ook veele bijzonderheden van deeze plant

opgegeeven[47] waar van de inboorlingen des lands veel werk maaken,

vooral wanneer het overgehaald is. Weinig tijds na dat ze geplukt is

splijten zij dezelve door midden, en schrapen ze met een schelp af, ten

einde 'er de schil aftehaalen, zij laaten ze vervolgens voor den winter

droogen, en wanneer zij er zich van in derzelver ragouts willen

bedienen, doen zij ze kooken. De slatkaïa-trava of dit zoet gras wordt

ook gebruikt om brandewijn van te maaken[48] en in het land verkogt zo

als ik boven gezegt heb, voor rekening van de regeering, die deeze plant

van de Kamschatters koopt.

[47] SPONDILIUM FOLIOLIS PINNATIFIDIS. Ziet Linnaeus. Het sap het welk

uit het vlies of schil van deeze plant komt, is zo kwaadaartig, dat

men 'er met de hand niet kan aanraaken of deeze zwelt terstond op, ook

is men zeer zorgvuldig om handschoenen aantetrekken, wanneer men ze

plukt.

[48] Deeze brandewijn veroorzaakt nog veeleer dronkenschap als de

Fransche, wie er van drinkt, kan verzekert zijn van des nagts zeer

verhit te weezen, en den volgenden morgen naargeestig en ongerust,

even of hij iets kwaads verrigt had.

Inwoonders van Kamschatka.

Men telt drie soorten van inwoonders, de inboorlingen of Kamschatters,

de Russen en Kosakken, en de Mesticen of de bijzondere persoonen, welke

uit de vermenging van deeze twee geslagten gebooren zijn.

Inboorlingen.

De Inboorlingen, dat is te zeggen, die geenen, wier bloed niet vermengt

is, zijn weinig in getal; de Kinderziekte heeft 'er wel drie vierde van

weggenoomen, en het overschot is in de dorpen van het schier-eiland

verspreid, dog in Bolcheretsk zou men werk hebben om 'er één of twee te

vinden.

De eigentlijke Kamschatters zijn in het algemeen kleinder dan eene

gewoone lengte, zij zijn van eene dikke en breede gedaante, kleine en

diep ingezonken oogen, hangende uitsteekende wangen, een platten neus,

zwarte hairen, bijna geen baard, en een weinig bruin van couleur; die

van de meeste der vrouwen en derzelver gelaatstrekken, zijn ten naasten

bij het zelfde; men zal ze dus na deeze afbeelding voor geene

verleidelijke voorwerpen beschouwen.

De aart der Kamschatters is zagt en herbergzaam, zij zijn nog bedriegers

nog dieven, zij bezitten zelfs zo weinig geslepenheid, dat 'er niets

gemaklijker is dan om ze te bedriegen, wanneer men, gelijk gezegt is,

van hunne neiging tot de dronkenschap weet gebruik te maaken; zij leeven

onder zich zelfs in de beste eensgezindheid; het schijnt dat ze, naar

maate van derzelver klein getal, des te meer aan elkander verkleeft

zijn, deeze vereeniging doet hun zich onderling de hand bieden in het

verrichten van den arbeid, en het is geen gering blijk van derzelver

ijver, dat zij zich daartoe verpligten, indien men derzelver natuurlijke

luiheid, die uitermaaten groot is, in aanmerking neemt. Een werkzaam

leeven zou hun onverdraaglijk zijn: en het hoogste geluk in hunne oogen

bestaat, na dat van zich dronken te drinken, in niets te doen te hebben,

en te leeven in eene zagte zorgeloosheid; ze is zodanig bij dit volk

ingeworteld, dat ze hen de middelen, om in de noodzaaklijkste behoeftens

van het leven te voorzien, doet verwaarloozen. Men heeft des winters

meer dan eens huisgezinnen tot de vreesselijke uiterstens van

hongersnood gebragt gezien, om dat ze zich de moeite niet hadden willen

geeven van geduurende den zomer derzelver voorraad van visch gereed te

maaken, die nogtans voor hun het noodzakelijkste voedzel is. Indien ze

dus hun eigen bestaan vergeeten, begrijpt men ligtelijk, dat ze nog

minder zorg voor de zindelijkheid hebben, deeze bespeurt men nog aan

hun, nog in hunne wooningen, men zou hun veel eer kunnen verwijten, dat

ze daar omtrent in een tegengesteld uiterste vielen. Niettegenstaande

deeze zorgeloosheid en de andere gebreken der inboorlingen, is het

echter te betreuren, dat hun getal niet aanmerkelijker is, want volgens

het geen ik gezien heb, en het welk mij door verscheide persoonen

bevestigt is, moet men, om verzeekert te zijn van in dit land gevoelens

van eer en menschlievendheid aantetreffen, dezelve bij de eigentlijke

Kamschatters zoeken. Zij hebben derzelver boersche deugden nog niet

tegen de gepolijste ondeugden verwisseld, welke de Europeanen, die

geschikt waren om hen te beschaaven, tot hen overgebragt hebben.

Aanmerkingen over de zeden der Inwooners van Bolcheretsk.

Dog het is te Bolcheretsk, alwaar ik de uitwerkzelen van dien invloed

ben ontwaar geworden. Ik heb daar eeniger maate het spoor der

Europëesche zeden aangetroffen, minder evenwel in de vermenging der

geslagten, taal en de gelijkvormigheid der gelaatstrekken van de

Inwoonders, dan wel in derzelver geneigtheden en manier van bestaan, die

juist niet altoos een grooten trap van deugdzaamheid aanduiden; dit

aanmerkelijk onderscheid tusschen hen en de Inboorlingen komt alleen, na

mijn inzien, van de moeilijke leiding tot de beschaaftheid; en ziet

hier, waar op ik mijne gedagten omtrent dit onderwerp gronde.

Bolcheretsk was sedert korten tijd de hoofdplaats van Kamschatka, voor

al zedert dat de Commandanten het nodig geoordeeld hebben van aldaar hun

verblijf te vestigen. Deeze hoofden en derzelver gevolg bragten de

Europeesche wetenschappen en zeden derwaarts; men weet, dat die

doorgaans bij overlevering vervalscht worden, naar gelang dezelve meer

en meer van haaren oorsprong verwijderen; het is nogtans waarschijnlijk,

dat de Russische regeering zo veel mogelijk haar gezag en de uitvoering

haarer beveelen, niet anders toevertrouwde, dan aan Officieren van

bekende verdiensten, bij aldien ik ten minsten mag oordeelen uit die

geenen, welke daar mede tegenswoordig belast zijn; en dienvolgens moet

men gelooven, dat deeze bevelhebbers en andere officieren in de plaats

van hun verblijf geen andere voorbeelden gaven dan van deugd, kundigheid

en alle de achtingswaardige hoedanigheden der beschaafde volkeren.

Ongelukkig waaren de gegeven lessen niet altoos voldoende, dat is te

zeggen, dat ze niet al dat nut voortbragten, het geen men 'er van wagten

kon, 't zij, dat ze niet anders dan bij gevolgtrekking werkten en

derhalven niet genoeg de zinnen aandeeden, of liever dat ze zich niet in

haare volkomenheid konden verspreiden, en daar door alleen in de

gemoederen voorbijgaande of zelfs gebrekkige indrukzelen overlieten.

1787. _November_ & _December_ Te Bolcheretsk.

Deeze hervormers vonden denzelfden ijver niet in de Kosakken, die de

bezettingen uitmaaken, nog in de Kooplieden en andere Russische

emigranten, die zich in dit schier-eiland neergezet hebben. De neiging

tot ongebondenheid en de zucht tot winst, welke bijna altoos in een

overwonnen land door de volkplantingen der overwinnaars overgebragt

word, dusdanige gesteltheden, verder ontwikkelt door de gemaklijkheid

van luiden te vinden die bedrogen kunnen worden, moesten noodwendig den

voortgang der hervorming stremmen. De rampzalige kiemen van deeze

geneigtheden breidden zich te spoediger uit door de huwelijken, terwijl

de zaaden der gezellige deugden, welke men getragt had aldaar aan te

kweeken, ter naauwer nood vruchten voortbragten.

Hier uit is voortgesprooten, dat de inboorlingen, of eigentlijke

Kamschatters, vrij algemeen hunne onweetende eenvoudigheid en de ruwheid

hunner zeden bewaart hebben, en dat een gedeelte der andere Russische en

vermengde inwoonders, die zich bij voorkeur in het verblijf der hoofden

geplaatst hebben, wel eene flaauwe schemering van de Europëesche zeden

hebben behouden, dog niet het volmaaktste het geen deeze kunnen

opleveren. Men heeft 'er het bewijs reeds van gezien in het geen ik van

hunne grondbeginzels in den Koophandel gezegt heb, en ik ben in de

gelegenheid geweest van 'er nog beter van overtuigd te worden,

geduurende mijn verblijf te Bolcheretsk, door eene meer aanhoudende

bespiegeling van deszelfs inwoonders die, zonder dit bekleedzel, bijna

geheel aan de Inboorlingen zouden gelijken.

Danspartijen, gegeeven aan de Vrouwen te Bolcheretsk, en aanmerkingen

geduurende deeze Bals gemaakt.

De Heer Kasloff, en op zijn voorbeeld, alle de geenen die hem

vergezelden, gaven beurtelings aan de vrouwen van dit Ostrog verscheide

feesten of danspartijen; zij verscheenen 'er allen, telkens met zo veel

lust als genoegen. Ik had gelegenheid om te zien dat men mij niet

bedrogen had, wanneer men mij verzekerde, dat alle deeze vrouwen, de

Kamschatsche zo wel als de Russische, de vermaaken beminnen, zij zijn

'er zo verzot op, dat ze zulks niet kunnen verbergen. De dogters zijn

alle verbaazend vroeg huwbaar, en de koude luchtsgesteldheid schijnt

geen invloed op haar te hebben.

Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz. · 第 4 / 31 段